(Iets) meer duidelijkheid over Sky ECC-operatie

Sky Global was een Canadese aanbieder van versleutelde smartphones en de versleutelde berichtenapp “Sky ECC”. Het bedrijf installeerde versleutelingssoftware op iPhones, Google Pixels, Blackberry’s en Nokia’s. In 2021 had het bedrijf wereldwijd 70.000 gebruikers. Een toestel geconfigureerd voor het gebruik van de Sky ECC-app kostte tenminste € 729,-. Een abonnement op de Sky ECC app kostte € 2.200,- per jaar of € 600,- per 3 maanden.

Sky ECC is een chatapplicatie waarmee gebruikers op versleutelde wijze met elkaar kunnen communiceren en om dit te bereiken wordt PGP-software gebruikt. De applicatie wordt op een mobiele telefoon geïnstalleerd waarna, gebruikers met elkaar versleuteld kunnen communiceren. Bij Sky ECC kan dit alleen door middel van het uitwisselen van chatberichten. Ook is het mogelijk om foto’s en audioberichten uit te wisselen. Bellen is met een Skytelefoon niet mogelijk. Om van Sky ECC gebruik te kunnen maken krijgt iedere gebruiker een unieke combinatie van zes tekens welke bestaat uit cijfers en letters, de zogenoemde Sky-ID (User ldentifier). Dit unieke nummer is nodig om een gebruiker toe te voegen als contact.

Sinds februari 2021 kon de Belgische en Nederlandse politie de uitwisseling van versleutelde berichten live meelezen. In maart 2021 werden in België en Nederland invallen uitgevoerd, waarbij honderden mensen werden opgepakt en geld en drugs in beslag werden genomen. Volgens het OM zijn honderden miljoenen berichten (!) uitgelezen tijdens de operatie. In België alleen al zijn er naar verluidt meer dan 2.000 verdachten geïdentificeerd, waarvan er 360 aangehouden konden worden. Er lopen 268 strafonderzoeken waarin de gelekte berichten worden benut. Het gros daarvan, 192 zaken, zijn nieuwe dossiers dankzij de kraak (JDVS/RL, Al 2000 verdachten ontmaskerd na kraak misdaadtelefoons, HLN, 25 september 2021).

De CEO en werknemers van Sky Global werden in de Verenigde Staten aangeklaagd wegens het opzettelijk faciliteren van criminele organisaties (zie bijvoorbeeld dit artikel ‘Arrest warrants issued for Canadians behind Sky ECC cryptophone network used by organised crime’). Sinds 19 maart 2021 is Sky Global niet meer actief.

Feiten uit de rechtspraak

Uit verschillende uitspraken kan nu een beeld worden verkregen van het onderzoek “Werl” en het onderzoek “26Argus” dat is gericht op Sky ECC en de daaraan gelieerde (natuurlijke) personen wegens de verdenking van deelname aan een criminele organisatie en (gewoonte)witwassen. Ik baseer mij daarvoor de volgende uitspraken ECLI:NL:RBAMS:2021:3825, ECLI:NL:RBMNE:2021:4480, ECLI:NL:RBOVE:2021:3689, ECLI:NL:RBAMS:2021:6866, ECLI:NL:RBROT:2021:12655 (de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2021 bevat de meeste feiten).

Onderzoek Werl

De rechtbank leidt uit de stukken af dat op 1 november 2019 het (Nederlandse) strafrechtelijk onderzoek Werl (naar het bedrijf SkyECC en de daaraan verbonden natuurlijke personen) is gestart. Ook in België en Frankrijk liepen in die periode strafrechtelijke onderzoeken tegen SkyECC. Het onderzoek Werl startte nadat in Frankrijk vanaf medio juni 2019 data van de toestellen van SkyECC waren verzameld met de inzet van een “interceptietool”, waaraan door Nederlandse opsporingsambtenaren technische expertise en/of bijstand is geleverd met betrekking tot de ontwikkeling en plaatsing daarvan. De in Frankrijk vergaarde informatie is aanvankelijk vrijwillig op basis van artikel 26 van het Cybercrimeverdrag gedeeld met het Nederlandse Openbaar Ministerie.

In de loop van 2019 hebben de opsporingsautoriteiten van Frankrijk, België en Nederland besloten om een JIT (Joint Investigation Team) op te richten, met als doel gezamenlijk de verdenkingen tegen SkyECC, zijn bestuurders en werknemers, alsmede de vermeende criminele samenwerkingsverbanden die gebruik maken van SkyECC te onderzoeken. Dit JIT werd op 13 december 2019 gerealiseerd. Het onderzoek Werl werd door Nederland in het JIT gebracht. Vanaf de start van het onderzoek Werl hebben de Franse autoriteiten de onderzoeksbevindingen die zij hebben verkregen met de inzet van de interceptietool gedeeld met het Nederlandse onderzoeksteam.

Onderzoek Argus

Toen duidelijk werd dat het mogelijk werd om het berichtenverkeer te ontsleutelen en leesbaar te maken, is vanuit het onderzoek Werl informatie gedeeld met het onderzoek Argus, dat op 11 december 2020 van start ging. Het onderzoek naar Sky ECC stond internationaal bekend als “Operatie Argus”. Het Nederlandse onderzoek “26Argus” heeft onder meer tot doel gehad om aan de hand van de inhoudelijke gegevens de criminele samenwerkingsverbanden die gebruik maakten van cryptotelefoons van Sky ECC in beeld te brengen en te analyseren door het identificeren van de gebruikers van Sky-accounts die deel uitmaken van die criminele samenwerkingsverbanden. Het berichtenverkeer liep via servers in Frankrijk en Canada.

Meer details over de wijze waarop de Franse autoriteiten de gegevens hebben verzameld van de SkyECC app en is (vooralsnog) niet te vinden in Nederlandse jurisprudentie.

Machtiging voor telecommunicatietap en hackbevoegdheid

Na een vordering van de zaaksofficier van justitie in het onderzoek Argus op 14 december 2020, is op 15 december 2020 door de rechter-commissaris bepaald dat, in verband met de inbreuk op de privacy van de gebruikers van SkyECC-toestellen in Nederland, de in dat onderzoek verkregen ontsleutelde informatie slechts kon worden gebruikt ter opsporing, indien daartoe een aanvullende toestemming door de rechter-commissaris werd verleend. Op 15 december 2020 is een dergelijke machtiging vervolgens ook verleend. Hierna zijn door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie meerdere machtigingen tot verlenging verleend. De vorderingen en machtigingen zagen op de toepassing van de artikelen 126t lid 1 en 126t lid 6 Sv (onderzoek communicatie door middel van een geautomatiseerd werk bij georganiseerde criminaliteit) en later ook op aanvullende, ondersteunende vorderingen op de voet van artikel 126uba Sv (hackbevoegdheid bij verdenking betrokkenheid beramen/plegen misdrijven in georganiseerd verband). 

Voorwaarden machtiging

De rechtbank overweegt in een uitspraak van 26 november: ‘hoewel uit eerder onderzoek en uit de inzichtelijk gemaakte metadata van SkyECC blijkt dat de Sky-app wordt gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleverden, is het enkele gebruik van een Sky-telefoon niet voldoende voor een redelijk vermoeden betrokkenheid bij georganiseerde misdrijven. Om deze reden bestaat het afgeven van de machtiging van de rechter-commissarissen uit twee fasen: (1) de te verkrijgen informatie wordt gefilterd aan de hand van vooraf door de rechter-commissaris goed te keuren zoeksleutels, waaronder de gebruikersgegevens van specifieke onderkende criminele samenwerkingsverbanden en/of vooraf vast te stellen zoektermen of afbeeldingen die sterke aanwijzingen leveren voor ernstige georganiseerde criminaliteit en (2) de langs die weg verkregen onderzoeksresultaten worden pas na toestemming van de rechter-commissaris gebruikt voor verder opsporingsonderzoek, en alleen indien wordt voldaan aan de eisen van artikel 126o/126t Sv.

Toegang tot inhoud onderliggende vorderingen en aanvragen

De verdediging heeft verzocht om de voor Argus verleende machtiging van de Nederlandse rechter-commissaris en de daaraan ten grondslag liggende vorderingen en aanvragen te verstrekken. Het Openbaar Ministerie stelt dat de onderzoeksbelangen in andere onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden onherstelbaar kunnen worden geschaad bij het openbaar maken van de aanvraag, de vordering en de machtiging. Het Openbaar Ministerie beroept zich er voorts op dat de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat het opnemen van vertrouwelijke communicatie proportioneel en subsidiair is.

De rechtbank acht verstrekking van de machtiging voor een deel noodzakelijk. Een deel van de door de rechter-commissaris in Argus verleende machtigingen en verlengingen daarvan (deels zwart) zijn al ter beschikking is gesteld. Hiervoor wordt verwezen naar de brief van de officieren van justitie van 17 september 2021. De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om het Openbaar Ministerie te bevelen ook de onderliggende vorderingen uit het onderzoek Argus beschikbaar te stellen. De verwerking van de SkyECC-data uit het onderzoek Argus kan mogelijk bijdragen aan een verdenking jegens verdachten. Kennisneming van de stukken die zien op de verwerking van de interceptiedata, kan daarom in het belang van de verdediging zijn met betrekking tot eventueel te voeren rechtmatigheidsverweren. Daarnaast wil de rechtbank nader geïnformeerd worden over de afweging die de rechter-commissaris in het concrete geval heeft gemaakt en de informatie die hij daarbij tot zijn beschikking had.

(Poging tot) Huurmoord via het dark web

In het laatste iOCTA-rapport (2021) (zie dit blogbericht) stond op p. 36 de volgende passage:

“Weapons appear to be traded increasingly on encrypted chat applications, such as Telegram and Wickr, but sold slightly less on Dark Web marketplaces. (…) several EU law enforcement agencies mentioned hitmen being ordered and weapons purchased on the Dark Web being seized. Several similar cases were reported in the media. For example, in the Netherlands a person was sentenced to 8 years’ imprisonment for several attempts to order a contract killing via platforms on the Dark Web and encrypted chat application

Deze laatste zin trok uiteraard mijn aandacht, maar ik kon er niet zo snel mediaberichten over vinden. Het is alweer te lang geleden voor mijn cybercrime jurisprudentieoverzicht, maar ik vond de zaak te interessant om te laten liggen, dus hierbij een samenvatting.

Het deed mij overigens wel denken aan het boek ‘The darkest web’ van @EileenOrmsby. Dat gaat ook (o.a.) over huurmoorden via het dark web (en vermoedelijk allemaal ‘scams’ waren).

Veroordeling tot uitlokking van moord op echtgenote via het dark web

Op 1 maart 2021 heeft de rechtbank Den Haag een 37-jarige man tot 8 jaar gevangenisstraf veroordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2021:1744) voor meerdere pogingen tot uitlokking van moord op zijn echtgenote via het Darkweb en via chatgesprekken. De verdachte heeft stelde een geldbedrag van 4000 dollar in het vooruitzicht voor het plegen van de moord op zijn ex-vriendin in Amsterdam.

Feiten

De zaak ging aan het rollen door bericht van de politie uit het Verenigde Koninkrijk:

“The Metropolitan police have received information relating to the Dark Web.

The Dutch case concerns the following possible victim

(…)

Payment

• [naam 5] on [naam 1] added 0.01060414 BTC on Jun 13 10:09

• [naam 5] on [naam 1] added 0.201 BTC on Jun 13 6:31

Total = 0.21160414 ~= $1976.36, half of an agreed $4000 total.

De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd.

In het proces-verbaal van bevindingen zijn de volgende details te lezen:

De verdachte heeft op een website op het dark web het volgende bericht geplaatst:

“Name S Address Target lives in The Hague and works in Amsterdam. Preference hit: Amsterdam Living area: [adres] across is an entrance of a private parking-lot. Target leaves with the car from there. Car: Red colour [merk auto] , plate: [kenteken] . Send 0.41 Bitcoin. Description: Target is a simple easy person, but high risk putting me in jail. Target needs to be eliminated asap, therefore a bonus reward of 500 if target is eliminated within upcoming weekend before Sunday the 14th of June.

Waarop het volgende antwoord volgde van de websitebeheerder:

“Admin: Date 2020-06-09 12:29:40 Message: Hi, Your new job request has been received and saved. We will check with an appropriate vendor near the location of your mark whether it can be done or not. ln the meantime please prepare bitcoins, we need to see that you have funds ready, sometimes kids or trolls do jokes and are not serious about their job. Once the job has been completed you will receive a link with the proof and a link to release the payment to the vendor. Please reply if you need to share any thoughts. Best regards [naam 6]”

En daarop het bevestigende antwoord van de verdachte:

[ [naam 5] ] Date 2020-06-09 12:39:33 Message: Admin, Beneath the job requested. Ill like to inform about the possibility to get this job done within upcoming weekend. A picture will be added soon with also the bitcoins. As agreed upon, 2000 USD upfront and 2000 USD when the job is done. I add another 500 when the job is done within given timeframe. As the hitmen is assigned and gives the clearance that the job will be done for certain, Ill add up the remaining of the first 2000 USD bitcoins. Please keep me updated, as more info for more jobs needs to be prepared.

Na betaling van een deel van het geld bleek de hitmen niet tot zijn daad over te gaan. Hij eist daarop een “refund”:

Admin: Date 2020-06-12 10:02:53 Message: This hitman is really good on this line of work and I am 100% positive that he will complete the job in the weekend…. So please give him a try. You wont be sorry… in the weekend the woman will be dead.

[ [naam 5] ] Date 2020-06-12 Message: please inform the hitmen to proceed executing the job.

(…)

[ [naam 5] ] Date 2020-06-27 00:01:33 Message: Admin, It has been more than two weeks as a gave the job. And now more than a week from the last update. The mark is still not eliminated. Will the hitman complete the job or not? Otherwise I want a refund, as this job is taking too long before completing.”

(de verdachte heeft ook via een chatapplicatie getracht een huurmoord te regelen, zo blijk uit de verdere bewijsoverwegingen en geciteerde stukken uit het proces-verbaal).

