Overzicht cryptophone-operaties

Zo’n drie jaar geleden, in november 2018, verscheen het eerste persbericht op OM.nl over het veiligstellen van berichten die zijn verstuurd met ‘cryptotelefoons’ (ook wel ‘PGP-telefoons’ genoemd).

De beschikbare informatie over de operaties die zich richten op het veiligstellen van de berichten die via de apps zijn verstuurd heb ik in de afgelopen maanden de volgende blogberichten hieronder op een rijtje gezet.

  1. Ennetcom (2016)
  2. PGP Safe (2017)
  3. Ironchat (2017)
  4. EncroChat (2020)
  5. Sky ECC (2020)

Waarom een overzicht?

Anno 2021 zijn er al meer dan 200 uitspraken beschikbaar op rechtspraak.nl met veroordelingen van criminelen, waarbij bewijs uit de cryptotelefoons een belangrijke rol speelt. In de media worden de berichten ook wel een ‘goudmijn aan bewijs’ genoemd en de gegevens vormen een game changer voor de politie. Strafrechtadvocaten trekken vaak de rechtmatigheid van de operaties in twijfel, maar vooralsnog lijkt de verdediging bot te vangen.

De operaties zijn blijkbaar bijzonder belangrijk voor de strafrechtpraktijk en toch is er relatief weinig bekend over de operaties. Ook geniet het nog vrij weinig aandacht van strafrechtwetenschappers.

De grote hoeveelheid jurisprudentie en onduidelijkheid over de ‘wat’, ‘wanneer’ en ‘hoe’-vragen vormde voor mij aanleiding een overzicht te maken (ook voor mijzelf voor toekomstige publicaties). Daarbij heb ik mij gebaseerd op persberichten van het OM, de politie en rechtspraak.

Wat en wanneer

  1. Ennetcom (2016)

Leverancier van cryptotelefoons met apps op een Blackberry telefoon. Oprichters van het bedrijf zijn uiteindelijk veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, gewoontewitwassen en medeplegen van valsheid in geschrifte. Tijdens de operatie zijn 3,6 miljoen berichten veiliggesteld.

Leverancier van cryptotelefoons met apps op Android en Blackberry toestellen. Oprichters bedrijf worden verdacht van onder meer witwassen, overtreding van de Telecommunicatiewet en valsheid in geschrifte. Tijdens de operatie zijn 700.000 berichten veiliggesteld.

Leverancier van Wileyfox-telefoons met Ironchat-app er op. Onderzoek gericht op de oprichters van het bedrijf (verdenkingen nog onduidelijk). Tijdens de operatie zijn 258.000 berichten veiliggesteld.

Leverancier van cryptotelefoons met EncroChat (en andere Encro) apps. Redelijk vermoeden dat Encro en de gebruikers zich in georganiseerd verband schuldig maakten aan witwassen, deelname aan criminele organisaties, etc. Tijdens de operatie zijn 25 miljoen berichten veiliggesteld.  

Leverancier van cryptotelefoons met Sky ECC app. Sky ECC en de daaraan gelieerde (natuurlijke) personen verdacht van deelname aan een criminele organisatie en (gewoonte)witwassen.  Tijdens de operatie zijn honderden miljoenen berichten veiliggesteld.  

Hoe

1.      Ennetcom (2016)
Via een rechtshulpverzoek aan Canada, met machtiging van een Canadese rechter. NL grondslag: 125i Sv. Canadese rechter verbond voorwaarden aan verstrekking en gebruik van gegevens aan Nederlandse opsporingsinstanties.  
 
2.      PGP Safe (2017)
Via een rechtshulpverzoek aan Costa Rica, met assistentie van Nederlandse politie. Machtiging voor bevel tot binnentreden, de doorzoeking en de beslaglegging afgegeven door het Gerecht in Strafzaken van het Eerste District San Jose. Aan de verstrekking van de veilig gestelde gegevens zijn geen beperkingen aan Nederland opgelegd.
 
3.      Ironchat (2017)
Via Europees Opsporingsbevel aan het Verenigd Koninkrijk en verstrekking van een kopie van de server (een image). Parallel onderzoek voor VK-autoriteiten. Zij hebben gegevens verstrekt aan Nederland, zonder beperkingen. Grondslag strafvordering voor operatie onduidelijk.
 
4.      EncroChat (2020)
Via JIT. Franse autoriteiten verzamelden gegevens met inzet “interceptietool”.  Extra machtiging voor inzet hackbevoegdheid (126uba Sv) op verdachten met verdenking van betrokkenheid/beramen van het plegen van misdrijven in georganiseerd verband. Beperkingen en vereisten aan onderzoek opgelegd door Nederlandse rechter-commissaris in een machtiging voor het onderzoeken van gegevens van Nederlandse ingezetenen.
 
