COVID telecomdata ook voor de AIVD en de MIVD?

Vorige week werd ik door een NOS-verslaggever gebeld over de vraag of de dataset die door telecomproviders moet worden gemaakt om verplaatsingen van het COVID-19 virus na te gaan ook kan worden gebruikt door inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dit is het artikel van de NOS die uiteindelijk volgde. Mijn inbreng is helaas verloren gegaan, maar het leek mij toch goed mijn antwoord nog even mee te geven.

De vraag of de COVID-telecomgegevens ook gevorderd kunnen worden door overheidsdiensten triggerde een klein onderzoek van het wetsvoorstel om er antwoord op te kunnen geven. In het kort is het antwoord: ja, met de bestaande bevoegdheden tot het vorderen van gegevens bij telecomproviders kunnen telecomgegevens, inclusief locatiegegevens, gevorderd worden door  politie en justitie en de AIVD en de MIVD. Maar onduidelijk is welke gegevens straks precies beschikbaar zijn voor overheidsdiensten en deze gegevens iets extra’s beiden ten opzichte van de al bestaande gegevens. Naast mijn uitleg over de bevoegdheden was mijn boodschap met name dat in de toelichting van het wetsvoorstel meer aandacht voor deze vorderingsmogelijkheden op zijn plaats was geweest. Daar moet je wat mij betreft gewoon transparant over zijn en hier kan je anticiperen op zorgen uit de samenleving hierover. Mijn (korte) analyse is verder hieronder te lezen.

Zie ook overigens deze mooie blog post van Jaap-Henk Hoepman over het wetsvoorstel vanuit privacyperspectief, waarbij ook wordt afgevraagd of het wetsvoorstel wel voldoende nut heeft en soortgelijke wetgeving straks ook in andere situaties wordt gemaakt.

Nieuwe gegevensset

Het is wat puzzelen met het wetsvoorstel, maar het lijkt er op dat de telecomproviders een nieuwe gegevensset moeten creëren op basis van de locatiegegevens van simkaarten van gebruikers. Die gegevens moeten worden ‘gepseudonimiseerd’ (hetgeen kan worden teruggedraaid) en vervolgens door de aanbieder (de telecomprovider) worden gecombineerd en verwerkt om ook een inschatting te maken van welke gemeente iemand vandaan komt. De aantallen en ‘herkomstgegevens’ van de apparaten met SIM-kaart worden dan eens per 24 uur verstrekt aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het CBS combineert de door de aanbieders los van elkaar verstrekte informatie. Bij het CBS vindt vervolgens een correctie plaats om van de verkregen informatie representatieve gegevens te maken over de Nederlandse bevolking. Het RIVM ontvangt vervolgens weer deze bewerkte informatie van het CBS.

Over de gegevensset staat in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel:

“het gaat om tellingen per uur van totaalaantallen mobiele eindapparaten (mobiele telefoons) per gemeente, uitgesplitst naar de afgeleide herkomst van de houder van de telefoon. De afgeleide herkomst wordt door de aanbieder bepaald aan de hand van de gemeente waar het eindapparaat gemiddeld het grootste deel van de tijd verbinding heeft gemaakt met het netwerk van de betreffende aanbieder. Dit wordt geschat door middel van verwerkingen die de aanbieder uitvoert op basis van verkeersgegevens in combinatie met een antennekaart, bodemgebruikkaarten of publieke geografische informatie”. 

“Het beginsel van het verwerken van zo min mogelijk herleidbare data (ook wel: dataminimalisatie) vereist daarbij dat de locatie- en verkeersgegevens in een zo vroeg mogelijk stadium door de aanbieders wordt gepseudonimiseerd, waarbij zij ontdaan worden van alle direct herleidbare data zoals telefoonnummer en IMSI-nummer, en gelabeld worden onder een nieuw uniek identificatienummer.”

Het is mij onduidelijk gebleven hoe lang de gegevens bij de telecomproviders beschikbaar zijn. Als ze heel kort beschikbaar zijn en snel vernietigd worden, zijn ze minder interessant om te vorderen voor overheidsdiensten voor hun taakuitoefening (opsporingsonderzoeken bescherming van de nationale veiligheid). In het wetvoorstel staat over de vernietiging:

“De aanbieders vernietigen de persoonsgegevens die zij genereren ter verkrijging van de informatie die moet worden verstrekt, direct na verkrijging van die informatie.”

