Veroordeling voor deelname aan een terroristische organisatie en online opruiing door rechtsextremist

Op 2 december 2021 heeft de rechtbank Rotterdam een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2021:11858) voor deelname aan een terroristische organisatie en opruiing via Telegram en Whatsapp. De uitspraak is interessant, vanwege de uitvoerige en wat mij betreft uitstekende overwegingen omtrent het delict deelname aan een terroristische organisatie en het delict opruiing in een online omgeving. Zie ook dit nieuwsbericht ‘Nederlandse aanhangers ‘rassenoorlog’ hoeven niet terug de cel in’ n.a.v. de zaak.

“The Base”

De zaak gaat over een verdachte die heeft deelgenomen aan de organisatie genaamd “The Base”’. Het betreft een terroristische organisatie, omdat het een internationaal netwerk is van rechtsextremisten die tot doel had terroristische misdrijven te plegen, zoals het begaan tot doodslag met een terroristisch oogmerk (art. 288a Sr). De rechtbank overweegt dat ‘The Base’ zichzelf ziet als het fundament van een verzetsgroep tegen een door Joden gedomineerd politiek systeem. The Base verspreidt online informatie over survivaltechnieken en zelfverdediging en organiseert trainingen en ontmoetingen.

Ambtsbericht AIVD

Op 15 oktober 2020 ontving de politie onderstaand ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) van 14 oktober 2020:

“In het kader van de uitvoering van zijn wettelijke taak beschikt de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst over de volgende betrouwbare informatie:

[naam verdachte] (geb. [geboortedatum verdachte] in [geboorteplaats verdachte] ) staat ingeschreven op het adres [adres verdachte] en gebruikt het telefoonnummer + [telefoonnummer].”

Op basis van de inhoud van dit ambtsbericht werd op 15 oktober 2020 het opsporingsonderzoek ‘Posadas’ gestart.

Deelname aan een terroristische organisatie

Daarvoor moet allereerst sprake zijn van een criminele organisatie en dus sprake zijn van een (1) een samenwerkingsverband, (2) met een zekere duurzaamheid en structuur, (3) tussen tenminste twee personen. Om daaraan te toetsen citeert de rechtbank stukken uit ‘Kennisdocument The Base’ van de Koninklijke Marechaussee van 17 december 2020, waarin de The Base wordt omschreven als een ‘een relatief goed georganiseerde en internationaal vertakte rechtsextremistische organisatie: naast leider en oprichter [naam 2] zijn er vertrouwelingen, cellen (twee tot vier man) in verschillende westerse landen, ‘lone wolves’ en een groot aantal Telegram-volgers’. Er is een team dat virtuele sollicitatiegesprekken (vetting) afneemt waarbij [naam 2] de leiding heeft.

Nieuwe leden die in hetzelfde land of dezelfde staat wonen, worden door de centrale organisatie in contact met elkaar gebracht om cellen te vormen. Ook levert de internationale organisatie een chat-kanaal per cel. Andere taken van de staforganisatie zijn onder andere het verspreiden van propaganda ter werving én als geweldsoproepen, het hosten van de digitale omgeving en het aanbieden van literatuur en handleidingen.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de vaststelling dat The Base een internationaal samenwerkingsverband is met een zekere duurzaamheid en structuur tussen meerdere personen en dus een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr.

Terroristisch oogmerk

De rechtbank overweegt dat er sprake is van een terroristisch oogmerk als er een gedraging is die het oogmerk heeft om ‘(een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen dan wel de overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel (internationale) structuren van een land te ontwrichten of te vernietigen’. Het oogmerk is het naaste doel van de dader, het is datgene wat hij wil of waar het hem om te doen is. Het motief hiervoor kan economisch, politiek of religieus geïnspireerd zijn.

De rechtbank beschrijft tamelijk uitvoerig dat uit dossierstukken blijkt dat The Base streeft naar het versnellen van een ineenstorting van ‘het systeem’, het uitlokken van een rassenoorlog en het instellen van een witte etnostaat. Volgens The Base is deze ontwikkeling al in gang gezet en dient zij die te bespoedigen. Deze doelstelling is te kenmerken als het algemene idee van het rechtsextremistische accelerationisme. Wie het rechtsextremistische gebruik van de term accelerationisme aanhangt, meent dat de westerse samenleving gecorrumpeerd is door Joodse, liberale, socialistische en multiculturele invloeden en daarom geleidelijk, maar onafwendbaar afglijdt naar krachteloosheid en betekenisloosheid. Accelerationisten spannen zich daarom in voor de versnelling (acceleratie) van het proces dat westerse staten tot hopeloze “failed states” maakt.

