Jurisprudentieoverzicht cybercrime maart-april-mei 2021

Ook in hoger beroep veroordeling in TorRAT-zaak

Op 30 maart 2021 heeft het Hof Den Haag een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHDHA:2021:587) voor gewoontewitwassen en deelnemen aan een criminele organisatie waarvan de verdachte de leider was. Het hof heeft een gevangenisstraf opgelegd van 19 maanden en de vorderingen van de benadeelde partijen (banken) zijn gedeeltelijk toegewezen.

De verdachte heeft samen met de medeverdachten rekeninghouders van twee banken benadeeld. Via “spamruns” werden duizenden mails verstuurd naar mkb-rekeninghouders in de zakelijke sector. In de mails zat een link naar een (ogenschijnlijk) openstaande factuur of ander (PDF-)bestand. Dat was in werkelijkheid een programma dat in het geval van aanklikken ongemerkt kwaadaardige software, in casu “TorRAT-malware”, op de computers van de gebruikers achterliet. Bij het gebruik van internetbankieren paste de malware het bankrekeningnummer, de naam van de begunstigde en de omschrijving van de betaling aan, zonder dat dit voor de gebruiker van die computer (direct) zichtbaar was. Op deze wijze werden betalingen door de TorRAT-malware omgeleid naar de bankrekeningen naar money mules (personen die hun rekening, bankpas en pincode, al dan niet vrijwillig, ter beschikking hadden gesteld voor gebruik door anderen). Het zeer uitgebreide arrest is met name lezenswaardig vanwege de nog niet eerder vertoonde gedetailleerde technische overwegingen over de werking van TorRAT (compleet met screenshots van de softwarecode, zoals:

(voor het eerst volgens mij!)

Ook de wijze waarmee met de malware geld kon worden verdiend, wordt uitgebreid beschreven. Zie ook mijn annotatie in Computerrecht 2016/175 over deze zaak in eerdere instantie.

Het Hof Den Haag licht toe dat TorRAT bestond uit twee elementen, de software zelf en configuratiebestanden. Voor de toerekeningsvraag was het onderzoek aan deze configuratiebestanden door een deskundige van het NFI in het bijzonder van belang. Het hof was van oordeel dat de genoemde transacties konden worden toegerekend aan TorRAT.

Na installatie van de software op een computer als gevolg van het klikken op een link in een spammail zocht de aldus geïnfecteerde computer contact met een C&C-server. Uniek aan TorRAT was dat deze C&C-server zich veelal bevond in een Tor-netwerk (ook bekend als het darkweb of darknet). De C&C-server voorzag TorRAT regelmatig van nieuwe configuratiebestanden.

Het hof is van oordeel dat de dadergroep van de verdachte en zijn medeverdachten met toepassing van de TorRAT-malware een groot aantal transacties heeft beïnvloed. Het hof heeft per (cluster van) transacties aangegeven welke feiten en omstandigheden hebben geleid tot de vaststelling of deze wel of niet aan de TorRAT-malware kunnen worden toegerekend. Voor deze vorm is gekozen nadat de verdediging volgens het hof terecht aanvoerde dat niet duidelijk is geworden aan de hand van welke criteria de transacties zijn aangemerkt als frauduleuze transacties die via TorRAT zijn veroorzaakt. Daarvoor is de hulp van een deskundige van het NFI ingeroepen.

De betalingen die door de TorRAT-malware werden omgeleid naar de bankrekeningen van daartoe geworven zogeheten money mules. De geldbedragen werden vervolgens zo snel mogelijk aan het zicht van de banken en politie en justitie onttrokken door deze — al dan niet met tussenkomst van een tweedelijns-money mule waar het geld naar werd doorgeboekt — zo snel mogelijk contant te maken middels een contante geldopname of om te zetten in bitcoins. De omgezette bedragen werden op deze wijze witgewassen.

Met betrekking tot de verdenking van deelname aan een criminele organisatie is het hof tot het oordeel gekomen dat de verdachte en zijn medeverdachten behoorden tot een samenwerkingsverband (waarbinnen zij aliassen gebruikten en communiceerden via TorMail) en zich schuldig hebben gemaakt aan gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hadden met een crimineel oogmerk. De inhoud van de Tormails speelde een belangrijk bewijsrol in deze zaak. Het hof is van oordeel dat de verdachte binnen dat samenwerkingsverband een leidinggevende rol vervulde, dat door de duurzaamheid en gestructureerde vorm daarvan als criminele organisatie wordt gekwalificeerd.

Vrijspraak vanwege verklaring maken van screenshot via Shodan

Op 2 april 2021 heeft de rechtbank Midden-Nederland een verdachte vrijgesproken (ECLI:NL:RBMNE:2021:1330) van computervredebreuk. De verdachte werd computervredebreuk (art. 138ab Sr) en het opnemen van gegevens (art. 139c Sr) ten laste gelegd. De verdachte zou namelijk de beveiliging van een NAS (Network Attached Storage) door middel van de ‘remote desktop protocol’ hebben doorbroken en gegevens hebben opgenomen door een screenshot te maken van de inbox van een mailprogramma.