Persoonlijk begrijp ik deze bepaling niet goed. Moet nu de gegevensset na verstrekking worden vernietigd, dus hebben aanbieders de gegevens dan maximaal 24 uur de gegevens ter beschikking? Of gaat het om een andere bewaartermijn? De “details” voor de aanlevering van de gegevens worden blijkbaar in een aanwijzing nader bepaald. Hier gaan onder andere ook de zorgen over van de telecomproviders, blijkens dat nieuwsbericht. Opvallend vind ik dat, als ik het goed begrijp, de aanbieders zo ver als mogelijk terug moeten gaan om deze gegevens te genereren (tot 1 januari 2020).

Vorderen van gegevens

In principe kunnen de AIVD en de MIVD op grond van artikel 55 van de Wet op de inlichtingen en Veiligheidsdiensten (Wiv 2017) locatiegegevens van een gebruiker opvragen bij aanbieders van elektronische communicatiediensten, dus ook telecommunicatieproviders. De verstrekking daarvan is niet vrijwillig, dus het is een vorderingsbevoegdheid. Dat is natuurlijk alleen mogelijk in het kader van hun taakuitoefening en voor zover dat in het belang is van de nationale veiligheid (artikel 8 en 10 Wiv 2017). Daarbij moet met name worden gedacht aan de situatie dat een persoon de nationale veiligheid bedreigt. Het gaat dus niet om het opvragen van de hele set aan gegevens, maar de gegevens van een gebruiker van telecomprovider, bijvoorbeeld: wat zijn de locatiegegevens die horen bij het nummer X in de periode X. Overigens kan een iedere instantie op grond van de informantenbevoegdheid in artikel 39 Wiv 2017 wel op vrijwillige basis gegevens verstrekken op verzoek van de AIVD of de MIVD. Een goede bedrijfsjurist zou wat mij betreft bij een dergelijk verzoek tot verstrekking van een hele dataset zich wel moeten afvragen of dat proportioneel en subsidiair is. Toepassing van deze bevoegdheid lijkt mij minder voor de hand te liggen, omdat er een specifieke bestaande vorderingsbevoegdheid is in artt. 54-56 Wiv 2017.

De politie en het OM kunnen ook locatiegegevens vorderen bij telecomproviders op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dat is mogelijk in het kader van een opsporingsonderzoek naar een misdrijf en op bevel van een officier van justitie.

Beschouwing

Voorheen moesten telecomproviders op grond van dataretentiewetgeving gebruikersgegevens en verkeersgegevens (waaronder locatiegegevens) bewaren ten behoeve van opsporingsdoeleinden. Deze regeling is onrechtmatig verklaard, maar telecomproviders bewaren nog steeds deze gegevens voor factureringsdoeleinden (bijvoorbeeld: hoeveel data is wanneer verbruikt door abonnee Pietje en vanaf welke antennes verliep de verbinding?). Deze gegevens kunnen met de bovengenoemde bevoegdheden worden gevorderd. Daarom is het de vraag of de ‘COVID telecomdata’ die straks mogelijk wordt opgeslagen, wel van nut is voor de genoemde overheidsdiensten.

Maar als de politie of een veiligheidsdienst deze COVID telecomgevens opvragen, dan zou dat een goed voorbeeld zijn van function creep: de gegevens moeten op basis van wetgeving worden opgeslagen en verwerkt voor een specifiek doel (het in kaart brengen van het aantal mobiele apparaten per gemeente, gedifferentieerd naar herkomst van die apparaten ten behoeve van de virusbestrijding), maar vervolgens worden dezelfde gegevens ook gebruikt voor de andere doelen van opsporing en de bescherming van de nationale veiligheid.

Wat mij betreft was het goed geweest als in de toelichting van het wetsvoorstel werd opgemerkt of de gegevens gevorderd kunnen worden door overheidsinstanties en zo ja, door wie en onder welke voorwaarden. Ook als overheidsinstanties zelf uitsluiten dat de gegevens worden gevorderd (omdat het bijvoorbeeld niets toevoegt t.o.v. bestaande telecomgegevens), dan kan dat van te voren al worden aangegeven.

== UPDATE ==

Inmiddels is de nota van verslag over de wijziging van de Tijdelijke wet informatieverstrekking RIVM over COVID-19 gepubliceerd. Hier gaat de minister wel in op de mogelijkheid van het vorderen of opvragen van de COVID telecomgegevens. De antwoorden bevestigen wat mij betreft de analyse hierboven (ja, de gegevens kunnen mogelijk worden verkregen, maar het biedt geen toegevoegde waarde). Aangegeven wordt dat de gegevens mogelijk kunnen worden opgevraagd op grond van artikel 39 Wiv 2017 en gevorderd kunnen worden op grond van artikel 55 Wiv 2017. Zie verder ook het antwoord op vraag 59:

Daarnaast kunnen de diensten op grond van artikel 55 – een bijzondere bevoegdheid die uitsluitend gericht door de diensten kan worden ingezet, namelijk gerelateerd aan een gebruiker van een communicatiedienst – gegevens opvragen. Deze kan dus niet zien op geaggregreerde niet tot personen herleidbare informatie.