Veroordeling en straf

De rechtbank is van oordeel dat sprake van een poging tot uitlokking van moord en niet slechts van voorbereidingshandelingen daartoe, omdat is voldaan aan het ‘proberen een ander te bewegen’ als bedoeld in artikel 46a Sr met de enkele vraag aan de onbekende persoon of hij een moord kan (laten) plegen op zijn vrouw en daartoe geld in het vooruitzicht te stellen.

Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd een ander uit te lokken om het slachtoffer te (laten) vermoorden door het verschaffen van giften, beloften en inlichtingen in de periode van 4 juni 2020 tot en met 1 juli 2020.

De verdachte is strafbaar, omdat er tevens geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Dat het uiteindelijk niet tot een uitvoering van de moord is gekomen is niet aan de verdachte te danken, maar aan het enkele feit dat de opdrachtnemer geen uitvoering heeft gegeven aan zijn verzoek. De verdachte zag een huurmoord op zijn vrouw als aangewezen weg in verband met de voor hem emotioneel beladen echtscheiding. Uit het dossier blijkt dat de verdachte ook heeft geprobeerd om aan een hoeveelheid drugs te komen om in de auto van zijn vrouw te leggen zodat na betrapping de kinderen mogelijk aan hem zouden worden toegewezen.

De rechtbank overweegt verder dat: ‘een ander opzettelijk van het leven (laten) beroven, een van de ernstigste misdrijven is die het Wetboek van Strafrecht kent. Als het delict voltooid wordt, zijn de gevolgen ervan onomkeerbaar, maar ook als het blijft bij een poging zijn de gevolgen voor het slachtoffer en zijn naasten groot. Daarnaast leiden dergelijke delicten tot grote beroering en gevoelens van angst en onrust in de maatschappij.

Deze zeer ernstige feiten hebben een diepe impact gehad op het leven van de vrouw van de verdachte en hun twee kinderen, zoals ook is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Als gevolg hiervan leven zijn vrouw en kinderen nog elke dag in angst en hebben zij moeten onderduiken en hun vertrouwde woonomgeving moeten verlaten, omdat lang onduidelijk is geweest of de moordopdracht nog zou worden uitgevoerd. Het handelen van de verdachte zal dan ook nog lange tijd grote gevoelens van onveiligheid en onbegrip meebrengen. De kinderen van de verdachte zullen bovendien in hun ontwikkeling worden beperkt door de gedachte dat hun eigen vader tot zoiets in staat is geweest.’

De verdachte wordt veroordeeld voor een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en wijst een schadevergoeding toe aan het slachtoffer van  € 41.813,62.

Veroordeling voor deelname aan een terroristische organisatie en online opruiing door rechtsextremist

Op 2 december 2021 heeft de rechtbank Rotterdam een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2021:11858) voor deelname aan een terroristische organisatie en opruiing via Telegram en Whatsapp. De uitspraak is interessant, vanwege de uitvoerige en wat mij betreft uitstekende overwegingen omtrent het delict deelname aan een terroristische organisatie en het delict opruiing in een online omgeving. Zie ook dit nieuwsbericht ‘Nederlandse aanhangers ‘rassenoorlog’ hoeven niet terug de cel in’ n.a.v. de zaak.

“The Base”

De zaak gaat over een verdachte die heeft deelgenomen aan de organisatie genaamd “The Base”’. Het betreft een terroristische organisatie, omdat het een internationaal netwerk is van rechtsextremisten die tot doel had terroristische misdrijven te plegen, zoals het begaan tot doodslag met een terroristisch oogmerk (art. 288a Sr). De rechtbank overweegt dat ‘The Base’ zichzelf ziet als het fundament van een verzetsgroep tegen een door Joden gedomineerd politiek systeem. The Base verspreidt online informatie over survivaltechnieken en zelfverdediging en organiseert trainingen en ontmoetingen.

Ambtsbericht AIVD

Op 15 oktober 2020 ontving de politie onderstaand ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) van 14 oktober 2020:

“In het kader van de uitvoering van zijn wettelijke taak beschikt de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst over de volgende betrouwbare informatie:

[naam verdachte] (geb. [geboortedatum verdachte] in [geboorteplaats verdachte] ) staat ingeschreven op het adres [adres verdachte] en gebruikt het telefoonnummer + [telefoonnummer].”

Op basis van de inhoud van dit ambtsbericht werd op 15 oktober 2020 het opsporingsonderzoek ‘Posadas’ gestart.

Deelname aan een terroristische organisatie

Daarvoor moet allereerst sprake zijn van een criminele organisatie en dus sprake zijn van een (1) een samenwerkingsverband, (2) met een zekere duurzaamheid en structuur, (3) tussen tenminste twee personen. Om daaraan te toetsen citeert de rechtbank stukken uit ‘Kennisdocument The Base’ van de Koninklijke Marechaussee van 17 december 2020, waarin de The Base wordt omschreven als een ‘een relatief goed georganiseerde en internationaal vertakte rechtsextremistische organisatie: naast leider en oprichter [naam 2] zijn er vertrouwelingen, cellen (twee tot vier man) in verschillende westerse landen, ‘lone wolves’ en een groot aantal Telegram-volgers’. Er is een team dat virtuele sollicitatiegesprekken (vetting) afneemt waarbij [naam 2] de leiding heeft.

Nieuwe leden die in hetzelfde land of dezelfde staat wonen, worden door de centrale organisatie in contact met elkaar gebracht om cellen te vormen. Ook levert de internationale organisatie een chat-kanaal per cel. Andere taken van de staforganisatie zijn onder andere het verspreiden van propaganda ter werving én als geweldsoproepen, het hosten van de digitale omgeving en het aanbieden van literatuur en handleidingen.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de vaststelling dat The Base een internationaal samenwerkingsverband is met een zekere duurzaamheid en structuur tussen meerdere personen en dus een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr.

Terroristisch oogmerk

De rechtbank overweegt dat er sprake is van een terroristisch oogmerk als er een gedraging is die het oogmerk heeft om ‘(een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen dan wel de overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel (internationale) structuren van een land te ontwrichten of te vernietigen’. Het oogmerk is het naaste doel van de dader, het is datgene wat hij wil of waar het hem om te doen is. Het motief hiervoor kan economisch, politiek of religieus geïnspireerd zijn.

De rechtbank beschrijft tamelijk uitvoerig dat uit dossierstukken blijkt dat The Base streeft naar het versnellen van een ineenstorting van ‘het systeem’, het uitlokken van een rassenoorlog en het instellen van een witte etnostaat. Volgens The Base is deze ontwikkeling al in gang gezet en dient zij die te bespoedigen. Deze doelstelling is te kenmerken als het algemene idee van het rechtsextremistische accelerationisme. Wie het rechtsextremistische gebruik van de term accelerationisme aanhangt, meent dat de westerse samenleving gecorrumpeerd is door Joodse, liberale, socialistische en multiculturele invloeden en daarom geleidelijk, maar onafwendbaar afglijdt naar krachteloosheid en betekenisloosheid. Accelerationisten spannen zich daarom in voor de versnelling (acceleratie) van het proces dat westerse staten tot hopeloze “failed states” maakt.

Onafhankelijk opererende (accelerationistische) cellen hebben het oogmerk om westerse overheden omver te werpen door willekeurige geweldsdaden te plegen die sociale spanningen aanjagen en uiteindelijk maatschappelijke chaos en burgeroorlog veroorzaken. (…) Het uiteindelijke doel van de accelerationisten is dan ook de vestiging van een etnostaat waarin witte mensen de dienst uitmaken en waarin maatschappelijke posities primair op grond van ras en etniciteit worden bepaald. Alle bevolkingsgroepen die dit ideaal bewust of onbewust ondermijnen – denk aan moslims, Joden en mensen die horizontale solidariteit voorstaan zoals marxisten – zijn de natuurlijke vijanden van de accelerationist.

Dat het niet alleen bij een ideologie blijft, blijkt uit de overweging van de rechtbank dat ‘in de laatste maanden van 2019 ontwikkelen drie andere The Base-leden het voornemen om twee aanhangers van Antifa, een extreemlinkse organisatie, om het leven te brengen door hun huis in brand te steken. Dit plan kon door de FBI tijdig worden verijdeld.’

De rechtbank verwerpt het verweer dat voornoemde dossierstukken niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat de juistheid daarvan niet te controleren zou zijn. De enkele stelling dat de stukken uitsluitend zijn gebaseerd op nieuwsberichten (open bronnen), is daarvoor onvoldoende. Ook vindt de inhoud van deze stukken steun in een recente (openbare) publicatie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) getiteld ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (hierna: DTN) nr. 55 van oktober 2021. De rechtbank overweegt vanwege het voorgaande dat sprake is van een terroristisch oogmerk door de organisatie.

Deelneming

Van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie is sprake indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (met verwijzing naar HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998, 225). Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten (HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161). Het is voldoende dat een betrokkene in zijn algemeenheid – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat een betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Wetenschap van een of meer concrete misdrijven is niet vereist (HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3565). Evenmin is vereist dat een betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan de misdrijven die door andere leden van de organisatie zijn respectievelijk worden gepleegd.

De verdachte heeft in oktober 2019 via de chatapplicatie genaamd “Wire” berichten uitgewisseld over The Base. Daarin bericht hij dat hij en [naam medeverdachte] de eerste twee Nederlanders in The Base zijn. Ook komt uit deze berichten naar voren dat de verdachte met succes een vetting-procedure9 heeft doorlopen en dat hij in diezelfde periode in een interview room zat met zes leden van The Base uit andere landen.

Op 31 oktober 2019 chatten de verdachte en een medeverdachte over het doen van een opdracht met posters of het logo van The Base “spray painten” op een verlaten gebouw, waarna zij officiële leden zijn. De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij daadwerkelijk op een muur een ‘spray paint’ met logo van The Base heeft gemaakt in opdracht van de The Base. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de verdachte op 23 december 2019 en medeverdachte met twee anderen gechat. In die chatgesprekken hebben zij vragen omtrent The Base beantwoord, onder andere de vraag hoe men lid kan worden van The Base. Ook hebben zij gezegd dat zij de enige leden van The Base in Nederland zijn en de leiders van de Nederlandse cel. Op diezelfde dag heeft de medeverdachte ook een propagandavideo van The Base verstuurd met trainingsbeelden waarin wordt geschoten met automatische vuurwapens en explosieven worden gebruikt. Ook worden beelden getoond waarop met een vuistvuurwapen op een Jodenster wordt geschoten. Op 29 januari 2020 heeft de verdachte in een WhatsAppgesprek gezegd dat hij in twee Siege-groepen zit, te weten ‘Feuerkrieg’ en The Base. Ten slotte blijkt uit Wire-contacten dat de verdachte in februari 2020 in ieder geval twee personen voor The Base heeft gerekruteerd.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte lid is geweest van en (daarmee) deelnemer aan de terroristische organisatie The Base die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. De omstandigheid dat de verdachte geen trainingskamp van The Base heeft bezocht en dat bij hem geen wapens zijn aangetroffen, maakt dit niet anders. Immers, gelet op de inhoud van zijn berichten op sociale media, wist de verdachte wel degelijk dat The Base niet slechts een survivalgroep was.

Opruiing in een online omgeving

De verdediging stelt dat ten aanzien van de Telegramgroep Jeugdstorm en de Whatsappgroep de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat het gaat om chatverkeer binnen een besloten groep, zodat niet is voldaan aan het vereiste van openbaarheid. De berichten hebben geen opruiend karakter en de verdachte had geen opzet op het aanzetten tot geweld of strafbare feiten. Evenmin blijkt van een terroristisch oogmerk ten aanzien van de eerste twee gedachtestreepjes. Het was allemaal grootspraak en fantasie.

De rechtbank overweegt dat opruiing in artikel 131 Sr en het aanverwante ‘verspreidingsdelict’ artikel 132 Sr strafbaar is gesteld. Het gaat om tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Bij artikel 132 Sr gaat het erom dat de dader aan de inhoud van een opruiend geschrift of afbeelding ruchtbaarheid wil geven. Met de term opruiing wordt bedoeld dat wordt geprobeerd om anderen een feit te laten plegen dat als strafbaar feit kan worden beschouwd. Anders gezegd is opruiing het bij anderen opwekken van de gedachte aan het plegen van een strafbaar feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het opwekken van het verlangen om dat feit te bewerkstelligen.

Openbaar?

De artikelen 131 en 132 Sr vereisen dat de opruiing in het openbaar plaatsvindt op mondelinge wijze, bij afbeelding of bij geschrift. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waarop de teksten zijn weergegeven (HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009). Door het plaatsen van uitlatingen op voor het publiek toegankelijke sociale media worden deze in de openbaarheid gebracht. Om tot een bewezenverklaring van opruiing te komen, is niet vereist dat de opruiing enig gevolg heeft gehad. Ook hoeft de opruier niet te weten dat hij opriep tot een feit dat strafbaar is en niet is vereist dat degene tot wie de aansporing is gericht wist dat het feit waartoe wordt opgeruid strafbaar is of dat het waarschijnlijk is te achten dat het strafbare feit, waartoe is opgeruid, zal plaatsvinden.

Of sprake is van een opruiende uitlating hangt onder meer af van de bewoordingen en de context waarin de uitlating is gedaan, de kennelijke bedoeling van de uitlating, de plaats waar en de gelegenheid waarbij de uitlating is gedaan en de doelgroep tot wie de uitlating kennelijk is gericht (Hof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9290 en Rb. Den Haag 29 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6620).

Volgens de rechtbank blijkt uit onderzoek van de politie dat de Telegramgroep ‘Bua Sneachta’ openbaar is. Van de Telegramgroep Jeugdstorm kan niet worden vastgesteld of het om een openbare groep gaat. Wel staat vast dat deze Telegramgroep op 27 oktober 2020, de dag waarop de telefoon van de verdachte in beslag werd genomen, minstens 21 deelnemers telde, dat het een groeiende groep betreft, dat nieuwe deelnemers welkom zijn in de groep en dat andersdenkenden ook toegang hebben tot de groep.

