Cybercrime jurisprudentieoverzicht december 2020

Een Facebook account is geen ‘geautomatiseerd werk’

Het Hof Den Haag heeft op 22 september 2020 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHDHA:2020:2005) voor belaging, maar vrijgesproken van computerbreuk. Een ‘Facebookaccount’ kan niet worden aangemerkt als een geautomatiseerd werk in de zin van artikel 80sexies Sr; een webserver die de opslag van gegevens en de verwerking van gegevens verzorgen voor een account is dat mogelijk wel. De webserver behoort niet toe aan het slachtoffer, maar is in eigendom van Facebook. Het OM moet bewijzen dat de verdachte is binnengedrongen in de webserver. In deze zaak kon alleen bewezen worden dat de beveiligingsvraag door de verdachte was gewijzigd. De verdachte heeft verklaard dat vervolgens het account werd geblokkeerd en zij niet verder heeft geprobeerd toegang te krijgen tot de gegevens. Het OM heeft daarom niet bewezen dat de verdachte daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot afgeschermde gegevens in het Facebook-account van het slachtoffer en daarmee computervredebreuk heeft gepleegd.

Wel was er sprake van het delict belaging (artikel 285 lid 1 Sr). Daarvoor is volgens vaste jurisprudentie (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710 en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095) van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Kortgezegd heeft de verdachte diverse Facebook-, Twitter- en Instagram-accounts aangemaakt op naam van het slachtoffer. Op deze accounts en websites heeft de verdachte gedurende een periode van ruim drie maanden een liefdesverklaring geplaatst en foto’s en persoonlijke gegevens van de aangeefster gepubliceerd. Deze verklaringen op de accounts heeft het persoonlijke leven in sterke mate negatief beïnvloed. Volgens het Hof was er ook sprake van belaging bij een tweede slachtoffer.

De verdachte krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en 120 uur taakstraf.

Bitcoins als ‘voorwerp’ en waardebepaling

Het Hof Den Haag heeft op 22 september 2020 een interessant arrest (ECLI:NL:GHDHA:2020:1804) gewezen over de inbeslagname van bitcoins. Voor het eerst oordeelt een rechtsinstantie dat bitcoins, vanwege hun eigenschappen, strafrechtelijk moeten worden gezien als voorwerp gekwalificeerd en daarmee ook vatbaar zij voor inbeslagname. Het hof overweegt dat ‘bitcoins voor menselijke beheersing vatbare objecten zijn met een reële waarde in het economische verkeer die voor overdracht vatbaar zijn. Er kan met bitcoins worden betaald. De feitelijke en exclusieve heerschappij ligt bij degene die toegang heeft tot een wallet en wordt verloren bij een succesvolle transactie naar een andere wallet. Bitcoins zijn bovendien individueel bepaalbaar: van iedere bitcoin wordt het ontstaan en iedere transactie die ermee wordt uitgevoerd, in de blockchain bijgehouden’. Daarom is het hof van oordeel dat bitcoins, vanwege deze eigenschappen, strafrechtelijk gezien als voorwerp gekwalificeerd kunnen worden. Dat is van belang vanwege bepaalde delictsomschrijven waarvan van een ‘voorwerp’ wordt gesproken en voor de strafvordelijke consequenties bij en na de inbeslagname van bitcoins.

De verdachte heeft ongeveer twee jaar lang als ‘cash trader’ gehandeld in bitcoins door (via internet) bezitters van bitcoins aan te bieden hun bitcoins om te zetten in contant geld. De verdachte en medeverdachten worden verweten een totaalbedrag van € 11.690.267,85 (!) te hebben witgewassen. De verdachte verkocht de verkregen bitcoins vervolgens aan cryptocurrency uitwisselingskantoren (‘exchanges’) als ‘Kraken’ of ‘Bitstamp’. Deze bedrijven betaalden de verdachte uit op bankrekeningen op zijn eigen naam en die van anderen. De identiteit van zijn klanten heeft de verdachte niet vastgesteld en hij hield geen administratie bij van zijn klanten. De verdachte hield slechts bij op welke datum hij een transactie heeft uitgevoerd, om welk bedrag het ging en de netto winst van die transactie in procenten uitgedrukt.

