Hoofdstukken uit ‘Strafrecht en ICT’ in open access beschikbaar

In januari 2019 verscheen het boek ‘Strafrecht en ICT’ van Bert-Jaap Koops en mij. Het boek betreft een studieboek en naslagwerk. We hebben goede reacties uit de praktijk gekregen.

Nu de embargoperiode van Sdu voorbij is, mag ik de belangrijkste hoofdstukken online zetten. Hieronder staan de links met een indicatie van de inhoud.

Materieel strafrecht en ICT
Het hoofdstuk biedt een overzicht van de strafbepalingen, wetsgeschiedenis en jurisprudentie over computercriminaliteit. Het hoofdstuk heeft de volgende inhoud:

  • Computervredebreuk en wederrechtelijk overnemen van gegevens
  • Afluisteren, aftappen en opnemen van communicatie
  • Verstoring van computergegevens
  • Verstoring van computersystemen
  • Misbruik van technische hulpmiddelen
  • Klassieke vermogensdelicten
  • Valsheid in geschrifte
  • Oplichting
  • Computergerelateerde zedenmisdrijven
  • Uitingsdelicten
  • Auteursrechtschendingen
  • Blik op de toekomst

Formeel strafrecht en ICT
Dit hoofdstuk behandeld alle relevante opsporingsbevoegdheden die worden in gezet in opsporingsonderzoeken naar cybercrime. Dit is de inhoudsindicatie:

  • Het opsporingsonderzoek
  • Doorzoeking, inbeslagname en onderzoek van gegevens in computers
  • Het vorderen van gegevens
  • De telecommunicatietap
  • Direct afluisteren
  • Stelselmatige observatie en locatiebepaling
  • Hacken als opsporingsbevoegdheid
  • Vergaren van publiekelijk toegankelijke online gegevens
  • Online undercover opsporingsmethoden
  • Digitaal bewijs
  • Blik op de toekomst

Grensoverschrijdende digitale opsporing

Dit hoofdstuk gaat over jurisdictie, het Cybercrimeverdrag, andere belangrijke verdragen en de grensoverschrijdende toepassing van opsporingsbevoegdheden. De inhoud is als volgt:

  • Jurisdictie en rechtshulp
  • Het Cybercrimeverdrag en internationale samenwerking in digitale opsporing
  • Grensoverschrijdende toepassing van bevoegdheden  
  • U.S. Cloud Act
  • Tweede Protocol bij het Cybercrimeverdrag (concept
  • EU-voorstellen voor digitale bewijsgaring

Cybercrime jurisprudentieoverzicht – augustus 2019

Posted on 11/08/2019 op Oerlemansblog

“Een webshop voor drugs!”

Met een vonnis “nieuwe stijl” heeft de rechtbank Rotterdam op 16 juli 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2019:5630) voor drugshandel via het darkweb en het aanwezig hebben van de illegale handelsvoorraad. De verdachte heeft naar schatting meer dan 500 kg drugs verkocht en miljoenen omzet gehad. De bedenker, organisator en leidinggevende van het “bedrijf” krijgt zeven jaar gevangenisstraf opgelegd. In een afzonderlijk ontnemingsvonnis wordt bovendien ruim 1 miljoen euro afgenomen.

Het vonnis in deze zaak is op een nieuwe manier opgebouwd. Direct wordt een samenvatting van de zaak gegeven en de lezer kan aan de hand van een leeswijzer snel naar het hoofdstuk gaan waar de interesse naar uitgaat.

Als voorbeeld van deze nieuwe stijl is de nieuwe kop ‘Illustratie’ in het vonnis aardig om te lezen:

“Een webshop voor drugs! De overeenkomsten in de bedrijfsvoering tussen legale internetgiganten en de darkwebwinkel in hard- en softdrugs van de verdachte dringen zich op. Ook in zijn ‘internetbedrijf’ met meerdere ‘medewerkers’ was het iedere dag raak met online bestellingen, inpakken, verzending, levering, planning en voorraadbeheer. Het assortiment was groot. Bijna iedere populaire drug en zelfs grondstoffen voor drugs waren met één klik te bestellen en met PostNL zo bij je in huis. Ongewild en ongemerkt werd PostNL zo een internationale distributeur van Nederlandse drugs.

Nieuw arrest over doorzoeken van gegevens op smartphone

In een nieuw arrest (ECLI:NL:HR:2019:1079) over de rechtmatigheid van onderzoek aan een smartphone van 9 juli 2019 herhaalt de Hoge Raad het beoordelingskader over onderzoek aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken uit het smartphone-arrest (ECLI:NL:HR:2017:584).

In deze zaak was de gehele inhoud van de mobiele telefoon van de verdachte en de bij die telefoon behorende SD-kaart gekopieerd en veiliggesteld voor nader onderzoek. Tijdens het daaropvolgende onderzoek zijn alle foto’s en video’s onderzocht. Het Hof Arnhem-Leeuwarden vond dat “de politie selectief is geweest in het onderzoek aan de telefoon”, maar de Hoge Raad gaat daar niet in mee en acht dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het verweer dat vervolgens tot bewijsuitsluiting moet worden overgegaan, volgt de Hoge Raad niet en verwerpt dit verweer.

Persoonlijk vind ik het nogal wiedes dat een onderzoek aan ‘alle foto’s en video’s’ niet “selectief” is en meer dan geringe inbreuk op het recht op privacy met zich meebrengt. Maar goed, de waardeoordelen van rechters m.b.t. het recht op privacy en onderzoek aan smartphones verbazen mij helaas wel vaker..