Zoals in het antwoord op vraag 6a van de leden van de VVD-fractie is uitgelegd is daarnaast echter niet te zien op welke wijze deze geaggregeerde niet tot personen herleidbare informatie een bijdrage kan leveren aan de taakuitvoering van de diensten.

Noch de door de aanbieders extra te verwerken gegevens, noch de aan het CBS en RIVM te verstrekken geaggregeerde niet tot personen herleidbare informatie kan een bijdrage leveren aan de taakuitvoering van de diensten, zeker niet ten opzichte van de gegevens die de aanbieders in het kader van hun dienstverlening al verwerken. Daarmee ontbreekt de noodzaak voor de diensten om deze gegevens te verwerven. Als bij de diensten de noodzaak ontbreekt om gegevens te verwerven dan is verwerving op grond van de Wiv 2017 niet mogelijk.

De zorg over het opvragen van de gegevens zijn wat mij betreft met dit antwoord voldoende geadresseerd, hoewel het natuurlijk wat laat in het proces is en ik het liever in de memorie van toelichting had gelezen.

Jaarverslag AIVD en evaluatiecommissie Wiv 2017

Gisteren heeft de AIVD zijn jaarverslag 2019 gepubliceerd. Het is zoals gewoonlijk interessant leeswerk, waar toch verrassend veel details in staan. Landen als Rusland, China en Iran worden bij de naam worden genoemd als landen die spionage bedrijven in Nederland. Ook de lijst met arrestaties van personen van de ‘jihadistische beweging’ op basis van ambtsberichten van de AIVD (op p. 11) is indrukwekkend.

Ook de MIVD heeft eind april zijn jaarverslag 2019 gepubliceerd. In het jaarverslag wordt o.a. benadrukt dat de Russische Federatie informatieoperaties uitvoert om maatschappelijke verdeeldheid te creëren. Ook waarschuwt de MIVD dat digitale spionage bij overheden en bedrijven door staten zoals China en Rusland één van de grootste dreigingen voor Nederland vormt. Bij de MIVD staat er geen lijst met arrestaties naar aanleiding van ambtsberichten in het jaarverslag, maar wordt bijvoorbeeld uitgelegd met welke onderdelen van Defensie werken.

De jaarverslagen maken concreet welk belangrijk werk de diensten verrichten en hoe productief zij zijn geweest. Ze zijn zeker lezenswaardig voor mensen die meer willen leren over het werk van de diensten.

Leden van de evaluatiecommissie Wiv 2017

Deze week werd ook duidelijk wie de leden van de evaluatiecommissie voor de Wiv 2017 zijn (zie Staatscourant nr. 21256).  

De meesten zijn mij wel bekend en betreft volgens mij een deskundig gezelschap. Ik zet ze hierbij op een rijtje (waarbij ik zelf hun achtergrond aan heb toegevoegd):

– drs. R.V.M. Jones-Bos (o.a. voormalig ambassadeur in Moskou)

– mr. Th.P.L. Bot (lid van ‘Raad van Rechtshandhaving’ en ervaring als o.a. plaatsvervangend hoofd van de AIVD in 2001 en 2002)

– prof. mr. E.J. Dommering (emeritus hoogleraar informaticarecht);

– prof. dr. L.J. van den Herik (hoogleraar internationaal publiekrecht);

– prof. dr. B.P.F. Jacobs (hoogleraar beveiliging en correctheid van software);

– vice-admiraal b.d. W. Nagtegaal;

– prof. mr. S.E. Zijlstra (hoogleraar staats- en bestuursrecht).

Onderzoeksonderwerpen

De Commissie Jones-Bos heeft als opdracht te onderzoeken:  

  • Of de wet datgene heeft gebracht wat de wetgever daarmee voor ogen had (realisatie van de doelstellingen van de wet);
  • Of de wet in de praktijk een werkbaar instrument is gebleken voor de taakuitvoering van de diensten;
  •  Welke knel- en aandachtspunten in de toepassingspraktijk van de wet te onderkennen.