De verdachte verklaarde dat hij via Shodan, een zoekmachine dat kwetsbaarheden in aan het internet gekoppelde geautomatiseerde werken blootlegt, het screenshot van de mailbox van de aangever was tegengekomen. De verdachte heeft de aangever vervolgens gewaarschuwd voor een beveiligingslek in zijn computer door hem een e-mailbericht te sturen met het gevonden screenshot als bijlage. De rechtbank kan de door verdachte geschetste gang van zaken niet uitsluiten. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat het verhaal van verdachte onaannemelijk is. Nu redelijke twijfel bestaat of verdachte de feiten zoals tenlastegelegd heeft begaan, spreekt de rechtbank de verdachte van de ten laste gelegde feiten vrij.

Veroordeling in hoger beroep basis van bewijs uit Ennetcom-gegevens

Het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde op 3 maart 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1918) een verdachte tot een gevangenisstraf van 22 jaar voor moord en verboden vuurwapenbezit. De advocaat van de verdachte voerde aan dat de PGP-berichten die waren verkregen via Ennetcom uitgesloten moesten worden van bewijs, omdat deze niet rechtmatig waren verkregen.

Het Hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt. Het Superior Court of Justice in Toronto heeft op 13 september 2016 het door de Nederlandse autoriteiten ingediende rechtshulpverzoek behandeld, dat strekte tot het ten behoeve van nader onderzoek in Nederland veiligstellen en overdragen van communicatie dat zich bevond op de Ennetcom-servers (hierna: Ennetcom-gegevens). De Canadese rechter heeft de beslissing of deze gegevens gebruikt mogen worden in andere onderzoeken neergelegd bij de Nederlandse autoriteiten, maar wel bepaald dat daartoe een rechterlijke machtiging is vereist en het gebruik van de Ennetcom-gegevens beperkt tot onderzoek en vervolging van bepaalde strafbare feiten (waaronder moord).

De officier van justitie heeft de rechter-commissaris ex art. 181 jo art. 126ng lid 2 Sv, verzocht te bepalen dat het onderzoek 09Seter dringend vordert dat onderzoek wordt verricht aan de Ennetcom-gegevens en te bepalen dat relevante gegevens toegevoegd zouden worden aan het procesdossier 09Ster. De rechter-commissaris heeft dit verzoek toegewezen en de uitvoering van het onderzoek op grond van art. 177 Sv door tussenkomst van de officier van justitie verwezen aan het onderzoeksteam 09Ster. Vervolgens heeft de officier van justitie op grond van gegevens die zijn voortgekomen uit Ennetcom-gegevens in het onderzoek 26Marengo de rechter-commissaris verzocht om toestemming te geven deze gegevens over te dragen aan de advocaat-generaal in het onderhavige onderzoek 09Ster, omdat deze gegevens betrekking zouden hebben op de moord op het slachtoffer. De rechter-commissaris heeft hiervoor toestemming gegeven, en overwogen dat de berichten rechtmatig zijn verkregen uit het onderzoek 026Marengo waarvoor de rechter-commissaris eerder toestemming heeft gegeven. Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat het verkrijgen van de data op rechtmatige wijze is geschied.

Over de betrouwbaarheid van het bewijs overweegt het hof dat het recht van de verdachte om in gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, naar deze niet samen valt met een ongeclausuleerd recht om deze te controleren, en dat de verdediging niet gemotiveerd heeft aangegeven waarom de betrouwbaarheid van de waarheidsvinding in twijfel zou moeten worden getrokken. Verder merkt het hof nog op dat de vaststelling van de identiteit van de verdachte niet louter berust op de conclusie van de politie, maar dat die vaststelling berust op de weergave van de PGP-gesprekken in verband met andere bewijsmiddelen.

Veroordelingen op basis van bewijs uit EncroChat-gegevens

Vorig jaar kwam in het nieuws dat de Nederlandse en Franse politie tientallen miljoenen berichten van de versleutelde chatdienst EncroChat wisten te kraken en over te nemen. Afgelopen maanden verschenen uitspraken waar deze ‘EncroChats’ een belangrijke bewijsrol spelen. De interessantste uitspraken staat hieronder op een rijtje.

De rechtbank Oost-Brabant veroordeelde (ECLI:NL:RBOBR:2021:1272) op 25 maart 2021 een verdachte voor het voorhanden van een verboden vuurwarpen ter voorbereiding van de moord op een of meer personen. Over de rechtmatigheid van het gebruik van EncroChats als bewijs overweegt de rechtbank dat de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam in het onderzoek 26Lemont in het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2020 voor het gebruik van de EncroChats in toekomstige, andere onderzoeken voorwaarden heeft gesteld en criteria gegeven. Een van die voorwaarden is dat het gebruik van die chats slechts mogelijk is na een schriftelijk verzoek daartoe en na verkregen schriftelijke toestemming van een rechter-commissaris. De toestemming wordt alleen verleend als sprake is van “ernstige, het maatschappelijk verkeer ontwrichtende strafbare feiten, gepleegd in georganiseerd verband”. In een enkel geval is op het vereiste van een voorafgaande schriftelijke toestemming een uitzondering toegelaten. In die gevallen was sprake van zeer spoedeisende situaties en/of “threat to life”-zaken waarin acuut ingrijpen noodzakelijk was. In die gevallen is telefonisch toestemming gevraagd en verkregen van de rechter-commissaris, waarna schriftelijke bevestiging dan wel toevoeging aan de lijst van bekende onderzoeken volgde.

