Annotatie over de zaak IJsberg (bitcoins en witwassen)

Op 1 februari 2022 heeft het Hof Den Haag een arrest (ECLI:NL:GHDHA:2022:104) gewezen in de zaak ‘IJsberg’ over het witwassen van 39.842 bitcoins ter waarde van €4.464.642,03. Kim Helwegen en ik hebben een annotatie (.pdf) geschreven bij de zaak, omdat het Hof een opvallend beoordelingskader gebruikt ten aanzien van witwassen van Bitcoin en vanwege de meer technische overwegingen omtrent de technieken van ‘labelling’ en ‘clustering’ die vaak een rol spelen in witwaszaken met cryptocurrencies.

Feiten

De verdachte is in de onderhavige zaak in de periode van 3 januari 2013 tot en met 26 maart 2015 in Nederland actief geweest als bitcoinhandelaar. Vanaf het begin van deze periode betrof dit (mede) het inkopen van bitcoins tegen contant geld. De verdachte heeft hieromtrent onder meer verklaard dat hij in totaal naar schatting met meer dan 1.000 mensen bitcoins heeft verhandeld, en met ongeveer 100 daarvan in contant geld heeft gehandeld. Hij heeft geen onderscheid gemaakt tussen hen met wie hij in contant geld heeft gehandeld, en met wie niet.

Het hof maakt uit de verklaringen van de verdachte op dat hij ook in het kader van die laatste transacties contact met zijn klanten had op publieke plaatsen. Meestal ontmoette hij klanten bij eetgelegenheden zoals McDonalds, KFC of Burger King.

De bitcoins die hij uit deze transacties ontving, verkocht hij vervolgens online, bijvoorbeeld via ‘online exchanges’ (een wisselkantoor voor cryptovaluta) of voor contant geld aan andere ‘cash traders’ (o.a. door middel van advertenties op het darkweb). Het geld dat hij via online-exchanges ontving, nam hij vervolgens contant op, of hij liet hij direct van de online-exchanges op de bankrekeningen van anderen uitbetalen, onder meer bij twee medeverdachten.

Labelling

In eerste aanleg achtte de rechtbank Rotterdam het voor de vraag of sprake was van witwassen doorslaggevend of bitcoinadressen te relateren zijn aan darknet markets. Met informatie afkomstig van de website walletexplorer.com (hierna: ‘walletexplorer’) is beoordeeld of bitcoinadressen gelinkt konden worden aan darknet markets.

Het hof staat hier kritisch tegenover (r.o. 2.4). Het hof acht de koppeling van bitcointransacties met darknet markets op zichzelf niet als voldoende om vast te stellen of de aangeboden bitcoins mogelijk van misdrijf afkomstig waren. De getuige (de ontwikkelaar van walletexplorer) kon niet met voldoende zekerheid verklaren op welk moment labels aan wallets zijn gegeven. Als gevolg daarvan kan volgens het hof niet worden vastgesteld dat de verdachte in de aan de orde zijnde periode redelijkerwijs informatie op of via internet voorhanden had om vast te kunnen stellen of de aan hem aangeboden bitcoins mogelijk van misdrijf afkomstig waren.

Clustering

Ook de overwegingen van het hof over de werking van de techniek ‘clustering’ zijn interessant (r.o. 2.3). ‘Clustering’ is een techniek die ertoe leidt dat verschillende bitcoinadressen worden toegeschreven aan één en dezelfde entiteit (in meer juridische termen: een of meer natuurlijke of rechtsperso(o)n(en) die eigenaar van die adressen is/zijn).

Het hof overweegt dat clustering door walletexplorer plaatsvindt op grond van de aanname dat alle bitcoinadressen die tot de inputzijde of zendende kant van een transactie behoren (ook wel heuristiek genoemd), tot één en dezelfde entiteit behoren. Op grond van dit uitgangspunt kan dergelijke informatie worden gebruikt om verschillende transacties met elkaar in verband te brengen. Over deze techniek is door deskundige de heer Van Wegberg onder meer verklaard dat het een betrouwbare methode is om een gemeenschappelijke herkomst van bitcoinadressen vast te stellen. De analyse als zodanig wordt volgens deze deskundige – ten tijde van het getuigenverhoor d.d. 11 december 2017 – door geen enkele andere wetenschapper betwist. De verdediging heeft dit niet weerlegd.

Succes met ‘oude’ feiten en relatieve onbekendheid van Bitcoin

De verdediging stelde in deze zaak dat witwastypologieën voor virtuele betaalmiddelen van de ‘Financial Intelligence Unit’ (FIU) niet mogen worden gebruikt, omdat het handelen van de verdachte zich strekt over de periode van 2013 tot en met begin 2015. De typologieën waren destijds (r.o. 2.6):

– de koper biedt zijn diensten aan via internet middels vraag- en aanbodsites;

– de koper stelt geen identiteit van de verkoper vast;

– de koper rekent in contanten af;

– een legale economische verklaring voor de wijze van omwisseling is niet aannemelijk;

– de omvang van de aangekochte virtuele betaalmiddelen is niet aannemelijk in relatie tot gemiddeld particulier gebruik.

– De koper en/of verkoper maakt/maken bij de verkoop van virtuele betaalmiddelen gebruik van een zogenaamde mixer.

Het hof gaat in zoverre hierin mee dat zij stelt dat cryptovaluta in die periode inderdaad een ‘relatieve onbekendheid’ had en dat een juridisch beoordelingskader dat specifiek is toegesneden op het handelen door de verdachte in de tenlastegelegde periode ontbrak. Daarom is volgens het hof terughoudendheid op zijn plaats bij het toepassen van in 2017 geformuleerde witwastypologieën op het handelen in die eerdere jaren.

Commentaar

Wij plaatsen in onze annotatie (.pdf) enkele kritische kanttekeningen bij de beoordeling van het hof. Het hof is op zoek gegaan naar een kader, waaruit blijkt dat het niet anders kan zijn dan dat de bitcoins afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het hof vindt in haar zoektocht aansluiting bij de destijds geldende Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), in het bijzonder de categorie: ‘handelaren in zaken van grote waarde’, die als instelling wordt aangemerkt voor de Wwft. De geciteerde categorie in het arrest (r.o. 2.6) ziet echter niet op de categorie: ‘handelaren in zaken van grote waarde’, maar op de categorie ‘de beroeps of bedrijfsmatige handelende verkoper van goederen’. De destijds geldende Wwft is eveneens van toepassing op beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkopers van goederen, ongeacht welke goederen, voor zover betaling van die goederen in contanten plaatsvond voor een bedrag van €15.000 of meer.