Bewijs van Google en telecommunicatie

In een opmerkelijke moordzaak is een vrouw op 11 juli door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld (ECLI:NL:RBNNE:2019:2986) voor de moord op haar man. De zaak is interessant, omdat de zaak sterk leunt op digitaal bewijs afkomstig uit de mobiele telefoon van de verdachte en het slachtoffer. Journalist Huib Modderkolk heeft over deze zaak een leuk artikel in de Volkskrant geschreven.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op haar echtgenoot, vader van hun drie jonge kinderen. Het slachtoffer is doelbewust naar een weiland gelokt waar hij is doodgeslagen met een hard voorwerp. Uit de bewijsoverwegingen blijkt uit onder andere telecomgegevens en de gebruikersactiviteiten en locatiegegevens van het Google-account van de verdachte, dat zij op het moment van de moord vlakbij het delict worden gelokaliseerd (een weiland ter hoogte van de Bûterwei). Uit de gegevens van het Google-account van het slachtoffer kon een telecomdeskundige precies het moment afleiden waarbij de mobiele telefoon in beweging was en later tot stilstand kwam (vermoedelijk door de klap met het een hard voorwerp), bij het weiland waar het slachtoffer later is gevonden.

De verdachte heeft het slachtoffer met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd. Zij heeft volgens een vooropgezet plan het slachtoffer naar de Bûterwei laten komen, zij heeft hem daar ontmoet en is met hem het weiland ingelopen, waar hij vervolgens op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot de gevorderde gevangenisstraf van 20 jaar.

Rechtbank laat opnieuw gebruik Ennetcom-data toe

De rechtbank Gelderland heeft op 26 juli 2019 een verdachte 15 jaar gevangenisstraf opgelegd voor moord. De uitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2019:2833) is interessant, omdat in deze zaak (wederom) wordt geoordeeld dat de politie en het openbaar ministerie gebruik mogen maken van bewijs op de server van ‘Ennetcom’, waarop verstuurde berichten met ‘PGP-telefoons’ zijn bewaard waarvan criminelen veel gebruik maakten. In deze duidelijke uitspraak overweegt de rechtbank iets uitgebreider welke wettelijke regeling voorhanden is.

De rechtbank stelt ‘met de verdediging en de officieren van justitie vast dat het Wetboek van Strafvordering, noch enige andere wet, een procedure kent tot het afgeven van een machtiging, zoals door de Canadese rechter wordt geëist’ voor het onderzoeken van de gevorderde gegevens. De Canadese rechter had eenvoudig gezegd als voorwaarde bij het verstrekken van de gegevens aan Nederland opgenomen dat als de gegevens ook voor andere opsporingsonderzoeken worden gebruikt, daarvoor een Nederlandse rechter een machtiging moet geven. Het openbaar ministerie heeft ervoor een gekozen de rechter-commissaris deze mogelijkheid te geven op grond van artikel 181 jo artikel 179 Sv. Voor de inhoudelijke toetsing van de vordering heeft de rechter-commissaris aansluiting gezocht bij artikel 126ng Sv, de bepaling die een vordering van opgeslagen gegevens bij aanbieders van elektronische communicatieaanbieders mogelijk maakt. De rechtbank gaat hiermee akkoord, mede omdat zulke zware voorwaarden gelden voor de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid en deze als waarborg fungeren.

De verdediging stelt dat de rechten van de verdediging in het kader van een recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet voldoende worden gerespecteerd, omdat zij (1) niet alle informatie over de gebruikte technieken hebben ontvangen, (2) de belangrijkste getuige over de technische aspecten niet heeft kunnen bevragen en (3) een ‘wezenlijke informatieachterstand’ had bij het horen van verbalisanten en getuigen.

De rechtbank reageert hierop door voorop te stellen dat ‘verdediging geen onbeperkt recht heeft op het ontvangen van alle informatie waarom zij verzoekt. Slechts die informatie die relevant is voor enige in de strafzaak te nemen beslissing moet in het dossier worden gevoegd’. De rechten van de verdediging zouden wel voldoende zijn nagekomen, omdat naast het strafdossier ook relevante stukken uit het desbetreffende onderzoek ‘26DeVink’ zijn verstrekt, alle beschikbare Ennetcom-data over de door de politie aan verdachte toegeschreven e‑mailaccounts op cd-rom hebben verstrekt en de verdediging in de gelegenheid is gesteld zelf onderzoek te doen in de datasets.

Veroordeling bommelding Amsterdam CS en bezit hacksoftware

Het Hof Amsterdam heeft op 23 juli 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:2749) voor valse bommelding op het Centraal Station van Amsterdam, bedreiging, creditcardfraude (voor slechts 40 euro) en het voorhanden hebben van hacksoftware. De minderjarige verdachte krijgt voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf opgelegd en houdt daarmee de opgelegde straf van de rechtbank Amsterdam in stand. Het Hof overweegt daarbij de valse bommelding onnodig veel politiecapaciteit heeft gekost en gevoelens van angst en onveiligheid inde maatschappij heeft veroorzaakt.

In de onderliggende uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2019:117) zijn meer interessante feiten te vinden. De verdachte heeft via een gehackt Facebookaccount de volgende melding geplaatst:

“Vandaag om 1 uur zal Amsterdam Centraal niet meer staan en zullen alle mensen die er bij waren niet meer onder ons zijn. NOS Politie Amsterdam er zullen vershillende (sic!) explosieven tot ontploffing worden gebracht.”

Via het Facebookaccount kon het IP-adres worden achterhaald waarvandaan het bericht was geplaatst. De naam en adresgegeven van de abonneehouder bij KPN zijn gevorderd en op basis van die informatie heeft huiszoeking plaatsgevonden. Via het Facebookaccount kon het IP-adres achterhaald worden, waar vanaf het bericht was geplaatst. De naam en adresgegeven van de abonneehouder bij KPN zijn gevorderd en op basis van die informatie heeft een huiszoeking plaatsgevonden.