De verdachte hanteerde een hoog commissiepercentage, sprak af op openbare plekken en het ging veelal om grote bedragen. De gedragingen van verdachte voldoen hierdoor aan meerdere onderdelen van de in 2017 door de FIU opgemaakte ‘Witwastypologieën virtuele betaalmiddelen’. Van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

De door de verdachte gegeven verklaring kan niet worden aangemerkt als een dergelijke verklaring voor de niet-criminele herkomst van het geld. Die verklaring en de overgelegde stukken bieden geen reëel tegenwicht aan het vermoeden van witwassen. Het hof is van oordeel dat de bitcoins en de geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren en dat verdachte wist van de illegale herkomst. Gelet op de periode van bijna twee jaren, de hoogte van het totaalbedrag en de bedrijfsmatige handelswijze is het hof van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 43 maanden.

De rechtbank Rotterdam heeft op 23 oktober 2020 eveneens een interessante uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2020:10073) gepubliceerd. In deze zaak werd de verdachte en medeverdachten verweten een bedrag van 16 miljoen euro te hebben witgewassen. De verdachte bood via internet bezitters van bitcoins aan om hun bitcoins om te zetten in contant geld. De klanten maakten bitcoins over naar één van de wallets van verdachte en/of aan hem gelieerde bedrijven en kregen vervolgens direct de tegenwaarde van deze bitcoins verminderd met een commissiepercentage contant uitbetaald. Daarbij hanteerde verdachte in vergelijking met reguliere bitcoin uitwisselingskantoren een ongewoon hoge commissie in van tussen 9,5%-15%, terwijl tussen 1-3% gebruikelijk is. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan een half jaar voorwaardelijk.

De rechtbank verklaart 1488 bitcoins verbeurd waar geen beslag op lag. Het Openbaar Ministerie had geen beslag kunnen leggen op de bitcoins, omdat de ‘public key’ waarmee toegang kon worden verkregen tot de bitcoinadressen in de bitcoinwallets van verdachte versleuteld was en verdachte de ontsleuteling daarvan niet had prijsgegeven. Niettemin stelt de rechtbank vast dat de bitcoins zich ten tijde van de uitspraak nog in de bitcoinwallets bevonden. Bij die stand van zaken houdt de rechtbank aan dat de bitcoins in strafrechtelijke zin aan de verdachte toebehoren. De verdachte wordt de keuze gelaten het OM de volledige beschikkingsmacht over deze specifieke bitcoins te verschaffen, of de koerswaarde te betalen zoals deze heeft gegolden op de datum van de uitspraak, te vervangen door 12 maanden vervangende hechtenis.

Ontucht zonder lichamelijk contact

De Hoge Raad heeft op 27 oktober 2020 een belangrijk arrest (ECLI:NL:HR:2020:1675) gewezen over ontucht op afstand. De zaak gaat over een verdachte die via Instagram contact gehad met een meisje van destijds 13 jaar, waarbij hij zich voordeed als een jongen van 17 jaar. Het slachtoffer heeft verklaard dat verdachte naaktfoto’s van haar wilde. De verdachte is zelf begonnen met het versturen van naaktfoto’s. In eerste instantie durfde en wilde het slachtoffer geen naaktfoto’s (te) versturen, maar de verdachte heeft haar daartoe later toch overgehaald. Vervolgens stuurde het slachtoffer via WhatsApp twee thuis gemaakte naaktfoto’s en een op vakantie gemaakte naaktfoto aan verdachte. Deze foto’s zijn daadwerkelijk aangetroffen op de telefoon van verdachte.

Het hof overweegt onder verwijzing naar HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0950 dat hoewel uit de bewijsmiddelen niet blijkt van lichamelijk contact tussen verdachte en het slachtoffer, niettemin sprake is geweest van enige voor het plegen van ontucht met het minderjarige slachtoffer. De Hoge Raad stelt in reactie voorop dat van het plegen van ontuchtige handelen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ook sprake kan zijn als geen lichamelijke aanraking tussen de dader en het slachtoffer heeft plaatsgevonden. Of de gedraging(en) van de dader, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, het plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer opleveren, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij is in het bijzonder relevant in hoeverre tussen de dader en het slachtoffer enige voor het plegen of dulden van ontucht relevante interactie heeft plaatsgevonden. Daarvan zal slechts sprake kunnen zijn in uitzonderlijke gevallen.