De drempelwaarde van €25.000 gold destijds voor handelaren in zaken van grote waarde met betrekking op een aantal limitatief genoemde goederen (voertuigen, schepen, kunstvoorwerpen etc.), waar de Bitcoin in ieder geval niet onder viel. Ten tijde van het feitencomplex was nog niet duidelijk of bitcoins als goed konden worden gekwalificeerd. Het hof onderbouwt haar standpunt nader met de Leidraad 2016 Verkopers van goederen van de Belastingdienst/Bureau Toezicht Wwft. Het zou consistent zijn als het hof ook niet terugvalt op een leidraad uit 2016 bij een feitencomplex van 2013 tot begin 2015. De vergelijking met ECLI:NL:PHR:2021:495 gaat evenmin op, aangezien die zaak een autohandelaar betrof en voor voertuigen destijds – anders dan Bitcoin – expliciet een drempelbedrag van €25.000 van toepassing is.

Kortom, wij zijn in ieder geval niet overtuigd van de motivering van het hof om in onderhavige zaak aansluiting te zoeken bij de Wwft en de drempelwaarde van €25.000. Wij denken dat het hof toch nadrukkelijker had kunnen nagaan of de feiten en omstandigheden die zijn aangedragen door het OM aansloten bij overige witwasindicatoren, zoals het omzetten van de bitcoins in contact geld, een garandeerde anonimiteit en het ontbreken van een ordentelijke administratie van de transacties (zie ook r.o. 2.6).

Conclusie

Wij verwachten dat cassatie wordt ingesteld. Onze inschatting is daarbij dat het nieuwe kader van het hof geen standhoudt en het hof opnieuw moet oordelen. Niettemin is het arrest waardevol voor de verdediging in cryptovaluatazaken en witwassen. De overwegingen in het arrest rond labelling en clustering kunnen van belang zijn voor de tracering van de (eventueel) criminele herkomst van cryptovaluta in andere witwaszaken. Voor de verdediging kan het lonen om de ten laste gelegde transacties met tools zoals walletexplorer of chainalysis kritisch na te lopen.

Citeerwijze: Hof Den Haag 1 februari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:104, Computerrecht 2022/95, m.nt. J.J. Oerlemans & K.M.T. Helwegen

Annotatie bij HR 5 april 2022 (vorderen van verkeersgegevens)

Op 5 april 2022 heeft de Hoge Raad een arrest (ECLI:NL:HR:2022:475) gewezen over het vorderen van verkeersgegevens. Prof. Anna Berlee en ik hebben over dit arrest een annotatie (.pdf) geschreven.

Aanleiding

Aanleiding voor het arrest vormt Prokuratuur-arrest (ECLI:EU:C:2021:152) van 2 maart 2021 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Het HvJ EU maakte in Prokuratuur duidelijk dat aangezien een officier van justitie tevens aanklager is in een later proces, deze niet kan voldoen aan de eis ‘dat de instantie die belast is met die voorafgaande toetsing enerzijds niet betrokken mag zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek en anderzijds neutraal moet zijn ten opzichte van de partijen in de strafprocedure’.

Gevolgen

Voor Nederland heeft het arrest tot gevolg dat de Hoge Raad nu ook onomwonden heeft duidelijk gemaakt dat voor het vorderen van verkeers- en locatiegegevens een voorafgaand toestemming noodzakelijk is van een rechter of een onafhankelijke autoriteit. De reden is voor deze waarborg is dat het vorderen (en daarna verwerken) van dit type gegevens een ernstige inmenging vormt op het recht op privacy en het recht op de bescherming van persoonsgegevens. In de rechtsliteratuur werd deze conclusie al eerder getrokken naar aanleiding van het arrest van het HvJ EU (zie bijvoorbeeld EHRC-Updates.nl, m.nt. D.A.G. van Toor en R.M. te Molder, ‘Het bewaren en vorderen van metagegevens ten behoeve van de opsporing: meer duidelijkheid van het HvJ EU gewenst’, DD 2021/66, nr. 9, p. 844-869).

Aan de hand van verkeers- en locatiegegevens kan inzicht worden verkregen in dagelijkse gewoonten, permanente of tijdelijke verblijfplaats, dagelijkse en andere verplaatsingen en activiteiten die worden uitgeoefend, even als de sociale relaties en sociale kringen waarin iemand zich begeeft worden ontwaard. Zie o.a. HvJ EU 21 december 2016, C-203/15, ECLI:EU:C:2016:970, r.o. 98-100 (Tele2 Sverige/Watson), HvJ EU 6 oktober 2020, C‑511/18, C‑512/18 en C‑520/18, ECLI:EU:C:2020:791, r.o. 117 (La Quadrature du Net e.a./Premier ministre e.a. (en mijn annotatie in JBP 2021/1-2 daarover met M. Hagens)). Zelfs indien het gaat om toegang tot gegevens voor een korte periode, zie HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152, r.o. 40 (Prokuratuur).

Het arrest van de Hoge Raad laat goed de gevolgen zien van het arrest van het Hof van Justitie. In de onderhavige zaak vond een rechter-commissaris namelijk dat het stelen van een bulldozer het vorderen van verkeersgegevens- en locatiegegevens niet kon rechtvaardigen. Later werd de beschikking door de rechtbank vernietigd en toch toestemming voor de vordering gegeven. Het arrest laat in ieder geval zien dat een officier van justitie (die het bevel voor de vordering geeft) en de rechter-commissaris (die de machtiging geeft) niet altijd met elkaar eens zullen zijn. Het is overigens ook denkbaar dat er geschillen ontstaan over de ‘gerichtheid’ van de vordering: moet deze bijvoorbeeld korter m.b.t. de duur of geografische locatie zijn?

Prejudiciële vragen

In het arrest stelt de Hoge Raad ook meteen de volgende drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (zie r.o. 8.1-8.4 in: ECLI:NL:HR:2022:475):

1. Vallen wettelijke maatregelen die betrekking hebben op het in verband met het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten verlenen aan overheidsinstanties van toegang tot verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens), onder de werkingssfeer van Richtlijn 2002/58/EG, als het gaat om het verlenen van toegang tot gegevens die niet worden bewaard op grond van wettelijke maatregelen als bedoeld in artikel 15 lid 1 Richtlijn 2002/58/EG, maar die door de aanbieder worden bewaard op een andere grond?