Op de harde schijf van de verdachte is het programma ‘Havij’ gevonden, een zogenoemd ‘SQL-injectietool’ waarmee de zwakheden in databases van websites zijn op te sporen. Boeiend is om te lezen dat op een Lenovo-laptop een IP-adres is gevonden in een snapshot-bestand van de applicatie ‘Virtual Box Virtual Machine’ en in de verwijderde bestanden geïnstalleerde software aangetroffen van onder meer programma’s waarmee anonieme VPN-verbindingen opgezet kunnen worden, programma’s waarmee een virtual machine kan worden benaderd, en het programma Havij. De stelling dat een andere dan de verdachte van de laptop gebruik maakte acht de rechtbank, zonder nadere motivering, vond rechtbank onaannemelijk.

Het waren “de Russen”

Op 30 juli 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBOBR:2019:4412) voor bedreiging, oplichting, valsheid in geschrift en computervredebreuk. De verdachte heeft twee bedrijven voor ruim 560.000 euro opgelicht. De zaak is vooral interessant vanwege het spraakmakende (hack)verweer van de verdachte.

Via het computersysteem van het bedrijf heeft de verdachte de gegevens in facturen aangepast. Daarna werd een bedrag van €561.578,81 euro op verdachtes bankrekening gestort, terwijl het slachtoffer in de veronderstelling verkeerde dat zij dit bedrag aan een ander bedrijf overmaakte. De verdachte heeft dit geldbedrag vervolgens naar meerdere op zijn naam gestelde bankrekeningen overgemaakt. Vanaf die rekeningen heeft hij een deel van dit bedrag naar bankrekeningen van in totaal 26 personen doorgesluisd. Het ging hierbij telkens om een bedrag van om en nabij € 10.000,-. De verdachte had deze personen van tevoren benaderd en gevraagd of hij tegen een vergoeding geld kon laten storten op hun bankrekeningen. De derden mochten dan € 1.000,- à 1.500,- van het bedrag houden en het overige moesten zij van de rekening halen en contant aan verdachte teruggeven. Deze modus operandi is voldoende om van een verhullingshandeling in de zin van witwassen te spreken.

De verdediging beweert dat twee Russen de handelingen hebben verricht en hem op verzoek geld hebben overgemaakt. Ook zouden de Russen advies hebben gegeven over het doorsluizen van het geld. De verdachte heeft ook verklaard dat hij in tussentijd zijn huis aan deze mannen heeft verhuurd. De mannen maakten gebruik van zijn laptops en van zijn wifi-code. De rechtbank vindt het verweer “in meer of mindere mate niet aannemelijk”. Het is aan de verdachte om redengevende feiten en omstandigheden aan te voeren. De betrokkenheid van de Russen bij de feiten is op geen enkele wijze onderbouwd door de verdachte. Bovendien, zo is de rechtbank van oordeel, wijzen alle feiten en omstandigheden in het dossier er juist op dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan én dat hij hier alleen verantwoordelijk voor is. Met betrekking tot het feit van witwassen acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Echter, niet met “de Russen” waar de verdediging op doelt. De rechtbank verwijst daarbij overigens niet het maatgevende arrest van de Hof Den Haag over het hackverweer in ECLI:NL:GHDHA:2018:3529.

De verdachte krijgt vier jaar gevangenisstraf opgelegd, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

12 maanden cel voor witwassen van Bitcoins

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 28 juni 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBZWB:2019:2897 en ECLI:NL:RBZWB:2019:2898) voor het medeplegen van witwassen van bitcoins ter waarde van ruim 100.000 euro. De verdachte heeft met behulp van een ‘Bitcoinkaart’ bijna 85.000 euro gepind.

Uit de uitspraak met een medeverdachte is af te leiden dat de bitcoins zijn omgezet naar courante valuta en vervolgens zijn gepind en uitgegeven. Uit de transactiegegevens van de Bitcoinkaart is gebleken dat er in totaal 158 geslaagde geldopnames zijn uitgevoerd. Zowel de verdachte als de medeverdachte worden op camerabeelden van pinautomaten herkend terwijl er opnames worden gedaan met de Bitcoinkaart. Ook blijkt uit onderzoek dat transacties met deze bitcoins – direct dan wel indirect – via ‘Bitcoinmixers’ of ‘darkweb marketplaces’ plaatsvonden.

De verklaring van de verdachte dat het geld afkomstig was uit donaties via online advertenties acht de rechtbank volslagen onaannemelijk. De verdachte heeft deze verklaring eveneens onvoldoende verifieerbaar gemaakt. Hij krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 12 maanden.

Veroordeling voor ‘ontucht buiten echt’, laster, bedreiging en bezit van kinderporno

Het Hof Den Bosch heeft op 5 juli 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHSHE:2019:2360) voor ontucht, laster, bedreiging en bezit van kinderporno. De verdacht krijgt een straf opgelegd van. De zaak is interessant, omdat ontucht (met een minderjarige) wordt bewezen zonder dat er lichamelijk contact is geweest. Het Hof acht ‘ontucht buiten echt’ bewezen, omdat er sprake is van ‘enige voor het plegen van ontucht met die minderjarige relevante interactie tussen verdachte en die minderjarige’. Het Hof verwijst daarbij naar HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0950 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1379.

In dit geval deed de verdachte zich voor op Instagram als een 17-jarige jongen en zocht daarbij contact met een 13-jarig meisje. Hij is zelf begonnen met naaktfoto’s versturen en heeft op listige wijze het slachtoffer overtuigd om drie naaktfoto’s naar hem te sturen. Deze foto’s zijn op zijn telefoon aangetroffen.