De rechtbank overweegt dat de onderzoeken waarin gegevens uit 26Lemont zijn verwerkt, in twee categorieën zijn op te delen. Kort gezegd komt het erop neer dat bij de eerste machtiging door de rechter-commissaris al een lijst is aangeleverd met onderzoeken waarin mogelijk sprake zou zijn van gebruik van EncroChat. Die lijst is door getoetst de rechter-commissaris getoetst op de zwaarte van de strafbare feiten waar die onderzoeken zich op richten en akkoord bevonden. Voor andere onderzoeken, en daartoe behoort het onderhavige onderzoek tegen de verdachte, heeft de rechter-commissaris voorwaarden benoemd waaronder gegevens kunnen worden gedeeld. Dat moet worden voorgelegd de rechter-commissaris en dan moet toestemming worden verkregen voor het delen van de informatie met die andere ‘vervolgonderzoeken’. Het moet, buiten onderzoek naar misdrijven met een terroristisch oogmerk, gaan om onderzoek naar strafbare feiten die in hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, of zaken waarin acuut ingrijpen noodzakelijk was gelet op de gerede vrees voor het leven en/of voor ernstige gezondheidsschade voor personen. Hieraan kan worden getoetst en bij eventuele tekortkomingen is het reguliere kader van artikel 359a Sv van toepassing.

De raadsman stelt dat de EncroChat-data in het onderzoek Ellemeet onrechtmatig zijn verkregen, omdat aan de rechter-commissaris geen toestemming is gevraagd om in dit onderzoek de EncroChats te mogen gebruiken. Zou die toestemming wel gevraagd zijn, dan is met het oog op de hiervoor genoemde criteria niet voorstelbaar dat die toestemming zou zijn verleend. De verdediging voert aan dat het ontbreken van toestemming met zich meebrengt dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

De rechtbank overweegt dat de betreffende gegevensbestanden met informatie uit het (recente) verleden waren vastgelegd op de servers van EncroChat. Zowel in Frankrijk als in Nederland is deze telecomaanbieder aangemerkt als verdachte. Om bestanden van dat bedrijf te verkrijgen heeft het Nederlandse Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris een vordering ex artikel 126uba lid 1 sub a, b, c en d Sv (de hackbevoegdheid) voorgelegd en daartoe toestemming verkregen. Daarmee heeft het verkrijgen van de gegevens een wettelijke grondslag. Na het ter beschikking komen van de gegevens vallen de gegevens onder de bewaar- en vernietigingsregimes van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, zodat ook voor het bewaren en verwerken van de gegevens een afdoende wettelijke grondslag bestaat.

De rechtbank deelt niet de opvatting dat de ePrivacyrichtlijn (2002/58) van toepassing zou zijn, omdat die kortgezegd ziet op het opvragen van gegevens door autoriteiten. De opsporingshandelingen zouden ook onder de uitzondering in artikel 15 van de richtlijn vallen. De rechtbank overweegt ook dat ‘de verdere achtergrond van EncroChat, de verkrijging van data in Frankrijk en het delen van de informatie met het onderzoeksteam 26Lemont, niet valt binnen het vooronderzoek in de zaak tegen verdachte en er evenmin reden is te veronderstellen dat het gebruik van de resultaten van de onderzoeken naar EncroChat in de strafzaak tegen de verdachte niet in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. De verweren zijn daarmee verworpen.

De rechtbank Overijssel maakt op 29 maart 2021 veel minder woorden vuil aan de rechtmatigheid van het verkregen bewijs uit de EncroChats. In deze zaak (ECLI:NL:RBOVE:2021:1307) werd een verdachte veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij een groot drugslab in Heiloo.

De rechtbank overweegt simpelweg dat ‘gelet op het interstatelijke vertrouwensbeginsel de rechtbank geen reden ziet om te twijfelen aan de rechtmatigheid en de inzet van de gehanteerde opsporingsmiddelen in het Franse opsporingsonderzoek. Bovendien zijn de Franse rechterlijke machtigingen getoetst door de rechter-commissaris in Nederland, waarbij geen onrechtmatigheden zijn vastgesteld. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat artikel 8 EVRM in onderhavig geval niet is geschonden.’

In een laatste, zeer uitgebreid, vonnis (ECLI:NL:RBZWB:2021:1556) op 31 maart 2021 biedt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant interessante bewijsoverwegingen t.a.v. het uitlezen van telefoons en de rechtmatigheid van het gebruik van de EncroChats.

Interessant zijn nog de standpunten van de officier van justitie in deze zaak over het maken van een proces-verbaal bij het uitlezen van telefoons: ‘de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betreffende gegevensdragers met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Dat hoeft niet op schrift te staan. Het verstrekken van alles wat in de telefoons wordt aangetroffen gebeurt zelden, alleen wat relevant is wordt in het dossier opgenomen. Door de verdediging is onvoldoende onderbouwd dat er bewust ontlastende informatie is achtergehouden.’

De rechtbank overweegt dat een medeverdachte tijdens een verhoor de toegangscode van zijn mobiele telefoon gegeven en – wederom zonder aanwezigheid van zijn raadsman – het wachtwoord van Wickr en toestemming heeft gegeven aan de politie om in zijn telefoon te kijken gegeven. Bij zijn aanhouding op 13 november 2019 gebeurde hetzelfde. Vervolgens is volgens de verdediging de telefoon van met toestemming van de officier van justitie gekopieerd en werden de gegevens ervan inzichtelijk en doorzoekbaar gemaakt. Hierdoor is volgens de verdediging sprake van een schending van artikel 6 EVRM (Salduz), waarbij de rechtbank begrijpt dat dit het recht van medeverdachte betreft.