De Hoge Raad is van oordeel dat de bewezenverklaring van het hof voor wat betreft het onderdeel ontuchtige handelingen plegen ‘met’ het slachtoffer ontoereikend is gemotiveerd. Daarbij acht de Hoge Raad mede relevant dat uit de vaststellingen van het hof niet kan worden afgeleid dat verdachte enige concrete bemoeienis heeft gehad met de wijze waarop het slachtoffer zijn verzoek om het toesturen van naaktfoto’s uitvoerde. Uit de bewijsvoering blijkt evenmin op andere wijze dat sprake zou zijn geweest van ontucht ‘met’ iemand.

Arrest gerelateerd aan Hansa Market operatie

Op 22 oktober 2020 heeft het Hof Den Haag een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHDHA:2020:2065) voor medeplichtigheid aan handel in harddrugs (heroïne en cocaïne) en schuldig gemaakt aan het telen van hennep samen met de medeverdachte. De verdachte heeft haar telefoon en computer aan de medeverdachte beschikbaar gemaakt ten behoeve van drugshandel op de darknet market ‘Hansa Market’. Zij krijgt een 120 uur taakstraf opgelegd met twee jaar proeftijd.

De verdediging voert aan dat geen sprake is van een vorm van medeplegen voor de handel in drugs zoals ten laste gelegd, maar sprake is van medeplichtigheid. In overweging van het verweer herhaalt het Hof Den Haag dat voor medeplegen bewezenverklaard moet worden dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van het strafbare feit. Ook als het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan daarvan sprake zijn. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Het Hof spreekt de verdachte vrij van medeplegen, omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte de accounts heeft gemaakt waarmee is gehandeld op Hansa Market. Uit het dossier blijkt evenmin dat zij de enveloppen heeft verzonden. Voorts is op grond van het dossier geen taakverdeling vast te stellen tussen de verdachte en haar toenmalige partner en kan niet worden bewezen of er sprake is geweest van een afgesproken, laat staan een gewichtige, rol. Wel wordt medeplichtigheid bewezen geacht.

Opvallend is dat het Hof de raadsvrouw heeft gevraagd of zij eventueel verweer wilt voeren op eventuele vormverzuimen bij de Hansa-operatie (zie hierover ook: Rb. Rotterdam 3 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5339, Computerrecht 2019/178, m.nt. J.J. Oerlemans). De raadvrouw geeft aan hier geen verweer op te voeren. Het Hof ziet ook geen aanleiding ambtshalve in te gaan op eventuele vormverzuimen. Het verzoek tot teruggave van persoonlijke foto’s op de inbeslaggenomen laptop is volgens het Hof ten slotte onvoldoende gemotiveerd.

Veroordeling voor grootschalige phishing met malware

Op 19 november 2020 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBMNE:2020:5038) voor de stevige gevangenisstraf van vier jaar voor computervredebreuk, oplichting, diefstal door middel van een valse sleutel, (gewoonte)witwassen en heling.

De verdachte en zijn medeverdachten achterhaalden met behulp van phishing-mails bankgegevens van meer dan zestig klanten van verschillende banken. Vervolgens bewogen zij een aantal van hen om geld over te maken. Hierbij maakten verdachte en zijn medeverdachten meer dan €480.000 buit. De zaak kwam aan het rollen door aangiftes van diverse banken in 2018, waaronder de Volksbank (SNS) en de ING bank. Vervolgens heeft een onderzoek plaatsgevonden naar verspreiders van e-mails met malware. Met die malware werden inloggegevens van internetbankieren van klanten achterhaald, waarmee vervolgens een nieuwe simkaart dan wel ‘digipas’ werd aangevraagd. Met die nieuwe simkaart dan wel digipas kon de fraudeur vervolgens geld overboeken vanaf de bankrekening van het slachtoffer naar bankrekeningen van zogenaamde katvangers. Een IP-adres dat is gebruikt bij deze frauduleuze transacties was aangesloten op het woonadres van verdachte. Op die manier is de naam van verdachte in dit onderzoek naar voren gekomen.