2. a) Vormen de in de onder 5.7 en 5.8 genoemde arresten van het Hof van Justitie gehanteerde begrippen “ernstige strafbare feiten” en “ernstige criminaliteit” (of “zware criminaliteit”) autonome begrippen van Unierecht of is het aan de bevoegde instanties van de lidstaten om zelf mede invulling te geven aan deze begrippen?

2. b) Als het gaat om autonome begrippen van Unierecht, op welke wijze dient dan te worden vastgesteld of sprake is van een “ernstig strafbaar feit” of van “ernstige criminaliteit”? De Hoge Raad merkt hierover op dat “om de redenen die onder 6.6.2 en 6.6.3 zijn besproken, komt het de Hoge Raad voor dat het aan de bevoegde instanties van de lidstaten is om zelf mede invulling te geven aan de genoemde begrippen”;

3. Kan het verlenen van toegang aan overheidsinstanties tot verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten onder Richtlijn 2002/58/EG worden toegestaan als geen sprake is van ernstige strafbare feiten of ernstige criminaliteit, namelijk als in het concrete geval het verlenen van to egang tot die gegevens – naar mag worden aangenomen – slechts een geringe inmenging veroorzaakt in met name het recht op bescherming van het privéleven van de gebruiker als bedoeld in artikel 2, onder b, Richtlijn 2002/58/EG?

Over deze laatste vraag merken wij in de annotatie op dat wij ons de situatie waarbij het vorderen van verkeersgegevens- en locatiegegevens een geringe inbreuk maakt op het recht op privacy ‘lastig voorstelbaar’ vinden. Daar voegen wij nu nog aan toe dat de Wet vorderen gegevens (geïmplementeerd in het Wetboek van Strafvordering) ook niet stelselmatigheid als criterium voor de differentiatie in vordering aanneemt, maar de aard van de gegevens (namelijk gebruikersgegevens, verkeersgegevens, toekomstige verkeersgegevens, gevoelige gegevens of inhoudelijke gegevens).

Commentaar in annotatie

In ons commentaar bij de annotatie merken wij op dat het relatief lang heeft geduurd voordat bekend werd dat het Openbaar Ministerie de werkwijze bij het vorderen van verkeersgegevens heeft aangepast. Wat ons betreft was dit al meteen een duidelijk gevolg van het arrest van het Hof van Justitie voor de Nederlandse strafrechtspraktijk. Daarnaast vragen wij af waarom de wetgever niet heeft overwogen een nieuwe onafhankelijke autoriteit op te richten die de aanvragen voor het vorderen van verkeers- en locatiegegevens kan beoordelen. Hier is geen debat over gevoerd, terwijl deze nieuwe werkwijze toch extra druk op het werk van rechter-commissarissen zal leggen.

Wij stellen ook de vraag welke gevolgen het arrest heeft voor het vorderen van verkeersgegevens of locatiegegevens bij andere bedrijven of instellingen dan aanbieders van communicatiediensten. Ook verkeers- en locatiegegevens van ‘automatic number plate recognition’ (ANPR)-camera’s en ‘bluetooth trackers’ die verbinding maken met apparaten in auto’s en mobiele telefoons kunnen bijvoorbeeld een belangrijke rol kunnen spelen als bewijs in strafzaken. Hier heeft het arrest geen betrekking op, maar de advocatuur en het Openbaar Ministerie doen er goed aan zich op dergelijke discussies voor te bereiden.

Ten slotte wijzen wij erop dat het arrest mogelijk ook gevolgen heeft voor andere wetgeving en dan met name de Telecommunicatiewet (art. 11.13 Tw) en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (art. 55 Wiv 2017). Art. 55 Wiv 2017 heeft bijvoorbeeld heeft ook betrekking op het vorderen van verkeersgegevens bij aanbieders van communicatiediensten. Mogelijk moet de wet worden aangepast, zodat ook in deze wet een onafhankelijke autoriteit (in dat geval de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB)) voorafgaand aan het bevel toestemming geeft.

Gezien de prejudiciële vragen die zijn gesteld en mogelijke gevolgen voor andere situaties en wetgeving, zal het arrest niet het laatste woord vormen over de noodzakelijke waarborgen bij het vorderen van verkeers- en locatiegegevens.

Citeerwijze annotatie: HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, Computerrecht 2022/186, m.nt. J.J. Oerlemans & A. Berlee

Overzicht cryptophone-operaties

Ongeveer vier jaar geleden, in november 2018, verscheen het eerste persbericht op OM.nl over het veiligstellen van berichten die zijn verstuurd met ‘cryptotelefoons’ (ook wel ‘PGP-telefoons’ genoemd).

De beschikbare informatie over cryptotelefoons heb ik in de volgende blogberichten hieronder op een rijtje gezet:

  1. Ennetcom (2016)
  2. PGP Safe (2017)
  3. Ironchat (2017)
  4. EncroChat (2020)
  5. Sky ECC (2020)
  6. ANOM (2021)

(Dit overzicht van 30 december 2021 is geüpdatet op 14 november 2022).

Waarom een overzicht?

Op 15 september 2022 zijn er al meer dan 400 uitspraken beschikbaar op rechtspraak.nl, waarin bewijs uit de cryptotelefoons een belangrijke rol speelt. In de media worden de cryptophone-berichten ook wel een ‘goudmijn aan bewijs’ genoemd en de gegevens vormen een game changer voor de politie. Strafrechtadvocaten trekken vaak de rechtmatigheid van de operaties in twijfel, maar vooralsnog lijkt de verdediging bot te vangen.

De operaties zijn blijkbaar bijzonder belangrijk voor de strafrechtpraktijk en toch is er relatief weinig bekend over de operaties. Ook geniet het nog vrij weinig aandacht van strafrechtwetenschappers.

De grote hoeveelheid jurisprudentie en onduidelijkheid over de ‘wat’, ‘wanneer’ en ‘hoe’-vragen vormde voor mij aanleiding een overzicht te maken (ook voor mijzelf voor toekomstige publicaties). Daarbij heb ik mij gebaseerd op persberichten van het OM, de politie en rechtspraak.