De rechtbank overweegt dat de Schutznorm ten aanzien van de medeverdachte niet van toepassing is ingevolge de uitspraak Günner van het EHRM. De rechtbank meent dat bij de eerste zoekslag in de telefoon van de medeverdachte sprake was van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, omdat ‘enkel (een deel van) de fotogalerij (ten aanzien van een bepaalde datum en gebeurtenis) en de Whatsapp (wederom specifiek ten aanzien van het al dan niet sturen van een bepaalde foto) is bekeken’.

Over een tweede onderzoek aan de telefoon overweegt de rechtbank dat een ‘meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is gemaakt’, omdat de telefoons met het programma Cellebrite zijn gekopieerd, veiliggesteld en inzichtelijk gemaakt, en doorzocht op Whatsapp, Wickr, Snapchat, Instagram en notities. Het onderzoek aan de mobiele telefoons was de directe aanleiding voor de doorzoeking van de woning van (de ouders van) verdachte. Het onderzoek was gericht op het achterhalen van navigatie-gegevens, communicatie op social media, contactpersonen, foto’s op telefoon danwel foto’s in een cloud, voor zover de informatie gerelateerd kon zijn aan de handel in verdovende middelen. De rechtbank is van oordeel dat daarom ook ten aanzien van de onderzoeken aan deze telefoons niet gezegd kan worden dat daarmee sprake is van een schending van de artikelen 6 en 8 EVRM.

De rechtbank overweegt de inhoud van een brief van het Landelijk Parket over de juridische grondslag van het gebruik van bewijsmateriaal van de PGP-telefoons van klanten van EncroChat. Daarin is te lezen dat ‘op grond van een Frans strafrechtelijk onderzoek zijn het bedrijf EncroChat en de natuurlijke personen die daaraan gelieerd zijn onderzocht. Tijdens dit onderzoek in Frankrijk zijn strafvorderlijke bevoegdheden ingezet. Er is door middel van een interceptiemiddel inzicht en informatie verkregen over de communicatie die is gedeeld op het EncroChat-forum. De Franse politie heeft onder gezag van de Franse officier van justitie, na machtiging van een Franse rechter, het interceptiemiddel ingezet. Omdat in Nederland een soortgelijk strafrechtelijk onderzoek is opgestart, is een Joint Investigation Team (hierna: JIT) opgericht door Nederland en Frankrijk. Het JIT richt zich op onderzoek van de verdenking rondom EncroChat en de personen die hiervan gebruik maken. In de JIT-overeenkomst is, zoals gebruikelijk, overeengekomen dat alle informatie en bewijsmiddelen die ten behoeve van het JIT worden vergaard worden gevoegd in een gezamenlijk onderzoeksdossier.’

Ik vind de brief toch opmerkelijk gezien de tegenstrijdige berichtgeving in NRC over de inzet van een technisch hulpmiddel dat mede is ontwikkeld door Nederland en het feit dat de een aanvraag is gedaan voor de inzet van de hackbevoegdheid in Nederland (waartoe onder voorwaarden een machtiging is verstrekt, zoals in de uitspraak hierboven is te lezen). De rechtbank overweegt hier indirect over dat ‘in tegenstelling tot hetgeen de verdediging betoogt, is de grondslag voor het verwerken en opslaan van de data uit 26Lemont in onderhavige zaak niet gelegen in de artikelen 126uba juncto 126 Sv, maar in artikel 126dd Sv. Deze bepaling ziet op het delen van informatie van het ene strafrechtelijke onderzoek met het andere’.

Ook overweegt de rechtbank simpelweg dat ‘ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere EVRM lidstaat, het de taak is van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels.’ De rechtbank acht de privacy-inmenging ‘niet-ingrijpend’ voor de verdachte, omdat ‘door middel van de encrochats van verdachte alleen chatgesprekken van een relatief korte periode onderzocht zijn’.

Internetoplichting

De rechtbank Noord-Holland heeft op 16 maart 2021 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBNNE:2021:888) voor (internet)oplichting en witwassen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het witwassen van twee geldbedragen. Deze geldbedragen waren afkomstig uit een geldbedrag van ruim 1 miljoen euro, dat in één nacht is buitgemaakt door phishing. De verdachte heeft slechts een deel van de buit ontvangen, te weten bedragen van € 6.780,22 en € 3.300,22.

De verdachte heeft met zijn mededader katvangers benaderd, die vervolgens hun bankpassen en pincodes aan verdachte en zijn mededader hebben afgegeven. Door middel van deze bankpassen en pincode zijn nog in diezelfde nacht delen van dat bedrag overgemaakt op bankrekeningen van katvangers en is een groot deel daarvan contant opgenomen bij geldautomaten.

Daarnaast heeft verdachte zich gedurende vijf maanden schuldig gemaakt aan Marktplaatsoplichting en computervredebreuk, gekwalificeerde diefstal, een poging tot oplichting, het beheren van tikkie-panels en phishing-sites en het voorhanden hebben van gehackte emailadressen met wachtwoorden, die grotendeels waren gekoppeld aan Marktplaatsaccounts.