Daarbij moet bijzondere aandacht worden geschonken aan:

  1. het integrale stelsel van toezicht, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan:
  • de inrichting, functie en positie van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB), een en ander tegen de achtergrond van het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid;
  • de positionering van de klachtbehandeling bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en de effectiviteit daarvan mede vanuit het burgerperspectief;
  • de rechtseenheidsvoorziening TIB – CTIVD;
  • de benoemingsprocedure voor de leden van TIB en CTIVD.

2. de bevoegdheden van de diensten tot gegevensverwerking en de daarvoor geldende waarborgen, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan:

  • de toepassing en inpasbaarheid van nieuwe technieken binnen de wettelijk geregelde bevoegdheden (techniekonafhankelijkheid);
  • de toepassing van het gerichtheidscriterium bij bijzondere bevoegdheden;
  • het datareductiestelsel en de bewaartermijnen;
  • de duidelijkheid van in de wet gehanteerde terminologie.

3. de bevoegdheden en waarborgen met betrekking tot internationale samenwerking van de diensten (zowel op vlak van gegevensverstrekking als ondersteuning).

Is de Wiv 2017 voldoende werkbaar?

Uit de opsomming blijkt dat er veel aandacht is voor (simpel gezegd) de vraag of de nieuwe wet wel ‘werkbaar’ is voor de AIVD en de MIVD. De opdracht: “Welke knel- en aandachtspunten in de toepassingspraktijk van de wet te onderkennen” is overigens heel raar geformuleerd, maar het lijkt om de identificatie van deze knelpunten te gaan.

De AIVD benadrukt in het jaarverslag in het voorwoord en op p. 22 “de zorg over het vermogen om binnen de huidige kaders verborgen dreigingen te kunnen (blijven) onderkennen” vanwege deze nieuwe wet, maar zij leggen niet uit waar die knelpunten dan uit bestaan. We gaan er uiteraard vanuit dat de commissieleden ook door andere partijen dan de AIVD hierover wordt gevoed.

Waar is het onderwerp van ‘data-analyse’ gebleven?

In de nota naar aanleiding van verslag over de Wijzigingswet Wiv 2017 (zie daarover deze blog) gaf de minister nog aan – naar aanleiding van vragen van kritische Kamerleden – dat het vraagstuk van ‘geautomatiseerde data-analyse’ mogelijk in de evaluatie wordt betrokken. En in de Kamerbrief over de evaluatiecommissie van 12 november 2019 werd het onderwerp van ‘geautomatiseerde data-analyse’ nog specifiek genoemd.

Nu lijkt het onderwerp van geautomatiseerde data-analyse naar de achtergrond te zijn geschoven, maar hopelijk wordt het ingelezen bij het aandachtspunt van de ‘de toepassing en inpasbaarheid van nieuwe technieken binnen de wettelijke geregelde bevoegdheden’. Het lijkt mij namelijk van belang ook de toepassingspraktijk sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Wiv in verhouding tot de noodzakelijke waarborgen te onderzoeken.

Planning

Tot slot merk ik nog iets op over de planning. In de Kamerbrief van 12 november 2019 werd nog een doorlooptijd van zes maanden genoemd (met afronding rapport in november 2020). Dat leek mij sowieso wel krap om de onderzoekswerkzaamheden uit te voeren, gesprekken te voeren en het rapport op te stellen. Maar goed, vanwege het Coronavirus wordt de datum voor de oplevering van het rapport later vastgesteld en bekend gemaakt in de Staatscourant. We gaan het zien!

== Update =

Link naar jaarverslag MIVD toegevoegd.

De Wijzigingswet Wiv 2017

De ‘Wijzigingswet 2017’ krijgt weinig aandacht in de literatuur en media, maar er staan toch belangrijke bepalingen in het wetsvoorstel die ik even op een rijtje wil zetten. Het wetsvoorstel betreft voor een belangrijk deel de codificatie van de Beleidsregels Wiv 2017. De Beleidsregels waren ingevoerd gelet op de zorgen in de samenleving, zoals deze onder meer uit de uitslag van het raadgevend referendum over de Wiv 2017 zijn gebleken (49,44% stemmen tegen en 46,53% stemmen voor de Wiv 2017).

In deze blogpost bespreek ik niet niet alle bepalingen van het wetsvoorstel Wijzigingswet Wiv 2017 maar de aanpassingen van (in mijn ogen) de belangrijkste artikelen rond het gerichtheidsvereiste en het delen van ongeëvalueerde gegevens met buitenlandse diensten. Daarnaast signaleer ik nog een paar interessante vragen en antwoorden in het Kamerdebat over het wetsvoorstel.