Gelet op deze feiten, is de rechtbank van oordeel dat de Telegramgroep ‘Jeugdstorm’ op zichzelf een publiek vormt en dat de uitlatingen binnen deze groep in de openbaarheid zijn gebracht. De WhatsAppgroep ‘J.S.N.’ betreft een besloten groep van minstens 30 deelnemers die elkaar niet of nauwelijks kennen en waarin veel rechtsextremistische geweldsuitlatingen worden gedaan. De groep is zeer actief en de verdachte was samen met twee anderen ‘beheerder’ in deze groep waardoor hij deelnemers aan de groep kan toevoegen of verwijderen. Gelet op deze feiten, is de rechtbank van oordeel dat de WhatsAppgroep J.S.N. op zichzelf eveneens een publiek vormt en dat de uitlatingen binnen deze groep in de openbaarheid zijn gebracht.

‘Opruiend van aard’?

De rechtbank acht de meeste ten laste gelegde uitlatingen in de Telegramgroep Bua Sneachta 14/88, ‘zonder meer’ opruiend van aard, aangezien wordt opgeroepen tot geweld c.q. het doden van gekleurde mensen, homoseksuelen en Joden. In de Telegramgroep Jeugdstorm heeft de verdachte verder opgeruid tot het doden dan wel ontvoeren van een willekeurig persoon en het jagen op pedoseksuelen. Ook heeft de verdachte een andere deelnemer aangemoedigd in zijn wens om een soortgelijke aanslag te plegen zoals Brenton Tarrant op twee moskeeën in Christchurch (Nieuw-Zeeland) heeft gedaan, waarbij 51 mensen om het leven kwamen. De verdachte oppert in dit verband een synagoge. Een aanslag op een (Joods) gebedshuis is ontegenzeggelijk een terroristisch misdrijf.

In de WhatsAppgroep J.S.N heeft de verdachte opgeruid tot het ontvoeren van een neger die in een bos wordt gedropt zodat op hem kan worden gejaagd, hetgeen past in de ideologie van het rechtsextreme accelerationisme, en daarmee als een terroristisch misdrijf kan worden beschouwd. Vanuit diezelfde ideologie heeft de verdachte opgeruid tot het doden van blanken die niet ‘aan hun kant’ staan en niet willen veranderen, hetgeen eveneens een terroristisch misdrijf oplevert.

Daar waar de rechtbank opruiing bewezen acht, komt zij tevens tot bewezenverklaring van verspreiding, omdat de verdachte de afbeelding waarop een knielende Joodse man door zijn hoofd wordt geschoten heeft gedeeld in een openbare Telegramgroep.

Straf

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan 18 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank verbindt daaraan opvallend bijzondere voorwaarden. Zo mag de veroordeelde: ‘zich niet online bevinden op de verborgen websites van Dark Web en zal geen software gebruiken om anonimiteit te verschaffen zoals Tor, I2P of Freenet’.

Daarnaast ‘moet hij meewerken aan controle van zijn digitale gegevensdragers tijdens een huisbezoek’. Daarbij verschaft de verdachte toegang tot alle aanwezige computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarmee het internet kan worden benaderd. Ook verstrekt hij de wachtwoorden die nodig zijn voor deze controle. De controle op digitale gegevensdragers vindt maximaal drie keer per jaar plaats. De controle is gericht op de vraag of de veroordeelde rechtsextremistisch materiaal vermijdt.

De controle strekt er niet toe een beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde. De reclassering kan voor technische ondersteuning een deskundige meenemen, ook als dit een opsporingsambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied.

iOCTA-rapport 2021

Op 11 november 2021 verscheen het nieuwe ‘internet Organised Crime Threat Assessment’ (iOCTA) (.pdf) rapport van Europol. In dit blogbericht geef ik een overzicht van de – naar mijn mening- meest opvallende bevindingen uit het rapport.

‘Grey infrastructure’

Het Europol rapport besteed vrij veel aan het fenomeen van ‘grey infrastructure’. Zij beschrijven dit als diensten die zich vaak bevinden in landen met sterke ‘privacywetten’ of met ‘een geschiedenis van niet-werken met internationale opsporingsautoriteiten’. Zij worden gebruikt door criminelen en er wordt mee geadverteerd op criminele forums.

Europol wijst erop dat ook legitieme diensten veelvuldig door cybercriminelen worden gebruikt voor hun eigen doelen van: veilig communiceren, anonimiteit en witwassen. Zij wijzen op apps met sterke end-to-end versleuteling. De hoeveelheid gebruikersgegevens en verkeersgegeven die daarbij over gebruikers wordt door de diensten wordt opgeslagen is gering, waardoor ook een geringe hoeveelheid gegevens kan worden gevorderd.

Europese opsporingsdiensten richten zich volgens het rapport steeds meer op diensten die cybercriminelen zoveel mogelijk beschermen van opsporingsdiensten. Recente voorbeelden zijn de ‘takedowns’ van ANON, Sky ECC, EncroChat, VPN-diensten en cryptocurrency mixers. Het zijn volgens Europol voorbeelden van ‘grijze infrastructuur’ waar cybercriminelen gebruik van maken. Interessant is ook de zin:

“Hoewel niet alle gebruikers van deze diensten per definitie criminelen zijn, is een dermate grote hoeveelheid van de activiteiten van de diensten crimineel, dat – nadat voldoende bewijs wordt gevonden van ‘crimineel misbruik’ – deze diensten als criminele organisaties te bestempelen zijn”.

Europol noemt de take down van ‘Double VPN’ en ‘Safe-Inet’ als voorbeelden hiervan, net als de ‘cryptophone-operaties’.  

Malware

Uit het rapport blijkt dat ransomware nog steeds het grootste probleem is op het gebied van cybercrime in enge zin. Net als vorig jaar zet de trend zich voort dat ransomware zich niet ongericht, massaal verspreid, maar wordt ingezet voor meer gerichte aanvallen op grote organisaties. Ook gebruiken cybercriminelen ander pressiemiddelen naast de versleuteling van gegevens, zoals het bellen van journalisten, klanten of zakelijke klanten van het slachtoffer over de aanval via VoIP-lijnen. Sommige ransomware-groepen publiceren gegevens van werknemers van de slachtoffers.

‘Conti’, ‘Maze’, en ‘Babuk’ zijn voorbeelden van ransomware die zich richten op grote organisaties. ‘Ryuk’ is berucht omdat het zich specifiek richt op organisaties binnen de gezondheidszorg. De cybercriminele organisaties achter ransomware lijken zich ervan bewust zich meer in de kijkers te hebben gespeeld van opsporingsorganisaties. Sommige organisaties beperken daarom hun ‘partners-in-crime’ in de aan te vallen doelen. ‘DarkSide’ heeft bijvoorbeeld aangekondigd geen vitale infrastructuur meer aan te vallen na de ‘Colonial Pipelines’-aanval en Sodinobiki (ook bekend als ‘REvil’) verbiedt aanvallen op sociale- en overheidsinstellingen.

Het cybercrime-centrum van Europol legt haarfijn uit dat geen individuele hackers achter ransomware zitten, maar hele organisaties. Doorgaans bieden de makers van de ransomware de software aan ‘klanten’ (Ransomware-as-a-service), waarbij de winst wordt verdeeld. Ook worden gecompromitteerde systemen verkocht aan anderen die de systemen vervolgens infecteren met de (ransom)malware naar keuze. Europol benadrukt dat opsporingsinstanties niet alleen achter de ‘eindgebruikers’ van de ransomware aan moeten gaan, maar zich moeten richten op de sleutelfiguren die malware via platformen verkopen, in internationaal gecoördineerde acties met andere opsporingsinstanties.

Ddos-attacks

‘DDoS-for-ransom’ lijkt terug van weggeweest. Cybercriminelen maken daarbij ook misbruik van de reputatie van bekende ‘Advanced Persistent Threats’ (APT’s), zoals ‘Fancy Bear’ en ‘Lazarus’, om de slachtoffers er sneller toe te bewegen het afpersgeld te betalen. De cybercriminelen richten zich op internet service providers (ISP’s), financiële instellengen (banken) en midden-en-klein bedrijven (de MKB-sector). Als het niet wordt betaald, leidt dat niet altijd tot de daadwerkelijke uitvoering van de ddos-aanval, hoewel in sommige gevallen het tot serieuze consequenties heeft geleid, zoals de aanval op de effectenbeurs van Nieuw-Zeeland.

Online kindermisbruik  

Over online seksueel misbruik viel het mij op dat grooming toeneemt op online gaming platformen (en uiteraard op sociale mediadiensten, maar dat is niet nieuw). Ook is de verspreiding van kinderpornografie via peer-to-peer platformen is volgens Europol significant toegenomen, terwijl het voor de normale internetgebruiker niet zo vaak meer lijkt te worden gebruikt. Darkweb websites zijn nog steeds een belangrijk platform voor verspreiding van afbeeldingen van online seksueel geweld. Als voorbeeld wordt het platform ‘Boystown’ genoemd, die offline is gehaald onder leiding van het Bundeskriminalamt (BKA) en opsporingsdiensten uit Australie, Canada, Zweden, de Verenigde Staten én Nederland. De website met kindermisbruik had meer dan 400.000 geregistreerde gebruikers.

Dark web-gebruikers maken daarnaast steeds vaker gebruik van ‘Wickr’ en Telegram als communicatiekanalen voor ‘Child Sexual Abuse Material’ (CSAM).

Helaas is de omzet van commerciële websites gericht op seksueel geweld tegen kinderen volgens Europol verdriedubbeld tussen 2017-2020. Voor betaling worden vaak cryptocurrencies gebruikt. Het komt voor dat daders direct minderjarigen betalen voor zelfgemaakt materiaal.

Europol probeert in de rapporten zoals elk jaar ook voorzichtig beleidsadvies mee te geven. Het meest opvallend vond ik dit jaar de boodschap dat ‘online undercover operaties steeds belangrijker worden in opsporingsonderzoeken naar cybercrime’. De reden is dat cybercriminelen steeds betere ‘operational security’ (OPSEC) aanhouden. Europol observeert dat het lastig infiltreren is op – met name – websites met materiaal van seksueel geweld, vanwege strikte toegangsregels en nationale regels van landen die beperkingen opleggen om op die websites te infiltreren. “The importance of undercover activities needs to be recognized”, aldus Europol. Daarbij wijs ik natuurlijk graag op mijn eerdere publicaties hierover (zie bijvoorbeeld het artikel ‘Facebookvrienden worden met de verdachte’). 

Hoofdstukken uit het boek ‘Cybercriminaliteit’ in open access beschikbaar

Op 1 november 2020 verscheen het Basisboek Cybercriminaliteit, onder redactie van Wytkse van der Wagen, Marleen Weulen Kranenborg en mijzelf. Het studieboek wordt veel gebruikt in vakken voor de opleiding criminologie bij verschillende Nederlandse universiteiten. Het boek verschaft ook basiskennis voor strafrechtstudenten en professionals uit de praktijk.

Nu de embargoperiode voorbij is, mag ik van Boom Uitgevers twee hoofdstukken publiekelijk beschikbaar stellen. Het gaat om de hoofdstukken ‘Verschijningsvormen van cybercriminaliteit’ (.pdf) en ‘Cybercriminaliteit en opsporing’ (.pdf).

De andere hoofdstukken, bijvoorbeeld over criminologische theorieën en cybercriminaliteit, daders, slachtoffers en interventiestrategieën zijn niet in open access beschikbaar, maar het boek is voor een schappelijke prijs beschikbaar bij uw boekhandel (of o.a. bol.com).

Als er vragen of opmerkingen zijn over het boek (en met name natuurlijk over de onderstaande hoofdstukken), dan hoor ik het graag per e-mail (te vinden op mijn UU-pagina). Wellicht volgt er volgend jaar een nieuwe druk waar we de opmerkingen in kunnen meenemen.

Inhoudsopgave

3             Verschijningsvormen van cybercriminaliteit

Jan-Jaap Oerlemans & Wytske van der Wagen

3.1 Inleiding

3.2 Cybercriminaliteit in enge zin

3.2.1 Hacken

3.2.2 Malware

3.2.3 Botnets

3.2.4 Ddos-aanvallen

3.3 Gedigitaliseerde criminaliteit

3.3.1 Internetoplichting

3.3.2 Online drugshandel

3.3.3 Witwassen en virtuele valuta

3.3.4 Online zedendelicten

3.4 Toekomstige ontwikkelingen

3.5 Tot besluit

3.6 Discussievragen

3.7 Kernbegrippen

Bijlage: Overzicht van relevante delicten

Citeerwijze:

J.J. Oerlemans & W. van der Wagen, ‘Verschijningsvormen van cybercriminaliteit’, p. 55-105 in: W. van der Wagen, J.J. Oerlemans & M. Weulen Kranenbarg (red.), Basisboek Cybercriminaliteit, Den Haag: Boom criminologie 2020.

Inhoudsopgave

7             Cybercriminaliteit en opsporing

Jan-Jaap Oerlemans

7.1 Inleiding

7.2 Het opsporingsonderzoek en normering van opsporingsmethoden

7.2.1 De organisatie van opsporing naar cybercriminaliteit in Nederland

7.2.2 De politie

7.2.3 Openbaar Ministerie

7.2.4 Rechterlijke macht

7.2.5 De IRT-affaire

7.2.6 Stelsel van normering van bijzondere opsporingsbevoegdheden

7.3 Het IP-adres als digitaal spoor

7.3.1 Het opsporingsproces bij een IP-adres als digitaal spoor

7.3.2 Het vorderen van gegevens

7.3.3 Inbeslagname en onderzoek op gegevensdragers

7.3.4 Regels voor de doorzoeking en inbeslagname van gegevensdragers

7.3.5 De netwerkzoeking

7.3.6 Online doorzoeking

7.4 Opsporingsmethoden en de uitdaging van anonimiteit

7.4.1 Proxy- en VPN-diensten

7.4.2 Tor

7.4.3 Openbronnenonderzoek

7.4.4 Undercover bevoegdheden

7.5 Opsporingsmethoden en de uitdaging van versleuteling

7.5.1 Versleuteling in opslag

7.5.2 Versleuteling in transport

7.5.3 De hackbevoegdheid

7.6 Jurisdictie en grensoverschrijdende digitale opsporing

7.6.1 Wetgevende jurisdictie

7.6.2 Handhavingsjurisdictie

7.6.3 Unilaterale digitale opsporing

7.6.4 Toekomstige ontwikkelingen van grensoverschrijdende digitale opsporing

7.7 Verstoring van cybercriminaliteit

7.8 Tot besluit

7.9 Discussievragen

7.10 Kernbegrippen

Bijlage: Overzicht van relevante dwangmiddelen en bijzondere opsporingsbevoegdheden

Citeerwijze:

J.J. Oerlemans, ‘Cybercriminaliteit en opsporing’, p. 195-258 in: W. van der Wagen, J.J. Oerlemans & M. Weulen Kranenbarg (red.), Basisboek Cybercriminaliteit, Den Haag: Boom criminologie 2020.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht november 2021

Ontoegankelijkheidsmaking Telegram-kanaal

Op 8 oktober 2021 heeft een rechter-commissaris van de rechtbank Den Haag een beschikking gewezen over het ontoegankelijk maken van een Telegram-kanaal. De beslissing kreeg veel media-aandacht (zie bijvoorbeeld dit bericht en dit bericht) (niet altijd juridisch juist overigens door een onduidelijk persbericht, zie ook de blogs van Ius Mentis).