Na het contact op Markplaats vroeg hij het contact voor te zetten via WhatsApp vroeg hij zijn slachtoffers om via een malafide betaallink 1 eurocent over te maken. Via die betaallink kwamen zij op een phishingwebsite die nauwelijks te onderscheiden was van de website van hun bank. Bij doorzoeking van de woning werd op de laptop van verdachte nog een actieve phishingsite aangetroffen. Slachtoffers die op zo’n phishing-site hun gegevens invulden, gaven daarmee verdachte toegang tot hun digitale bankomgeving. Daarna maakte hij geldbedragen van hun bankrekeningen over naar rekeningen van ‘geldezels’. Ook schreef hij via de gehackte bankrekening bedragen over van de spaarrekening naar de lopende rekening. De buitgemaakte bedragen kreeg verdachte vervolgens weer in handen via zijn geldezels. De verdachte had de beschikking over vele bankpassen en pincodes van die geldezels.

Bij het vervalste sms-bericht van de Belastingdienst met de tekst:

Belastingdienst} Uw openstaande schuld EUR 1471,00 is na meerdere herinneringen niet voldaan. Op 29 april 2020 zal de gerechtsdeurwaarder overgaan tot conservatoir beslag. U kunt de beslagprocedure voorkomen door direct het gehele bedrag te voldoen via iDeal: http://frama.link/.uHrKGHtJ

Daarmee werden de ontvangers bewogen om met spoed een ‘achterstallig bedrag’ te betalen via een bijgevoegde betaallink. Als zij dat deden, dan waren zij het betaalde bedrag kwijt.

Bij de impersonatiefraude (‘vriend-in-nood-fraude’) deed verdachte zich via WhatsApp voor als een familielid of vriend in betalingsnood. Verdachte zond zijn slachtoffers een Tikkie-link, waarmee zij konden betalen. Slachtoffers verloren zo aanzienlijke bedragen.

Daarnaast heeft verdachte via zijn iPhone een ‘sms-bom’ verzonden, waarbij sms-berichten werden gestuurd naar 555 telefoonnummers. In die sms-berichten werd voorgewend dat Menzis verzocht om een openstaande rekening te betalen, omdat anders de deurwaarder beslag zou komen leggen. Daarna volgde een nep-betaallink, waarmee verdachte toegang kon krijgen tot de digitale bankomgeving van de ontvangers.

De betaallinks en chatgesprekken met slachtoffers zijn terug te leiden tot telefoons die verdachte in gebruik had. Dit geldt ook voor het verzenden van de sms-bom die onder feit 2 ten laste is gelegd. Tijdens de tapperiode is gebleken dat verdachte als administrator ingelogd was op het beheerpanel van de actieve phishingsite. Ook heeft de vriendin van verdachte verklaard dat hij de fraudes alleen pleegde en daarbij gebruik maakte van meerdere telefoons, waaronder de hare. In het dossier en noch ter zitting zijn voldoende verifieerbare aanwijzingen gevonden voor een nauwe en bewuste samenwerking of gezamenlijke uitvoering met mededaders. De rechtbank spreekt de verdachte daarom van enkele andere ten laste gelegde feiten vrij.

De rechtbank acht de houding van verdachte zorgelijk en zij rekent hem de feiten ernstig aan. Ook heeft hij een strafblad voor eerder gepleegde vermogensdelicten. De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte de status van veelpleger heeft. Hij heeft geen werk, geen inkomen, hoge schulden, hij gebruikte drugs en had een negatief sociaal netwerk. Ook is hij licht verstandelijk beperkt. Verdachte is in het verleden onvoldoende ontvankelijk gebleken voor behandeling. Het recidiverisico wordt hoog geacht. Gelet op de ernst van de feiten en de straffen die rechtbanken in soortgelijke zaken opleggen, legt de rechtbank een gevangenisstraf op van  42 maanden met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

Vrijspraak bezit van kinderpornografie en teruggave van gegevens

Op 25 maart 2021 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een verdachte vrijgesproken (ECLI:NL:RBZWB:2021:1421) van het in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal. In 2016 is verdachte veroordeeld wegens het bezit van kinderpornografische bestanden op zijn computer. Deze computer is destijds in beslag genomen. Van de foto’s op die computer, waaronder ook privé-foto’s, is door verdachte een back-up gemaakt en verdachte heeft verklaard dat die back-up door zijn stiefvader op de nieuwe computer van verdachte is gezet. De verdachte heeft verklaard dat de kinderpornografische bestanden op de Toshiba computer voor hem niet zichtbaar waren.

In dit soort zaken moet opzet op het bezit van kinderpornografisch materiaal bewezen worden. Het dossier bevat geen nadere logistieke data over de aangetroffen bestanden, zoals wanneer de bestanden op de computer zijn gezet, wanneer ze zijn verwijderd of in de prullenbak geplaatst en wanneer de bestanden voor het laatst zijn geopend. Ook zijn er zijn geen zoektermen aangetroffen die verband zouden kunnen houden met kinderporno. Gelet op deze stand van zaken kan niet worden uitgesloten dat de verklaring van verdachte dat de bestanden afkomstig moeten zijn van de back-up van zijn vorige computer klopt en niet kan worden bewezen dat de verdachte welbewust kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad.

In deze zaak is de computer in beslaggenomen en zijn alle gegevens op de harde schijf aan het verkeer onttrokken. Maar onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen computer zonder beperking, zou betekenen dat de andere (niet strafbare) bestanden verloren gaan, terwijl niet kan worden vastgesteld dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Daarbij is van doorslaggevend belang dat dit onder andere onvervangbare foto’s van de overleden vader van verdachte betreft, die van grote waarde voor verdachte zijn.