Belangrijke wijzigingen Wiv 2017

1. Het gerichtheidsvereiste

In artikel 5 van de Beleidsregels Wiv 2017 staat dat bijzondere bevoegdheden “zo gericht mogelijk” moeten worden ingezet. Het nieuwe vereiste die per 1 mei 2018 van kracht is, is geïntroduceerd naar aanleiding van de motie Recourt. In de motie stond dat het wenselijk is dat het gerichtheidsvereiste voor álle bevoegdheden geldt en niet alleen voor de bijzondere bevoegdheden zoals in de Beleidsregels is opgenomen. In de Beleidsregel en de toelichting wordt echter niet uitgelegd wat het gerichtheidsvereiste behelst.

In het wetsvoorstel wordt in de memorie van toelichting (p. 4-5) verduidelijkt dat onder “zo gericht mogelijk” wordt verstaan

“in hoeverre bij de verwerving sprake is van het tot een minimum beperken van niet strikt voor het onderzoek noodzakelijke gegevens, gelet op de technische en operationele omstandigheden van de casus.”

De te vergaren gegevens moeten daarbij dus van te voren worden afgebakend, bijvoorbeeld op basis van geografische gegevens, naar tijdstip, soort data en object. Per inzet van een bevoegdheid krijgt het vereiste aldus zijn uitwerking. Zonder voorbeelden blijft deze uitleg natuurlijk wel wat vaag. Het was overigens sowieso al gek dat het vereiste niet eerder was gedefinieerd.

In de praktijk is wel ervaring met het vereiste opgedaan, waar de CTIVD ook al op heeft getoetst. In CTIVD-rapport nr. 64 (2019) over de selectie van geïntercepteerde communicatie uit de ether, constateert de toezichthouder bijvoorbeeld dat in de aanvraag tot de inzet van de bijzondere bevoegdheid tot selectie in één geval een heldere omschrijving ontbrak van de organisatie ten aanzien waarvan de selectiebevoegdheid werd ingezet. De geformuleerde groep was te ruim omschreven en in de aanvraag was niet omschreven waarom sprake was van een organisatie.

En in het CTIVD-rapport nr. 63 (2019) over filtering bij ‘onderzoeksopdrachtgerichte interceptie’ (bulkinterceptie) gaf de toezichthouder aan dat bij een specifieke vorm van satellietinterceptie tijdens de onderzoeksperiode ‘een deel van gebruikte verwerkingssystemen alle inhoud en metadata van herkende typen data or protocollen doorlaat. Het zonder meer opslaan van gegevens op deze manier laat zich niet verenigen met het vereiste dat de interceptie ‘zo gericht mogelijk’ dient te zijn’ (onderstreping toegevoegd). In reactie op beide rapporten zeiden de ministers zich in te spannen deze onrechtmatigheden in de toekomst te voorkomen.

Als het wetsvoorstel Wijzigingswet Wiv 2017 wordt aangenomen en van kracht is, geldt het gerichtheidsvereiste verder voor álle bevoegdheden. Daartoe wordt artikel 26 Wiv 2017 gewijzigd, waar nu ook de andere algemene vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zijn neergelegd. Als gevolg daarvan moet het vereiste ook worden toegepast bij de inzet van algemene bevoegdheden zoals de informantenbevoegdheid en het stelselmatig verzamelen van persoonsgegevens op internet. Als je bijvoorbeeld gegevens opvraagt bij een bedrijf of instelling op grond van de informantenbevoegdheid (die dat dan al dan niet vrijwillig verstrekt), dan vraag je dat zo gericht mogelijk; bijvoorbeeld de gegevens van het target die je als dienst in de gaten houdt en niet een hele database. Een dergelijke toets raakt overigens ook sterk de proportionaliteitstoets en subsidiariteitstoets, maar goed. Vanuit het perspectief van de bescherming van fundamentele rechten is de bepaling zeker een winst, omdat het als extra waarborg kan fungeren voor alle bevoegdheden.

2. Delen van ongeëvalueerde gegevens met buitenlandse diensten

Het wettelijk kader voor het delen van gegevens is nogal ingewikkeld. In deze blogpost sluit ik aan bij de uitleg uit de memorie van toelichting en het nader verslag.