De rechter-commissaris wijst het verzoek op grond van art. 181 jo 125p Sv toe en verleent aan de officier van justitie een machtiging tot het bevel aan een medewerker van de politie om via de telefoon van de verdachte de gegevens in drie Telegram-groepen ontoegankelijk te maken. Onder meer de verdachte is eigenaar en beheerder van deze Telegram-groepen. Volgens de rechter-commissaris is aannemelijk geworden dat, vanwege de in de vordering beschreven omstandigheden, de aanbieder niet meewerkt aan een vordering.

Het ‘ontoegankelijkheidsmakingsbevel’ in artikel 125p Sv is met de Wet computercriminaliteit III gewijzigd. Het idee is volgens de memorie van toelichting wel dat het bevel pas wordt ingezet als de elektronische communicatiedienstverlener geen opvolging geeft aan een verzoek op vrijwillige basis actie te ondernemen (Kamerstukken II 2015/16, 34372, nr. 3, p. 57). De rechter-commissaris overweegt dat in het artikel staat dat een aanbieder van een communicatiedienst maatregelen moet nemen om die gegevens ontoegankelijk te maken, terwijl deze vordering ertoe strekt dat een opsporingsambtenaar dat doet. Toch acht de rechter-commissaris dat verschil niet wezenlijk en gaat hij of zij tot een ‘analoge toepassing’ van artikel 126p Sv over, zodat tot de beëindiging en voorkoming van ernstige strafbare feiten kan worden overgegaan.

Hier gaat het om Telegramkanalen waarbij een persoon in verband wordt gebracht met satanisch-pedofiele misdrijven. De verdachte is veroordeeld alle gedane uitlatingen binnen 48 uur te verwijderen en verwijderd te houden. In de Telegram-groep worden echter vergelijkbare berichten en video’s verspreid. Het voortzetten van de strafbare feiten acht de rechter-commissaris in strijd met de openbare orde. De vordering strekt ertoe dat dat wordt voorkomen. Wel erg kort overweegt de rechter-commissaris dat ‘naar het oordeel van de rechter-commissaris is daarmee aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldaan’.

Hof Den Haag legt meer beperkingen op bij doorzoeken smartphones

In een arrest (ECLI:NL:GHDHA:2021:1873) van 26 augustus 2021 over grootschalige oplichting via Markplaats en computervredebreuk, verfijnt het Hof Den Haag het Smartphone-arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:584).

Indien het onderzoek van de gegevens op een digitale gegevensdrager zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, dan dient de rechter-commissaris – die de inbeslaggenomen gegevensdragers voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst – te bepalen of er beperkingen aan dat onderzoek moeten worden verbonden.

“Bij die beslissing en bij het bepalen van aard en omvang van die eventuele beperkingen zullen factoren als de ingrijpendheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de betreffende gegevensdragers door het onderzoek en de proportionaliteit en subsidiariteit van de te verrichten onderzoekshandelingen in relatie tot de aard en omvang van de verdenking waarop het onderzoek betrekking heeft een rol kunnen spelen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan beperkingen betreffende het aantal te onderzoeken gegevensdragers, beperkingen betreffende de te onderzoeken gegevens (zoals afbeeldingen, communicatie, internetgedrag et cetera) en beperkingen betreffende de periode waarbinnen de te onderzoeken gegevens zijn gegenereerd of op de betreffende digitale-gegevensdrager terecht zijn gekomen. Ook kan worden gekozen voor fasering van toegestane onderzoekshandelingen doordat de rechter-commissaris eventueel tussentijds beslist tot uitbreiding of (verdere) beperking van het toegestane onderzoek.”

In het onderhavige geval heeft een dergelijke toetsing niet kenbaar plaatsgevonden. In de eerste fase is op 24 februari 2016 hoofdzakelijk een aantal Skype-gesprekken onderzocht, maar deze waren niet gericht op de verdachte, waardoor niet onrechtmatig is gehandeld jegens hem. In de tweede fase zijn op 13 april 2016 de hiervoor weergegeven digitale gegevensdragers onderzocht louter ter vaststelling van de identiteit van de gebruiker daarvan. Bij gebreke van andere mogelijkheden voor die vaststelling dan het onderzoeken van een beperkt aantal gegevens op de verschillende digitale gegevensdragers had de rechter-commissaris hiervoor toestemming mogen geven, zodat het hof dit onderzoek niet onrechtmatig acht. Nadien zijn alle gegevensdragers uitvoerig onderzocht. Gegeven de zeer forse omvang van de strafbare feiten waarop het tegen de verdachte ingestelde onderzoek betrekking had en de vrijwel uitsluitend digitale aard van die strafbare feiten en daarmee ook van de mogelijke aanwijzingen van betrokkenheid van de verdachte daarbij, had de rechter-commissaris ook hiervoor toestemming mogen geven, zodat het hof ook dit onderzoek niet onrechtmatig acht.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen BTC 0,549 gelast het hof de teruggave aan verdachte. Het hof stelt vast dat dit geldbedrag is aangetroffen in een ‘wallet’ op een Asus laptop. De vraag die de verdediging aan het hof voorlegt is welke waarderingsgrondslag dient te worden gehanteerd om de tegenwaarde van de bitcoins in euro’s te berekenen. Tot een dergelijke waardebepaling is de rechter niet bevoegd. Bij arrest van heden in de zaak van een medeverdachte heeft het hof de teruggave van de Asus laptop aan verdachte gelast. Wanneer de last tot teruggave betrekking heeft op een voorwerp dat reeds is vervreemd – en aldus teruggave daarvan feitelijk niet meer mogelijk is –, dan is art. 119, lid 2, Sv ingevolge art. 353, lid 3, Sv van overeenkomstige toepassing. De omstandigheid dat art. 119, leden 1 en 2, Sv van overeenkomstige toepassing is, brengt mee dat de last tot teruggave is gericht tot de bewaarder van het voorwerp. In geval het voorwerp tegen baat is vervreemd, zal de bewaarder vervolgens overgaan tot uitbetaling van de verkregen opbrengst.

De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld voor 21 maanden gevangenisstraf.

Oprichter Ennetcom B.V. veroordeeld

De rechtbank Rotterdam heeft op 21 september 2021 een oprichter van Ennetcom B.V. veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2021:9085) voor deelname aan een criminele organisatie, gewoontewitwassen, medeplegen van valsheid in geschrift en verboden munitie- en wapenbezit. Daarbij heeft de bestuurder een flinke gevangenisstraf opgelegd gekregen van 54 maanden. De uitspraak is interessant en relevant, omdat het veel verweren van de verdediging bevat die ook in toekomstige EncroChat- en SkyECC-zaken gaan spelen. Het voert te ver in dit bericht op alle verweren in te gaan. Daarom worden de nieuwe en interessante verweren uitgelicht. Zie ook dit nieuwsbericht in het Parool over de zaak.

De verdediging heeft haar stelling dat het Openbaar Ministerie de data slechts heeft gekopieerd om inzage te verkrijgen in alle inhoudelijke communicatie van gebruikers van telefoons en daarmee sprake is van misbruik van bevoegdheden ‘detournement de pouvoir’ volgens de rechtbank niet voldoende onderbouwt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de dataset niet door middel van machtsmisbruik of in strijd met fundamentele rechtsbeginselen is verkregen. Het opsporingsonderzoek richtte zich volgens het Openbaar Ministerie op de verdachte rechtspersoon en op de rol van de medeverdachte. Teneinde die strafrechtelijke hypothese te onderzoeken, is het onderzoek gericht op de geldstromen en de digitale infrastructuur van de entiteiten; de servers daaronder begrepen. Voor de verdenking en vervolging van witwassen is het immers van belang dat komt vast te staan dat (een groot deel van) de klanten van de verdachte in de criminaliteit actief zijn en dat dus de omzet van de verdachte direct of indirect afkomstig is uit (enig) misdrijf. Daar komt volgens de rechtbank bij dat de door de verdediging gestelde schending van grondrechten van onbekende derden en het gegeven dat de communicatie van de medeverdachte in andere onderzoeken terecht is gekomen, geen van alle schending opleveren van enig concreet belang van de verdachte rechtspersoon in deze zaak.

De verdediging heeft aangevoerd dat artikel 125i Sv onvoldoende grondslag biedt voor de verkrijging van de data. Het doel van de inzet was immers de verkrijging van onder meer inhoudelijke communicatie tussen de gebruikers en hun contacten. De rechtbank overweegt dat artikel 125la Sv voorschrijft dat in de vast te leggen gegevens die worden aangetroffen bij een doorzoeking op grond van artikel 125i Sv en vergt bovendien een machtiging van de rechter-commissaris. Deze voorwaarden bieden, analoog aan het briefgeheim, extra bescherming aan de verzenders en ontvangers van berichten, die ervan uit mogen gaan dat hun berichten tijdens het ‘transport’ niet zomaar mogen worden gelezen. De rechtbank acht ook artikel 125la Sv van toepassing. Bij het aantreffen van de e-mails mocht de politie dus slechts kennisnemen van de inhoud daarvan voor zover deze klaarblijkelijk van de verdachte rechtspersoon afkomstig waren, voor hem bestemd waren, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, ofwel klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd. Bovendien was een machtiging van een rechter-commissaris noodzakelijk voorafgaand aan kennisname van de inhoud van de berichten. Het staat vast dat de officier van justitie een dergelijke machtiging niet heeft gevraagd. De rechtbank volstaat met de constatering dat dat sprake is van een vormverzuim, mede omdat de verdachte rechtspersoon niet in haar verdedigingsbelangen geschaad, anders dan dat belastende berichten en notities in het dossier zijn gebruikt.

Het verweer dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de data-analyse inhoudelijk te controleren, verwerpt de rechtbank, omdat de verdediging meer dan eens keren is uitgenodigd om specifiek te benoemen welke data men wenste in te zien, dan wel onder toezicht toegang tot de volledige data te krijgen. De rechtbank onderkent dat het verkrijgen en onderzoeken van dergelijke grote datasets een bedreiging kan vormen van het recht op gelijke proceskansen. De rechtbank is het ook eens met de verdediging dat zij in het kader van het recht op een eerlijk proces (en dus gelijke proceskansen) moet kunnen controleren of de door Hansken geproduceerde resultaten betrouwbaar zijn. Daartoe mag van de verdediging echter wel worden verwacht dat zij concreet maakt op welke punten deze controle – al dan niet door een deskundige – moet plaatsvinden en dat heeft de verdediging nagelaten.

Veroordeling voor GGD-datadiefstal

Op 14 september 2021 heeft de rechtbank Midden-Nederland een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBMNE:2021:4419) voor computervredebreuk, vanwege het binnendringen in het CoronIT-systeem, het overnemen van de gegevens van 98 personen en vervolgens tegen betaling beschikbaar stellen van die gegevens via Snapchat, Instagram, Facebook en Telegram. Het CoronIT-systeem is ontwikkeld voor de GGD ten behoeve van het maken van testafspraken, het uitvoeren van bron- en contactonderzoek omtrent Covid-19 besmettingen en het inplannen van afspraken voor vaccinaties. Via Telegram, Snapchat en Whatsapp heeft de verdachte ook gegevens gedeeld met derden. De verdachte heeft hiervoor €50,- aan Bitcoin ontvangen. De verdachte wordt door de rechters veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Zeer interessant is de overweging omtrent computervredebreuk. De verdachte had uit hoofde van zijn werk voor de GGD rechtmatig toegang tot het CoronIT-systeem, en vrije toegang tot de personeelsgegevens. Daarom is het de vraag of sprake is van wederrechtelijk binnendringen in een geautomatiseerd werk. De rechtbank overweegt dat met de strafbaarstelling in artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht aansluiting is gezocht bij de bestaande strafbaarstelling betreffende de huisvredebreuk. Een wachtwoord kan daarbij worden aangemerkt als een sleutel die de gebruiker toegang geeft tot het systeem of tot een deel daarvan. Wanneer de autorisatie die verleend is voor delen van het geautomatiseerde werk wordt overschreden, kan een sleutel, door het onbevoegd gebruik maken daarvan, een valse sleutel worden. Aan de verdachte was deze toegang tot het CoronIT-systeem verschaft om, uitsluitend in het kader van de uitoefening van zijn werk enkel en alleen de gegevens in te zien van de personen met wie hij via de test- en vaccinatielijn contact had. De verdachte heeft een cursus gevolgd waarin werd uitgelegd hoe hij moest omgaan met persoonsgegevens en heeft een geheimhoudingsverklaring getekend. De gegevens van personen die niet via de test- en vaccinatielijn met verdachte in contact werden gebracht, behoefde en behoorde verdachte niet in te zien. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat de verdachte weliswaar was geautoriseerd, maar onbevoegd ter zake van de gegevens van de personen die hij op eigen initiatief heeft opgezocht, zich opzettelijk en wederrechtelijk de toegang heeft verschaft tot het CoronIT-systeem. De verdachte wist dat hij zich in een beveiligd systeem bevond en heeft doelbewust de beveiliging van dat systeem doorbroken, met een ander doel dan het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Daarmee is opzettelijk en wederrechtelijk een geautomatiseerd werk binnengedrongen met behulp van een valse sleutel. Dat betekent dan ook dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk, zoals omschreven in artikel 138ab Sr.