5.      Sky ECC (2020)
Via JIT. Franse autoriteiten vergaren gegevens met inzet “interceptietool”. Door Nederlandse opsporingsambtenaren is technische expertise en/of bijstand geleverd met betrekking tot de ontwikkeling en plaatsing van de tool. De in Frankrijk vergaarde informatie is aanvankelijk vrijwillig op basis van artikel 26 van het Cybercrimeverdrag gedeeld met het Nederlandse Openbaar Ministerie. Later zijn ook machtigingen Nederlandse rechter-commissaris verleend. De vorderingen en machtigingen zagen op de toepassing van de artikelen 126t lid 1 en 126t lid 6 Sv (onderzoek communicatie door middel van een geautomatiseerd werk bij georganiseerde criminaliteit) en later ook op aanvullende, ondersteunende vorderingen op de voet van artikel 126uba Sv (hackbevoegdheid bij verdenking betrokkenheid beramen/plegen misdrijven in georganiseerd verband).

(Iets) meer duidelijkheid over Sky ECC-operatie

Sky Global was een Canadese aanbieder van versleutelde smartphones en de versleutelde berichtenapp “Sky ECC”. Het bedrijf installeerde versleutelingssoftware op iPhones, Google Pixels, Blackberry’s en Nokia’s. In 2021 had het bedrijf wereldwijd 70.000 gebruikers. Een toestel geconfigureerd voor het gebruik van de Sky ECC-app kostte tenminste € 729,-. Een abonnement op de Sky ECC app kostte € 2.200,- per jaar of € 600,- per 3 maanden.

Sky ECC is een chatapplicatie waarmee gebruikers op versleutelde wijze met elkaar kunnen communiceren en om dit te bereiken wordt PGP-software gebruikt. De applicatie wordt op een mobiele telefoon geïnstalleerd waarna, gebruikers met elkaar versleuteld kunnen communiceren. Bij Sky ECC kan dit alleen door middel van het uitwisselen van chatberichten. Ook is het mogelijk om foto’s en audioberichten uit te wisselen. Bellen is met een Skytelefoon niet mogelijk. Om van Sky ECC gebruik te kunnen maken krijgt iedere gebruiker een unieke combinatie van zes tekens welke bestaat uit cijfers en letters, de zogenoemde Sky-ID (User ldentifier). Dit unieke nummer is nodig om een gebruiker toe te voegen als contact.

Sinds februari 2021 kon de Belgische en Nederlandse politie de uitwisseling van versleutelde berichten live meelezen. In maart 2021 werden in België en Nederland invallen uitgevoerd, waarbij honderden mensen werden opgepakt en geld en drugs in beslag werden genomen. Volgens het OM zijn honderden miljoenen berichten (!) uitgelezen tijdens de operatie. In België alleen al zijn er naar verluidt meer dan 2.000 verdachten geïdentificeerd, waarvan er 360 aangehouden konden worden. Er lopen 268 strafonderzoeken waarin de gelekte berichten worden benut. Het gros daarvan, 192 zaken, zijn nieuwe dossiers dankzij de kraak (JDVS/RL, Al 2000 verdachten ontmaskerd na kraak misdaadtelefoons, HLN, 25 september 2021).

De CEO en werknemers van Sky Global werden in de Verenigde Staten aangeklaagd wegens het opzettelijk faciliteren van criminele organisaties (zie bijvoorbeeld dit artikel ‘Arrest warrants issued for Canadians behind Sky ECC cryptophone network used by organised crime’). Sinds 19 maart 2021 is Sky Global niet meer actief.

Feiten uit de rechtspraak

Uit verschillende uitspraken kan nu een beeld worden verkregen van het onderzoek “Werl” en het onderzoek “26Argus” dat is gericht op Sky ECC en de daaraan gelieerde (natuurlijke) personen wegens de verdenking van deelname aan een criminele organisatie en (gewoonte)witwassen. Ik baseer mij daarvoor de volgende uitspraken ECLI:NL:RBAMS:2021:3825, ECLI:NL:RBMNE:2021:4480, ECLI:NL:RBOVE:2021:3689, ECLI:NL:RBAMS:2021:6866, ECLI:NL:RBROT:2021:12655 (de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2021 bevat de meeste feiten).

Onderzoek Werl

De rechtbank leidt uit de stukken af dat op 1 november 2019 het (Nederlandse) strafrechtelijk onderzoek Werl (naar het bedrijf SkyECC en de daaraan verbonden natuurlijke personen) is gestart. Ook in België en Frankrijk liepen in die periode strafrechtelijke onderzoeken tegen SkyECC. Het onderzoek Werl startte nadat in Frankrijk vanaf medio juni 2019 data van de toestellen van SkyECC waren verzameld met de inzet van een “interceptietool”, waaraan door Nederlandse opsporingsambtenaren technische expertise en/of bijstand is geleverd met betrekking tot de ontwikkeling en plaatsing daarvan. De in Frankrijk vergaarde informatie is aanvankelijk vrijwillig op basis van artikel 26 van het Cybercrimeverdrag gedeeld met het Nederlandse Openbaar Ministerie.