Onafhankelijk opererende (accelerationistische) cellen hebben het oogmerk om westerse overheden omver te werpen door willekeurige geweldsdaden te plegen die sociale spanningen aanjagen en uiteindelijk maatschappelijke chaos en burgeroorlog veroorzaken. (…) Het uiteindelijke doel van de accelerationisten is dan ook de vestiging van een etnostaat waarin witte mensen de dienst uitmaken en waarin maatschappelijke posities primair op grond van ras en etniciteit worden bepaald. Alle bevolkingsgroepen die dit ideaal bewust of onbewust ondermijnen – denk aan moslims, Joden en mensen die horizontale solidariteit voorstaan zoals marxisten – zijn de natuurlijke vijanden van de accelerationist.

Dat het niet alleen bij een ideologie blijft, blijkt uit de overweging van de rechtbank dat ‘in de laatste maanden van 2019 ontwikkelen drie andere The Base-leden het voornemen om twee aanhangers van Antifa, een extreemlinkse organisatie, om het leven te brengen door hun huis in brand te steken. Dit plan kon door de FBI tijdig worden verijdeld.’

De rechtbank verwerpt het verweer dat voornoemde dossierstukken niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat de juistheid daarvan niet te controleren zou zijn. De enkele stelling dat de stukken uitsluitend zijn gebaseerd op nieuwsberichten (open bronnen), is daarvoor onvoldoende. Ook vindt de inhoud van deze stukken steun in een recente (openbare) publicatie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) getiteld ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (hierna: DTN) nr. 55 van oktober 2021. De rechtbank overweegt vanwege het voorgaande dat sprake is van een terroristisch oogmerk door de organisatie.

Deelneming

Van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie is sprake indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (met verwijzing naar HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998, 225). Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten (HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161). Het is voldoende dat een betrokkene in zijn algemeenheid – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat een betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Wetenschap van een of meer concrete misdrijven is niet vereist (HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3565). Evenmin is vereist dat een betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan de misdrijven die door andere leden van de organisatie zijn respectievelijk worden gepleegd.

De verdachte heeft in oktober 2019 via de chatapplicatie genaamd “Wire” berichten uitgewisseld over The Base. Daarin bericht hij dat hij en [naam medeverdachte] de eerste twee Nederlanders in The Base zijn. Ook komt uit deze berichten naar voren dat de verdachte met succes een vetting-procedure9 heeft doorlopen en dat hij in diezelfde periode in een interview room zat met zes leden van The Base uit andere landen.

Op 31 oktober 2019 chatten de verdachte en een medeverdachte over het doen van een opdracht met posters of het logo van The Base “spray painten” op een verlaten gebouw, waarna zij officiële leden zijn. De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij daadwerkelijk op een muur een ‘spray paint’ met logo van The Base heeft gemaakt in opdracht van de The Base. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de verdachte op 23 december 2019 en medeverdachte met twee anderen gechat. In die chatgesprekken hebben zij vragen omtrent The Base beantwoord, onder andere de vraag hoe men lid kan worden van The Base. Ook hebben zij gezegd dat zij de enige leden van The Base in Nederland zijn en de leiders van de Nederlandse cel. Op diezelfde dag heeft de medeverdachte ook een propagandavideo van The Base verstuurd met trainingsbeelden waarin wordt geschoten met automatische vuurwapens en explosieven worden gebruikt. Ook worden beelden getoond waarop met een vuistvuurwapen op een Jodenster wordt geschoten. Op 29 januari 2020 heeft de verdachte in een WhatsAppgesprek gezegd dat hij in twee Siege-groepen zit, te weten ‘Feuerkrieg’ en The Base. Ten slotte blijkt uit Wire-contacten dat de verdachte in februari 2020 in ieder geval twee personen voor The Base heeft gerekruteerd.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte lid is geweest van en (daarmee) deelnemer aan de terroristische organisatie The Base die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. De omstandigheid dat de verdachte geen trainingskamp van The Base heeft bezocht en dat bij hem geen wapens zijn aangetroffen, maakt dit niet anders. Immers, gelet op de inhoud van zijn berichten op sociale media, wist de verdachte wel degelijk dat The Base niet slechts een survivalgroep was.