Voor de onderbouwing van dit standpunt verwijst de rechtbank naar het arrest van het Hof Den Bosch 4 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1514 en de conclusie van AG Spronken bij de Hoge Raad van 31 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:777. De Advocaat-Generaal toont in rechtsoverweging 5.30 de zelfreflectie dat

“de reikwijdte van het wederrechtelijk binnendringen zoals strafbaar gesteld in art. 138ab lid 1 Sr potentieel erg groot wordt. Immers een werknemer die uit nieuwsgierigheid grasduint in de voor hem met wachtwoord toegankelijke systemen zal dat (op basis van interne regels) al snel onbevoegd kunnen doen, omdat dit niet altijd (strikt) noodzakelijk is voor de functie-uitoefening. Ook indien de gegevens alleen worden bekeken en niet overgenomen zal reeds sprake zijn van het overtreden van het bepaalde in art. 138ab lid 1 Sr (het binnendringen).”

Zoals subsidiair ook ten laste is gelegd kon mogelijk ook het opzettelijk en wederrechtelijk overnemen van niet-openbare gegevens uit een geautomatiseerd werk (artikel 138c Sr) worden bewezen. Deze bepaling is ook bedoeld voor gevallen waarin de dader rechtmatige toegang heeft tot de gegevens, maar deze wederrechtelijk overneemt (Kamerstukken II 2015/16, 34372, nr. 3, p. 64). Voor dit een artikel staat een lagere gevangenisstraf dan voor computervredebreuk. Als de gegevens vervolgens ter beschikking worden gesteld (via WhatsApp) bijvoorbeeld zou overigens ook sprake kunnen zijn van het delict ‘heling van gegevens’ (139g Sr), maar dat is in deze zaak niet ten laste gelegd.

Veroordeling grooming virtuele minderjarige

De rechtbank Gelderland veroordeelde op 13 september 2021 een 62-jarige verdachte voor grooming van een virtueel meisje van 14 jaar (ECLI:NL:RBGEL:2021:4859). Hij krijgt een gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd met een proeftijd van drie jaar en een werkstraf van 200 uur. Sinds de Wet computercriminaliteit III is ook het grooming van een virtuele creatie van een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt strafbaar.

Een getuige heeft verklaard dat ze lid was geworden van de groep ‘Pedofiel ontmaskerd.nl’ en daarom een account heeft gemaakt op Chatplaza (in dat kader vond ik dit nieuwsbericht over dat ‘pedohunten’ nu minder voorkomt interessant). Een van de personen die op het bericht reageerde en verder vroeg, was de verdachte. De verdachte vroeg haar om verder te praten op ‘KIKplaza.’ Via KIK heeft ze verdachte zeker drie keer verteld dat ze 14 jaar was en verdachte vertelde dat hij 51 of 61 jaar was. Eerst gingen de gesprekken over school en dagelijkse dingen, maar al snel vroeg hij naar dominantie en sprak hij over vastbinden. Hij wilde een afspraak maken in het bos om te zoenen, knuffelen en strelen. Die afspraak kwam tot stand doordat verdachte zei dat ze elkaar moesten zien. Zij had naar hem gemaild dat dat kon omdat haar moeder niet thuis zou zijn. Aan de hand daarvan hebben ze afgesproken. Dat was op 27 november 2020 in Apeldoorn.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte een ontmoeting met een virtueel persoon heeft voorgesteld. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de hiervoor aangehaalde berichten, waarin de verdachte meermalen vraagt naar en zinspeelt op een daadwerkelijke ontmoeting en zo steeds de gelegenheid creëert om een ontmoeting te laten plaatsvinden. Uit de expliciet seksuele inhoud van het chatverkeer tussen verdachte en de virtuele persoon dat voorafging aan deze afspraak, trekt de rechtbank verder de conclusie dat verdachte deze afspraak heeft gemaakt met het oogmerk om seksuele of ontuchtige handelingen met het virtuele meisje te plegen. Dat, zoals verdachte ter zitting heeft verklaard, hij alleen met haar wilde gaan wandelen, vindt de rechtbank gelet op de inhoud van de berichten niet geloofwaardig.

Evaluatie Wiv 2017: van meer privacy naar meer werkbaarheid… en weer terug?

Aanleiding: meer privacy

Twee jaar na de inwerkingtreding van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) is een evaluatie van deze wet van start gegaan. Deze vervroegde wetsevaluatie (het wordt standaard pas na 5 jaar geëvalueerd) is geïnitieerd vanwege de uitslag van het raadgevend referendum over de Wiv 2017. 49,44% van de kiezers heeft tegen de Wiv 2017 gestemd, 46,53% voor, en 4,03% blanco. Uit het maatschappelijk debat rondom het referendum bleek dat mensen zich met name zorgen maakten over privacy en dan specifiek over de uitbreiding van de bevoegdheid tot bulkinterceptie van internetverkeer naar de kabel (het ‘sleepnet’ genoemd).

Naar meer werkbaarheid

Net voor de start van de evaluatie van de Wiv 2017 vond in 2019 een kentering in het debat plaats. Het voormalige hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) Dick Schoof waarschuwde op 6 februari 2019 in het programma Nieuwsuur dat de ‘operationele slagkracht niet overheerst mag worden door de administratieve last die ontstaat door de nieuwe wetgeving’. Kort daarop vroegen Kamerleden van CDA- en VVD-fractie zich af ‘of de genomen maatregelen werkbaar blijven voor de diensten’ en ‘hoe de disproportionele bureaucratisering van het werk van de diensten wordt tegengaan’. De invloed op de operationele slagkracht van de Wiv 2017 is door de Algemene Rekenkamer speciaal onderzocht. De Algemene Rekenkamer concludeert dat: de nieuwe waarborgen de inzet van bepaalde bijzondere bevoegdheden het verzamelen van inlichten en de snelheid in internationale samenwerking beperken en er een toename is van administratieve lasten, waardoor bij gelijkblijvende capaciteit minder tijd overblijft voor het uitvoeren van onderzoek in het belang van de nationale veiligheid (zie rapport).  

De Commissie Evaluatie Wiv 2017 (hierna: de Commissie Jones-Bos naar haar voorzitter) kreeg hierop expliciet de opdracht te onderzoeken ‘of de wet in de praktijk een werkbaar instrument is gebleken voor de taakuitvoering van de diensten’ en ‘de knel- en aandachtspunten in de toepassingspraktijk van de wet’ te onderkennen. Op 20 januari 2021 heeft de Commissie Jones-Bos een lijvig rapport (180 pagina’s) afgeleverd. Een groot deel van de aanbevelingen streven een ‘werkbaarder wet’ na, soms ten koste van reeds bestaande (privacy)waarborgen. Kort daarop schreef het demissionaire kabinet de aanbevelingen te ‘omarmen’ en de voorbereidingen te treffen voor een wijzigingsvoorstel van de Wiv 2017.

Gevolgen voorstellen Commissie Jones-Bos voor privacy

Ons artikel (.pdf) betreft een beschouwing van dit rapport, waar in wij verkennen wat de gevolgen van een aantal van deze voorstellen kunnen zijn voor het recht op privacy van personen. In het bijzonder richtten wij ons op de manier waarop bulkdatasets worden verzameld en hoe data-analyse is geregeld.

Wij concluderen dat de voorstellen van de Commissie Jones-Bos de waarborgen van bepaalde bijzondere bevoegdheden verzwakken. Dit heeft gevolgen heeft voor de bescherming van het recht op privacy. Met name een voorgestelde informantenbevoegdheid wordt gebrekkig uitgewerkt door de commissie, terwijl daarmee ook bulkdatasets kunnen worden verzameld. Die regeling behoeft meer aandacht, waarbij fundamentele keuzes gemaakt worden, zoals de vraag of de AIVD en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) van elke overheidsinstantie en misschien zelfs elk bedrijf gegevens vrijwillig mogen opvragen of kunnen eisen dat deze op verzoek verplicht verstrekt worden (vorderen). Het voorstel de voorafgaande onafhankelijke toets van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) te schrappen bij de bevoegdheden voor selectie- en metadata-analyse, het vereenvoudigen van het relevant verklaren van bulkdatasets, en de inperking van het begrip ‘geautomatiseerde data-analyse’, verzwakt ook de bescherming van privacy.

Ten slotte merken wij in het artikel op dat de Commissie Jones-Bos bijzonder weinig aandacht aan de bepalingen omtrent gegevensverwerking in de Wiv 2017. Ook bij minder geavanceerde vormen van data-analyse die wel degelijk een ernstige inbreuk op het recht op privacy en andere mensenrechten kunnen meebrengen, waarvoor deze bepalingen van belang kunnen zijn. Wij bevelen daarom aan voordat het voorstel tot wetswijzing naar de Tweede Kamer wordt gestuurd alsnog een ‘privacy impact assessment’ uit te voeren (zie ook de PIA op het wetsvoorstel van de Wiv 2017). Net als bij de Wiv 2017 kunnen de uitkomsten daarvan voor het wetsvoorstel in overweging worden genomen. 

En weer terug naar privacy?

Na de publicatie van ons artikel heeft toch een kleine kentering in het (parlementaire) debat plaatsgevonden over de voorgenomen wijzigingen van de Wiv 2017. De aangenomen moties (zoek op ‘IVD’) zien op de toezichthouders (bijvoorbeeld een oproep te onderzoeken wat de voor- en nadelen van samenvoeging zijn). Daarmee wordt er enige tegenwicht geboden aan sommige aanbevelingen van de Commissie Jones-Bos over toezicht.

In een recente annotatie bij de Big Brother Watch- en Centrum För Rättvisa-zaken betogen Mireille Hagens en ik (Jan-Jaap) dat de oproep van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) tot ‘end-to-end safeguards’ bij bulkinterceptie ook tot een heroverweging van het toezicht stelsel en de rol van de rechter zou moeten leiden.

Quirine en ik hadden natuurlijk graag ook een oproep tot meer aandacht voor de regels omtrent gegevensverwerking en impact op privacy gezien (ook vanwege het gemoderniseerde verdrag van de Raad van Europa over regels voor gegevensverwerking (Conventie 108+) die ook betrekking heeft op nationale veiligheid). Maar de discussie lijkt met de vele nieuwe Tweede Kamerleden weer wat meer open te liggen. Het zal ook afhankelijk zijn van de visie en waarden die een nieuw kabinet te zijner tijd met zich meebrengt, hoe een wetsvoorstel voor een nieuwe Wiv (2024?) eruit komt te zien.

Jan-Jaap Oerlemans & Quirine Eijkman

Cybercrime jurisprudentieoverzicht september 2021

Veroordeling op basis van bewijs uit Sky ECC

Op 19 augustus 2021 heeft de rechtbank Amsterdam een van de eerste verdachten veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2021:4320) (mede) op basis van de berichten die zijn veilig gesteld van de ‘cryptochat-app’ ‘Sky ECC’. In een operatie van Belgische, Franse en Nederlandse opsporingsinstanties in maart 2021 zijn honderden miljoenen berichten van ongeveer 70.000 Sky ECC-gebruikers onderschept. Deze berichten worden onderzocht op strafbare feiten, waarna opsporingsonderzoeken worden opgestart. Volgens Europol waren veel personen naar Sky ECC overgestapt na de EncroChat operatie in 2020. Wereldwijd maakten 170.000 personen gebruik van de tool, waarbij 3 miljoen berichten per dag tussen gebruikers werden verstuurd. Ongeveer 20 procent van de klanten komen volgens Europol uit België en Nederland. De servers van de elektronische communicatiedienst stonden in de Europese Unie.

In het onderzoek ‘26Chesham’ staat de uitvoer van cocaïne centraal. Het opsporingsonderzoek 26Chesham is gestart naar aanleiding van informatie afkomstig uit het onderzoek ‘26Argus’. 26Argus betreft het onderzoek naar een berichtenapp Sky ECC. Het bedrijf installeerde versleutelingssoftware op iPhones, Google Pixels, Blackberry’s en Nokia’s. Het berichtenverkeer liep via servers in Frankrijk en Canada. De rechtbank overweegt verder dat de CEO en werknemers van Sky Global in de Verenigde Staten zijn aangeklaagd wegens het opzettelijk faciliteren van criminele organisaties. In het onderzoek 26Argus worden chats van de gebruikers van deze software en cryptotelefoons op basis van vooraf door de rechters-commissaris in dat onderzoek goedgekeurde trefwoorden onderzocht.

De verdediging voert aan dat sprake is van vormverzuimen, omdat de officier van justitie heeft nagelaten tijdig de essentiële stukken te overleggen die nodig zijn om te kunnen toetsen of het gebruik van informatie uit het onderzoek 26Argus rechtmatig is geweest. Op deze wijze wordt de verdediging ervan weerhouden de verdediging effectief uit te kunnen voeren, waardoor de rechten van verdachte worden geschonden. De rechtbank overweegt dat – omdat verdachte zelf heeft verklaard dat hij niet actief gebruik heeft gemaakt van zijn Sky ECC-telefoon en dat hij daarop geen berichten heeft gezien – ‘het de rechtbank niet duidelijk wat het vermeende vormverzuim voor nadelige gevolgen voor de verdachte heeft gehad’. De verweren slagen daarom niet.

De rechtbank neemt de aanwezigheid van ‘encrypted telefoons’ bij alle vier de verdachten in aanmerking. Volgens de rechtbank is ‘het is een feit van algemene bekendheid dat criminelen met zulke telefoons over de uitvoering van strafbare feiten communiceren, omdat de daarmee verzonden versleutelde berichten moeilijk te onderscheppen zijn’. Gebleken is dat ‘aan de Sky-id van [naam 1] op 8 maart 2021 een bericht is gestuurd met het adres waar hij vlak daarna door [verdachte] is opgehaald en naar de loods is gebracht’. Dat ook over het transport is gecommuniceerd met encrypted telefoons blijkt ‘uit het bericht dat op de Sky ECC-telefoon van [naam 1] is aangetroffen, betreffende het adres waar hij op 8 maart [verdachte] zou ontmoeten’.