Wat en wanneer

  1. Ennetcom (2016)

Leverancier van cryptotelefoons met apps op een Blackberry telefoon. Oprichters van het bedrijf zijn uiteindelijk veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, gewoontewitwassen en medeplegen van valsheid in geschrifte. Tijdens de operatie zijn 3,6 miljoen berichten veiliggesteld. De operatie werd bekend gemaakt op 9 maart 2017.

Leverancier van cryptotelefoons met apps op Android en Blackberry toestellen. Tijdens de operatie zijn 700.000 berichten veiliggesteld. De verdenking was aanvankelijk dat de verdachte zich tezamen met anderen als professionele facilitator van versleutelde communicatie schuldig zou hebben gemaakt aan overtreding van witwassen (art. 420bis Sr) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). De verdachte wordt uiteindelijk alleen veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2022:363) voor valsheid in geschrifte en ‘begunstiging’. De operatie werd bekend gemaakt op 9 mei 2017.

Leverancier van Wileyfox-telefoons met Ironchat-app er op. Onderzoek gericht op de oprichters van het bedrijf (verdenkingen nog onduidelijk). Tijdens de operatie zijn 258.000 berichten veiliggesteld. De operatie werd bekend op 6 november 2018.

Leverancier van cryptotelefoons met EncroChat (en andere Encro) apps. Redelijk vermoeden dat Encro en de gebruikers zich in georganiseerd verband schuldig maakten aan o.a. witwassen en deelname aan criminele organisaties. Tijdens de operatie zijn 25 miljoen berichten veiliggesteld.  De operatie werd bekend gemaakt op 2 juli 2020.

Leverancier van cryptotelefoons met Sky ECC app. Sky ECC en de daaraan gelieerde (natuurlijke) personen verdacht van deelname aan een criminele organisatie en (gewoonte)witwassen.  Tijdens de operatie zijn honderden miljoenen berichten veiliggesteld.  De operatie werd bekend gemaakt op 9 maart 2021.

ANOM was een zogenoemde ‘store front’, oftewel een zelf opgezette communicatiedienst. De operatie stond onder leiding van de FBI en de Australische Federal Police met het doel om verdachten van criminele organisaties te identificeren. Tijdens de operatie zijn 27 miljoen berichten onderschept. De operatie ving al aan in 2019, maar werd pas na Sky ECC bekend op 8 juni 2021.

Hoe

1.      Ennetcom (2016)
Via een rechtshulpverzoek aan Canada, met machtiging van een Canadese rechter. NL grondslag: 125i Sv. Canadese rechter verbond voorwaarden aan verstrekking en gebruik van gegevens aan Nederlandse opsporingsinstanties.  

Zie ook: B.W. Schermer & J.J. Oerlemans, ‘AI, strafrecht en het recht op een eerlijk proces’, Computerrecht 2020/3 en Rb. Rotterdam 21 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9085, TBS&H 2022/2.8, m.nt. J.J. Oerlemans (veroordeling oprichter Ennetcom). (HR uitspraak: HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900 en blog).
 
2.      PGP Safe (2017)
Via een rechtshulpverzoek aan Costa Rica, met assistentie van Nederlandse politie. Machtiging voor bevel tot binnentreden, de doorzoeking en de beslaglegging afgegeven door het Gerecht in Strafzaken van het Eerste District San Jose. Aan de verstrekking van de veilig gestelde gegevens zijn geen beperkingen aan Nederland opgelegd.
 
3.      Ironchat (2017)
Gegevensvergaring via een Europees Opsporingsbevel aan het Verenigd Koninkrijk. Na eigen onderzoek vond verstrekking van een kopie van de server (een image) plaats. Grondslag strafvordering voor operatie vooralsnog onduidelijk.
 
4.      EncroChat (2020)
Via JIT en EOB’s. Franse autoriteiten verzamelden gegevens met inzet “interceptietool”.  Extra machtiging voor inzet hackbevoegdheid (126uba Sv) op verdachten met verdenking van betrokkenheid/beramen van het plegen van misdrijven in georganiseerd verband. Beperkingen en vereisten aan onderzoek opgelegd door Nederlandse rechter-commissaris in een machtiging voor het onderzoeken van gegevens van Nederlandse ingezetenen.

Zie ook: B.W. Schermer & J.J. Oerlemans, ‘De EncroChat-jurisprudentie: teleurstelling voor advocaten, overwinning voor justitie?’, TBS&H 2022/2.2.
 
5.      Sky ECC (2020)
Via JIT. Franse autoriteiten vergaren gegevens met inzet “interceptietool”. Door Nederlandse opsporingsambtenaren is technische expertise en/of bijstand geleverd met betrekking tot de ontwikkeling en plaatsing van de tool.

De in Frankrijk vergaarde informatie is aanvankelijk vrijwillig op basis van artikel 26 van het Cybercrimeverdrag gedeeld met het Nederlandse Openbaar Ministerie. Later zijn ook machtigingen Nederlandse rechter-commissaris verleend. De vorderingen en machtigingen zagen op de toepassing van de artikelen 126t lid 1 en 126t lid 6 Sv (onderzoek communicatie door middel van een geautomatiseerd werk bij georganiseerde criminaliteit) en later ook op aanvullende, ondersteunende vorderingen op de voet van artikel 126uba Sv (hackbevoegdheid bij verdenking betrokkenheid beramen/plegen misdrijven in georganiseerd verband).

6. ANOM (2021)

Door een ‘spontane eenzijdige verstrekking van informatie zonder een voorafgaand verzoek van de Nederlandse opsporingsdiensten’.

De Nederlandse opsporingsdiensten zouden niet betrokken zijn geweest bij de verkrijging van de gegevens. Wel heeft de Nederlandse software ontwikkeld waarmee de berichten konden worden geanalyseerd en geduid. Deze software is ook beschikbaar gesteld aan Europol, zodat deze dienst de gegevens kon analyseren en beschikbaar stellen aan andere landen.

Themanummer over cryptophones

In mei 2022 is een themanummer over cryptophones verschenen in het Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht en Rechtshandhaving (TBS&H). Het themanummer bevat hele actuele en relevante bijdragen (zie het overzicht hieronder).

In het artikel die ik samen met Bart Schermer heb geschreven bieden we een overzicht en analyse van de EncroChat-jurisprudentie (tot en met februari 2022). Daarnaast heb ik een annotatie geschreven over de veroordeling van de oprichter van Ennetcom.