In het nader verslag wordt uitgelegd dat voorafgaand aan het aangaan van een samenwerkingsrelatie met een buitenlandse dienst een ‘wegingsnotitie’ wordt opgesteld. In de wegingsnotitie wordt aan de hand van wettelijk vastgelegde criteria, zoals de ‘democratische inbedding van de buitenlandse dienst’ en ‘de eerbiediging van mensenrechten door het betreffende land’, nagegaan of een dergelijke samenwerkingsrelatie kan worden aangegaan en in hoeverre gegevens kunnen worden uitgewisseld. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geëvalueerde of ongeëvalueerde gegevens. Ongeëvalueerde gegevens zijn gegevens waarvan de AIVD en de MIVD te weinig kennis van de inhoud hebben om een adequate weging te kunnen maken van de noodzaak, behoorlijkheid en zorgvuldigheid van de verstrekking van de gegevens.

De door de minister van BZK of minister van Defensie verleende toestemming voor het aangaan van de samenwerkingsrelatie bepaalt dus ook de grenzen van die samenwerking en of er gegevens mogen worden verstrekt en zo ja, welke soorten gegevens.

Artikel 64 Wiv 2017 vormt een uitzondering op deze regeling. In het kader van een goede taakuitvoering kan de AIVD of de MIVD op grond van een dringende en gewichtige reden – bijvoorbeeld indien men beschikt over gegevens die wijzen in de richting van een ophanden zijnde terroristische aanslag in het desbetreffende land – gegevens verstrekken aan de buitenlandse dienst waarmee geen samenwerkingsrelatie bestaat. Dat mag alleen met toestemming van de verantwoordelijke minister. Het kan daarbij óók gaan om de verstrekking van ongeëvalueerde gegevens.

De aanpassing ziet er op de situatie dat er wél een samenwerkingsrelatie is, maar de wegingsnotitie aangeeft dat het regulier niet is toegestaan gegevens met de buitenlandse dienst te delen. Door aanpassing van artikel 64 Wiv 2017 wordt dit bij bovengenoemde gewichtige redenen wel mogelijk met toestemming van de verantwoordelijke minister. Als er toch al een uitzondering is met toestemming van de minister de gegevens te delen bij gewichtige redenen, is het wat mij betreft ook niet gek dat dit ook mogelijk wordt gemaakt als er wel een samenwerkingsrelatie bestaat. De CTIVD wordt overigens via een melding op de hoogte gesteld bij een verstrekking van ongeëvalueerde gegevens.

In het nader verslag vragen leden van GroenLinks nog hoe het staat met het internationaal toezicht op het delen van gegevens met buitenlands diensten. De minister van Defensie herhaalt dat bij samenwerkingsverbanden de controle op de handelingen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten door de nationale toezichthouders plaatsvindt. Het is volgens minister ‘te vroeg om voor het toezicht op samenwerkingsverbanden multilaterale afspraken te maken over het integraal wegnemen van wettelijke beperkingen voor de uitwisseling van staatsgeheime gegevens tussen toezichthouders’.

Tweede Kamerdebat (nota naar aanleiding van het verslag)

Tijdens het Tweede Kamerdebat over de Wijzigingswet Wiv 2017 kwamen een aantal interessante onderwerpen voorbij (zie de ‘nota naar aanleiding van het verslag’). Ik licht er drie uit.  

1. Geclausuleerde toestemming TIB

De leden van de Partij van de Dieren vroegen zich of in hoeverre het mogelijk is dat de TIB ‘geclausuleerd’ voorafgaand aan de inzet goedkeuring geeft van de inzet van (bepaalde) bijzondere bevoegdheden die door de minister zijn goedgekeurd. Dan wordt dus goedkeuring gegeven, maar onder voorwaarde dat bij de uitvoering ergens rekening mee wordt gehouden. Blijkbaar ziet de partij deze ruimte niet, omdat in artikel 36 lid 2 Wiv 2017 is vastgelegd dat de commissie oordeelt of de toestemming van de minister rechtmatig is. Deze toestemming zou ook geen geheime voorwaarden toelaten volgens de partij. De minister van Defensie beaamt dat strikt genomen de Wiv 2017 niet voorziet in de mogelijkheid tot geclausuleerde goedkeuring. In de praktijk is dit slechts in enkele situaties voorgekomen, zo geeft zij aan. Opvallend is dat verderop wordt gezegd dat: 

“Mocht een geclausuleerde goedkeuring door de TIB voor de inzet van de bijzondere bevoegdheid overigens voorwaarden bevatten die om verschillende redenen als niet aanvaardbaar worden beschouwd (praktisch onwerkbaar, verschil in interpretatie wettelijke bepalingen e.d.), dan ligt het voor de hand dat – nu de verleende toestemming niet van rechtswege is vervallen – deze door de Minister wordt ingetrokken.”

Ten slotte wordt gewezen op de aanstaande evaluatie (die uiterlijk start op 1 mei 2020, maar waarvan de Commissieleden nog niet publiekelijk bekend zijn) zich buigt over ‘de hele inrichting, de functie en de plek van de TIB in het bestel, een en ander tegen de achtergrond van de ministeriële verantwoordelijkheid’. Het vraagstuk geclausuleerde goedkeuring door de TIB maakt daar onderdeel van uit.

2. ‘Werken met grote gegevenssets en GDA’

Verder vond ik het interessant – en ook terecht overigens – dat verschillende Kamerleden vroegen of de regering kon ingaan op de kritiek van de TIB over de verzameling van grote gegevenssets door middel van hacken of informanten. De leden van GroenLinks geven aan dat ook bij andere bevoegdheden gegevens in bulk worden verzameld, ook van personen die niet in onderzoek zijn bij de diensten. De leden vragen waarom deze waarborgen niet in bindende bepalingen zijn gegoten voor GDA-verwerking van alle verzamelde data, of deze data nu uit een open bron zijn verkregen, via een zogeheten bulk-hack zijn binnengehaald, met de OOG-interceptie bevoegdheid zijn afgevangen of van een andere dienst zijn ontvangen. De minister geeft aan dat dit onderwerp niet wordt behandeld in de Wijzigingswet en daarom hier niet op wordt ingegaan. Het wordt mogelijk in de wetsevaluatie betrokken.

Ook wordt de suggestie om de waarborgensystematiek voor geautomatiseerde data-analyse na bulkinterceptie op bijvoorbeeld metadata in de Wiv 2017 uit te breiden, wordt niet door de minister omarmt. De minister is er geen voorstander van, omdat dan voor ‘alle gevallen van geautomatiseerde data-analyse waarbij persoonsgegevens worden verwerkt, toestemming van de minister en een toets van de TIB noodzakelijk zou zijn’. Dat is mijns inziens afhankelijk van hoe je het regelt, maar de minister geeft in ieder geval aan een dergelijke regeling niet wenselijk te vinden.

De minister zegt dat ook geautomatiseerde data-analyse onderwerp kunnen zijn voor de wetsevaluatie. De minister wilt eerst de resultaten van de evaluatie af te wachten, alvorens tot aanpassingen van het stelsel te komen. De leden van wetsevaluatie gaan het dus nog druk krijgen gezien het aantal onderwerpen op die voor hen op de agenda zijn geplaatst! (zie deze Kamerbrief (.pdf) uit november 2019).  

3. Regelgeving en invloed opslagkracht van de diensten

De leden van CDA- en VVD fractie stelden verschillen vragen ‘of de genomen maatregelen werkbaar blijven voor de diensten’ en ‘op welke wijze met het voorliggende wetsvoorstel de slagkracht van de diensten wordt bevorderd en de disproportionele bureaucratisering van het werk van de diensten tegengegaan’.

De minister (die uiteraard haar eigen wetsvoorstel verdedigde) antwoordde daarop dat de bepalingen uit de Wijzigingswet  2017 naar inschatting werkbaar zijn. Over de bepalingen uit de Wiv 2017 (ten opzichte van de Wiv 2002) antwoord de minister dat de AIVD en de MIVD ‘intensief betrokken’ waren bij de totstandkoming van de wet en naar hun beste vermogen een inschatting hebben gemaakt van de impact van de nieuwe regels op hun werkwijze. Maar: ‘in de toepassingspraktijk is gebleken dat op onderdelen er frictie kan ontstaan tussen de wettelijke norm (en de wijze waarop deze is toegelicht) en de werkbaarheid voor de praktijk’. De minister wordt niet concreter welke onderdelen dat zijn en geeft aan dat ‘een en ander’ bij de wetsevaluatie wordt ingebracht.

Privacy en bulkinterceptie in de Wiv 2017

Posted on 14/08/2019 op Oerlemansblog

Samen met mijn collega Mireille Hagens heb ik het artikel ‘Privacy en bulkinterceptie in de Wiv 2017’ geschreven voor het themanummer van ‘Privacy’ van Ars Aequi. In het artikel gaan we uitgebreid in op de bijzondere bevoegdheid tot het in bulk tappen van communicatie (‘bulkinterceptie’); in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 ‘onderzoeksopdrachtgerichte interceptie’ genoemd.