In de loop van 2019 hebben de opsporingsautoriteiten van Frankrijk, België en Nederland besloten om een JIT (Joint Investigation Team) op te richten, met als doel gezamenlijk de verdenkingen tegen SkyECC, zijn bestuurders en werknemers, alsmede de vermeende criminele samenwerkingsverbanden die gebruik maken van SkyECC te onderzoeken. Dit JIT werd op 13 december 2019 gerealiseerd. Het onderzoek Werl werd door Nederland in het JIT gebracht. Vanaf de start van het onderzoek Werl hebben de Franse autoriteiten de onderzoeksbevindingen die zij hebben verkregen met de inzet van de interceptietool gedeeld met het Nederlandse onderzoeksteam.

Onderzoek Argus

Toen duidelijk werd dat het mogelijk werd om het berichtenverkeer te ontsleutelen en leesbaar te maken, is vanuit het onderzoek Werl informatie gedeeld met het onderzoek Argus, dat op 11 december 2020 van start ging. Het onderzoek naar Sky ECC stond internationaal bekend als “Operatie Argus”. Het Nederlandse onderzoek “26Argus” heeft onder meer tot doel gehad om aan de hand van de inhoudelijke gegevens de criminele samenwerkingsverbanden die gebruik maakten van cryptotelefoons van Sky ECC in beeld te brengen en te analyseren door het identificeren van de gebruikers van Sky-accounts die deel uitmaken van die criminele samenwerkingsverbanden. Het berichtenverkeer liep via servers in Frankrijk en Canada.

Meer details over de wijze waarop de Franse autoriteiten de gegevens hebben verzameld van de SkyECC app en is (vooralsnog) niet te vinden in Nederlandse jurisprudentie.

Machtiging voor telecommunicatietap en hackbevoegdheid

Na een vordering van de zaaksofficier van justitie in het onderzoek Argus op 14 december 2020, is op 15 december 2020 door de rechter-commissaris bepaald dat, in verband met de inbreuk op de privacy van de gebruikers van SkyECC-toestellen in Nederland, de in dat onderzoek verkregen ontsleutelde informatie slechts kon worden gebruikt ter opsporing, indien daartoe een aanvullende toestemming door de rechter-commissaris werd verleend. Op 15 december 2020 is een dergelijke machtiging vervolgens ook verleend. Hierna zijn door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie meerdere machtigingen tot verlenging verleend. De vorderingen en machtigingen zagen op de toepassing van de artikelen 126t lid 1 en 126t lid 6 Sv (onderzoek communicatie door middel van een geautomatiseerd werk bij georganiseerde criminaliteit) en later ook op aanvullende, ondersteunende vorderingen op de voet van artikel 126uba Sv (hackbevoegdheid bij verdenking betrokkenheid beramen/plegen misdrijven in georganiseerd verband). 

Voorwaarden machtiging

De rechtbank overweegt in een uitspraak van 26 november: ‘hoewel uit eerder onderzoek en uit de inzichtelijk gemaakte metadata van SkyECC blijkt dat de Sky-app wordt gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleverden, is het enkele gebruik van een Sky-telefoon niet voldoende voor een redelijk vermoeden betrokkenheid bij georganiseerde misdrijven. Om deze reden bestaat het afgeven van de machtiging van de rechter-commissarissen uit twee fasen: (1) de te verkrijgen informatie wordt gefilterd aan de hand van vooraf door de rechter-commissaris goed te keuren zoeksleutels, waaronder de gebruikersgegevens van specifieke onderkende criminele samenwerkingsverbanden en/of vooraf vast te stellen zoektermen of afbeeldingen die sterke aanwijzingen leveren voor ernstige georganiseerde criminaliteit en (2) de langs die weg verkregen onderzoeksresultaten worden pas na toestemming van de rechter-commissaris gebruikt voor verder opsporingsonderzoek, en alleen indien wordt voldaan aan de eisen van artikel 126o/126t Sv.

Toegang tot inhoud onderliggende vorderingen en aanvragen

De verdediging heeft verzocht om de voor Argus verleende machtiging van de Nederlandse rechter-commissaris en de daaraan ten grondslag liggende vorderingen en aanvragen te verstrekken. Het Openbaar Ministerie stelt dat de onderzoeksbelangen in andere onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden onherstelbaar kunnen worden geschaad bij het openbaar maken van de aanvraag, de vordering en de machtiging. Het Openbaar Ministerie beroept zich er voorts op dat de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat het opnemen van vertrouwelijke communicatie proportioneel en subsidiair is.

De rechtbank acht verstrekking van de machtiging voor een deel noodzakelijk. Een deel van de door de rechter-commissaris in Argus verleende machtigingen en verlengingen daarvan (deels zwart) zijn al ter beschikking is gesteld. Hiervoor wordt verwezen naar de brief van de officieren van justitie van 17 september 2021. De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om het Openbaar Ministerie te bevelen ook de onderliggende vorderingen uit het onderzoek Argus beschikbaar te stellen. De verwerking van de SkyECC-data uit het onderzoek Argus kan mogelijk bijdragen aan een verdenking jegens verdachten. Kennisneming van de stukken die zien op de verwerking van de interceptiedata, kan daarom in het belang van de verdediging zijn met betrekking tot eventueel te voeren rechtmatigheidsverweren. Daarnaast wil de rechtbank nader geïnformeerd worden over de afweging die de rechter-commissaris in het concrete geval heeft gemaakt en de informatie die hij daarbij tot zijn beschikking had.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht september 2021