De rechtbank acht bewezen het medeplegen van een poging tot uitvoer van 125 kilogram cocaïne op 8 maart 2021 te Cruquius alsmede het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van die cocaïne op diezelfde dag bewezen. De verdachte in deze zaak krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 5 jaar. 

Beslissing inzake inzet bevoegdheden EncroChat

Ik heb mijn cybercrime jurisprudentieoverzicht al meerdere keren strafzaken besproken (zie hier, hier en hier) die voortvloeien uit de EncroChat-operatie, waarbij miljoenen berichten zijn verzameld en geanalyseerd door politie en justitie. Uit deze operatie komen nog steeds strafzaken uit voort, waarvan in deze rubriek er één wordt uitgelicht, omdat het een nieuwe ontwikkeling betreft.

De rechtbank Den Haag besliste op 25 augustus 2021 over onderzoekwensen in verband met EncroChat (ECLI:NL:RBDHA:2021:9368). Het meest relevante onderdeel van de beslissing is het onderdeel over de verstrekking van (ook onderliggende gegevens) bij de machtiging van de rechter-commissaris voor het gebruik van EncroChat-gegevens voor strafzaken.

De verdediging voert aan dat de officier van justitie inmiddels de machtiging van de rechter-commissaris d.d. 27 maart 2020 bij de stukken heeft gevoegd, voorzien van een begeleidende brief van het OM d.d. 7 juli 2021. De voeging heeft plaatsgevonden op grond van de volgende overweging die door diverse rechtbanken (in vrijwel gelijkluidende zin) is gebruikt:

Het feit dat de rechter-commissaris diverse voorwaarden heeft gesteld aan het gebruik van de dataset 26Lemont voor andere opsporingsonderzoeken, doet vermoeden dat de rechter-commissaris belangen van de gebruikers heeft afgewogen tegen de relevante opsporingsbelangen en daarbij aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit heeft getoetst. De rechtbank kan dit op basis van de nu verkregen stukken echter niet nagaan. Zowel de verdediging als de rechtbank beschikt slechts over het dictum van de 126uba-machtiging en niet over de inhoudelijke afwegingen van de rechter-commissaris om tot verlening van de machtiging over te gaan. De rechtbank wil op dit punt nader worden geïnformeerd.

De rechtbanken willen dus vooral geïnformeerd worden over de afweging die de rechter-commissaris bij het opstellen van de voorwaarden voor het gebruik van de dataset heeft gemaakt met betrekking tot de belangen van de gebruikers en welke toets hij ten aanzien van de subsidiariteit en proportionaliteit heeft aangelegd.

De verdediging heeft echter nog een ander punt naar voren gebracht, namelijk het gebruik van de bevoegdheid van artikel 126uba Sv. De rechter-commissaris constateert dat de machtiging niet alle door de verdediging opgeworpen vragen lijkt te beantwoorden. De (deels gezwarte) machtiging bevat bijvoorbeeld niet (expliciet/zichtbaar) alle onderdelen van het bevel, zoals is voorgeschreven in artikel 126uba lid 3 juncto 126nba lid 4 Sv. In de machtiging wordt wel verwezen naar de vordering (p. 5: “machtigt (…) overeenkomstig de vordering”), processen-verbaal van de politie en een brief van de officier van justitie, maar deze stukken zijn niet gevoegd. Naar het oordeel van de rechter-commissaris moet de verdediging in de gelegenheid worden gesteld een rechtmatigheidstoets uit te voeren naar het gebruik/de verwerking van deze data met het oog op een eventueel verweer daaromtrent. Daarvoor kan niet worden volstaan met de machtiging, ook de andere daaraan gerelateerde stukken – zoals de vordering, de onderliggende processen-verbaal, de genoemde brief en het/de op de machtiging gevolgde bevel(en) (verzoek 1) – zullen moeten worden verstrekt. Datzelfde geldt voor de verlengingen (verzoek 2).

De rechter-commissaris ziet onder ogen dat het voegen van al deze stukken (in hun geheel) gevoelig ligt. Zo staat in de begeleidende brief bij het verstrekken van de machtiging beschreven dat het respecteren van het staatsgeheim van Frankrijk meebrengt dat door de zaaksofficieren van 26Lemont is besloten om de passages in de beschikking die op dat deel betrekking hebben, zwart te maken.

De rechter-commissaris is van oordeel dat de afweging welke stukken (en welke delen daaruit) wel en niet gevoegd kunnen worden, niet (uitsluitend) bij het OM moet liggen. De rechter- commissaris verwijst daarvoor naar artikel 149b Sv: als de officier van justitie vanwege belangen als vermeld in artikel 187d lid 1 Sv, zoals een zwaarwegend opsporingsbelang, de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege wil laten, behoeft hij daartoe een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.

Gelet op het voorgaande zal de rechter-commissaris beslissen dat de verzoeken 1 en 2 zullen worden toegewezen en dat de betreffende 126uba-machtiging en de daaraan gerelateerde stukken in beginsel volledig en ongezwart bij de processtukken dienen te worden gevoegd. Wel staat daarbij de weg van artikel 149b Sv open. De rechter-commissaris kan op vordering van de officier van justitie een machtiging verlenen om bepaalde stukken niet te voegen of onderdelen daaruit te ‘zwarten’. Anders dan de rechtbank kan de rechter-commissaris wel kennisnemen van de volledige inhoud van de stukken. Voor de goede orde merkt de rechter-commissaris op dat deze beslissing ook geldt voor de 126uba- machtiging die inmiddels al deels gezwart door het OM bij de stukken is gevoegd. Deze machtiging zal in beginsel ongezwart moeten worden gevoegd, tenzij de rechter-commissaris een machtiging voor het zwarten van bepaalde delen heeft verleend. De rechtbank is het hier mee eens.

Veroordeling voor professionele sextortion

Op 28 juli 2021 heeft de rechtbank Den Haag een uitspraak gewezen in een opvallende ‘sextortion-zaak’ (ECLI:NL:RBDHA:2021:8203). De verdachte wordt veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie (art. 140 Sr) die tot oogmerk had het plegen van oplichting (art. 326 Sr), afdreiging (art. 318 Sr) en gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). Op sociale media is een groot aantal slachtoffers met gebruik van nepaccounts gelokt en vervolgens benaderd met – tegen betaling – het aanbod van een ontmoeting met een vrouw voor een seksdate of naaktfoto’s van een vrouw. De politie heeft 39 slachtoffers geïdentificeerd die ingegaan zijn op dit aanbod en/of een naaktfoto hebben gestuurd van zichzelf.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat steeds op min of meer dezelfde manier te werk werd gegaan. Een mogelijk slachtoffer (door de verdachten ook wel aangeduid als ‘clannies’) werd op internet of via sociale media met gebruikmaking van nepaccounts tegen betaling een afspraak of (naakt)foto’s aangeboden. Uit verklaringen van meerdere verdachten is duidelijk geworden dat dit bekend stond als ‘schetsen’. Na betaling bleef de afspraak of het beeldmateriaal uit. Het slachtoffer werd na betaling onder druk gezet om meer te betalen onder dreiging van openbaarmaking van de contacten tussen het slachtoffer en het betreffende account. Ook werd slachtoffers gevraagd een naaktfoto van zichzelf te sturen. Wanneer slachtoffers aan dat verzoek voldeden, werd vervolgens gedreigd de foto te verspreiden onder familie en vrienden, tenzij er zou worden betaald. (Soms bleef het overigens niet bij dreiging). Om de bedreigingen kracht bij te zetten, werden slachtoffers vaak benaderd op verschillende van hun sociale media. De slachtoffers ontvingen, om de gevraagde betalingen te kunnen verrichten, vaak opeenvolgende betaalverzoeken, al dan niet via ‘Tikkie’, vanaf rekeningen van een of meer personen. Het geld dat met deze praktijken werd verkregen, werd over verschillende rekeningen verspreid en vervolgens contant opgenomen of doorgeboekt.

Over bovenstaande feiten en omstandigheden is door de verdediging geen verweer gevoerd. De rechtbank stelt vast dat de handelingen die gepaard gingen met de hierboven beschreven werkwijze een behoorlijke mate van samenwerking en coördinatie vereisten, te weten het maken en promoten van nepaccounts, het contact leggen met en informatie verzamelen over potentiële slachtoffers, het sturen en ontvangen van foto’s, het sturen van betaalverzoeken vanaf verschillende bankrekeningen waarbij vaak gebruik werd gemaakt van dezelfde codes/afkortingen, en het opnemen van (grote) contante bedragen na al dan niet losse overboekingen. Uit de werkwijze blijkt ook van een zekere rolverdeling binnen de organisatie als afdreiger/oplichter en geldezel/bank, welke rollen de diverse leden afwisselend vervulden. Samen met de onderlinge verbanden tussen de incidenten en de verdachten, duidt dit alles naar het oordeel van de rechtbank op een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. De organisatie legde een duidelijke stelselmatigheid aan de dag gelet op de organisatiegraad van het handelen en het grote aantal slachtoffers.

De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien van oordeel dat er sprake is geweest van een criminele organisatie, waarvan het oogmerk was het plegen van afdreiging, oplichting en gewoontewitwassen.

Het merendeel van de in het onderzoek geïdentificeerde slachtoffers was minderjarig ten tijde van de misdrijven. Veel van hen hebben tegenover de politie verklaard over vaak langdurige gevoelens van angst die de feiten bij hen teweeg hadden gebracht. De daders hebben de slachtoffers misleid en bedreigd en gevoelens van schaamte en angst maximaal uitgebuit om hen zoveel mogelijk geld afhandig te maken. Gebleken is dat slachtoffers uit schaamte en/of angst nauwelijks op eigen initiatief aangifte doen van dergelijke afdreigingen en oplichtingen. Dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die zozeer gericht was op winstbejag ten koste van de slachtoffers rechtvaardigt volgens de rechtbank op zichzelf al een forse straf. Tegelijkertijd houdt de rechtbank ook rekening met de (zeer) jonge leeftijd van de verdachte (15 jaar) ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf ook meegewogen dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, terwijl het – omvangrijke – opsporingsonderzoek naar deze ernstige verdenkingen al in januari 2020 was afgerond. De verdachte wordt voor het onvoorwaardelijke deel van zijn straf veroordeeld tot de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Heimelijk filmen van seksuele handelingen

Op 23 augustus 2021 heeft de rechtbank Amsterdam een 51-jarige man veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2021:4470) tot 10 maanden gevangenisstraf (waarvan 4 voorwaardelijk) voor het heimelijk maken van opnamen in de slaapkamer van een woning waar hij als schoonmaker werkte. Dit vond plaats via het hacken van een router met verkregen inloggegevens van het WiFi-netwerk en het plaatsen van een IP-camera gericht op een bed. De verdachte wordt veroordeeld voor computervredebreuk, het plaatsen van afluisterapparatuur en het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van en het ter beschikking hebben van afbeeldingen van seksuele aard van de aangeefster en haar vriend.

Op grond van het dossier en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte een camera in de kamer van aangeefster heeft geplaatst en deze heeft verbonden met het wifi-netwerk. Om toegang te krijgen tot het wifi-netwerk heeft verdachte het wifi-wachtwoord gebruikt dat hij van aangeefster had gekregen om via internet muziek te kunnen luisteren. Omdat de verdachte het wifi-wachtwoord heeft gebruikt met een ander doel dan waarvoor deze aan hem was verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk (de router dan wel het wifi-netwerk), door middel van een valse sleutel.

Op de SD-kaart in de IP-camera zijn filmpjes aangetroffen waarop te zien is dat aangeefster en haar vriend seksuele handelingen verrichten. De rechtbank overweegt dat aangeefster en haar vriend geen toestemming hebben gegeven voor het plaatsen van de camera en het filmen. Gelet op de bedoeling van verdachte met het ophangen van de camera acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat het niet zijn bedoeling was om filmpjes op te slaan niet aannemelijk. Hierbij speelt tevens mee dat verdachte een grote hoeveelheid filmpjes heeft opgeslagen op verschillende gegevensdragers en hij ter terechtzitting heeft verklaard geïnteresseerd te zijn in “voyeur”-filmpjes van internet en dat hij deze vaak opslaat. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk videobeelden heeft vervaardigd waarop te zien is dat aangeefster en haar vriend seksuele handelingen verrichten. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beschikking heeft gehad over de SD-kaart in de camera, omdat die zich in de woning van aangeefster bevond. De rechtbank verwerpt dit verweer. Hoewel de camera met daarin de SD-kaart zich in de woning van aangeefster bevond, had verdachte daar – tot het moment van de ontdekking van de camera – wel degelijk beschikkingsmacht over.

Het openbaar ministerie verweet de verdachte ook dat hij grote hoeveelheid filmpjes van onbekende personen heeft gemaakt, op dezelfde manier gemaakt als de filmpjes van de aangeefster. De filmpjes zijn allemaal gemaakt met een IP-camera en hebben het bed als centraal punt in beeld. De rechtbank vindt het echter niet bewezen dat verdachte foto’s of beelden heeft opgenomen in een Bed & Breakfast en dat hij de beschikking heeft gehad over die beelden terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die beelden wederrechtelijk waren opgenomen (artikel 139h Sr). De verdachte wordt daarvan vrijgesproken, omdat niet bekend is wie de personen zijn die zijn gefilmd, of het filmen zonder hun toestemming heeft plaatsgevonden (er zijn geen aangiftes gedaan) en waar de beelden zijn opgenomen. Ook is niet komen vast te staan dat verdachte degene is die een camera heeft opgehangen en de betreffende personen heeft gefilmd. Al met al bevindt zich in het dossier te weinig informatie over deze beelden om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de beelden wederrechtelijk zijn vervaardigd.

De verdachte wordt veroordeeld voor en de vergoeding van 190 euro materiële en 1000 euro immateriële schade.