De werkwijze was iedere keer ongeveer hetzelfde: rekeninghouders vernamen via e-mail dat er een dreiging was rondom hun bankrekening. Door op de link in de e-mail te klikken, konden de verdachten de inloggegevens achterhalen. Vervolgens nam één van de verdachten telefonisch contact op met de rekeninghouders en wist hen te overtuigen om het geld over te boeken naar een ‘veilige rekening’. In werkelijkheid verdween het geld naar een rekening van een zogenaamde katvanger en werd dit direct opgenomen en/of omgezet in bitcoins. In totaal werden ruim 50 mensen slachtoffer van de acties van verdachten.

De verdachte in deze zaak had een bepalende rol bij het daadwerkelijk binnendringen in de geautomatiseerde werken, de digitale bankomgeving van de rekeninghouders. Hij logde in op de bankaccounts van de slachtoffers en gaf de bankgegevens aan zijn medeverdachte. Deze medeverdachte zocht vervolgens telefonisch contact op met de rekeninghouders en overtuigde de rekeninghouders tijdens de telefoongesprekken om ook echt geld over te maken.

Over het opsporingsonderzoek en de bewijsvoering is het volgende nog interessant te vermelden: uit onderzoek bleek dat de frauduleuze inloggegevens die sinds januari 2019 op de ING accounts plaatsvonden, vaak konden worden gekoppeld aan een IP-adres. Dit IP-adres bleek bij een netwerk van een hotel te behoren (red.: in de uitspraak staat: ‘dit bleek het IP-adres van een hotel te zijn’). Op 21 februari 2019 is dit aan de politie gemeld. Op 24 februari 2019 werd opnieuw door de ING bank vastgesteld dat werd ingelogd bij rekeninghouders van de ING bank vanaf het IP-adres van het hotel. Dezelfde dag zijn in het hotel de verdachte en de medeverdachte aangehouden. In hun hotelkamer werden digitale sporendragers aangetroffen en inbeslaggenomen, die in verband konden worden gebracht met computervredebreuk, oplichting, diefstal van geld en/of witwassen.

Ook de overwegingen over de opgelegde schadevergoeding maatregel zijn interessant. De verdachte moet onder andere € 154.580,73 schadevergoeding betalen aan de ING en een bedrag van €158.942,- aan de Rabobank. De rechtbank overweegt dat de banken kosten vorderen die zijn gemaakt om de schade van die personen te vergoeden die slachtoffer zijn geworden van oplichting. De banken zijn niet verplicht deze kosten te vergoeden, maar hebben vanuit een zorgplicht dan wel uit coulance gedaan. De rechtbank acht het wenselijk dat banken dit ook in de toekomst blijven doen.

Jurisprudentieoverzicht cybercrime februari 2020

Hoge Raad arrest over kaartlezers

De Hoge Raad heeft op 17 december 2019 een arrest (ECLI:NL:HR:2019:1973) gewezen over de vraag of een kaartlezer een geautomatiseerd werk (artikel 80sexies Sr) is. De zaak ging over een vorm van fraude waarbij gemanipuleerde ‘e.dentifiers’ in bankshops van een bank werden geplaatst. Daarmee werden vervolgens valse betaalpassen vervaardigd, waarmee in totaal meer dan € 1 miljoen contant is opgenomen bij pinautomaten.

De Hoge Raad overweegt herhaalt de relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BY9718 met betrekking tot het (oude) begrip ‘geautomatiseerd werk’ in artikel 80sexies Sr. De Hoge Raad overweegt dat de kaartlezer een geautomatiseerd werk is, omdat het een apparaat is die  authenticatie en uitwisseling van mede op rekeninggegevens en pincodes gebaseerde (challenge- en response)cijfercodes met het Internet Bankieren-systeem van de bank mogelijk maakt. Dat vindt plaats ten behoeve van digitale bancaire transacties. Zij maken daarmee deel uit van een systeem waarbij opslag, verwerking en overdracht van gegevens plaatsvindt (r.o. 3.5.3).