Veroordeling op basis van bewijs uit Sky ECC

Op 19 augustus 2021 heeft de rechtbank Amsterdam een van de eerste verdachten veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2021:4320) (mede) op basis van de berichten die zijn veilig gesteld van de ‘cryptochat-app’ ‘Sky ECC’. In een operatie van Belgische, Franse en Nederlandse opsporingsinstanties in maart 2021 zijn honderden miljoenen berichten van ongeveer 70.000 Sky ECC-gebruikers onderschept. Deze berichten worden onderzocht op strafbare feiten, waarna opsporingsonderzoeken worden opgestart. Volgens Europol waren veel personen naar Sky ECC overgestapt na de EncroChat operatie in 2020. Wereldwijd maakten 170.000 personen gebruik van de tool, waarbij 3 miljoen berichten per dag tussen gebruikers werden verstuurd. Ongeveer 20 procent van de klanten komen volgens Europol uit België en Nederland. De servers van de elektronische communicatiedienst stonden in de Europese Unie.

In het onderzoek ‘26Chesham’ staat de uitvoer van cocaïne centraal. Het opsporingsonderzoek 26Chesham is gestart naar aanleiding van informatie afkomstig uit het onderzoek ‘26Argus’. 26Argus betreft het onderzoek naar een berichtenapp Sky ECC. Het bedrijf installeerde versleutelingssoftware op iPhones, Google Pixels, Blackberry’s en Nokia’s. Het berichtenverkeer liep via servers in Frankrijk en Canada. De rechtbank overweegt verder dat de CEO en werknemers van Sky Global in de Verenigde Staten zijn aangeklaagd wegens het opzettelijk faciliteren van criminele organisaties. In het onderzoek 26Argus worden chats van de gebruikers van deze software en cryptotelefoons op basis van vooraf door de rechters-commissaris in dat onderzoek goedgekeurde trefwoorden onderzocht.

De verdediging voert aan dat sprake is van vormverzuimen, omdat de officier van justitie heeft nagelaten tijdig de essentiële stukken te overleggen die nodig zijn om te kunnen toetsen of het gebruik van informatie uit het onderzoek 26Argus rechtmatig is geweest. Op deze wijze wordt de verdediging ervan weerhouden de verdediging effectief uit te kunnen voeren, waardoor de rechten van verdachte worden geschonden. De rechtbank overweegt dat – omdat verdachte zelf heeft verklaard dat hij niet actief gebruik heeft gemaakt van zijn Sky ECC-telefoon en dat hij daarop geen berichten heeft gezien – ‘het de rechtbank niet duidelijk wat het vermeende vormverzuim voor nadelige gevolgen voor de verdachte heeft gehad’. De verweren slagen daarom niet.

De rechtbank neemt de aanwezigheid van ‘encrypted telefoons’ bij alle vier de verdachten in aanmerking. Volgens de rechtbank is ‘het is een feit van algemene bekendheid dat criminelen met zulke telefoons over de uitvoering van strafbare feiten communiceren, omdat de daarmee verzonden versleutelde berichten moeilijk te onderscheppen zijn’. Gebleken is dat ‘aan de Sky-id van [naam 1] op 8 maart 2021 een bericht is gestuurd met het adres waar hij vlak daarna door [verdachte] is opgehaald en naar de loods is gebracht’. Dat ook over het transport is gecommuniceerd met encrypted telefoons blijkt ‘uit het bericht dat op de Sky ECC-telefoon van [naam 1] is aangetroffen, betreffende het adres waar hij op 8 maart [verdachte] zou ontmoeten’.

De rechtbank acht bewezen het medeplegen van een poging tot uitvoer van 125 kilogram cocaïne op 8 maart 2021 te Cruquius alsmede het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van die cocaïne op diezelfde dag bewezen. De verdachte in deze zaak krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 5 jaar. 

Beslissing inzake inzet bevoegdheden EncroChat

Ik heb mijn cybercrime jurisprudentieoverzicht al meerdere keren strafzaken besproken (zie hier, hier en hier) die voortvloeien uit de EncroChat-operatie, waarbij miljoenen berichten zijn verzameld en geanalyseerd door politie en justitie. Uit deze operatie komen nog steeds strafzaken uit voort, waarvan in deze rubriek er één wordt uitgelicht, omdat het een nieuwe ontwikkeling betreft.

De rechtbank Den Haag besliste op 25 augustus 2021 over onderzoekwensen in verband met EncroChat (ECLI:NL:RBDHA:2021:9368). Het meest relevante onderdeel van de beslissing is het onderdeel over de verstrekking van (ook onderliggende gegevens) bij de machtiging van de rechter-commissaris voor het gebruik van EncroChat-gegevens voor strafzaken.