De conclusie is dan ook dat de andere gegevens ter beschikking van de verdachte moet worden gesteld en in zoverre zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte. Het is aan het openbaar ministerie om te besluiten op welke feitelijke wijze dit plaatsvindt. De rechtbank geeft daarvoor een paar handvatten. De eerste is de 80 kinderpornografische bestanden wissen zodat dat het terughalen van deze bestanden niet meer mogelijk is. Na het wissen van de 80 bestanden kan de computer dan worden teruggegeven. de tweede optie is dat de verdachte een (lege) gegevensdrager aanlevert, waarop de politie de gegevens van de computer minus de 80 kinderpornografische bestanden kopieert.

Over de bijzondere voorwaarde van controle in kinderpornozaken

Het Hof Amsterdam veroordeelde (ECLI:NL:GHAMS:2021:626) op 4 maart 2021 een verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, voor het gewoonte maken van onder meer verspreiden en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal.

In het arrest formuleert het Hof Amsterdam een gedragsvoorwaarde die strekt tot controle van gegevensdragers. Het is daarbij van belang dat de controle beperkt is door het toezicht te beperken tot

“het toezicht op de naleving van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarde en niet mag strekken of toe leiden een min of meer compleet beeld te krijgen van verdachtes persoonlijke leven. Bij de uitvoering van het onderzoek kan gebruik worden gemaakt van een computerprogramma dan wel een ander technisch hulpmiddel dat is gericht op de onderkenning van seksueel getint of kinderpornografisch materiaal.”

Het Hof Den Haag heeft in het arrest van 9 februari 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:193) nadere (rand)voorwaarden geformuleerd waaraan de controle van de gegevensdragers van de verdachte dient te voldoen.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht – oktober 2019

Posted on 17/10/2019 op Oerlemansblog

Veroordeling voor infecteren van computers met malware

De rechtbank Rotterdam heeft op 10 september 2019 uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2019:7259) gedaan over een malwarezaak. Veroordelingen voor de verspreiding of vervaardiging van kwaadaardige software (malware) komen relatief weinig voor, wellicht omdat de daders zich vaak in het buitenland bevinden. Het vonnis is interessant vanwege het feitencomplex en de technische details die worden vermeld.

De rechtbank Rotterdam veroordeelt de verdachte voor computervredebreuk (artikel 138ab Sr), oplichting (artikel 326 Sr), identiteitsfraude (artikel 231b Sr) en het voorhanden hebben van de malware (technisch hulpmiddel) en toegangscodes voor het plegen van computervredebreuk (artikel 139d lid 2 sub a Sr). De verdachte krijgt een straf opgelegd van twee jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

De verdachte heeft op grote schaal computers met malware geïnfecteerd, waardoor het mogelijk werd de computers ‘over te nemen’ en o.a. inloggegevens (gebruikersnamen en wachtwoorden) te verkrijgen. De verdachte maakte de infectie mogelijk door de slachtoffers te verleiding tot het klikken op een uitnodigende link op een website. Ook stuurde hij valse e-mails met daarin een link in naam van PostNL en Intrum Justitia. Bij het bezoeken van de website werden zeker tientallen computers met malware geïnfecteerd. De verdachte heeft vervolgens met overgenomen inloggevens ingelogd op de accounts van de slachtoffers om bijvoorbeeld bestellingen te plaatsen. Hij heeft ook toegang verkregen tot persoonlijke documenten, waaronder CV’s, kopieën paspoort en salarisspecificaties.  De verdachte heeft ook gegevens over de slachtoffers verkregen door een “simkaartwissel” aan te vragen, waarmee de voor het online overboeken vereiste TAN-codes werden ontvangen.

Op deze wijze werden ook ING en de betreffende telecomproviders opgelicht. De vorderingen van de banken van bijna 80.000 euro is door de rechtbank toegewezen. Het onderzoek is gaan lopen door aangifte van de ING, waarbij een verdacht IP-adres als bewijsmateriaal werd aangedragen. Via het Centraal Informatiepunt Onderzoeken Telecommunicatie (CIOT) is de tenaamstelling van het IP-adres achterhaald, wat leidde tot het adres waar ook de verdachte bleek te wonen. Bij de verdachte is een IP-tap gezet en digitaal onderzoek tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte uitgevoerd. Het vonnis vermeld dat daarbij is vastgesteld op welke wijze de verdachte de malware aanstuurde.

De verdediging stelde dat sprake was van een vormverzuim, omdat gebruik is gemaakt van informatie die afkomstig is uit een gelekte database. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat niet kan worden vastgesteld dat de ING de gegevens uit een gelekte database heeft verkregen of strafbare feiten heeft begaan. Daar komt nog bij dat de gegevens die ING met behulp van de uitgelekte database heeft weten te achterhalen, geen doorslaggevende rol hebben gespeeld bij het identificeren van de verdachte.

Handel in PayPal-accounts op het darkweb

De rechtbank Rotterdam heeft op 8 juli 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2019:6548) voor de handel in gehackte PayPal-accounts. Het delict in artikel 139d Sr werd bewezen geacht.

De verdachte kocht de inloggegevens van gehackte accounts via de site ‘blackpass’. Vervolgens bood hij diezelfde accounts te koop aan op verschillende handelsplatformen op het dark web. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij die gegevens na aankoop alleen nog naar het handelsplatform hoefde te kopiëren en dat de transacties daarna volledig geautomatiseerd werden afgehandeld door het handelsplatform. Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte meer dan 13.000 accounts heeft verkocht.