Oude vs nieuwe definitie geautomatiseerd werk

Het arrest gaat nog over de oude definitie van een geautomatiseerd werk. Het begrip is door de inwerkingtreding van de Wet computercriminaliteit III gewijzigd in:

“Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken”.

Met dit nieuwe begrip wordt aangesloten uit de definitie uit het Cybercrimeverdrag. Hieronder vallen volgens de toelichting in ieder geval apparaten die gegevens verwerken en in verbinding staan met een netwerk. Gezien de verwerking van gegevens valt mijns inziens een kaartlezer ook onder dit nieuwe begrip van een geautomatiseerd werk.

Aftappen en opnemen van gegevens

Over aftappen en opnemen in de zin artikel 139c Sr overweegt de Hoge Raad dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de in art. 139c Sr opgenomen termen ‘aftapt’ en ‘opneemt’ zien op het onderscheppen en vastleggen van stromende gegevens, dat wil zeggen gegevens die in een proces zijn van verwerking en overdracht. Het vastleggen van opgeslagen gegevens valt niet aan te merken als aftappen of opnemen in de zin van art. 139c Sr, maar als het ‘overnemen’ van gegevens (r.o. 3.6.2).

De Hoge Raad gaat mee in het oordeel van het Hof dat sprake is van ‘afgetapte en opgenomen gegevens’, omdat actief werd ingegrepen tijdens het ‘vraag- en antwoordspel van de identificatiekaartlezer’ tijdens internetbankieren. Daarbij worden gegevens via de chip opgevraagd, die in reactie daarop worden overgedragen en via een PIN code worden onderschept (r.o. 3.6.3).

Livestream kan afbeelding zijn in de zin van art. 240b Sr

Op 10 december 2019 heeft de rechtbank West-Brabant-Zeeland een 66-jarige verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBZWB:2019:5546) tot drie jaar gevangenisstraf en TBS voor ontucht en de vervaardiging en verspreiding van kinderporno.

De “surrogaat opa” won het vertrouwen van een gezin droeg als oppas zorg voor een 12-jarige meisje. Met dit meisje heeft hij ontucht gepleegd en heeft hij beeldmateriaal vervaardigd. In 2000 is verdachte in Nederland ook al veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk voor soortgelijke feiten. In 2012 is verdachte in België veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf voor verkrachting en aanranding van een minderjarige.

Het is een zaak met dramatische en trieste feiten, maar juridisch gezien wordt een belangrijke vraag gesteld. De verdachte heeft met zijn eigen telefoon en onder zijn eigen account een livestream van seksuele activiteiten en handelingen van het slachtoffer uitgezonden.

De rechtbank overweegt dat sprake is van een kinderpornografische ‘afbeelding’ in de in zin art. 240b Sr, omdat via een livestream mogelijk wordt gemaakt dat anderen een weergave van de werkelijke seksuele gedragingen van kinderen kunnen zien door middel van streamen en volgen. De verdediging voert aan dat geen sprake is van een afbeelding in de zin van 240 Sr, omdat geen sprake is van het vereiste van ‘enige duurzaamheid’. De rechtbank gaat daar niet in mee.

De rechtbank overweegt dat ‘een afbeelding in de zin van genoemd artikel is het weergeven van een werkelijkheid door middel van een technisch hulpmiddel waardoor deze werkelijkheid door (veel) anderen door middel van gebruik van techniek bekeken kan worden. Gelet op het doel en de strekking van genoemd artikel is ‘enige duurzaamheid’ geen vereiste om te kunnen spreken van een afbeelding in de zin van dit artikel’.

Veroordeling voor verspreiding kinderporno via GigaTribe

Op 11 december 2019 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHARL:2019:11285) tot 12 maanden gevangenisstraf voor de verspreiding van kinderporno via het peer-to-peer programma GigaTribe.

Net als in ECLI:NL:RBNNE:2017:2882 (zie ook mijn annotatie hierover) werd de zaak opgestart nadat Zwitserse autoriteiten via een undercover actie het account van een persoon hadden overgenomen en daarmee met de Nederlandse verdachte communiceerden over kinderporno. Tijdens het chatgesprek met de verdachte ontvingen de Zwitserse autoriteiten het wachtwoord van zijn versleutelde folder, waarin kinderporno bleek te staan. De Zwitserse ‘Cybercrime Coordination Unit’ deelden de informatie met de Nederlandse autoriteiten, die een onderzoek startten.