Veroordeling voor ontwikkelen van betaalomgeving voor phishing

Op 2 juli 2021 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHARL:2021:6521) voor voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van computervredebreuk. De verdachte heeft een niet van echt te onderscheiden betaalomgeving ontwikkeld en deze omgeving aan andere personen verstrekt om phishing-activiteiten mogelijk te maken. Daarmee heeft de verdachte een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van computervredebreuk (art. 139d Sr jo 138ab Sr).

Slachtoffers werden gevraagd 1 cent over te maken om (zogenaamd) de betrouwbaarheid van te controleren. Hierbij werd de betaalomgeving van de verdachte gebruikt, waarheen de slachtoffers werden geleid.

De verdachte is inmiddels werkzaam in de ICT-branche en lijkt volgens de rechtbank ‘op meerdere terreinen – hij heeft werk, een vaste relatie en een kind – zijn leven in de goede richting ter hand te hebben genomen’. Ook is de redelijke termijn van de berechting van deze zaak overschreden. Een en ander brengt het hof ertoe een de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar.

WhatsApp-fraude

Op 23 juli 2021 heeft de rechtbank Rotterdam een minderjarige verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2021:7807) voor oplichting (WhatsApp- en Tikkie-fraude), het medeplegen van computervredebreuk, verboden vuurwapenbezit en gewoontewitwassen.

De werkwijze was als volgt. De verdachten beschikten over een telefoonnummer van een WhatsApp-gebruiker. De verdachten vroegen een verificatiecode voor het account dat zij over wilde nemen. Deze code werd vervolgens door WhatsApp via sms verstuurd naar de gebruiker van dat telefoonnummer. Vervolgens stuurden de verdachten aan deze gebruiker een bericht met het verzoek om de verificatiecode door te sturen. Dit bericht werd verzonden namens iemand uit de contactenlijst van het beoogde slachtoffer, van wie zij al eerder het account hadden overgenomen. Op die manier lijkt het voor het beoogde slachtoffer alsof hij of zij het verzoek krijgt van een bekende. Na het ontvangen van de verificatiecode voerden de verdachten deze code in en kregen zij op deze manier toegang tot het WhatsApp-account van het slachtoffer. Daarna stuurden zij iedereen uit de contactenlijst van het slachtoffer een bericht met de vraag of zij geld konden lenen. Zij namen daarmee WhatsApp-accounts van willekeurige personen over en benaderden via die WhatsApp-accounts vrienden en familieleden van die personen. Het oorspronkelijke, echte, account werd geblokkeerd en de verdachten deden zich voor als de persoon van wie het WhatsApp-account was. Zij meldden aan de vrienden en familieleden van die persoon dat zij dringend financiële hulp nodig hadden. Veelgebruikte excuses daarbij waren dat het om een spoedgeval ging en dat zij even niet bij hun spaargeld konden.

Als de vrienden en familieleden bereid waren om te helpen, kregen zij van de verdachten een Tikkie-betaalverzoek toegestuurd. Als daar een bevestigend antwoord op kwam, werd een Tikkie betaalverzoek voor het genoemde bedrag gestuurd. Deze betalingen kwamen terecht op bankrekeningen van geldezels. De ontvangen bedragen werden zo snel mogelijk opgenomen bij de pinautomaat. Op die manier werden de contacten van het overgenomen WhatsApp-account opgelicht en werd veel geld verdiend.

Voor de bewijsvoering zijn betaalverzoeken na oplichting van de slachtoffers op de mobiele telefoons van de verdachte en (onder andere) het IP-adres van de woning van de verdachte op die dag op de internetbankieren-omgeving van vier van de vijf begunstigde bankrekeningnummers ingelogd. De rechtbank achtte in deze zaak de oplichting van dertien slachtoffers en tweemaal computervredebreuk bewezen. De rechtbank ging ervan uit dat dit slechts het topje van de ijsberg is geweest en dat er door de verdachte en zijn medeverdachte meer slachtoffers zijn gemaakt. Op basis van de verklaring ter zitting van de verdachte zelf, waaruit volgt dat hij 20% van het bedrag ontving dat op basis van een Tikkie betaalverzoek werd overgemaakt en dat hij in totaal €20.000,- zou hebben verdiend met de door hem gepleegde WhatsApp-fraude, hebben hij en zijn medeverdachte hun slachtoffers in ieder geval voor een totaalbedrag van €100.000,- benadeeld. Uitgaande van de gemiddelde bedragen die de slachtoffers in de ten laste gelegde feiten hebben overgemaakt, gaat het daarmee bij de oplichting alleen al om meer dan honderd slachtoffers. Naast de WhatsApp-fraude heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het witwassen van grote contante geldbedragen van in totaal ruim €75.000,- en luxe schoenen. Tot slot heeft de verdachte op zijn slaapkamer een vuurwapen en kogelpatronen voorhanden gehad.

De minderjarige verdachte is veroordeeld voor 282 dagen jeugddetentie waarvan 180 dagen voorwaardelijk, een werkstraf van 180 uur, en een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden.  

Daarnaast heeft de rechtbank Overijssel op 9 augustus 2021 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBOVE:2021:3149) voor oplichting. De man maakte samen met zijn mededaders in 1,5 jaar tijd zo’n 18 slachtoffers. Het begon met oplichting via WhatsApp en Marktplaats, uiteindelijk deed hij zich zelfs voor als fraudebestrijder bij een bank. De groep koos vooral slachtoffers met een hogere leeftijd uit.

Hij ging daarbij als volgt te werk. Hij benaderde slachtoffers en won het vertrouwen door zich voor te doen als dochter van de aangeefster. Vervolgens werd haar verzocht om geld over te maken voor de aanschaf van een nieuwe telefoon en laptop. Dit geld kwam terecht op een bankrekening waarover verdachte de beschikking had. Ook heeft hij mensen via Markplaats opgelicht, door zich als potentiële koper voor te doen en ‘ter verificatie’ een phisinglink te sturen. Daardoor werden de slachtoffers overgehaald tot het afgeven van inloggegevens van hun internetbankierenaccounts, waarna er bedragen van hun bankrekeningen werden afgehaald. Om deze vorm van oplichting mogelijk te maken heeft verdachte geldezels geronseld. Daarna werd de oplichting door verdachte en diens medeverdachten nog geavanceerder, stelselmatiger en grootschaliger uitgevoerd. Verdachte belde zijn slachtoffers, die bewust werden uitgekozen vanwege hun hogere leeftijd, volgens een vaststaand script en deed zich voor als een medewerker van de fraude afdeling van de bank waar het slachtoffer bankierde. Verdachte ontfutselde zijn slachtoffers op die manier codes om te kunnen inloggen op het internetbankierenaccount van zijn slachtoffers. Verdachte en zijn medeverdachten waren dan in staat om alle aan dit account gekoppelde rekeningen te beheren. Het afgeboekte geld werd vaak meteen overgeboekt naar een tussenrekening, vermoedelijk om cryptovaluta aan te schaffen. Soms werden meerdere slachtoffers op één dag gebeld. Een enkele keer werd dertig keer door een aangeefster een bedrag afgeboekt tot een bedrag van maar liefst € 28.795,00. De verdachte heeft volgens de rechtbank eraan bijgedragen dat het vertrouwen van de vijftien veelal oudere slachtoffers op grove wijze is geschaad en heeft misbruik gemaakt van zijn slachtoffers enkel en alleen ten behoeve van zijn eigen financiële gewin. Dit soort digitale oplichtingspraktijken hebben tot gevolg dat mensen minder vertrouwen hebben in elektronisch bankieren. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

Gezien de ernst van de gepleegde feiten en de lange periode waarin deze hebben plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur, ondanks dat verdachte deels wordt vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden.

Meer duidelijkheid over EncroChat-operatie

In de afgelopen maanden is er weer veel jurisprudentie verschenen waarin de berichten van die zijn veilig gesteld van het bedrijf EncroChat een belangrijke rol spelen. Het gaat volgens een Frans persbericht om meer dan 120 miljoen berichten. De Nederlandse politie spreekt van zo’n 25 miljoen (!) berichten (wellicht het aantal berichten die Nederland heeft ontvangen).

Steeds vraagt de verdediging om meer informatie over de verzameling van de gegevens bij een Frans bedrijf in Frankrijk, terwijl rechters steevast verwijzen naar het internationaal vertrouwensbeginsel en het bewijs niet onder Nederlands recht op rechtmatigheid wordt getoetst (zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 24 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6050).

Op 25 juni 2021 zijn in een Rotterdamse uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2021:6113) eindelijk meer details naar boven gekomen over de operatie waarin de EncroChat-berichten verzameld zijn. Hieronder volgt eerst een korte beschrijving van wat EncroChat precies is en daarna volgen de beschikbare details van de operatie.

Hoe werken EncroChat-telefoons?  

EncroChat was een communicatieaanbieder van telefoons, waarmee middels de Encrochat applicatie versleutelde chats, bestaande uit tekstberichten en afbeeldingen, konden worden verzonden en ontvangen en waarmee onderling gebeld kon worden. Ook was het mogelijk om notities te bewaren op de telefoontoestellen. De gebruiker had niet de mogelijkheid om zelf applicaties te installeren op het toestel en was dus beperkt in het gebruik van de communicatieapplicaties die er door de leveranciers op gezet werden. Een Encrochattelefoon kon door de gebruiker volledig worden gewist. Dit werd ook wel ‘panic-wipe’ genoemd. Gebruikers kochten een telefoontoestel waarop de Encrochat applicaties vooraf geïnstalleerd waren in combinatie met een abonnement om de service te kunnen gebruiken. Gebruikers konden elkaars username opslaan in hun contactlijst onder een zelfgekozen omschrijving (‘nickname’). Communicatie kon tot stand komen nadat een gebruiker zijn ‘username’ stuurde naar een andere gebruiker, met het verzoek om toegevoegd te worden aan diens contactenlijst. Een chat kon bestaan uit tekstberichten en foto’s. Ieder bericht verliep na een vooraf ingestelde tijd, ook wel ‘burn-time’ of beveiligde verwijdertijd genoemd. Deze tijd was door de gebruiker aan te passen, standaard stond hij ingesteld op zeven dagen. Tevens kon er vanuit de chat een ‘VoIP’ spraakgesprek gevoerd worden. De kosten voor een Encrochat -telefoon bedroegen ongeveer €1.500,- voor een abonnement van zes maanden.

EncroChat-operatie

Over de operatie zelf overweegt in r.o. 3.2.3 de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2021:6113) het volgende. De Franse Gendarmerie zou op 1 april 2020 vanuit Pontoise, Frankrijk, rond 17:15 uur een door een Franse technische politiedienst ontwikkeld opnamemiddel hebben geïnstalleerd. Het doel van dit middel was het vastleggen van de inkomende en uitgaande communicatie middels de Encrochat-telefoontoestellen (ongeveer 55.000 toestellen waren in omloop). De rechtbank schrijft het volgende: uit een ‘Warrant Application’ die ziet op ‘Targeted Equipment Interference’ van de National Crime Agency, valt op te maken dat de NCA met de Franse Gendarmerie heeft samengewerkt gebruikt te maken van kwetsbaarheden in de servers om zo gegevens te verzamelen.

De Franse Gendarmerie heeft in januari 2020 aan de NCA te kennen gegeven dat zij Encrochat konden hacken. In een “Schedule of Conduct” staat vermeld dat in de eerste fase (stage 1) een hacktool zal worden ingezet op alle Encrochat-toestellen wereldwijd. Dit middel zal op de toestellen worden gezet via een update vanaf de server in Frankrijk. Dit middel zal de op de toestellen vastgelegde data verzamelen en zal deze verzenden naar de Franse autoriteiten. Het gaat dan om alle data, waaronder IMEI-gegevens, gebruikersnamen, wachtwoorden, opgeslagen chatberichten, afbeeldingen, locatiegegevens (‘geodata’) en notities.

Gedurende de tweede fase (stage 2) is communicatie verzameld, zoals chatberichten, opgeslagen op de Encrochat-toestellen. Deze berichten worden verzameld, zodra deze in het toestel worden opgeslagen. De geplande duur van de interceptie is naar verwachting twee maanden. De aldus verkregen data vanuit Frankrijk, veelal bestaand uit Encrochat-berichten, is volgens de politie de dataset die de politie in Nederland heeft verkregen binnen het onderzoek 26Lemont, het strafrechtelijke onderzoek naar de medeplichtigheid van Encrochat zelf aan door de gebruikers van Encrochat gepleegde misdrijven. De Franse Gendarmerie heeft op basis van “geodata” oftewel locatiegegevens, de gegevens vervolgens gedeeld met het land van herkomst, die daar – onder bepaalde voorwaarden – verder geanalyseerd en verwerkt konden worden voor strafrechtelijke onderzoeken naar de gebruikers.

In een uitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2022:1273) van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2022 zijn nog meer details te lezen te lezen. Uit het proces-verbaal Overzicht beschikbare data Encrochat (AD aanvulling 1, p. 191 e.v.) en het Proces-verbaal van veiligstellen (AD aanvulling 1, p. 195 e.v.), blijkt verder het volgende. Het Franse onderzoeksteam heeft de Nederlandse politie toegang gegeven tot de Encrochat telefoondata via een beveiligde verbinding met de computersystemen in Frankrijk. De Encrochat telefoondata zijn vervolgens door Nederlandse opsporingsambtenaren vanaf het Franse computersysteem gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie. Om een zo actueel mogelijke kopie van de Encrochat telefoondata te krijgen, gebruikte de politie een wijze van kopiëren waarbij met een zo klein mogelijke vertraging de nieuwe Encrochat telefoondata werden gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie.

De aldus verkregen data vanuit Frankrijk, veelal bestaand uit Encrochat-berichten, is volgens de politie de dataset die de politie in Nederland heeft verkregen binnen het onderzoek 26Lemont. Het betreft data afkomstig van 39.000 telefoons, waarvan zich ongeveer 9.000 telefoons (deels) in Nederland bevonden. Nederland heeft ook nog een harde schijf ontvangen van Frankrijk met daarop alle data. De informatie op die harde schijf is vergeleken met de data die eerder gekopieerd waren. Uit deze vergelijking heeft de politie geconcludeerd dat de data “volledig en integer zijn gekopieerd” vanaf de Franse systemen naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie.