Opruiing in een online omgeving

De verdediging stelt dat ten aanzien van de Telegramgroep Jeugdstorm en de Whatsappgroep de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat het gaat om chatverkeer binnen een besloten groep, zodat niet is voldaan aan het vereiste van openbaarheid. De berichten hebben geen opruiend karakter en de verdachte had geen opzet op het aanzetten tot geweld of strafbare feiten. Evenmin blijkt van een terroristisch oogmerk ten aanzien van de eerste twee gedachtestreepjes. Het was allemaal grootspraak en fantasie.

De rechtbank overweegt dat opruiing in artikel 131 Sr en het aanverwante ‘verspreidingsdelict’ artikel 132 Sr strafbaar is gesteld. Het gaat om tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Bij artikel 132 Sr gaat het erom dat de dader aan de inhoud van een opruiend geschrift of afbeelding ruchtbaarheid wil geven. Met de term opruiing wordt bedoeld dat wordt geprobeerd om anderen een feit te laten plegen dat als strafbaar feit kan worden beschouwd. Anders gezegd is opruiing het bij anderen opwekken van de gedachte aan het plegen van een strafbaar feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het opwekken van het verlangen om dat feit te bewerkstelligen.

Openbaar?

De artikelen 131 en 132 Sr vereisen dat de opruiing in het openbaar plaatsvindt op mondelinge wijze, bij afbeelding of bij geschrift. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waarop de teksten zijn weergegeven (HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009). Door het plaatsen van uitlatingen op voor het publiek toegankelijke sociale media worden deze in de openbaarheid gebracht. Om tot een bewezenverklaring van opruiing te komen, is niet vereist dat de opruiing enig gevolg heeft gehad. Ook hoeft de opruier niet te weten dat hij opriep tot een feit dat strafbaar is en niet is vereist dat degene tot wie de aansporing is gericht wist dat het feit waartoe wordt opgeruid strafbaar is of dat het waarschijnlijk is te achten dat het strafbare feit, waartoe is opgeruid, zal plaatsvinden.

Of sprake is van een opruiende uitlating hangt onder meer af van de bewoordingen en de context waarin de uitlating is gedaan, de kennelijke bedoeling van de uitlating, de plaats waar en de gelegenheid waarbij de uitlating is gedaan en de doelgroep tot wie de uitlating kennelijk is gericht (Hof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9290 en Rb. Den Haag 29 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6620).

Volgens de rechtbank blijkt uit onderzoek van de politie dat de Telegramgroep ‘Bua Sneachta’ openbaar is. Van de Telegramgroep Jeugdstorm kan niet worden vastgesteld of het om een openbare groep gaat. Wel staat vast dat deze Telegramgroep op 27 oktober 2020, de dag waarop de telefoon van de verdachte in beslag werd genomen, minstens 21 deelnemers telde, dat het een groeiende groep betreft, dat nieuwe deelnemers welkom zijn in de groep en dat andersdenkenden ook toegang hebben tot de groep.

Gelet op deze feiten, is de rechtbank van oordeel dat de Telegramgroep ‘Jeugdstorm’ op zichzelf een publiek vormt en dat de uitlatingen binnen deze groep in de openbaarheid zijn gebracht. De WhatsAppgroep ‘J.S.N.’ betreft een besloten groep van minstens 30 deelnemers die elkaar niet of nauwelijks kennen en waarin veel rechtsextremistische geweldsuitlatingen worden gedaan. De groep is zeer actief en de verdachte was samen met twee anderen ‘beheerder’ in deze groep waardoor hij deelnemers aan de groep kan toevoegen of verwijderen. Gelet op deze feiten, is de rechtbank van oordeel dat de WhatsAppgroep J.S.N. op zichzelf eveneens een publiek vormt en dat de uitlatingen binnen deze groep in de openbaarheid zijn gebracht.

‘Opruiend van aard’?