In deze omstandigheden waarbij de verdachte ook actief seksueel getinte gedragingen van de minderjarige verlangt en/of door uitlatingen of al dan niet seksuele gedragingen van hemzelf, de ontuchtige gedragingen bevordert of aanmoedigt, is naar het oordeel van het Hof Den Bosch dan ook sprake van handelingen die – gelet op de sociaal-ethische opvattingen over deze handelingen, gepleegd in de context zoals het hof die heeft vastgesteld – zijn aan te merken als het ‘buiten echt’ plegen van ontucht met een minderjarige als bedoeld in artikel 247 Wetboek van Strafrecht.

Digitaal bewijs in moordzaken

Posted on 19/04/2019 op Oerlemansblog

In februari en april 2019 zijn diverse uitspraken verschenen waarbij digitaal bewijs een rol speelt in zaken over zware delicten, namelijk moord en doodslag.

Compromitterende zoekopdrachten

In een zaak van 7 februari 2019 speelden de gegevensdragers van een moordverdachte bijvoorbeeld een belangrijke rol voor het oordeel over opzet en voorbedachte raad. Uit mobiele telefoon van verdachte was namelijk af te leiden dat de verdachte op 22 oktober 2015 een pagina bezocht met de titel “Ether. Kunnen we meer dan we denken?”. Op dit forum werd besproken hoe ether is te gebruiken als drugs en op welke wijze het werkt. Op 23 oktober 2015 heeft verdachte daadwerkelijk ether gekocht en gebruikt om het slachtoffer te bedwelmen. Daarnaast werd belangrijk bewijs afgeleid uit de computer op het werk van de verdachte. Uit het persoonlijk gebruikersaccount bleek dat de verdachte verschillende internetsites had bekeken die met wapens verband houden. Ook heeft de verdachte internetsites bekeken die verband houden met giftige kruiden en planten. En op 13 oktober 2015 heeft verdachte een forum bezocht met het onderwerp: “Als je de perfecte moord zou willen plegen…”. Verder heeft de verdachte op 13 oktober 2015 internetsites bezocht met ‘dodelijk gif‘ als onderwerp.

De verdachte heeft het slachtoffer om het leven gebracht door een kussen op het gezicht van de vrouw te leggen een middel om haar, na de bedwelming, de adem te ontnemen, zodanig dat dit haar dood zou worden. Het hof acht zich in het oordeel tot de veroordeling tot moord gesteund door de eerder genoemde zoekgeschiedenis op de bij de verdachte in gebruik zijnde computers en telefoon en zijn uitlatingen over de door hem gewenste dood van zijn ex-vrouw. De verdacht wordt door het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld (ECLI:NL:GHARL:2019:1177) tot 20 jaar gevangenisstraf.

Gebruik Wifi-netwerken ter localisering van verdachte

In een zaak over het delict doodslag van de rechtbank Zeeland-West-Brabant speelde digitaal bewijs eveneens een rol, omdat de telefoon van de verdachte op een bepaald tijdstip verbinding maakte met het Wifi-netwerk van het slachtoffer.

In de uitspraak wordt het tijdstip van de Wifi-verbindingen veelvuldig genoemd ter lokalisering van de verdachte. De verdachte heeft het slachtoffer in zijn eigen woning om het leven gebracht door onder meer tegen het lichaam en het hoofd te slaan en te schoppen.

Het slachtoffer is ten gevolge van dit letsel overleden. De verdachte wordt veroordeeld (ECLI:NL:RBZWB:2019:575) tot 10 jaar gevangenisstraf.

Identificatie op basis van nickname verdachte

In een zaak (ECLI:NL:RBOBR:2019:1102) van de rechtbank Oost-Brabant over een poging tot moord bestond het digitaal bewijs uit internetgeschiedenis op een iPhone die op basis van o.a. Apple-ID naam en informatie uit open bron aan de verdachte werd toegekend. In de uitspraak staat beschreven hoe de bijnaam van de verdachte kon worden afgeleid uit het Apple ID en deze overeenkwam met de bijnaam van de verdachte die de verdachte op internet gebruikte. Dit blijkt uit een ‘OSINT-rapportage’, waar verder niet op wordt ingegaan. Daarnaast straalde de Blackberry van de verdachte aan met een mast die zich bevond in een straatnaam in de pleegplaats. Deze mast stond in de buurt van de woning van aangeefster. Ten slotte is de auto van de verdachte registreert door ‘ARS-camera’s’ op de snelweg, niet lang nadat verdachte klaar is met het zoeken naar de contactgegevens op internet van het slachtoffer.

De verdachte handelde volgens de rechtbank met de koelbloedige liquidatiepoging door middel van het afvuren van een schot in opdracht van een ander. De verdachte heeft ook daarover niets willen verklaren. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 12 jaar. Daarnaast adviseert de rechtbank de tbs-maatregel te doen aanvangen na de tenuitvoerlegging van twee-derde deel van de gevangenisstraf.

Verklaring ‘Facebooken op het toilet’ is onaannemelijk

Ten slotte speelde de mobiele telefoon een belangrijke rol in een moordzaak (ECLI:NL:RBMNE:2019:1362) van de rechtbank Midden-Nederland op 3 april 2019. De verdachte claimde dat de verdachte zichzelf had gestoken. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, omdat hij verklaarde dat hij na binnenkomst in de woning van het slachtoffer direct naar het toilet is gegaan en dat hij met zijn telefoon op Facebook heeft gezeten.

Uit camerabeelden blijkt echter dat de verdachte om 14.30 uur naar de woning van slachtoffer liep en dat zijn telefoon om 14.31 uur contact maakte met de router in de woning van het slachtoffer. Uit onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt echter dat géén technische sporen zijn aangetroffen van Facebook-activiteit op 20 februari 2018 tussen 14.31 uur en 14.36 uur of in de minuten daarna. De Facebook-app van verdachte was die dag voor het laatst opgestart om 13.53 uur en afgesloten om 13.54 uur.

De verdachte wordt veroordeelt tot doodslag door middel van messteken van een 18-jarig slachtoffer. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 10 jaar.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht – april 2018

Veroordeling voor hackende politieambtenaar en chantage van homo’s

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 23 februari 2018 een arrest (ECLI:NL:GHARL:2018:1959) gewezen over een politieambtenaar die van het interne systeem van de politie gebruik maakte om homoseksuelen te chanteren (‘afdreigen’).

De verdachte ging als volgt te werk. Op een homo-ontmoetingsplaats noteerde hij de kentekens van  geparkeerde auto’s. Daarna heeft hij 77 van die kentekens bevraagd via het politieaccount van zijn collega. Dit deed hij zonder haar toestemming, nadat hij eerder haar wachtwoord had afgekeken. Daarmee is sprake van computervredebreuk. Vervolgens heeft de verdachte aan 29 personen een brief gestuurd, inhoudende dat zij naar hun woning zijn gevolgd en dat de foto’s van de activiteiten bij de parkeerplaats openbaar zouden worden gemaakt aan hun familie en omgeving als zij geen losgeld van € 1.000 euro in bitcoins zouden betalen. Daarmee was volgens het Hof sprake van poging tot afdreiging.

De verdachte is veroordeeld voor poging tot afdreiging, opzettelijke schending van een ambtsgeheim en computervredebreuk. Hij kreeg een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd, waarvan 14 maanden voorwaardelijk (met bijzondere voorwaarden), en een taakstraf van 240 uur. Ook moet hij ongeveer 6500 euro aan schadevergoeding betalen voor geleden immateriële schade voor de benadeelden.

Belangrijke rol voor digitaal bewijs in strafzaken

De rechtbank Limburg heeft op 28 maart 2018 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBLIM:2018:2940) tot 18 jaar gevangenisstraf voor moord op zijn vrouw. De rechtbank verhaald dat ‘terwijl zij nietsvermoedend in haar keuken een sigaret draaide, de verdachte haar van achteren heeft vastgegrepen en door een verwurging/nekklem om het leven heeft gebracht’. De zaak is voor deze rubriek relevant, omdat digitaal bewijs op de telefoon van de verdachte een prominente rol speelt bij het bewijzen van de vereiste voorbedachte rade bij moord. Ook speelde DNA-bewijs een belangrijke rol bij de veroordeling.

Uit het digitaal forensisch onderzoek van de verdachte is gebleken dat de verdachte onder andere op de volgende veelzeggende zoektermen heeft gezocht:

“- dodelijk gif op 29 september 2015 (20:58 uur);

– nek breken op 4 oktober 2015 (21:33 uur);

– overlijden voor definitieve echtscheiding op 4 oktober 2015 (22:17 uur);

– dodelijke kruiden op 7 oktober 2015 (01:17 uur);

– vergiften op 7 oktober 2015 (02:02 uur);

– dodelijke wurggreep op 13 oktober 2015 (23:45 uur);

– wurggreep politie op 25 oktober 2015 (01:26 uur);

– wurggreep op 26 oktober 2015 (00:24 uur);

– nekklem op 6 november 2015 (14:32 uur)”

Ook heeft de politie door onderzoek te doen op de router van de verdachte vastgesteld dat de verdachte op 4 oktober heeft gezocht op de zoekterm ‘gebroken-nek-opslag-dood (om 19.38.20 uur)’. De verdachte heeft bekend dat hij op die zoektermen heeft gezocht (zij het met volgens hem een andere reden).

De rechtbank neemt de zoektermen mee in de bewijsvoering, omdat het slachtoffer kort na de zoekopdrachten is overleden. De rechtbank achtte de verklaringen van de verdachte niet aannemelijk.

Bron: Rb. Limburg 28 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2940

In een heel ander soort zaak speelde digitaal bewijs ook een opzienbarende rol. Op 13 maart 2018 is een verdachte door de rechtbank Limburg veroordeeld (ECLI:NL:RBLIM:2018:2399) voor brandstichting, woninginbraken en diefstal  in Maastricht.

In dit geval speelde de telefoon van de verdachte een cruciale rol. Naar eigen zeggen had de verdachte deze telefoon altijd bij zich. Kort na de brandstichting, op 23 juni 2016 om 01.56 uur, maakte de telefoon die de verdachte verbinding met een wifinetwerk van een woning in de buurt. Dit plaatst de verdachte vlakbij de locatie en tijd van de brandstichting. Samen met ander bewijs waren de rechters overtuigd van de schuld van de verdachte.

Veroordeling voor witwassen van 11 miljoen aan bitcoins

De rechtbank Rotterdam heeft op 6 maart 2018 een interessante uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2018:2201) gewezen over het witwassen van bitcoins. In de uitspraak maken de rechters de wat merkwaardige opmerking dat het ‘een feit van algemene bekendheid’ zou zijn dat ‘Bitcoins destijds veelvuldig in het criminele circuit als betaalmiddel zijn gebruikt’.

In deze zaak ging de verdachte als volgt te werk. Hij bood aan bitcoineigenaren die dienst aan hun bitcoins om te zetten in contanten. De bitcoineigenaren schreven de bitcoins over naar een van de ‘wallets’ (virtuele portemonnees) van de verdachte en kregen dan de tegenwaarde minus een commissiepercentage direct in contanten uitbetaald. Deze transacties werden op openbare plaatsen uitgevoerd. De verdachte verkocht de verkregen bitcoins vervolgens aan verkoopmaatschappijen als Kraken of Bitstamp. Deze verkoopmaatschappijen betaalden de verkoopprijs van de bitcoins uit op door de verdachte gebruikte bankrekeningen op zijn naam en op naam van anderen. In totaal is in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 11.690.267,85 euro naar deze bankrekeningen overgemaakt.

De rechtbank vond dat de verdachte wel wetenschap moest hebben van de illegale herkomst gezien (1) het hoge commissiepercentage (5-8%), (2) het gebruik van bankrekeningen op naam van anderen, (3) het in ontvangst nemen van hoge contanten, en (4) het niet-vaststellen van de identiteit  of het bijhouden van een administratie van zijn klanten. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen het delict van (gewoonte)witwassen oplevert. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar.

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 3 april 2018 ook enkele verdachten veroordeeld (ECLI:NL:RBMNE:2018:1179) voor het witwassen tussen de drie ton en 10 miljoen euro via Bitcoin. De verdachten zijn door de rechtbank onderverdeelt tussen  bitcoinhandelaren (de hoofdverdachten) en hun klanten. De hoofdverdachten namen bitcoins aan van hun klanten en zetten deze via een netwerk van rechtspersonen om in grote contante geldbedragen. De verdachten hadden geen ‘concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ voor de herkomst van de geldbedragen en de bitcoins. De verklaring blijkt ook niet uit het dossier en daarmee stelt de rechtbank vast dat de tenlastegelegde geldbedragen en bitcoins onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Enkele van de relevante factoren voor de vereiste verhullingshandeling bij witwassen waren hier (1) het gebruik van een ‘bitcoinmixerdienst’, (2) het garanderen van anonimiteit voor hun klanten en (3) het rekenen van een ongebruikelijk hoge commissie voor de dienst. De hoofdverdachten controleerden niet waar de bitcoins vandaan kwamen en konden daarover ook geen uitleg geven. De opsporingsambtenaren hadden de beschikking over de administratie met bitcointransacties en in de uitspraak is een helder overzicht van de analyse van bitcointransacties openomen. De bitcoins zijn daarbij gegroepeerd in ‘bitcoinclusters’. De hoofdverdachten kregen 2 tot 3 jaar gevangenisstraf opgelegd en de vervolgde klanten tussen de 12 en 30 maanden.

Veroordeling voor computervredebreuk en diefstal

De rechtbank Gelderland heeft op 2 maart 2018 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBGEL:2018:957) voor computervredebreuk in een systeem van de Makro en diefstal van de waarde van cadeaubonnen. De helpdeskmedewerker had via de autorisatie die bij zijn functie hoorde op listige wijze inloggegevens van andere werknemers verkregen. Daarmee heeft hij ingelogd op de website ‘mijncarrousel.nl’ om een cadeau van de Makro te kiezen of een cadeau(bon) van een aangesloten retailer, zoals Wehkamp, Ici Paris en de Bijenkorf.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich daarmee aan computervredebreuk schuldig gemaakt door met een valse sleutel het CMS-systeem van de Makro te betreden met de intentie om handelingen te verrichten die buiten zijn bevoegdheid lagen, waardoor hij wederrechtelijk het computersysteem is binnengedrongen.

In totaal waren 1554 digitale cadeaubonnen ter waarde van € 97.002,50 aangeschaft. De verdachte heeft veelvuldig vouchers aangemaakt en met de daarbij behorende gegevens vervolgens cadeaubonnen besteld. Daarmee is volgens de rechtbank ook sprake van diefstal van de aangemaakte vouchers en de daarmee bestelde cadeaubonnen van bovengenoemde waarde. De verdachte kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 150 uur opgelegd.

In een enigszins vergelijkbare zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 22 maart 2018 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2018:2421) voor oplichting en computervredebreuk. In deze zaak heeft een student van de Hogeschool Rotterdam phishingmails naar medestudenten gestuurd met de mededeling dat zij eenmalig het collegegeld handmatig moesten overmaken. Daarnaast heeft hij medewerkers van een ziekenhuis een e-mail gestuurd met het bericht dat er een taak voor hen klaarstond in het personeelszakensysteem. De e-mail bevatte ook een link naar, wat later bleek, een nagebootst personeelszakensysteem. Van de medewerkers die inlogden op het nagebootste systeem, verwierven de verdachte en zijn mededaders de inloggegevens. Daarmee logde hij in op het echte personeelszakensysteem, waarna hij hun bankrekeningnummers wijzigde in die van een katvanger.

De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar, een taakstraf van 240 uur een geldboete van 1500 euro.

Digitaal bewijs in moordzaken II

Posted on 16/04/2018 on Oerlemansblog

Ook in niet-cybercrime zaken kan digitaal bewijs een cruciale rol spelen. Neem bijvoorbeeld deze zaak van de rechtbank Limburg op 28 maart 2018.

In deze zaak is de verdachte veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf voor moord op zijn vrouw. De rechtbank verhaald dat “terwijl zij nietsvermoedend in haar keuken een sigaret draaide, de verdachte haar van achteren heeft vastgegrepen en door een verwurging/nekklem om het leven heeft gebracht”. In deze zaak heeft digitaal bewijs op de telefoon van de verdachte een prominente rol gespeeld bij het bewijzen van de vereiste voorbedachte rade bij moord. Ook speelde DNA-bewijs een belangrijke rol bij de veroordeling.