Daarnaast heeft het Franse onderzoeksteam op 4 verschillende momenten, te weten januari 2019, oktober 2019, februari 2020 en juni 2020, een kopie gemaakt van de Encrochat infrastructuur en de informatie die op dat moment beschikbaar was op de verschillende servers. Deze informatie is ook gedeeld met Nederland, zowel in het onderzoek Bismarck dat al eerder liep, als in het kader van het JIT. Dit heeft eveneens veel informatie opgeleverd. Geen inhoudelijke berichten, maar wel veel metadata, zoals back-ups van de notitie-app, administratieve gegevens, IP adressen, overzicht van users en databases met wachtwoorden.

De Encrochat data kunnen dus opgedeeld worden in twee categorieën:

  1. data afkomstig van de servers zoals in bovenstaande alinea omschreven, de zogenaamde ‘server-data’ en
  2. data rechtstreeks afkomstig van de Encro-toestellen, de zogenaamde ‘telefoon-data’.

Nederlandse autoriteiten hebben toegang gehad tot beide data.

De resultaten (ten tijde van april 2021) worden in een jaarrapport van 2020 in de volgende mooie ‘infographic’ getoond:

Interceptietool

Dat Nederlandse opsporingsambtenaren de interceptietool (mede) hebben ontwikkeld, wordt door het Openbaar Ministerie in de brief van 24 maart 2021 expliciet ontkend. De rechtbank Rotterdam overweegt dat het ‘op dit moment’ geen reden te twijfelen aan wat het Openbaar Ministerie hierover zegt. Volgens de rechtbank ‘is niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat een eventueel Nederlandse (technische) inbreng bij het ontwikkelen van de tool tot gevolg moet hebben dat de verantwoordelijkheid voor de toepassing ervan in het Franse opsporingsonderzoek (ook) in Nederland komt te liggen’.

== Update ==

In de zaak (ECLI:NL:RBMNE:2022:1389) van de Rechtbank Midden-Nederland van 12 april 2022 is te lezen dat

een Frans proces-verbaal blijkt dat de interceptietool is ontworpen door de Service Technique National de Captation Judiciaire (STNCJ), een dienst die gerechtigd is dergelijke middelen te ontwerpen en kon worden ingezet door de Service Central de Renseignement Criminel (SCRCGN) van de Franse Gendarmerie.

Machtiging rechter-commissaris

Vanwege de voorzienbare inbreuk die de interceptie van de Encrochat-data op de persoonlijke levenssfeer van de Nederlandse gebruikers van deze dienst zou hebben, heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om, mogelijk ten overvloede, in Nederland een rechterlijke toetsing te vorderen die strikt genomen het Nederlandse Wetboek van Strafvordering niet als zodanig kent. Bij de rechter-commissaris is een vordering ingediend om een machtiging voor de inzet van de hackbevoegdheid op personen die betrokken zijn bij georganiseerde misdaad (art. 126uba Sv) te geven teneinde de informatie betreffende de Nederlandse gebruikers te mogen analyseren en gebruiken (een en ander is beschreven in het proces-verbaal “Kaders gebruik dataset 26Lemont” met aanvullingen d.d. 28 september 2020 en 24 maart 2021).

== update ==

In een meer recente uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 december 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:6584) is meer te lezen over de machtiging. Voor het gebruik van de berichten is een (Nederlandse) rechter-commissaris om een machtiging gevraagd voor de inzet van de hackbevoegdheid (artikel 126uab Sv) en het opnemen van telecommunicatie (artikel 126t Sv). In het ‘proces-verbaal aanvraag’ wordt gesteld dat het redelijk vermoeden bestaat dat de EncroChat-gebruikers zich in georganiseerd verband schuldig maken aan (het medeplegen van) één of meer van de volgende misdrijven:

  • witwassen;
  • deelnemen/leiding geven aan een criminele organisatie;
  • Opiumwet delicten;
  • wapenhandel;
  • (poging) tot moord/doodslag;
  • gijzeling en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving; en
  • afpersing en/of diefstal met geweld.

Daarbij werden de volgende drie doelen nagestreefd:

  1. het identificeren van de NN-gebruikers;
  2. onderzoek doen naar de criminele samenwerkingsverbanden waarvan zij deel uitmaken;
  3. bewijs verzamelen over door deze criminele samenwerkingsverbanden gepleegde en/of nog te plegen misdrijven.

De EncroChat-data mocht worden doorzocht met behulp van een lijst met trefwoorden die gerelateerd zijn aan te onderzoeken feiten of verdachten. De rechter-commissaris overwoog expliciet dat het onderzoek geen fishing expedition mocht worden. De rechter-commissaris heeft de vordering vervolgens toegewezen onder de volgende zeven voorwaarden (verkort weergegeven):

  1. de wijze waarop is binnengedrongen in het geautomatiseerde werk wordt vastgelegd, als er geen gebruik wordt gemaakt van een reeds goedgekeurd middel;
  2. een beschrijving van de gebruikte software die beschikbaar is voor onderzoek, als er geen gebruik wordt gemaakt van een reeds goedgekeurd middel;
  3. de integriteit van de opgeslagen informatie wordt gegarandeerd;
  4. het onderzoek moet reproduceerbaar zijn, en gebruik moet worden gemaakt van zoeksleutels (woordenlijsten);
  5. voorkomen moet worden dat communicatie tussen cliënten en verschoningsgerechtigden wordt opgenomen;
  6. de met zoeksleutels vergaarde informatie moet binnen twee weken ter toetsing aan de rechter-commissaris worden aangeboden en pas daarna aan het openbaar ministerie en de politie ter beschikking worden gesteld voor het opsporingsonderzoek;
  7. de machtiging wordt voor een beperkte duur van vier weken verleend en kan enkel middels een vordering worden verlengd. De rechter-commissaris kan de machtiging vroegtijdig beëindigen, als de tussentijdse toets daartoe aanleiding zou geven.

Als de EncroChat-gegevens worden gedeeld met andere onderzoeken, moet daarvoor eerst toestemming moet worden gevraagd aan de rechter-commissaris waarna de officier(en) in de zaak 26Lemont op grond van artikel 126dd Sv de informatie mag delen met de zaaksofficier van dat betreffende onderzoek.

Overigens acht de rechtbank de inbreuk op de privacy van een EncroChat-gebruikers bij het doorzoeken van de EncroChats beperkt (!), omdat:

  • bij het doorzoeken van de EncroChat-data gebruik is gemaakt van vooraf door de rechter-commissaris goedgekeurde zoeksleutels gericht op de opsporing van ernstige criminele activiteiten en
  • gelet op de aard van de communicatie via PGP-telefoons als o.a. EncroChat, slechts een (beperkt) beeld wordt gekregen van iemands criminele activiteiten, er wordt geen min of meer volledig beeld gekregen van bepaalde aspecten van het privéleven van de gebruiker.

Voorzichtig geformuleerd wil ik over het bovenstaande zeggen dat je daar ook geheel anders over kan denken bij het verzamelen van 25 miljoen berichten waarbij een inbreuk wordt gemaakt op het recht op vertrouwelijke communicatie van meer dan 55.000 personen.

De rechtbank concludeert dat de door het openbaar ministerie en de rechter-commissaris gekozen werkwijze en het toegepaste toetsingskader ‘past in het stelsel van de Nederlandse wet en maximale waarborgen bieden om een onnodige inbreuk op de privacy van andere EncroChat-gebruikers te voorkomen, zonder dat dit in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het verwerken van de EncroChat-data niet in strijd is met artikelen 8 EVRM en/of 1 Sv’.

Ook opvallend, maar niet per se verassend, is de overweging van de rechtbank over vormverzuimen die mogelijk hebben plaatsgevonden bij overtreding van de Wet politiegegevens (Wpg):

“De rechtbank heeft op 28 april 2021 al besloten dat de Wpg geen belangrijk strafvorderlijk voorschrift is. De verdediging heeft dan ook geen belang bij een toetsing aan de voorschriften van de Wpg. Deze toetsing is immers niet van belang voor de vragen die de rechtbank in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv dient te beantwoorden, noch een vraag die beantwoord moet worden bij de toetsing of sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.”

Betrouwbaarheid EncroChat data

In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:2809) wordt het volgende over de betrouwbaarheid van de data opgemerkt (voor zover relevant):

5.3.3 De betrouwbaarheid van de EncroChatdata

De verdediging heeft bestreden dat de EncroChatdata betrouwbaar en accuraat genoeg zijn om voor het bewijs te worden gebruikt, althans gesteld dat die betrouwbaarheid onvoldoende beoordeeld kan worden.

Allereerst heeft de verdediging in dit kader gesteld dat de politie weliswaar heeft gecheckt of de in Nederland ontvangen berichten overeenkwamen met de in Frankrijk opgeslagen berichten, maar niet of de in Frankrijk opgeslagen berichten identiek zijn geweest aan de daadwerkelijk met de toestellen verzonden en daarop aanwezige chatberichten.

De verdediging heeft daarbij gesuggereerd dat door de inzet van de interceptietool mogelijk veranderingen in de data zouden hebben kunnen plaatsgevonden, dat berichten aan andere accounts zouden zijn gekoppeld of dat bestanden niet juist zouden zijn gekopieerd. Zij hebben aan deze suggesties echter onvoldoende handen en voeten gegeven.

Met de verdediging stelt de rechtbank vast dat altijd de theoretische mogelijkheid bestaat dat data door technische omstandigheden of menselijk ingrijpen beïnvloed worden. Een dergelijke algemene vaststelling is echter onvoldoende om aan te nemen dat de EncroChatdata op zich onbetrouwbaar zijn.

Het dossier, noch de inhoud van de berichten biedt enige houvast voor de aanname dat de data door de interceptietool gemanipuleerd zouden zijn.

(…)

De verdediging heeft alsnog de heropening van het onderzoek verzocht omdat uit een aantal overgelegde krantenartikelen blijkt dat een groot deel van de data niet op de server bij Interpol terecht gekomen is. Men kan er dus niet vanuit gaan dat alle berichten zijn ‘getapt’. Daarom wil de verdediging nog een medewerker van de National Crime Agency (NCA) en/of een Nederlandse deskundige horen. Zij wil hem/haar nog bevragen over de werking van de Franse software waarmee de hack is gedaan en over de betrouwbaarheid respectievelijk de volledigheid van de verkregen data. De medewerker zou blijkens de overgelegde artikelen ook hebben verklaard dat het erop lijkt dat sommige gebruikersnamen plotseling aan een ander apparaat zijn gekoppeld en dat tijdsaanduidingen onnauwkeurig kunnen zijn en door software gewijzigd kunnen zijn.

De verdediging wil verder nog van het OM weten of zij al vanaf het begin van het verkrijgen van de dataset wisten van deze problemen en of de rechter-commissaris (de rechtbank neemt aan in de zaak 26Lemont) ook daarvan op de hoogte is gesteld voordat hij zijn 126uba-beschikking nam.

De officier van justitie heeft zich tegen de toewijzing van het verzoek verzet. Allereerst wordt niet duidelijk welke medewerker van de NCA precies is bedoeld. Bovendien heeft het OM al vaker toegelicht dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de volledigheid van de in het dossier aanwezige cryptocommunicatie, omdat er meerdere redenen kunnen zijn waarom bepaalde informatie niet is veiliggesteld en niet al die redenen hebben te maken met de betrouwbaarheid van de interceptietool of kunnen aan het niet werken van het interceptiemiddel worden toegeschreven.

De betrouwbaarheid waaraan de verdediging refereert gaat bovendien over de vraag hoe vaak de interceptietool al dan niet werkte en heeft geen betrekking op de betrouwbaarheid van de (inhoud van de) daadwerkelijk verkregen berichten.

De rechtbank wijst het verzoek tot heropening van het onderzoek af. In het vorenstaande heeft zij zich uitgelaten over de betrouwbaarheid van de verkregen EncroChatdata. De inhoud van de overgelegde krantenartikelen, waarvan het merendeel overigens al in 2020 is verschenen, maken dit nader onderzoek in het licht van hetgeen de rechtbank op die punten heeft overwogen niet noodzakelijk.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de EncroChatberichten betrouwbaar zijn en voor het bewijs in deze zaak kunnen worden gebruikt.

En in een uitspraak (ECLI:NL:RBMNE:2022:1389) van de rechtbank Midden-Nederland overweegt men het volgende:

Betrouwbaarheid en volledigheid Encrochat berichten

De rechtbank stelt op basis van de door het NFI uitgebrachte rapportages22 vast dat de dataset met betrekking tot de verdachten in onderzoek Appel niet compleet is. In de dataset ontbreken bij alle verdachten in meer of mindere mate berichten. Dit kan een enkel bericht zijn, maar ook langere perioden aan ontbrekende berichten komen voor. Het NFI heeft eveneens onderzoek gedaan naar correctheid van de inhoud van de berichten.

 In dit onderzoek zijn de berichten die in vijf ontsleutelde inbeslaggenomen Encrochat telefoons zijn aangetroffen vergeleken met de berichten zoals die na de inzet van het technisch hulpmiddel van die gebruiker zijn aangetroffen in de dataset. Conclusie van dit onderzoek is dat er geen redenen zijn gevonden om te twijfelen aan de correctheid van de berichten die met het technisch hulpmiddel zijn onderschept, behalve voor berichten van het type outgoing call en incoming call (audiogesprekken)

Kort gezegd geldt voor de inhoud van de uitgewisselde chatberichten dat er geen verschillen in de tekst zijn geconstateerd. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de conclusie van het Engelse onderzoek, waaruit de verdediging afleidt dat de interceptietool onbetrouwbaar was. Echter, die onbetrouwbaarheid van de interceptietool heeft slechts betrekking op het feit dat tijdens de tweede fase niet alle berichten werden onderschept. Die conclusie zegt dus niets over de betrouwbaarheid van de inhoud van de berichten die wél zijn onderschept. Aldus is er – gelet op de inhoud van het door het NFI verrichte onderzoek – geen reden om te veronderstellen dat de berichten die wel in de dataset voorkomen op een of andere manier onbetrouwbaar zijn of dat van de juistheid van die berichten niet zou kunnen worden uitgegaan.