De verdediging voert aan dat de officier van justitie inmiddels de machtiging van de rechter-commissaris d.d. 27 maart 2020 bij de stukken heeft gevoegd, voorzien van een begeleidende brief van het OM d.d. 7 juli 2021. De voeging heeft plaatsgevonden op grond van de volgende overweging die door diverse rechtbanken (in vrijwel gelijkluidende zin) is gebruikt:

Het feit dat de rechter-commissaris diverse voorwaarden heeft gesteld aan het gebruik van de dataset 26Lemont voor andere opsporingsonderzoeken, doet vermoeden dat de rechter-commissaris belangen van de gebruikers heeft afgewogen tegen de relevante opsporingsbelangen en daarbij aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit heeft getoetst. De rechtbank kan dit op basis van de nu verkregen stukken echter niet nagaan. Zowel de verdediging als de rechtbank beschikt slechts over het dictum van de 126uba-machtiging en niet over de inhoudelijke afwegingen van de rechter-commissaris om tot verlening van de machtiging over te gaan. De rechtbank wil op dit punt nader worden geïnformeerd.

De rechtbanken willen dus vooral geïnformeerd worden over de afweging die de rechter-commissaris bij het opstellen van de voorwaarden voor het gebruik van de dataset heeft gemaakt met betrekking tot de belangen van de gebruikers en welke toets hij ten aanzien van de subsidiariteit en proportionaliteit heeft aangelegd.

De verdediging heeft echter nog een ander punt naar voren gebracht, namelijk het gebruik van de bevoegdheid van artikel 126uba Sv. De rechter-commissaris constateert dat de machtiging niet alle door de verdediging opgeworpen vragen lijkt te beantwoorden. De (deels gezwarte) machtiging bevat bijvoorbeeld niet (expliciet/zichtbaar) alle onderdelen van het bevel, zoals is voorgeschreven in artikel 126uba lid 3 juncto 126nba lid 4 Sv. In de machtiging wordt wel verwezen naar de vordering (p. 5: “machtigt (…) overeenkomstig de vordering”), processen-verbaal van de politie en een brief van de officier van justitie, maar deze stukken zijn niet gevoegd. Naar het oordeel van de rechter-commissaris moet de verdediging in de gelegenheid worden gesteld een rechtmatigheidstoets uit te voeren naar het gebruik/de verwerking van deze data met het oog op een eventueel verweer daaromtrent. Daarvoor kan niet worden volstaan met de machtiging, ook de andere daaraan gerelateerde stukken – zoals de vordering, de onderliggende processen-verbaal, de genoemde brief en het/de op de machtiging gevolgde bevel(en) (verzoek 1) – zullen moeten worden verstrekt. Datzelfde geldt voor de verlengingen (verzoek 2).

De rechter-commissaris ziet onder ogen dat het voegen van al deze stukken (in hun geheel) gevoelig ligt. Zo staat in de begeleidende brief bij het verstrekken van de machtiging beschreven dat het respecteren van het staatsgeheim van Frankrijk meebrengt dat door de zaaksofficieren van 26Lemont is besloten om de passages in de beschikking die op dat deel betrekking hebben, zwart te maken.

De rechter-commissaris is van oordeel dat de afweging welke stukken (en welke delen daaruit) wel en niet gevoegd kunnen worden, niet (uitsluitend) bij het OM moet liggen. De rechter- commissaris verwijst daarvoor naar artikel 149b Sv: als de officier van justitie vanwege belangen als vermeld in artikel 187d lid 1 Sv, zoals een zwaarwegend opsporingsbelang, de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege wil laten, behoeft hij daartoe een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.

Gelet op het voorgaande zal de rechter-commissaris beslissen dat de verzoeken 1 en 2 zullen worden toegewezen en dat de betreffende 126uba-machtiging en de daaraan gerelateerde stukken in beginsel volledig en ongezwart bij de processtukken dienen te worden gevoegd. Wel staat daarbij de weg van artikel 149b Sv open. De rechter-commissaris kan op vordering van de officier van justitie een machtiging verlenen om bepaalde stukken niet te voegen of onderdelen daaruit te ‘zwarten’. Anders dan de rechtbank kan de rechter-commissaris wel kennisnemen van de volledige inhoud van de stukken. Voor de goede orde merkt de rechter-commissaris op dat deze beslissing ook geldt voor de 126uba- machtiging die inmiddels al deels gezwart door het OM bij de stukken is gevoegd. Deze machtiging zal in beginsel ongezwart moeten worden gevoegd, tenzij de rechter-commissaris een machtiging voor het zwarten van bepaalde delen heeft verleend. De rechtbank is het hier mee eens.