Uit het digitaal forensisch onderzoek op apparaten van van de verdachte is gebleken dat de verdachte onder andere op de volgende veelzeggende zoektermen heeft gezocht:

“- dodelijk gif op 29 september 2015 (20:58 uur);

– nek breken op 4 oktober 2015 (21:33 uur);

– overlijden voor definitieve echtscheiding op 4 oktober 2015 (22:17 uur);

– dodelijke kruiden op 7 oktober 2015 (01:17 uur);

– vergiften op 7 oktober 2015 (02:02 uur);

– dodelijke wurggreep op 13 oktober 2015 (23:45 uur);

– wurggreep politie op 25 oktober 2015 (01:26 uur);

– wurggreep op 26 oktober 2015 (00:24 uur);

– nekklem op 6 november 2015 (14:32 uur)”

Ook heeft de politie door onderzoek te doen op de router van de verdachte vastgesteld dat de verdachte op 4 oktober heeft gezocht op de zoekterm ‘gebroken-nek-opslag-dood (om 19.38.20 uur)’. De verdachte heeft bekend dat hij op die zoektermen heeft gezocht (zij het met volgens hem een andere reden).

De rechtbank neemt de zoektermen mee in de bewijsvoering, omdat het slachtoffer kort na de zoekopdrachten is overleden. De rechtbank achtte de verklaringen van de verdachte niet aannemelijk.

In een heel ander soort zaak speelde digitaal bewijs ook een opzienbarende rol. Op 13 maart 2018 is een verdachte door de rechtbank Limburg veroordeeld voor brandstichting, woninginbraken en diefstal  in Maastricht.

In dit geval speelde de telefoon van de verdachte een cruciale rol. Naar eigen zeggen had de verdachte deze telefoon altijd bij zich. Kort na de brandstichting, op 23 juni 2016 om 01.56 uur, maakte de telefoon die de verdachte verbinding met een WiFi-netwerk van een woning in de buurt. Dit plaatst de verdachte vlakbij de locatie en tijd van de brandstichting. Samen met ander bewijs waren de rechters overtuigd van de schuld van de verdachte.

Deze laatste zaak deed mij denken aan het aangehaalde voorbeeld van Hans Henseler over potentiële rol van digitaal bewijs (zie ook dit artikel ‘Verraden door je iPhone’ in Trouw) in bijvoorbeeld inbraakzaken. Henseler heeft overigens laatst een interessante inaugurele rede van zijn lectoraat aan de Hogeschool Leiden over de digitale revolutie! Ik ben benieuwd welke voorbeelden van digitaal bewijs in nabije toekomst de revue zullen passeren! Ik houd het in ieder geval in de gaten!

Belangrijke bewijsrol voor PGP-telefoons

Op 20 juli 2017 heeft de Rechtbank Amsterdam veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2017:5130) voor poging tot moord in opdracht op klaarlichte dag in een woonwijk. De verdachte was één van de schutters. Op het slachtoffer werden 34 kogels afgevuurd, waarbij het slachtoffer is geraakt in zijn buik en rug. De Rechtbank spreekt dan ook van een ‘wonder dat het slachtoffer de aanslag heeft overleefd’.  Verder is de verdachte vooroordeeld voor het voorhanden hebben van (semi-)automatische wapens en twee kilo springstof, heling van gestolen voortuigen en witwassen. De verdachte kreeg een opvallend hoge onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 20 jaar en een schadevergoeding van € 17.980,01 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade. De rechtbank merkte op dat met de uitspraak hopelijk een preventief effect uitgaat, omdat de liquadatiegolf in Amsterdam maar doorgaat en daarmee mensenlevens verwoest. Daarnaast worden de inwoners van Amsterdam met vuurwapengeweld in hun woonomgeving geconfronteerd.

De uitspraak is voor deze rubriek interessant, omdat bijzonder uitgebreid wordt ingegaan op het gebruik van locatiegegevens uit de telecommunicatie van verdachten en bewijs dat wordt verkregen uit uit PGP-telefoons. Voor het ‘uitpeilen’  van de locatie van de verdachte werd gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘IMSI-catcher’. Met de IMSI-catcher is een IMEI-nummer (een identificerend gegeven van een mobiele telefoon) geïdentifcierend dat toebehoorde aan bepaald type Blackberry, waarvan de verdachte gebruik van heeft gemaakt. Dit heeft in de bewijsconstructie bijgedragen.

PGP-telefoons zijn geprepareerde mobiele telefoon, waarmee op een meer gebruikersvriendelijke wijze gebruik kan worden gemaakt van het programma ‘Pretty Good Privacy’ (PGP). Met het programma kan op versleutelde wijze worden gecommuniceerd met anderen die daarvan gebruik maken. In dit geval heeft het NFI de wachtwoorden achterhaalt van PGP-telefoons, en daarmee de communicatie tussen de verdachten over de ten laste gelegde feiten. Het is onduidelijk of het een relatie heeft met de politieactie van het Team High Tech Crime in 2016, waarbij de servers inbeslag zijn genomen van een van witwassen verdacht bedrijf dat zich specialiseerde in het aanleveren van geprepareerde PGP-telefoons. Daarbij werd in totaal 7 Terabyte aan data gevonden met 3,6 miljoen versleutelde berichten die zijn verstuurd via zo’n 40.000 smartphones die op het Ennetcom-netwerk geregistreerd stonden. Naar aanleiding van deze inbeslagname worden naar verluidt netwerken tussen criminelen in kaart gebracht en communiatie tussen verdachten worden geanalyseerd.

De verdachte maakte ook gebruik van een Blackberry-telefon met het PGP-programma. Bij het moederbedrijf van Blackberry, RIM, zijn gegevens gevorderd over verschillende verdachten op basis van hun IMEI-nummers (een identifcicerend gegeven van een mobiele telefoon). Dit leverde een e-mailadres op die gekoppeld kan worden aan andere e-mailadressen in combinatie met bijnamen in de contactlijst van de telefoon. Ten slotte kon uit onderzoek naar de historische telecomgegevens van de PGP-telefoon en observaties worden nagegaan dat deze vaak zendmasten heeft aangestraald in de directe omgeving van het verblijfadressen van medeverdachten. Deze gegevens droegen bij aan het koppelen van de verdachten aan de apparaten, waarop belastende gegevens zijn gevonden.

Uiteindelijk is de rechtbank aan de hand van de historische telecomgegevens van de (PGP-)telefoons, de peilbakengegevens van zowel de auto’s , historische wegverkeersgegevens, observaties, camerabeelden, gesprekken die zijn opgenomen door middel van een microfoon in een auto en e-mailberichten uit de PGP-telefoons, nagegaan waar de verdachten zich bevonden in de periode voorafgaand aan de schietpartij en op de dag van de schietpartij zelf. Dit heeft geleid tot de overtuiging van schuld op basis van het bewijs en de uiteindelijke veroordeling van de verdachte.

Veroordeling voor ‘uitreizen’ naar Syrië en de rol digitaal bewijs

Op 27 juli 2017 veroordeelde (ECLI:NL:GHAMS:2017:3041) het Hof Amsterdam een 23-jarige Syriëganger voor het uitreizen en het voorbereiden/bevorderen van terroristische misdrijven en poging tot deelneming aan een terroristische organisatie (IS). Het hof acht bewezen dat de verdachte wilde deelnemen aan de gewapende strijd van IS in Syrië.

Het hof legt een hogere straf op dan de rechtbank (drie jaar), maar met een aanzienlijk voorwaardelijk deel (twee jaar), met bijzondere voorwaarden, waaronder contactverboden. Het Hof komt tot de hogere straf ‘op de stuitende aard van de misdrijven waaraan IS zich structureel bezondigt en heeft bezondigd’, gelet op de strafrechtelijke doelen van vergelding en afschrikking. De zaak is voor deze rubriek interessante vanwege de belangrijke bewijsrol van Facebook en Whatsapp.

Op de inbeslaggnomen gegevensdragers van de verdachte (een laptop en smartphone) is belastend materiaal gevonden, namelijk afbeeldingen/videobestanden van onthoofdingen, preken over jihadstrijders, jihadistische strijdliederen, IS-propaganda voor de gewapende strijd, gedode en (ernstig) gewonde personen en een profielfoto van de verdachte op Facebook, gekleed als een in het zwart geklede strijder met de IS-vlag.

Daarnaast heeft hij via Twitter  uitlatingen gedaan, zoals “Revenge is a promise (28 augustus 2014)”, “Beste om/aivd/politie, jullie gaan allemaal dood (6 december 2014)”, “Jullie zijn kuffaar (ongelovigen) en kuffaar gaan naar de hel (6 december 2014)”, en “Alle jihad-gerelateerde artikelen, tijdschriften, lezingen, filmpjes en films die ik heb doorgespit: research purposes … ik wens nl, naast voetbalexpert, de titel terrorisme-expert in mijn CV te kunnen zetten (6 december 2014)” .

Ten slotte speelde zijn zelfgekozen WhatsApp-naam “Lone Wolf” en de inhoud van zijn contacten met – en over – Nederlandse uitreizigers die zich bij de gewapende strijd hadden aangesloten een rol in zijn veroordeling. In de uitspraak wordt (geanonimiseerd) verwezen naar het gebruik beveiligde communicatiediensten en netwerken, waar de jihadstrijder gebruik van maakte.

Digitaal bewijs speelde grote rol in ‘Quote 500’-zaak

Op 29 juni 2017 heeft het Hof Den Haag een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHDHA:2017:1901) voor 54 maanden gevangenisstraf. De verdachte werd veroordeel voor een gekwalificeerde vorm van diefstal, witwassen en deelname aan een criminele organisatie (de ‘Quote 500’-bende). De criminele organisatie werd zo genoemd, omdat zij hun misdrijven specifiek richten op zeer vermogende Nederlanders die zijn opnenomen in de Quote 500-lijst. De zaak is voor deze rubriek interessant, omdat de digitale sporen zeer belangrijk zijn geweest voor bewijsvoering.

Op een inbeslaggenomen laptop naar aanleiding van een doorzoeking in een woning, bleek dat via de laptop gericht was gezocht naar meerdere adressen van woningen waar later bleek te zijn ingebroken. Deze woningen stonden bijna allemaal vermeld op de Quote-500 lijst. Geconstateerd werd dat op de laptop veelvuldig gebruik was gemaakt van Google Maps, waarmee tot op straatniveau was ingezoomd op woningen van kapitaalkrachtige personen. Ook droegen andere zoektermen bij aan de bewijsovertuiging van de rechters zoals: “huurauto”, “autoverhuur” en “auto huren den haag zonder creditcard”. 

Daarnaast bleek kon de politie kennelijk door middel van een internettap in 2012 nagaan welke internetsites werden bezocht vanaf het IP-adres van de woning van de verdachten. Hieruit bleek dat men dagelijks internetsites bezocht van juweliers die goud opkopen en sites waarop de goudkoers wordt vermeld. Tevens bleek dat via Google Maps plattegronden werden bekeken van diverse gemeenten waarin relatief veel kapitale woningen staan. Ook werden diverse zoekslagen gedaan op personen die op de lijst ‘Quote 500’ voorkomen, waarbij werd gezocht op hun adressen en artikelen waarin zij werden genoemd en waarbij via Google Maps of huizenverkoopsite Funda hun woningen werden bekeken.