De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor het gebruik van bewijsmateriaal door de undercover acties van de Zwitserse autoriteiten.

Volgens het hof is er geen sprake van enig vormverzuim. Tijdens de doorzoeking van de woning van een verdachte is op een computer en USB-stick van de verdachte 1048 foto’s en 409 films aangetroffen met kinderpornografisch materiaal. Bovendien stonden op de laptop van de verdachte GigaTribe-chatgesprekken.

Mooi is ook de volgende overweging van het hof: ‘dat de verdachte de gebruiker is geweest van het account leidt het hof af uit de omstandigheid dat nagenoeg hetzelfde wachtwoord van dit account, staat vermeld op de onderlegger die de verbalisanten onder het toetsenbord van de verdachte hebben aangetroffen’. Ook kon het IP-adres worden teruggeleid tot de verdachte.

Veroordeling voor dreiging high school shooting via YouTube

Het hof Amsterdam heeft op 10 december 2019 een verdachte vrijgesproken (ECLI:NL:GHAMS:2019:461) van poging tot bedreiging. De minderjarige verdachte werd verweten op YouTube de volgende tekst te plaatsen:

“Fuck you man just when I was planning my school shooting you came out with motivational bs (this is actually no joke)”.

Het hof overweegt in hun vrijspraak dat in welke context de verdachte zijn bericht heeft geplaatst, namelijk op een groepspagina van een website en als reactie op een bericht van de beheerder. Niet is komen vast te staan dat er een potentiële groep bedreigden op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging.

Daarbij komt dat de woorden in het bericht, mede gelet op de context waarin ze zijn gebruikt, een onvoldoende specifieke inhoud en een onvoldoende duidelijk dreigende strekking hebben om een strafbare bedreiging op te leveren. De geplaatste tekst bevat ook geen enkele verwijzing naar een bestaande school, noch naar een locatie waar een dergelijke shooting zou plaatsvinden.

Het hof is daarom van oordeel dat onvoldoende grond bestaat voor de conclusie dat door het bericht redelijke vrees kon ontstaan dat personen het leven zouden kunnen verliezen, zodat ook om die reden van een voltooide bedreiging geen sprake kon zijn. Het bericht kan om dezelfde redenen evenmin worden aangemerkt als een begin van uitvoering om een dergelijke vrees te doen ontstaan, zodat ook van een poging tot bedreiging geen sprake is.

Gevangenisstraffen voor grootschalige phishing

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 11 december 2019 verschillende verdachten veroordeeld (o.a. ECLI:NL:RBMNE:2019:5885 t/m ECLI:NL:RBMNE:2019:5898) voor grootschalige phishing. Sommige verdachten kregen een gevangenisstraf opgelegd van 2 en 3 jaar. Ook moesten sommige verdachten geleden schade terugbetalen van rond de 150.000 euro.

De phishing ging in zijn werking door mails te sturen naar mensen die zogenaamd van banken afkomstig zijn. Vervolgens worden de rekeninghouders doorgestuurd naar websites die sprekend op die van de banken lijken. Later verstuurde de verdachte phishingmails waarin stond dat de rekeninghouder een nieuwe bankpas aan moest vragen en zijn inloggegevens moest invoeren.

De gegevens die de gedupeerden op de nepwebsite achter lieten, kwamen terecht in een mailbox waar de verdachte de inloggegevens van had. Op die manier konden de verdachten bij hun inlog- en bankgegevens en konden mededaders geld opnemen bij pinautomaten. De verdachten bestelden daarnaast spullen bij webwinkels en haalden de goederen vervolgens bij afhaalpunten op.

De verdachten maakten zich volgens de rechtbank, met ieder zijn eigen rol, op een uitgekookte manier schuldig aan meerdere diefstallen, oplichting, computervredebreuk (art. 138ab Sr), het ter beschikking stellen van software om computervredebreuk te plegen (art. 139d jo art. 138 ab Sr) en witwassen.