Veroordeling voor professionele sextortion

Op 28 juli 2021 heeft de rechtbank Den Haag een uitspraak gewezen in een opvallende ‘sextortion-zaak’ (ECLI:NL:RBDHA:2021:8203). De verdachte wordt veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie (art. 140 Sr) die tot oogmerk had het plegen van oplichting (art. 326 Sr), afdreiging (art. 318 Sr) en gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). Op sociale media is een groot aantal slachtoffers met gebruik van nepaccounts gelokt en vervolgens benaderd met – tegen betaling – het aanbod van een ontmoeting met een vrouw voor een seksdate of naaktfoto’s van een vrouw. De politie heeft 39 slachtoffers geïdentificeerd die ingegaan zijn op dit aanbod en/of een naaktfoto hebben gestuurd van zichzelf.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat steeds op min of meer dezelfde manier te werk werd gegaan. Een mogelijk slachtoffer (door de verdachten ook wel aangeduid als ‘clannies’) werd op internet of via sociale media met gebruikmaking van nepaccounts tegen betaling een afspraak of (naakt)foto’s aangeboden. Uit verklaringen van meerdere verdachten is duidelijk geworden dat dit bekend stond als ‘schetsen’. Na betaling bleef de afspraak of het beeldmateriaal uit. Het slachtoffer werd na betaling onder druk gezet om meer te betalen onder dreiging van openbaarmaking van de contacten tussen het slachtoffer en het betreffende account. Ook werd slachtoffers gevraagd een naaktfoto van zichzelf te sturen. Wanneer slachtoffers aan dat verzoek voldeden, werd vervolgens gedreigd de foto te verspreiden onder familie en vrienden, tenzij er zou worden betaald. (Soms bleef het overigens niet bij dreiging). Om de bedreigingen kracht bij te zetten, werden slachtoffers vaak benaderd op verschillende van hun sociale media. De slachtoffers ontvingen, om de gevraagde betalingen te kunnen verrichten, vaak opeenvolgende betaalverzoeken, al dan niet via ‘Tikkie’, vanaf rekeningen van een of meer personen. Het geld dat met deze praktijken werd verkregen, werd over verschillende rekeningen verspreid en vervolgens contant opgenomen of doorgeboekt.

Over bovenstaande feiten en omstandigheden is door de verdediging geen verweer gevoerd. De rechtbank stelt vast dat de handelingen die gepaard gingen met de hierboven beschreven werkwijze een behoorlijke mate van samenwerking en coördinatie vereisten, te weten het maken en promoten van nepaccounts, het contact leggen met en informatie verzamelen over potentiële slachtoffers, het sturen en ontvangen van foto’s, het sturen van betaalverzoeken vanaf verschillende bankrekeningen waarbij vaak gebruik werd gemaakt van dezelfde codes/afkortingen, en het opnemen van (grote) contante bedragen na al dan niet losse overboekingen. Uit de werkwijze blijkt ook van een zekere rolverdeling binnen de organisatie als afdreiger/oplichter en geldezel/bank, welke rollen de diverse leden afwisselend vervulden. Samen met de onderlinge verbanden tussen de incidenten en de verdachten, duidt dit alles naar het oordeel van de rechtbank op een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. De organisatie legde een duidelijke stelselmatigheid aan de dag gelet op de organisatiegraad van het handelen en het grote aantal slachtoffers.

De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien van oordeel dat er sprake is geweest van een criminele organisatie, waarvan het oogmerk was het plegen van afdreiging, oplichting en gewoontewitwassen.

Het merendeel van de in het onderzoek geïdentificeerde slachtoffers was minderjarig ten tijde van de misdrijven. Veel van hen hebben tegenover de politie verklaard over vaak langdurige gevoelens van angst die de feiten bij hen teweeg hadden gebracht. De daders hebben de slachtoffers misleid en bedreigd en gevoelens van schaamte en angst maximaal uitgebuit om hen zoveel mogelijk geld afhandig te maken. Gebleken is dat slachtoffers uit schaamte en/of angst nauwelijks op eigen initiatief aangifte doen van dergelijke afdreigingen en oplichtingen. Dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die zozeer gericht was op winstbejag ten koste van de slachtoffers rechtvaardigt volgens de rechtbank op zichzelf al een forse straf. Tegelijkertijd houdt de rechtbank ook rekening met de (zeer) jonge leeftijd van de verdachte (15 jaar) ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf ook meegewogen dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, terwijl het – omvangrijke – opsporingsonderzoek naar deze ernstige verdenkingen al in januari 2020 was afgerond. De verdachte wordt voor het onvoorwaardelijke deel van zijn straf veroordeeld tot de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Heimelijk filmen van seksuele handelingen

Op 23 augustus 2021 heeft de rechtbank Amsterdam een 51-jarige man veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2021:4470) tot 10 maanden gevangenisstraf (waarvan 4 voorwaardelijk) voor het heimelijk maken van opnamen in de slaapkamer van een woning waar hij als schoonmaker werkte. Dit vond plaats via het hacken van een router met verkregen inloggegevens van het WiFi-netwerk en het plaatsen van een IP-camera gericht op een bed. De verdachte wordt veroordeeld voor computervredebreuk, het plaatsen van afluisterapparatuur en het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van en het ter beschikking hebben van afbeeldingen van seksuele aard van de aangeefster en haar vriend.

Op grond van het dossier en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte een camera in de kamer van aangeefster heeft geplaatst en deze heeft verbonden met het wifi-netwerk. Om toegang te krijgen tot het wifi-netwerk heeft verdachte het wifi-wachtwoord gebruikt dat hij van aangeefster had gekregen om via internet muziek te kunnen luisteren. Omdat de verdachte het wifi-wachtwoord heeft gebruikt met een ander doel dan waarvoor deze aan hem was verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk (de router dan wel het wifi-netwerk), door middel van een valse sleutel.