Mede vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn proceshouding wordt hem een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een taakstraf van 174 uur opgelegd.

Kaartlezer is geen technisch hulpmiddel

Het Hof Den Haag heeft op 9 september 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHDHA:2019:2426) tot 80 uur taakstraf voor computervredebreuk, oplichting (artikel 326 Sr) en het voorhanden tot het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel voor het plegen van computervredebreuk (artikel 139d lid 2 sub a Sr). De verdachte is zijn OV-chipkaart, een geautomatiseerd werk, binnengedrongen. Daarmee heeft hij vervolgens het saldo op OV-chipkaarten verhoogd tot nagenoeg het maximale bedrag dat bij een refund kon worden uitgekeerd. Daarmee heeft de verdachte oplichting en computervredebreuk gepleegd.

Het arrest is vooral interessant, omdat het hof oordeelt dat de kaartschrijver/kaartlezer waarmee het saldo kon worden verhoogd niet kan worden beschouwd als een technisch hulpmiddel in de zin van artikel 139d Sr. Het hof overweegt kortgezegd dat de kaartlezer een vrij verkrijgbaar elektronisch apparaat is, dat doorgaans wordt gebruikt voor het uitlezen en beschrijven van (onder meer) NFC chips. Niet blijkt uit de inrichting of de eigenschappen van de kaartschrijver/kaartlezer dat de producent heeft bedoeld een hulpmiddel te produceren dat hoofdzakelijk is ontworpen voor het begaan van de genoemde delicten. Evenmin blijkt dat de kaartschrijver/kaartlezer op enigerlei wijze voor dat doel is aangepast. Dit leidt tot het oordeel van het hof dat de kaartschrijver/kaartlezer – op zichzelf beschouwd – niet als technisch hulpmiddel in de zin van artikel 139d Sr kan worden aangemerkt.

De software waarmee OV-chipkaarten kunnen worden gemanipuleerd zijn wél te beschouwen als ‘technisch hulpmiddel’ in de zin van artikel 139d Sr. Het hof overweegt dat deze software immers specifiek is ontworpen om binnen te dringen in OV-chipkaarten, teneinde het saldo op OV-chipkaarten aan te kunnen passen en daarmee het plegen van computervredebreuk.

Veroordelingen voor kinderporno

Op 22 juli 2019 heeft de rechtbank Gelderland een ex-militair vrijgesproken (ECLI:NL:RBGEL:2019:3456) van het bezit van kinderpornografie. Na forensisch onderzoek werden 17 kinderpornografische afbeeldingen teruggevonden in de ‘Temporary Internet files’. De vier afbeeldingen uit de tenlastelegging werden gevonden in de ‘deleted files’. Deleted files zijn bestanden die zonder speciaal daartoe bestemde software niet meer eenvoudig door de gebruiker zijn te benaderen. Volgens vaste jurisprudentie kan ten aanzien van bestanden met kinderporno die aangemerkt zijn als ‘deleted’ dan ook niet het “bezit” in de zin van artikel 240b van het Wetboek van strafrecht worden aangenomen. Niet is gebleken dat verdachte beschikte over speciale software via welke de afbeeldingen voor hem toegankelijk waren.

De verdachte heeft op enig moment de bestanden op zijn computer gehad, maar ook op enig moment weer verwijderd. Uit de bewijsmiddelen kan echter niet worden herleid wanneer verdachte de afbeeldingen heeft gedownload, of wanneer hij deze heeft verwijderd. Dit leidt tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde afbeeldingen in de ten laste gelegde periode in zijn bezit heeft gehad. De militaire kamer heeft verdachte daarom vrijgesproken van het ten laste gelegde bezit, de verspreiding of het toegang verschaffen tot kinderpornografische afbeeldingen in de ten laste gelegde periode.

Op 10 september 2019 heeft de rechtbank Overijssel een 20-jarige man veroordeeld (ECLI:NL:RBOVE:2019:3214) tot twee jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging voor het seksueel misbruik van jonge meisjes en het maken, bezitten en verspreiden van kinderporno.

De verdachte heeft via het darkweb ‘een zeer omvangrijke hoeveelheid kinderporno’ verspreid. Daar komt nog bij dat verdachte zelf ook foto’s heeft vervaardigd en verspreid, waarmee hij een actieve rol heeft gespeeld bij het in standhouden van kinderpornografie. In lekentaal overweegt de rechtbank dat de verdachte “op zeer professionele wijze zich begaf op het internet en in de digitale wereld” (..) Hij heeft daarbij opgetreden als ‘admin/global/moderator/producer in de organisatiestructuur op het darkweb.’

In een hele droevige zaak is een (destijds) 13-jarige jongen veroordeeld voor 40 uur taakstraf (ECLI:NL:RBOVE:2019:3530) en een (destijds) 14-jarig meisje is veroordeeld (ECLI:NL:RBOVE:2019:3531) tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur voor het verspreiden van een naaktfoto van een 14-jarige jongen uit Enschede. Het slachtoffer had een naaktfoto verstuurd via Snapchat dat gekoppeld was aan het e-mailaccount van de verdachte. De foto werd via WhatsApp verstuurd naar de medeverdachte. Zij heeft vervolgens de foto van het slachtoffer op haar Instagramaccount gezet en hem daarbij getagd. Toen de foto bekend werd heeft het slachtoffer zelfmoord gepleegd door vanaf grote hoogte van een kamer in een flat af te springen.

De officier van justitie had besloten niet vervolgen voor ‘dood door schuld’, omdat uit het politieonderzoek was gebleken dat beide verdachten geen strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de dood van het [slachtoffer kon worden verweten. Vanwege het voorhanden hebben van een naaktfoto is door de officier van justitie besloten dat verdachte en de medeverdachte een voorwaardelijk sepot zouden krijgen en een onderhoud ten parkette. Door een klachtprocedure wegens het niet instellen van vervolging (de ‘artikel 12-procedure’ kwam het tot toch tot een strafzaak.

De verdachten zijn uiteindelijk veroordeeld voor het verspreiden van kinderporno (omdat het slachtoffer minderjarig is) en belediging omdat het slachtoffer in zijn eer en goede naam is aangetast. De verdachte verdient volgens de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf voor het delen van de foto. Bij de straftoemeting heeft de rechtbank er wel rekening mee gehouden dat de feiten hebben plaatsgevonden toen verdachte nog zeer jong was en hij de gevolgen niet goed heeft kunnen overzien.

Veroordeling voor het voor handen hebben van ‘jammers’

Het Hof Den Haag heeft op 25 augustus 2019 een verdachte vooroordeeld (ECLI:NL:GHDHA:2019:2385) voor het voorhanden hebben van ‘jammers’ (stoorzenders die telefoon- en internetverkeer plaatselijk onmogelijk maken). Aan één van de binnenwanden van de laadruimte van de bus waarin hennepafval werd vervoerd was een jammer bevestigd. In het dashboardkastje werd een identieke jammer gevonden. Dat is strafbaar op grond van artikel 350d jo 350c Sr. Er zijn hier niet zoveel uitspraken over, dus dat maakt de zaak interessant.

Het hof is ‘van oordeel dat jammers – die naar hun aard geen andere bestemming kennen dan het verstoren van telecommunicatie – in het criminele circuit worden gebruikt om ontdekking van criminele activiteiten te bemoeilijken. In dat licht bezien past het bij het door de verdachte vervoeren van het afval van een hennepkwekerij dat hij daarbij gebruik kon maken van jammers en dat die met dat doel zich in de door hem gebruikte bus bevonden.’ Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte geen verklaring gegeven die de feiten konden ontzenuwen. De verdachte krijgt een taakstraf van 40 uur opgelegd.

Zoekwoorden voor vergiftiging en ‘find my iphone’ & voorbedachte rade

Het Hof Amsterdam heeft op 12 juli 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:2497) voor het medeplegen van moord en wegmaken van het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Zoekwoorden op internet die zijn gevonden op de inbeslaggenomen tablet van de verdachte hebben (onder andere) geleid tot de bewezenverklaring van het vereiste ‘voorbedachte rade’.

De verdachte kreeg te maken met het slachtoffer wiens karakter door TIA’s was veranderd. Zij wilde onbezorgd haar verdere leven kunnen leiden en heeft – getuige haar zoekslagen op internet tussen 10 juni en 14 juli 2015 over dood door landbouwgif, nekslag en slaan – onderzocht hoe het slachtoffer van het leven kon worden beroofd. Daarna heeft de verdachte gezocht niet alleen gezocht naar methoden om iemand om het leven te brengen, maar bovendien aan haar zus gevraagd of zij iemand wist die tegen een beloning het slachtoffer van het leven kon beroven. Toen zij niemand konden vinden, hebben zij het slachtoffer door verstikking om het leven gebracht. De verdachte wordt veroordeeld tot 17,5 jaar gevangenisstraf.

Het Hof Amsterdam heeft daarnaast op 27 september 2019 ook een verdachte vooroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:3502) voor 16 jaar gevangenisstraf voor de moord op zijn vriendin door haar dood te schieten. De voorbedachte rade werd hier (onder andere) bewezen, omdat de inlogde op het Facebook-account van het slachtoffer en op de dag waarop zij om het leven werd gebracht haar iCloud-omgeving, waar hij  ‘find my iPhone’ en haar agenda gebruikte om te achterhalen waar het slachtoffer was. Het was bekend dat de verdachte dit deed, omdat hij was ingelogd op zijn Hotmailaccount.

Internetoplichting en gewoontewitwassen

De rechtbank Rotterdam heeft op 28 augustus 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2019:6965) voor 15 maanden gevangenisstraf (waarvan 5 voorwaardelijk), voor de oplichting van 414 personen. Hij heeft een webshop opgezet en zich als bonafide verkoper voorgedaan. De beloofde goederen zijn niet geleverd. Nu niet alle consumenten aangifte doen van internetfraude en van enige levering aan wie dan ook niet gebleken is, gaat de rechtbank er zonder meer van uit dat het gehele bedrag van € 200.400,01 ziet op door oplichting verkregen gelden.

In totaal is door de kopers meer dan 200.000 euro uit criminele herkomst gestort op twee bankrekeningen waarover verdachte de beschikking had. Door anderen is het geld steeds gepind. Ook heeft de verdachte geld van deze bankrekeningen doorgesluisd naar de medeverdachten. De gelden zijn, al dan niet na doorbetaling naar andere rekeningen, al dan niet met een versluierde omschrijving, grotendeels contant gemaakt. Door deze handelingen kon het delict witwassen worden bewezen.