In het artikel leggen we uit hoe het stelsel van onderzoeksopdrachtgerichte interceptie precies is geregeld, met daarbij speciale aandacht voor de bijzondere bevoegdheid van ‘geautomatiseerde data-analyse’ als onderdeel daarvan. Ook bespreken we welke waarborgen daarbij in de Wiv 2017 zijn voorzien voor de rechtsbescherming van burgers en hoe deze zich verhouden tot de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over bulkinterceptie. De zaken Big Brother Watch e.a. en Centrum för Rättvisa (2018), waarin het EHRM zich baseert op eerdere jurisprudentie zoals de Grote Kameruitspraak in Roman Zakharov (2015), krijgen in onze analyse daarbij de meeste aandacht. Zie ook mijn eigen analyse van de big Brother Watch-zaak in mijn annotatie.

Stevige regeling voor bulkinterceptie

In ons artikel constateren wij dat voor onderzoeksopdrachtgerichte interceptie de Wiv 2017 sterke waarborgen biedt, waaronder het getrapte systeem van voorafgaande toestemming door de minister en de toetsing hiervan door de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) voor de interceptie zelf, maar ook voor de optimalisatie van het interceptieproces en de nadere analyse van de onderschepte gegevens uit interceptie.

Het stelsel voor onderzoeksopdrachtgerichte interceptie voldoet daarmee aan een belangrijk kritiekpunt in de Big Brother Watch-zaak over voorafgaande toestemming en toezicht op de nadere analyse van de gegevens met het oogmerk om kennis te nemen van de inhoud (het selectieproces). Overigens bestaat de mogelijkheid dat de Grote Kamer van het EHRM, waar deze zaak nu voorligt, tot een ander oordeel komt over bulkinterceptie als bijzondere bevoegdheid. De resultaten van onze analyse kunnen daardoor wijzigen, maar dat is niet onze verwachting.

Knelpunt: geautomatiseerde data-analyse

Als knelpunt in de Wiv 2017 identificeren wij de beperkte reikwijdte van de regeling voor de bijzondere bevoegdheid tot geautomatiseerde data-analyse. In de bovengenoemde EHRM-zaken legt het Hof goed uit dat dat de analyse van metadata uit telecommunicatie een zware inmenging in het recht op privacy van de betrokkenen kan inhouden. De reden is dat metadata gevoelig kan zijn, omdat het onder meer informatie kan bevatten over de identiteit van beide communicerende partijen, hun contacten, hun geolocatie en gebruikte apparatuur. Bij de opslag en analyse van deze gegevens in bulk wordt de inmenging in het recht op privacy groter, omdat het daarmee mogelijk is de contacten van een persoon, bewegingen en locaties, internetgeschiedenis en communicatiepatronen in kaart te brengen (zie par. 353-355 uit Big Brother Watch e.a)).

Geautomatiseerde data-analyse krijgt om deze reden ook een specifieke regeling in artikel 50 Wiv 2017, maar nog weinig aandacht gekregen in de literatuur. Wij wijzen er in het artikel op dat de bijzondere bevoegdheid slechts geldt voor de metadata-analyse van gegevens uit onderzoeksopdrachtgerichte interceptie (en geen andere bevoegdheden) met het doel om personen of organisaties te identificeren (en niet voor andere doelen). Het zou duidelijk moeten zijn welke data-analyses dan precies buiten de regeling van artikel 50 lid 1 sub b jo lid 4 Wiv 2017 vallen. Tot dusver is dat echter nog onduidelijk, mede door een gebrek aan nadere duiding in de toelichting op de wet.

De CTIVD en de TIB hebben in 2018 aangegeven dat de bijzondere bevoegdheid ook voor analyse van metadata afkomstig uit andere bevoegdheden zou moeten gelden. De ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie hebben daarentegen in hun reactie (brief en  bijlage (.pdf)) aangegeven dat de bevoegdheid slechts zou moeten gelden in gevallen waarbij de analyse tot een ‘substantiële privacy-inbreuk’ leidt.

Meenemen in de evaluatie Wiv 2017?

Het is interessant om te zien of de bijzondere bevoegdheid van geautomatiseerde data-analyse in de evaluatie van de Wiv 2017 wordt meegenomen en mogelijk een andere invulling krijgt. Het onderwerp is in het nieuwe wetsvoorstel ‘Wijzigingswet Wiv 2017’ in ieder geval niet meegenomen. De evaluatie moet overigens voor 1 mei 2020 van start gaan en hiervoor moet nog een commissie worden ingesteld.