Op de SD-kaart in de IP-camera zijn filmpjes aangetroffen waarop te zien is dat aangeefster en haar vriend seksuele handelingen verrichten. De rechtbank overweegt dat aangeefster en haar vriend geen toestemming hebben gegeven voor het plaatsen van de camera en het filmen. Gelet op de bedoeling van verdachte met het ophangen van de camera acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat het niet zijn bedoeling was om filmpjes op te slaan niet aannemelijk. Hierbij speelt tevens mee dat verdachte een grote hoeveelheid filmpjes heeft opgeslagen op verschillende gegevensdragers en hij ter terechtzitting heeft verklaard geïnteresseerd te zijn in “voyeur”-filmpjes van internet en dat hij deze vaak opslaat. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk videobeelden heeft vervaardigd waarop te zien is dat aangeefster en haar vriend seksuele handelingen verrichten. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beschikking heeft gehad over de SD-kaart in de camera, omdat die zich in de woning van aangeefster bevond. De rechtbank verwerpt dit verweer. Hoewel de camera met daarin de SD-kaart zich in de woning van aangeefster bevond, had verdachte daar – tot het moment van de ontdekking van de camera – wel degelijk beschikkingsmacht over.

Het openbaar ministerie verweet de verdachte ook dat hij grote hoeveelheid filmpjes van onbekende personen heeft gemaakt, op dezelfde manier gemaakt als de filmpjes van de aangeefster. De filmpjes zijn allemaal gemaakt met een IP-camera en hebben het bed als centraal punt in beeld. De rechtbank vindt het echter niet bewezen dat verdachte foto’s of beelden heeft opgenomen in een Bed & Breakfast en dat hij de beschikking heeft gehad over die beelden terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die beelden wederrechtelijk waren opgenomen (artikel 139h Sr). De verdachte wordt daarvan vrijgesproken, omdat niet bekend is wie de personen zijn die zijn gefilmd, of het filmen zonder hun toestemming heeft plaatsgevonden (er zijn geen aangiftes gedaan) en waar de beelden zijn opgenomen. Ook is niet komen vast te staan dat verdachte degene is die een camera heeft opgehangen en de betreffende personen heeft gefilmd. Al met al bevindt zich in het dossier te weinig informatie over deze beelden om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de beelden wederrechtelijk zijn vervaardigd.

De verdachte wordt veroordeeld voor en de vergoeding van 190 euro materiële en 1000 euro immateriële schade.

Veroordeling voor ontwikkelen van betaalomgeving voor phishing

Op 2 juli 2021 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHARL:2021:6521) voor voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van computervredebreuk. De verdachte heeft een niet van echt te onderscheiden betaalomgeving ontwikkeld en deze omgeving aan andere personen verstrekt om phishing-activiteiten mogelijk te maken. Daarmee heeft de verdachte een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van computervredebreuk (art. 139d Sr jo 138ab Sr).

Slachtoffers werden gevraagd 1 cent over te maken om (zogenaamd) de betrouwbaarheid van te controleren. Hierbij werd de betaalomgeving van de verdachte gebruikt, waarheen de slachtoffers werden geleid.

De verdachte is inmiddels werkzaam in de ICT-branche en lijkt volgens de rechtbank ‘op meerdere terreinen – hij heeft werk, een vaste relatie en een kind – zijn leven in de goede richting ter hand te hebben genomen’. Ook is de redelijke termijn van de berechting van deze zaak overschreden. Een en ander brengt het hof ertoe een de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar.

WhatsApp-fraude

Op 23 juli 2021 heeft de rechtbank Rotterdam een minderjarige verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2021:7807) voor oplichting (WhatsApp- en Tikkie-fraude), het medeplegen van computervredebreuk, verboden vuurwapenbezit en gewoontewitwassen.

De werkwijze was als volgt. De verdachten beschikten over een telefoonnummer van een WhatsApp-gebruiker. De verdachten vroegen een verificatiecode voor het account dat zij over wilde nemen. Deze code werd vervolgens door WhatsApp via sms verstuurd naar de gebruiker van dat telefoonnummer. Vervolgens stuurden de verdachten aan deze gebruiker een bericht met het verzoek om de verificatiecode door te sturen. Dit bericht werd verzonden namens iemand uit de contactenlijst van het beoogde slachtoffer, van wie zij al eerder het account hadden overgenomen. Op die manier lijkt het voor het beoogde slachtoffer alsof hij of zij het verzoek krijgt van een bekende. Na het ontvangen van de verificatiecode voerden de verdachten deze code in en kregen zij op deze manier toegang tot het WhatsApp-account van het slachtoffer. Daarna stuurden zij iedereen uit de contactenlijst van het slachtoffer een bericht met de vraag of zij geld konden lenen. Zij namen daarmee WhatsApp-accounts van willekeurige personen over en benaderden via die WhatsApp-accounts vrienden en familieleden van die personen. Het oorspronkelijke, echte, account werd geblokkeerd en de verdachten deden zich voor als de persoon van wie het WhatsApp-account was. Zij meldden aan de vrienden en familieleden van die persoon dat zij dringend financiële hulp nodig hadden. Veelgebruikte excuses daarbij waren dat het om een spoedgeval ging en dat zij even niet bij hun spaargeld konden.