De rechtbank acht de meeste ten laste gelegde uitlatingen in de Telegramgroep Bua Sneachta 14/88, ‘zonder meer’ opruiend van aard, aangezien wordt opgeroepen tot geweld c.q. het doden van gekleurde mensen, homoseksuelen en Joden. In de Telegramgroep Jeugdstorm heeft de verdachte verder opgeruid tot het doden dan wel ontvoeren van een willekeurig persoon en het jagen op pedoseksuelen. Ook heeft de verdachte een andere deelnemer aangemoedigd in zijn wens om een soortgelijke aanslag te plegen zoals Brenton Tarrant op twee moskeeën in Christchurch (Nieuw-Zeeland) heeft gedaan, waarbij 51 mensen om het leven kwamen. De verdachte oppert in dit verband een synagoge. Een aanslag op een (Joods) gebedshuis is ontegenzeggelijk een terroristisch misdrijf.

In de WhatsAppgroep J.S.N heeft de verdachte opgeruid tot het ontvoeren van een neger die in een bos wordt gedropt zodat op hem kan worden gejaagd, hetgeen past in de ideologie van het rechtsextreme accelerationisme, en daarmee als een terroristisch misdrijf kan worden beschouwd. Vanuit diezelfde ideologie heeft de verdachte opgeruid tot het doden van blanken die niet ‘aan hun kant’ staan en niet willen veranderen, hetgeen eveneens een terroristisch misdrijf oplevert.

Daar waar de rechtbank opruiing bewezen acht, komt zij tevens tot bewezenverklaring van verspreiding, omdat de verdachte de afbeelding waarop een knielende Joodse man door zijn hoofd wordt geschoten heeft gedeeld in een openbare Telegramgroep.

Straf

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan 18 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank verbindt daaraan opvallend bijzondere voorwaarden. Zo mag de veroordeelde: ‘zich niet online bevinden op de verborgen websites van Dark Web en zal geen software gebruiken om anonimiteit te verschaffen zoals Tor, I2P of Freenet’.

Daarnaast ‘moet hij meewerken aan controle van zijn digitale gegevensdragers tijdens een huisbezoek’. Daarbij verschaft de verdachte toegang tot alle aanwezige computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarmee het internet kan worden benaderd. Ook verstrekt hij de wachtwoorden die nodig zijn voor deze controle. De controle op digitale gegevensdragers vindt maximaal drie keer per jaar plaats. De controle is gericht op de vraag of de veroordeelde rechtsextremistisch materiaal vermijdt.

De controle strekt er niet toe een beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde. De reclassering kan voor technische ondersteuning een deskundige meenemen, ook als dit een opsporingsambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied.

Veroordeling voor ontwikkelen van banking malware

Op 7 april 2017 heeft de Rechtbank Rotterdam een interessant vonnis (ECLI:NL:RBROT:2017:2815) gewezen over banking malware. Veroordelingen voor het ontwikkeling van malware komen in Nederland niet veel voor en daarom is de uitspraak nieuwswaardig. Het bewijs werd in casu vooral geleverd uit de inhoud van chatgesprekken via de app Telegram. Telegram versleutelt  berichtenverkeer en verhinderd daarmee het lezen van inhoudelijk verkeer bij een tap. Door inbeslagname van een smartphone, is het echter mogelijk gebleken de berichten uit te lezen en gedragingen van de verdachte  te koppelen aan strafbare feiten.

De verdachte is naast het ontwikkelen van malware veroordeeld voor het medeplegen van computervredebreuk en diefstal met een valse sleutel, omdat uit de bewijsmiddelen een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met een medeverdachte is gebleken. De rechtbank merkt op dat via de app onder meer berichten zijn uitgewisseld over het testen van malware, teksten voor de bij de fraude te gebruiken teksten, werd gecommuniceerd over het gebruik van ontvangstadressen voor bankpassen en/of bestellingen, werden persoonlijke (inlog)gegevens van diverse derden gedeeld en werd ten slotte informatie over het leeghalen van (bank)rekeningen en het ‘arriveren’ van gelden op rekeningen van zogenaamde katvangers gedeeld.

De verdachte is vrijgesproken van gewoontewitwassen ‘nu er “slechts” één keer is gecasht en daarmee geen sprake kan zijn van een herhaling van feiten, zoals een bewezenverklaring van gewoontewitwassen vereist’, aldus de rechtbank. Ook voor het gewone delict witwassen ontbrak volgens de rechtbank de vereiste verhullingshandeling.

De verdachte is veroordeelt voor drie jaar gevangenisstraf.