Veel bijdragen zijn van collega’s van de Universiteit Utrecht. Met speciale dank voor de inspanningen van Dave van Toor die het themanummer heeft gecoördineerd!

Inhoudsopgave:

D.A.G. van Toor, ‘Het enkele gebruik van cryptophones als basis voor procesrechtelijke concepten’, TBS&H 2022/2.1

B.W. Schermer & J.J. Oerlemans, ‘De EncroChat-jurisprudentie: teleurstelling voor advocaten, overwinning voor justitie?’, TBS&H 2022/2.2

S. Royer & R. Vanleeuw, ‘Cryptofoons, privacyvriendelijke applicaties en het vermoeden van onschuld’, TBS&H 2022/2.3

D.A.G. van Toor, ‘Het gebruik van resultaten uit de Encro­Chat-­hack in de Duitse strafrechtspleging’, TBS&H 2022/2.4

L.W. Verbeek & T. Beekhuis, ‘Executieve jurisdictie: het (grote) obstakel in grensoverschrijdende opspo­ringsonderzoeken naar (gebruikers van) cryptoaanbieders?’, TBS&H 2022/2.5

M.M. Egberts, ‘De reikwijdte van het inzagerecht en ‘equality of arms’ in het licht van grote datasets, Hansken en toekomstige ontwikkelingen’, TBS&H 2022/2.6

M. Galič, ‘Bulkbevoegdheden en strafrechtelijk onderzoek. Lessen uit de jurisprudentie van het EHRM voor de normering van grootschalige data-analyse’, TBS&H 2022/2.7

Rb. Rotterdam 21 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9085, TBS&H 2022/2.8, m.nt. J.J. Oerlemans (Oprichter van cryptotelefoonaanbieder Ennetcom veroordeeld)

Reactie internetconsultatie Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma

Tot 17 april 2022 kan je reageren op internetconsultatie.nl op het wetsvoorstel ‘Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma’.

Het wetsvoorstel is belangrijk, omdat het nieuwe bepalingen bevat met betrekking tot de hackbevoegdheid en onderzoeksopdrachtgerichte interceptie (bulkinterceptie). Het idee is toezicht deels te verleggen van vooraf naar toezicht tijdens en achteraf. Op die manier wordt de diensten meer flexibiliteit en meer armslag gegeven. Ook wordt een beroepsprocedure geïntroduceerd bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het betreffen wijzigingen in een tijdelijke wet gedurende vier jaar, maar het zijn desalniettemin hele belangrijke wijzigingen. Dat maakt volgens ons een tussentijdse evaluatie noodzakelijk voor de aankomende grote wetswijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017. In onze reactie (.pdf) op internetconsultatie gaan we verder in op de reikwijdte van het wetsvoorstel, de inzet van de hackbevoegdheid in het kader van strategische operaties en het voorgestelde beroepsstelsel.

Kortgezegd vinden we dat de reikwijdte van het wetsvoorstel beter moet worden omgeschreven en de ministers ook zouden moeten reageren op wat de rol van de diensten is bij criminele groeperingen die de nationale veiligheid bedreigen, bijvoorbeeld door de inzet van ransomware. Ook vinden we dat de inzet van de hackbevoegdheid in de context van ‘strategische operaties’ beter moet worden uitgelegd. Willen de ministers misschien aansluiten bij het concept van ‘active cyber defense’? Dan kan dat ook beter worden omschreven.

Ten slotte vinden we dat de beroepsprocedure bij de Afdeling niet voldoende wordt uitgewerkt in het wetsvoorstel. De noodzaak van de beroepsprocedure en de verhouding met de Awb en de Procesregeling met de mogelijkheid van de inzet van deskundigen en amicus curiae, moet duidelijker. Ook bevelen we aan eens over de grens te kijken hoe bijvoorbeeld de ‘Foreign Intelligence Surveillance Court’ (FISC) te werk gaat.

Jan-Jaap Oerlemans & Sophie Harleman

New book on cybercrime

Yesterday, our new book ‘Essentials in cybercrime. A criminological overview for education and practice’ became available. Wytske van der Wagen, Marleen Weulen Kranenbarg, and me, are the editors of the book and we are proud of the result. In this blog post, I’ll briefly introduce the book and explain its background.

Background

A study book about the essentials of cybercrime was in our view necessary, in order to bring together knowledge about cybercrime in a conveniently arranged manner. That is why, in 2020, we published our (Dutch) book ‘Basisboek Cybercriminaliteit’, in which all the necessary basic knowledge about cybercrime was provided.

As some universities expressed the desire for an English version of the book, we decided to move forward with a translation. The current book is however not a literal translation. It is more internationally oriented, especially when it comes to legislation, it includes the most recent studies, and it also provides an entirely new chapter on organized cybercrime (Chapter 5). Like the Dutch version of our book, it aims to provide the essential knowledge of various facets of cybercrime.

Aim of the book and intended audience

Our book is intended for students and professionals who want to learn more about cybercrime. The book offers insight into the various manifestations and features of cybercrime, offender and victim characteristics, quantitative and qualitative methods for studying crime in the digital domain, criminological theories that can be used to understand cybercrime, and possible interventions.

In addition to criminological aspects, the book also deals with a number of legal topics, including the criminalisation of cybercrime, the detections process and the investigative powers that can be used by the police in the online domain.

The book is introductory in nature and is therefore are also suitable for those who are new to the subject of cybercrime. At the same time, the book discusses the various topics in depth and incorporates a broad range of studies and perspectives.

Contents and (co-)authors

In this book, we combine our own criminological and legal expertise in the development of cybercrime, our knowledge about cybercrime offenders and victims, and the investigation of cybercrime. We also asked experts in the fields of organised cybercrime, the victimisation of cybercrime and cybercrime interventions to complement our understanding of cybercrime and to contribute to this book.

We therefore thank our guest authors – Rik Beerthuizen, Maša Galič, Tamar Fischer, Thomas Holt, André van der Laan, Rutger Leukfeldt, Sifra Matthijsse, Take Sipma and Elina van ’t Zand – for their important contributions to this book.

Availability

Our book is published by Eleven and now available in the store of Eleven Publishing (with Chapter 1 freely available) and stores like Bol.com.

After 1 year, I will make Chapter 3 about ‘Types of cybercrime and their criminalisation’ and Chapter 8 about ‘Cybercrime investigations’ available in open access.

Evaluatie Wiv 2017: van meer privacy naar meer werkbaarheid… en weer terug?

Aanleiding: meer privacy

Twee jaar na de inwerkingtreding van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) is een evaluatie van deze wet van start gegaan. Deze vervroegde wetsevaluatie (het wordt standaard pas na 5 jaar geëvalueerd) is geïnitieerd vanwege de uitslag van het raadgevend referendum over de Wiv 2017. 49,44% van de kiezers heeft tegen de Wiv 2017 gestemd, 46,53% voor, en 4,03% blanco. Uit het maatschappelijk debat rondom het referendum bleek dat mensen zich met name zorgen maakten over privacy en dan specifiek over de uitbreiding van de bevoegdheid tot bulkinterceptie van internetverkeer naar de kabel (het ‘sleepnet’ genoemd).

Naar meer werkbaarheid

Net voor de start van de evaluatie van de Wiv 2017 vond in 2019 een kentering in het debat plaats. Het voormalige hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) Dick Schoof waarschuwde op 6 februari 2019 in het programma Nieuwsuur dat de ‘operationele slagkracht niet overheerst mag worden door de administratieve last die ontstaat door de nieuwe wetgeving’. Kort daarop vroegen Kamerleden van CDA- en VVD-fractie zich af ‘of de genomen maatregelen werkbaar blijven voor de diensten’ en ‘hoe de disproportionele bureaucratisering van het werk van de diensten wordt tegengaan’. De invloed op de operationele slagkracht van de Wiv 2017 is door de Algemene Rekenkamer speciaal onderzocht. De Algemene Rekenkamer concludeert dat: de nieuwe waarborgen de inzet van bepaalde bijzondere bevoegdheden het verzamelen van inlichten en de snelheid in internationale samenwerking beperken en er een toename is van administratieve lasten, waardoor bij gelijkblijvende capaciteit minder tijd overblijft voor het uitvoeren van onderzoek in het belang van de nationale veiligheid (zie rapport).  

De Commissie Evaluatie Wiv 2017 (hierna: de Commissie Jones-Bos naar haar voorzitter) kreeg hierop expliciet de opdracht te onderzoeken ‘of de wet in de praktijk een werkbaar instrument is gebleken voor de taakuitvoering van de diensten’ en ‘de knel- en aandachtspunten in de toepassingspraktijk van de wet’ te onderkennen. Op 20 januari 2021 heeft de Commissie Jones-Bos een lijvig rapport (180 pagina’s) afgeleverd. Een groot deel van de aanbevelingen streven een ‘werkbaarder wet’ na, soms ten koste van reeds bestaande (privacy)waarborgen. Kort daarop schreef het demissionaire kabinet de aanbevelingen te ‘omarmen’ en de voorbereidingen te treffen voor een wijzigingsvoorstel van de Wiv 2017.

Gevolgen voorstellen Commissie Jones-Bos voor privacy

Ons artikel (.pdf) betreft een beschouwing van dit rapport, waar in wij verkennen wat de gevolgen van een aantal van deze voorstellen kunnen zijn voor het recht op privacy van personen. In het bijzonder richtten wij ons op de manier waarop bulkdatasets worden verzameld en hoe data-analyse is geregeld.

Wij concluderen dat de voorstellen van de Commissie Jones-Bos de waarborgen van bepaalde bijzondere bevoegdheden verzwakken. Dit heeft gevolgen heeft voor de bescherming van het recht op privacy. Met name een voorgestelde informantenbevoegdheid wordt gebrekkig uitgewerkt door de commissie, terwijl daarmee ook bulkdatasets kunnen worden verzameld. Die regeling behoeft meer aandacht, waarbij fundamentele keuzes gemaakt worden, zoals de vraag of de AIVD en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) van elke overheidsinstantie en misschien zelfs elk bedrijf gegevens vrijwillig mogen opvragen of kunnen eisen dat deze op verzoek verplicht verstrekt worden (vorderen). Het voorstel de voorafgaande onafhankelijke toets van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) te schrappen bij de bevoegdheden voor selectie- en metadata-analyse, het vereenvoudigen van het relevant verklaren van bulkdatasets, en de inperking van het begrip ‘geautomatiseerde data-analyse’, verzwakt ook de bescherming van privacy.

Ten slotte merken wij in het artikel op dat de Commissie Jones-Bos bijzonder weinig aandacht aan de bepalingen omtrent gegevensverwerking in de Wiv 2017. Ook bij minder geavanceerde vormen van data-analyse die wel degelijk een ernstige inbreuk op het recht op privacy en andere mensenrechten kunnen meebrengen, waarvoor deze bepalingen van belang kunnen zijn. Wij bevelen daarom aan voordat het voorstel tot wetswijzing naar de Tweede Kamer wordt gestuurd alsnog een ‘privacy impact assessment’ uit te voeren (zie ook de PIA op het wetsvoorstel van de Wiv 2017). Net als bij de Wiv 2017 kunnen de uitkomsten daarvan voor het wetsvoorstel in overweging worden genomen. 

En weer terug naar privacy?

Na de publicatie van ons artikel heeft toch een kleine kentering in het (parlementaire) debat plaatsgevonden over de voorgenomen wijzigingen van de Wiv 2017. De aangenomen moties (zoek op ‘IVD’) zien op de toezichthouders (bijvoorbeeld een oproep te onderzoeken wat de voor- en nadelen van samenvoeging zijn). Daarmee wordt er enige tegenwicht geboden aan sommige aanbevelingen van de Commissie Jones-Bos over toezicht.

In een recente annotatie bij de Big Brother Watch- en Centrum För Rättvisa-zaken betogen Mireille Hagens en ik (Jan-Jaap) dat de oproep van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) tot ‘end-to-end safeguards’ bij bulkinterceptie ook tot een heroverweging van het toezicht stelsel en de rol van de rechter zou moeten leiden.

Quirine en ik hadden natuurlijk graag ook een oproep tot meer aandacht voor de regels omtrent gegevensverwerking en impact op privacy gezien (ook vanwege het gemoderniseerde verdrag van de Raad van Europa over regels voor gegevensverwerking (Conventie 108+) die ook betrekking heeft op nationale veiligheid). Maar de discussie lijkt met de vele nieuwe Tweede Kamerleden weer wat meer open te liggen. Het zal ook afhankelijk zijn van de visie en waarden die een nieuw kabinet te zijner tijd met zich meebrengt, hoe een wetsvoorstel voor een nieuwe Wiv (2024?) eruit komt te zien.

Jan-Jaap Oerlemans & Quirine Eijkman

Tijd voor een nieuwe bewaarplicht?

Op 6 oktober 2020 publiceerde het EU Hof van Justitie (HvJ EU) het arrest La Quadrature du Net/Premier ministre e.a. In dat belangrijke arrest bestendigt het Hof de eerder ingezette lijn dat een algemene en ongedifferentieerde bewaarplicht van verkeersgegevens ter bestrijding van ernstige criminaliteit niet is toegestaan en in strijd is met het recht op privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ter bescherming van de nationale veiligheid laat het EU Hof een beperkte vorm van een bewaarplicht onder voorwaarden toe. Zie daarover deze annotatie die ik samen met Mireille Hagens heb geschreven, met een focus op de betekenis voor de nationale veiligheid en de Wiv 2017.  

Onlangs is ook een artikel (.pdf) in Computerrecht verschenen over het arrest en de bewaarplicht. In het artikel onderzoeken wij (ikzelf, Mireille Hagens en Sofie Royer) wat de gevolgen van deze jurisprudentie zijn voor het wetsvoorstel voor een bewaarplicht in Nederland en de ondertussen vernietigde bewaarplicht in België.

Bevindingen

De belangrijkste conclusie van ons artikel is dat het HvJ EU ruimte biedt voor een bewaarplicht van gebruikersgegevens bij aanbieders van elektronische communicatiediensten. Het preventief bewaren van verkeersgegevens is echter beperkt mogelijk voor de bestrijding van ernstige criminaliteit. Qua beperkingen moet worden gedacht aan elementen als de duur, kring van personen, en/of een geografische afbakening. Ten slotte biedt het HvJ EU enige ruimte voor een bewaarplicht bij bedreigingen van de nationale veiligheid (door het Hof als het hoogste belang gezien), voor zover deze bedreiging reëel en actueel of voorzienbaar is (gedacht kan worden aan een aanslag, hetgeen vragen met zich meebrengt als er bijvoorbeeld een permanente dreiging is van aanslagen).

In Nederland ligt de behandeling van een nieuw wetsvoorstel voor een bewaarplicht sinds 2018 stil (zie dit Kamerstuk en dit Kamerstuk voor de laatste stand van zaken). Uit de voorbereiding van het voorstel voor de invoering van een bewaarplicht in Nederland blijkt dat zich technische uitdagingen voordoen bij het op effectieve wijze koppelen van de gebruikers van telecommunicatiediensten aan een apparaat door de telecomprovider. Uit onderzoek blijkt echter dat deze uitdagingen niet onoverkomelijk zijn (zie dit WODC-rapport, uitgevoerd door Dialogic). Voor een bewaarplicht van gebruikersgegevens in Nederland is voor de bestrijding van met name cybercriminaliteit veel te zeggen. Ook verdient het volgens ons aanbeveling een uitbreiding van een bewaarplicht van gebruikersgegevens bij OTT-diensten te overwegen, hoewel daarbij onvermijdelijk handhavingsproblemen ontstaan. Het arrest van het HvJ EU biedt in die zin Nederland meer vertrouwen dat een bewaarplicht van gebruikersgegevens voor aanbieders van communicatiediensten voldoet aan de vereisten van het HvJ EU.

In België maakt La Quadrature du Net e.a. duidelijk dat een algemene bewaarplicht van verkeersgegevens zoals die vandaag in België bestaat, niet te verzoenen valt met het oordeel van het HvJ EU. Het Grondwettelijk Hof vernietigde inmiddels de Belgische dataretentiewet uit 2016 (zie hier). De wetgever is nu opnieuw aan zet gekomen om de verschillende opdelingen die het HvJ EU maakt, om te zetten in het nationale recht. De bevoegde ministers schoten meteen in actie en een voorontwerp ligt al op tafel.

Hoe verder?

In een Kamerstuk van 1 maart 2021 stelt het Nederlandse kabinet het arrest van het HvJ EU met verstrekkende gevolgen ‘te betreuren’ (klaarblijkelijk omdat wordt herhaald dat een algemene bewaarplicht van verkeersgegevens niet mogelijk is). Uit de brief is de volgende passage relevant:

“Naar verwachting zal het Portugees voorzitterschap de JBZ-Raad uitnodigen hun standpunten te delen over verdere stappen ten aanzien van dataretentie. Het voorzitterschap heeft reeds aangegeven voorstander te zijn van een verdere verkenning van de uitspraken van het Europese Hof van Justitie (het Hof) en specifiek te focussen op de onderdelen waarvoor het Hof ruimte laat: een gerichte bewaarplicht en een bewaarplicht voor gegevens die nodig zijn voor het bepalen van de ‘civiele’ identiteit van gebruikers.”

Prokuratuur

Ten slotte wijzen wij hier nog op de uitspraak van het Hof van Justitie in het arrest H.K./Prokuratuur van 2 maart 2021 die na afronding van ons artikel werd gepubliceerd (zie ook de annotatie van Dave van Toor over deze zaak en deze blogpost van Sofie Royer en Sem Careel).

Hieruit leiden wij af dat voor het vorderen van verkeersgegevens voorafgaande toestemming door een onafhankelijk orgaan (zoals de rechter-commissaris in Nederland of, in sommige gevallen, de onderzoeksrechter in België) of toestemming door een onafhankelijk instituut is vereist. Deze waarborg wordt vereist vanwege de ernst van de privacy-inmenging bij het vorderen van (en daarna analyseren) van verkeersgegevens. In Nederland heeft het al tot ‘de constatering van een vormverzuim’ geleid in deze moordzaak. De rechtbank overweegt:

“Rechtbank is van oordeel dat de in het onderhavige onderzoek opgevraagde verkeersgegevens en mastgegevens achteraf gezien niet door een officier van justitie gevorderd hadden mogen worden zonder voorafgaande onafhankelijke toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. De rechtbank zoekt aansluiting bij het beoordelingskader van artikel 359a Sv en volstaat met constatering van de normschending, gelet op het geringe nadeel voor verdachte als gevolg van de normschending.”

Wordt het niet eens tijd dat er een plan komt hoe we ook met dit verstrekkende arrest om moeten gaan? 

Het is de vraag of Nederland het oude wetsvoorstel uit 2018 (met een nieuw kabinet) nieuw leven moet in blazen of een eventueel Europees voorstel zal afwachten. Het wetsvoorstel voorzag al in een bewaarplicht van gebruikersgegevens en een verplichte machtiging van een rechter-commissaris als waarborg voor het vorderen van verkeersgegevens. Het kan ook zijn dat de Nederlandse wetgever Europese wetgeving afwacht. We zullen zien!

Jan-Jaap Oerlemans, Mireille Hagens & Sofie Royer

Van zorgen over privacy naar zorgen over administratieve rompslomp

Dit stuk is eerder verschenen in Computerrecht 2021/57

Op 20 januari 2021 heeft de Commissie Jones-Bos haar evaluatierapport over Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) uitgebracht. Slechts twee jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe wet op 1 mei 2018 werd het door het kabinet al noodzakelijk geacht deze wet te evalueren. In eerste instantie werd deze vervroegde evaluatie ingegeven vanuit privacyzorgen. De nieuwe wet was omstreden, met name vanwege de uitbreiding van de bevoegdheid tot bulkinterceptie op de kabel om meer internetverkeer te intercepteren (het ‘sleepnet’ genoemd). In het raadgevend referendum over de Wiv 2017 in april 2018 stemden in Nederland 49,44% van de mensen tegen en slechts 46,53% van de mensen voor de wet.

Net voor de start van de evaluatiecommissie vond er echter een kentering in het debat plaats. Tijdens het Kamerdebat over een tussentijdse wijzigingswet van de Wiv 2017 vroegen plotseling een aantal Kamerleden de minister of de nieuwe de Wiv 2017 door alle nieuwe administratieve verplichtingen nog wel voldoende ‘werkbaar’ was. Deze zorgen zijn o.a. ingegeven door de voormalige AIVD-baas Dick Schoof die in april 2019 in het programma Nieuwsuur nog waarschuwde dat de ‘operationele slagkracht niet overheerst mag worden door de administratieve last die ontstaat door de nieuwe wetgeving’. De evaluatiecommissie kreeg vervolgens expliciet de opdracht mee te onderzoeken ‘of de wet in de praktijk een werkbaar instrument is gebleken voor de taakuitvoering van de diensten’ en ‘de knel- en aandachtspunten in de toepassingspraktijk van de wet te onderkennen’.

Het gevolg is dat er nu een rapport van 180 pagina’s ligt waar een groot deel van de aanbevelingen een ‘werkbaarder wet’ nastreven, soms ten koste van reeds bestaande privacywaarborgen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het voorstel tot het schrappen van onafhankelijke voorafgaande toestemming door de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) bij de kennisname van de inhoud van de communicatie en de geautomatiseerde analyse van metadata na bulkinterceptie. Ook zou het volgens de evaluatiecommissie eenvoudiger moeten worden bulkdata relevant te verklaren, waardoor grote hoeveelheden gegevens zonder maximale bewaartermijn bewaard mogen worden.

Het demissionaire kabinet heeft op 5 maart 2021 in een Kamerbrief laten weten de opdracht te geven de aanbevelingen van de evaluatiecommissie te vertalen in een wetsvoorstel. Mijn hoop is dat wetenschappers en Kamerleden de gevolgen van de voorstellen voldoende doorgronden en het wetsvoorstel kritisch beoordelen.

Jan-Jaap Oerlemans is bijzonder hoogleraar Inlichtingen en Recht bij de Universiteit Utrecht en redacteur van dit blad.

— UPDATE —

Op 21 april 2021 heeft Algemene Rekenkamer rapport ‘Operationele Slagkracht van de AIVD en MIVD: De Wet Dwingt, de Tijd Dringt, de Praktijk Wringt’ gepubliceerd. De belangrijkste conclusies zijn: (1) dat de nieuwe waarborgen uit de Wiv 2017 de inzet van bepaalde bijzondere bevoegdheden beperken het verzamelen van inlichtingen en de snelheid in internationale samenwerking, en (2) de constatering van een toename van de administratieve lasten voor de AIVD en de MIVD, waardoor bij gelijkblijvende capaciteit minder tijd overblijft voor het uitvoeren van onderzoek in het belang van de nationale veiligheid.

De Algemene Rekenkamer geeft als verklaring van deze problemen mee: de suboptimale voorbereiding en inbreng van de AIVD en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) op technisch en operationeel vlak op het wetstraject van de Wiv 2017, het ontbreken van een uitvoeringstoets, een onderschatting aard en omvang implementatie Wiv 2017, onvoldoende budget voor implementatie, achterstanden bij interne processen van de diensten, een tekort aan IT-capaciteit en achterstanden op IT-gebied.

Grenzen stellen aan datahonger

Gisteren (16 november 2020) mocht ik mijn oratie houden getiteld: ‘Grenzen stellen aan datahonger. De bescherming van de nationale veiligheid in een democratische rechtsstaat’ (.pdf). Die ochtend kreeg mijn oratie ook de aandacht in een mooi bericht van de Volkskrant, waarin mijn pleidooi wordt beschreven voor een aanpassing van de informantenbevoegdheid. Daarbij stel ik dat de huidige regeling voor de informantenbevoegdheid onvoorzienbaar is en met onvoldoende waarborgen is omkleed, voor zover het gaat om het verzamelen van bulkdatasets.

Verder leg ik mijn oratie uit hoe de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de loop der jaren is ontwikkeld en steeds complexer is geworden. Ik vind het goed dat de Commissie-Jones-Bos in hun evaluatie van Wiv 2017 ook aandacht hebben voor de vraag of de wet voldoende werkbaar is en wat er mogelijk gewijzigd moet worden om het werkbaar te houden. Tegelijkertijd blijf ik de komende vijf jaar dat ik mijn leerstoel mag bekleden scherp op eventuele uitbreidingen van bevoegdheden van de AIVD en de MIVD.

Ten slotte maak ik duidelijk dat mijn onderzoek zich ook richt op het verwerken van inlichtingen door andere instanties, zoals de politie, de NCTV, de FIOD en particulieren. Daar heb ik uiteraard ook de hulp van andere onderzoekers en auteurs bij nodig. Ik kijk er naar uit de komende jaren mijn bijdrage te leveren op het gebied van ‘Inlichtingen en Recht’.