Als de vrienden en familieleden bereid waren om te helpen, kregen zij van de verdachten een Tikkie-betaalverzoek toegestuurd. Als daar een bevestigend antwoord op kwam, werd een Tikkie betaalverzoek voor het genoemde bedrag gestuurd. Deze betalingen kwamen terecht op bankrekeningen van geldezels. De ontvangen bedragen werden zo snel mogelijk opgenomen bij de pinautomaat. Op die manier werden de contacten van het overgenomen WhatsApp-account opgelicht en werd veel geld verdiend.

Voor de bewijsvoering zijn betaalverzoeken na oplichting van de slachtoffers op de mobiele telefoons van de verdachte en (onder andere) het IP-adres van de woning van de verdachte op die dag op de internetbankieren-omgeving van vier van de vijf begunstigde bankrekeningnummers ingelogd. De rechtbank achtte in deze zaak de oplichting van dertien slachtoffers en tweemaal computervredebreuk bewezen. De rechtbank ging ervan uit dat dit slechts het topje van de ijsberg is geweest en dat er door de verdachte en zijn medeverdachte meer slachtoffers zijn gemaakt. Op basis van de verklaring ter zitting van de verdachte zelf, waaruit volgt dat hij 20% van het bedrag ontving dat op basis van een Tikkie betaalverzoek werd overgemaakt en dat hij in totaal €20.000,- zou hebben verdiend met de door hem gepleegde WhatsApp-fraude, hebben hij en zijn medeverdachte hun slachtoffers in ieder geval voor een totaalbedrag van €100.000,- benadeeld. Uitgaande van de gemiddelde bedragen die de slachtoffers in de ten laste gelegde feiten hebben overgemaakt, gaat het daarmee bij de oplichting alleen al om meer dan honderd slachtoffers. Naast de WhatsApp-fraude heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het witwassen van grote contante geldbedragen van in totaal ruim €75.000,- en luxe schoenen. Tot slot heeft de verdachte op zijn slaapkamer een vuurwapen en kogelpatronen voorhanden gehad.

De minderjarige verdachte is veroordeeld voor 282 dagen jeugddetentie waarvan 180 dagen voorwaardelijk, een werkstraf van 180 uur, en een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden.  

Daarnaast heeft de rechtbank Overijssel op 9 augustus 2021 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBOVE:2021:3149) voor oplichting. De man maakte samen met zijn mededaders in 1,5 jaar tijd zo’n 18 slachtoffers. Het begon met oplichting via WhatsApp en Marktplaats, uiteindelijk deed hij zich zelfs voor als fraudebestrijder bij een bank. De groep koos vooral slachtoffers met een hogere leeftijd uit.

Hij ging daarbij als volgt te werk. Hij benaderde slachtoffers en won het vertrouwen door zich voor te doen als dochter van de aangeefster. Vervolgens werd haar verzocht om geld over te maken voor de aanschaf van een nieuwe telefoon en laptop. Dit geld kwam terecht op een bankrekening waarover verdachte de beschikking had. Ook heeft hij mensen via Markplaats opgelicht, door zich als potentiële koper voor te doen en ‘ter verificatie’ een phisinglink te sturen. Daardoor werden de slachtoffers overgehaald tot het afgeven van inloggegevens van hun internetbankierenaccounts, waarna er bedragen van hun bankrekeningen werden afgehaald. Om deze vorm van oplichting mogelijk te maken heeft verdachte geldezels geronseld. Daarna werd de oplichting door verdachte en diens medeverdachten nog geavanceerder, stelselmatiger en grootschaliger uitgevoerd. Verdachte belde zijn slachtoffers, die bewust werden uitgekozen vanwege hun hogere leeftijd, volgens een vaststaand script en deed zich voor als een medewerker van de fraude afdeling van de bank waar het slachtoffer bankierde. Verdachte ontfutselde zijn slachtoffers op die manier codes om te kunnen inloggen op het internetbankierenaccount van zijn slachtoffers. Verdachte en zijn medeverdachten waren dan in staat om alle aan dit account gekoppelde rekeningen te beheren. Het afgeboekte geld werd vaak meteen overgeboekt naar een tussenrekening, vermoedelijk om cryptovaluta aan te schaffen. Soms werden meerdere slachtoffers op één dag gebeld. Een enkele keer werd dertig keer door een aangeefster een bedrag afgeboekt tot een bedrag van maar liefst € 28.795,00. De verdachte heeft volgens de rechtbank eraan bijgedragen dat het vertrouwen van de vijftien veelal oudere slachtoffers op grove wijze is geschaad en heeft misbruik gemaakt van zijn slachtoffers enkel en alleen ten behoeve van zijn eigen financiële gewin. Dit soort digitale oplichtingspraktijken hebben tot gevolg dat mensen minder vertrouwen hebben in elektronisch bankieren. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

Gezien de ernst van de gepleegde feiten en de lange periode waarin deze hebben plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur, ondanks dat verdachte deels wordt vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden.