Rubriek inlichtingen en recht december 2020

Jaarplan AIVD 2021

De minister van BZK heeft op 15 december 2020 de Tweede Kamer geïnformeerd over de hoofdlijnen van het jaarplan van de AIVD (Kamerstukken II 2020/21, 30977, nr. 158). Het volledige jaarplan is vanwege zijn inhoud staatsgeheim gerubriceerd. Een aantal punten wordt ter informatie door de minister uitgelicht.

De AIVD wil de samenwerkingen met de MIVD en andere ketenpartners versterken.  Door de COVID-19 pandemie is de spionagedreiging richting de farmaceutische en medische sector toegenomen. De dreiging van buitenlandse inlichtingenactiviteiten richting de Nederlandse samenleving is daarnaast onverminderd aanwezig. Het gaat hierbij zowel om spionage en ongewenste inmenging als heimelijke politieke beïnvloeding. Een aantal landen richt zijn inlichtingen- en beïnvloedingsactiviteiten met name op hun diaspora in Nederland. Deze ontwikkeling benadrukt volgens de AIVD het belang van de strafbaarstelling van spionage. Om Nederland in staat te stellen zich op effectieve wijze te kunnen weren tegen de dreiging vanuit Rusland en China zetten de MIVD en AIVD in op een gecombineerde inzet.

De AIVD benoemt verder de grote afhankelijkheid van digitale systemen die leidt tot grotere kwetsbaarheid van de Nederlands samenleving. De cyber gerelateerde inlichtingenposities van de AIVD vormen de basis voor het tijdig onderkennen van hoogwaardige (statelijke) dreigingen, en het adequaat voorkomen of tot een minimum beperken van schade die uit cyberaanvallen voortkomt. Wereldwijd vindt een bredere proliferatie van offensieve cyberprogramma’s plaats. In reactie hierop is de Cyber Intel/Info Cel (CIIC) opgericht, een samenwerkingsverband tussen de AIVD, MIVD, het Nationaal Cyber Security Centrum, de politie en het OM (zie ook Stcrt. 2020, 30702). De AIVD levert dreigingsinformatie, en combineert dat met advies over informatiebeveiliging in het digitale domein.

De AIVD wil zijn werkwijze verbeteren en streeft naar een gezamenlijke datahuishouding met de MIVD. Met dat systeem kan inzicht worden gegeven in de juridische status van gegevens, waarmee recht wordt gedaan aan de opmerkingen daarover in de voortgangsrapportages van de CTIVD. De AIVD benoemt in de jaarplanbrief ook het rapport van de onafhankelijke Wiv evaluatiecommissie Jones-Bos dat in 2021 zal verschijnen, alsmede een rapport van de Algemene Rekenkamer over de impact van de implementatie Wiv 2017 op de operationele slagkracht van de diensten. De AIVD heeft zich tot doel gesteld om mede naar aanleiding van deze rapporten en in navolging van het openbare beleid bulkdatasets dat in november 2020 is gepubliceerd, in 2021 over een aantal maatschappelijk relevante onderwerpen te voorzien in openbaar beleid om de maatschappij te laten zien hoe de AIVD de wet in de praktijk invult.  

Eén van de initiatieven waar de AIVD in 2021 mee aan de slag gaat is de noodzaak om, op basis van inlichtingen over de (digitale) dreiging vanuit statelijke actoren, concreet handelingsperspectief te geven om de digitale weerbaarheid te vergroten.

Sophie Harleman

Defensienota, lijst van vragen en antwoorden

De vaste commissie voor Defensie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Defensie over de Defensievisie 2035 (Kamerstuk 34919, nr. 71). Een paar vragen en antwoorden (Kamerstukken II 2020/21, 34919, nr. 73) zal ik hieronder uitlichten.

Zo vraagt de commissie zich af (vraag 42) of de minister het risico ziet dat de drempel voor het aangaan van een conflict lager komt te liggen door de optie om hybride oorlogsinstrumenten in te zetten, zoals “cyber”. De minister geeft aan dat de drempel voor hybride conflictvoering door tegenstanders onder het niveau van een gewapend conflict lager ligt dan voor openlijk militair conflict. Hybride conflict wordt gekenmerkt door meer heimelijke activiteit, zoals economische spionage, cyberaanvallen, militaire intimidatie, aanvallen met chemische wapens en/of ondermijnende desinformatie. Door deze handelswijze onttrekken statelijke tegenstanders zich doelbewust aan het geldende internationaal (oorlogs)recht.

Vervolgens stelt de commissie de vraag (43) hoe Nederland met de uitvoering van de Defensievisie 2035 bijdraagt aan een effectief weerwoord op conventionele militaire dreigingen alsmede zeer moderne militaire technologieën, en geeft daarbij het voorbeeld van Russische hypersone wapens en Chinese Robots. De minister antwoordt dat de drie eigenschappen en tien inrichtingsprincipes van Defensie ertoe dienen te leiden dat in de toekomst de Nederlandse belangen kunnen worden beschermd tegen de in de Defensievisie onderkende dreigingen. Hieronder vallen ook nieuwe dreigingen zoals hybride conflictvoering en dreigingen in het cyberdomein. Defensie wil inzetten op een technologisch hoogwaardige en informatiegestuurde organisatie om te voorkomen dat Defensie achterop komt bij potentiele tegenstanders die hierin investeren.

In vraag 44 legt de commissie aan de minister voor wat de afgelopen kabinetsperiode had moeten gebeuren om ervoor te zorgen dat Defensie wél toegerust zou zijn op het verdedigen tegen hybride dreigingen en optreden in de informatieomgeving. De minister geeft aan dat dit kabinet fors heeft geïnvesteerd in Defensie, te weten €1,7 miljard euro structureel en €1,7 miljard euro incidenteel over de periode tot en met 2024. In de Defensienota 2018 zijn verder de maatregelen uiteengezet die worden genomen om stappen te zetten richting een informatiegestuurde krijgsmacht die is opgewassen tegen technologisch hoogwaardige tegenstanders en hybride dreigingen. Defensie investeerde onder andere in cyber, inlichtingen, IT, informatievergaring en het gehele informatiedomein.

Vraag 49 luidt: “Wat bedoelt u precies met “we specialiseren ons in het opbouwen en behouden van een gezaghebbende informatiepositie”? Welke extra capaciteiten wilt u creëren/aanschaffen om deze ambitie te realiseren?” De minister geeft aan dat de visie niet ingaat op welke capaciteiten aangeschaft (moeten) gaan worden, omdat dat afhangt van het toekomstige budget en toekomstige keuzes.

Vraag 54 ziet specifiek op data die Defensie vergaart en gebruikt. De vraag luidt als volgt: “Wat voor specifieke data heeft de toekomstige krijgsmacht vooral nodig? Naast het gebruiken van deze data moet het ook vergaard worden; hoe doet de krijgsmacht dit en aan welke privacy-kwesties raakt dit?”

De minister geeft als antwoord dat de toekomstige krijgsmacht onder andere data zal gebruiken uit open bronnen, haar eigen (wapen)systemen, sensoren, satellieten en inlichtingen van de MIVD. Defensie moet dit soort informatie kunnen ontsluiten, filteren, verwerken, analyseren, erop kunnen sturen en naar kunnen handelen om hun kerntaken uit te voeren. Eigenlijk, stelt de minister, is informatie voor Defensie net zo belangrijk als brandstof voor een auto. Zij geeft aan dat Defensie nu en in de toekomst binnen wettelijke kaders werkt. Omdat de inzet van nieuwe technologische fundamentele ethische en maatschappelijke vragen kan oproepen, participeert Defensie in interdepartementale en internationale trajecten om deze publieke waarden te blijven beschermen. De minister geeft aan dat de Wiv 2017 de inlichtingendienst bevoegdheden en taken geeft ten behoeve van de nationale veiligheid. De minister stelt dat hierbij altijd in ogenschouw wordt genomen dat het middel niet erger is dan de kwaal.

Vraag 56 ziet op samenwerking en interoperabiliteit tussen de partners in het Nederlandse cyberbeveiligingsnetwerk. Defensie is volgens de minister een cruciale partner in het Nederlandse cybersecuritylandschap, en probeert samen met strategische partners zoals het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD), de Politie en het OM Nederland digitaal veilig te houden. Een voorbeeld van dit soort samenwerkingsverbanden is de Cyber Intel/Info Cell, waar sinds deze zomer medewerkers van de bovengenoemde organisaties fysiek bij elkaar zitten om relevante informatie zo snel mogelijk te kunnen delen.

De minister noemt verder het Nationaal Respons Netwerk waar Defensie bij is aangehaakt. Dit betreft een samenwerkingsverband tussen o.a. Defensie, NCSC en Rijkswaterstaat waar kennis, informatie en personeel (in het geval van crises) wordt gedeeld. De minister stelt dat Defensie als bron van informatie en inlichtingen en door het beschikbaar hebben van cruciale personele capaciteit een belangrijke speler in het nationale cybersecuritylandschap is.  

Als antwoord op vraag 58 stelt de minister ten slotte dat bredere bewustwording van de dreiging van desinformatie van groot belang is. Openheid over desinformatiecampagnes kan daaraan bijdragen.

Sophie Harleman

Brief van de Minister van Buitenlandse Zaken over het bericht dat de Russische militaire inlichtingendienst via ‘Bonanza Media’ desinformatie verspreidt rond het MH17 strafproces

In deze Kamerbrief (Kamerstukken II 2020/21, 33997, nr. 155) wordt door de minister van Buitenlandse Zaken gereageerd op het rapport van onderzoekscollectief Bellingcat, waarin werd gesteld dat de Russische militaire inlichtingendienst GROe via ‘Bonanza Media’ desinformatie verspreidt rondom het MH17 strafproces.

Uit de jaarverslagen van de AIVD en de MIVD is reeds gebleken dat het kabinet zorgen heeft over de Russische beïnvloedingsactiviteiten, waaronder ook met betrekking tot de beeldvorming over het MH17 strafproces.

De minister geeft aan dat de strategie van het kabinet om verspreiding van desinformatie tegen te gaan drie actielijnen kent: preventie, de informatiepositie verstevigen en, zo nodig, reactie. Het kabinet hecht grote waarde aan het onafhankelijke en pluriforme medialandschap in Nederland. De minister geeft aan dat het kabinet Rusland herhaaldelijk heeft aangesproken op het verspreiden van desinformatie rondom het neerhalen van vlucht MH17 en dat het kabinet dit waar nodig ook zal blijven doen.

Sophie Harleman

Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over nationale veiligheid en het tegengaan van digitale inmenging Tweede Kamer verkiezingen 2021

De minister geeft in deze Kamerbrief (Kamerstukken II 2020-21, 30821, nr. 118) aan dat het beschermen van onze verkiezingen tegen ongewenste (digitale) inmenging van groot belang is voor onze democratie. Hoewel zich bij het stemmen geen digitale dreigingen voordoen, kan de dreiging van digitale inmenging bij verkiezingen in diverse vormen voorkomen. In de brief gaat de minister in op de uitdagingen rond digitale inmenging omtrent de verkiezingen, zowel bij het verkiezingsproces zelf als in aanloop naar de verkiezingen. Ook noemt zij de maatregelen die de overheid neemt digitale inmenging bij de Tweede Kamerverkiezing van 2021 te voorkomen, en biedt ze de Kamer het rapport ‘Digitale dreigingen voor onze democratie’ van het Rathenau Instituut aan. Hieronder ga ik kort in op de voor deze rubriek relevante punten.

Kwetsbaarheid politieke partijen voor digitale incidenten verminderen
Het vertrouwen in de betrouwbaarheid van de verkiezingen is in Nederland hoog. Personen en instituties die een rol spelen in het democratisch proces zijn een potentieel doelwit voor kwaadwillenden om desinformatie te verspreiden of informatie te ontvreemden. Het moet bij betrokken partijen bekend zijn wat te dreiging van cybercrime, cyberspionage en cybersabotage inhouden teneinde de dreigingen effectief te bestrijden. De rijksoverheid geeft hierbij ondersteuning waar nodig. Politieke partijen kunnen tevens altijd een vrijwillige melding doen bij het Nationaal Cyber Security Centrum in het geval van ernstige incidenten.

Voorkomen dat mis- en desinformatie het democratisch proces ondermijnt
Mis- en desinformatie kunnen ervoor zorgen dat burgers de stembusgang wordt belemmerd. Waar bij misinformatie onbedoeld onjuiste of misleidende informatie wordt verspreid, is desinformatie gericht op het toebrengen van schade aan het publieke debat, democratische processen, de open economie of nationale veiligheid. Er zijn geen aanwijzingen dat er bij eerder verkiezingen in Nederland door statelijke actoren grootschalige desinformatiecampagnes hebben plaatsgevonden maar uit het jaarverslag van de AIVD blijkt dat online Russische beïnvloeding op West-Europese sociale media aan de orde van de dag is.

Zoals ook blijkt uit de brief van de minister van Buitenlandse Zaken over het bericht dat de Russische militaire inlichtingendienst via ‘Bonanza Media’ desinformatie verspreidt rond het MH17 strafproces (Kamerstukken II 2020/21, 33997, nr. 155), kent de strategie tegen desinformatie drie actielijnen: preventie, informatiepositie verstevigen en (indien nodig) reactie. De overheid kan in het licht van de verkiezingen misleidende informatie actief tegenspreken, zoals ook gebeurd is tijdens de COVID-19 crisis. Ook kan de overheid juridische middelen inzetten, zoals artikel 127 Wetboek van Strafrecht, dat betrekking heeft op het plegen van een bedriegelijke handeling. Verder kan de overheid juridische handvatten ontlenen aan het civielrecht, of als er sprake is van een strafbaar feit als smaad of laster.

Gebrek aan transparantie omtrent digitale campagnes verminderen
In aanloop naar de verkiezingen moet het voor burgers duidelijk zijn wie de afzender is van een politieke advertentie en waarom zij deze te zien krijgen. Vanwege de Europese gedragscode tegen desinformatie hebben internetdiensten maatregelen genomen om de transparantie van politieke advertenties te vergroten, en staan sommige internetdiensten geen politieke advertenties meer toe op hun platforms. Volgens de minister moet de Europese gedragscode tegen desinformatie worden verbeterd, onder meer door het toevoegen van minimale transparantie- en rapportagestandaarden en gemeenschappelijke definities van sleutelconcepten. Op nationaal niveau werkt de minister aan een Wet op de politieke partijen (Wpp), waarin transparantieregels ook een plek krijgen.

Informatiepositie over mis- en desinformatie verder ontwikkelen
Overheden dienen een goede informatiepositie te hebben over de aanwezigheid van mis- en desinformatie zodat zij weten of er sprake is van een dreiging die een reactie van de overheid vereist. Hiervoor dient  informatie in nationaal en internationaal verband gedeeld te worden. In Nederland staan de betrokken ministeries en diensten doorlopend in nauw contact om informatie over en signalen van mogelijke desinformatieactiviteiten te delen, te duiden en daarop zo nodig te acteren. Internationale samenwerkingsverbanden dragen bij aan het versterken van de informatiepositie. De Europese Commissie heeft recent het European Digital Media Observatory gelanceerd, waarbinnen fact-checkers, wetenschappers en andere stakeholders worden gefaciliteerd.

Rekening houden met nieuwe technieken om mis- en desinformatie te verspreiden
De technologie waarmee mis- en desinformatie kan worden verspreid is voortdurend in ontwikkeling. Het rapport ‘Digitale dreigingen voor de democratie’ van het Rathenau Instituut geeft een overzicht van de technologische ontwikkelingen die de komende jaren een rol kunnen gaan spelen bij de productie en verspreiding van desinformatie. De mogelijkheden bestaan onder andere uit tekstsynthese, voice cloning, deepfakes, microtargeting en chatbots. Met name deepfakes en psychographing, een geavanceerde vorm van microtargeting, kunnen in de toekomst ingezet worden door kwaadwillende actoren om het publieke debat en het democratische proces heimelijk te beïnvloeden. De minister geeft aan niet te verwachten dat deze technologieën bij de komende Tweede Kamerverkiezingen al een grote rol zullen spelen. De minister deelt de conclusie van het Rathenau Instituut dat met name internetdiensten een verantwoordelijkheid hebben om het verspreiden van desinformatie tegen te gaan. De overheid kan daarbij bedrijven wel aansporen om maatregelen te nemen. De beschreven nieuwe technologieën zouden een plek kunnen krijgen in een verbeterde gedragscode.

De minister wil teneinde bovenstaande uitdagingen het hoofd te bieden thematafels organiseren waarbij relevante ministeries, toezichthouders, het maatschappelijk middenveld, politieke partijen en internetdiensten worden uitgenodigd.

Sophie Harleman

Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets 

Op 5 november 2020 is de ‘Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017’ gepubliceerd (Stcrt. 2020, 56482). Een bulkdataset wordt gedefinieerd als ‘een omvangrijke gegevensverzameling waarbij het merendeel van de gegevens betrekking heeft op personen en/of organisaties die geen onderwerp van onderzoek zijn van een dienst en dat ook niet worden’. Bulkdatasets zijn volgens de toelichting op de regeling van grote operationele waarde.  

De toelichting op de regeling noemt dat  de verwerving van bulkdatasets de diensten in staat stelt zicht te krijgen op bepaalde regio’s en uitreizigers of andere targets te (blijven) volgen. Bulkdatasets hebben een langdurige waarde voor de uitoefening van de taken van de diensten. Het stelt de AIVD en de MIVD in staat om ook over een langere periode netwerken in kaart te brengen, de intensiteit van contacten vast te stellen en reisbewegingen te herleiden. In de praktijk wordt de opbrengst uit een bulkdataset vaak gecombineerd met andere inlichtingeninformatie, bijvoorbeeld afkomstig uit de inzet van bijzondere bevoegdheden. Door deze gegevens te combineren worden verbanden zichtbaar of wordt de kennis over reeds gekende dreigingen vergroot. 

De regeling moet worden gezien als regelgeving die de minister van BZK of Defensie kan nemen ten aanzien van de organisatie, de werkwijze en het beheer van de diensten (art. 16 Wiv 2017). Daarnaast is het natuurlijk geen toeval dat de regeling is gepubliceerd na de publicatie toezichtsrapporten nr. 70 en nr. 71 van de CTIVD over bulkdatasets.  

In mijn meest recente artikel ‘Metadata-analyse in de Wiv 2017’ in het tijdschrift Privacy & Informatie merk ik het volgende over de regeling op. De toegang van AIVD- en MIVD-medewerkers tot gegevens in bulkdatasets wordt beperkt afhankelijk van de ernst van inmenging op de persoonlijke levenssfeer van personen die plaatsvindt bij de verwerking van de gegevens in de bulkdataset.De ernst van de inmenging wordt bepaald op basis van de volgende vier elementen: (1) identificerende gegevens, (2) locaties, (3) netwerk van de contacten van een persoon en (4) vertrouwelijke inhoud. Hierbij valt op dat de verwerkingsvormen van de gegevens uit de bulkdatasets niet worden meegenomen om de privacy-inbreuk te bepalen, terwijl dit volgens jurisprudentie van het EHRM en HvJ EU wel een belangrijke factor is om de ernst van de privacy-inmenging te meten. 

De toegang tot gegevens in bulkdatsets is met de regeling ingedeeld in een (a) standaard toegangsregime, (b) beperkt toegangsregime of (c) strikt beperkt toegangsregime. Onder het standaard toestemmingsregime behoren medewerkers die toegang vanuit hun functie nodig hebben, zoals medewerkers die het inlichtingenonderzoek uitvoeren, maar ook data-analisten en data-scientists. Onder het beperkt toegangsregime behoren functiegroepen die vanwege hun specifieke kennis en expertise met bulkdata de verbanden tussen verschillende gegevensbestanden inzichtelijk kunnen maken door middel van data-analyses. Dat kunnen medewerkers uit een inlichtingenteam zijn of een team dat belast is met de uitvoering van veiligheidsonderzoeken of het opstellen van dreigingsanalyses. Onder het strikte toegangsregime hebben alleen specifieke medewerkers met een bepaalde functie toegang of toegang waarbij de functionaliteit beperkt is tot het bevragen van gegevens. Een speciaal verzoek tot toestemming moet worden ingediend om toegang te krijgen tot gegevens in de bulkdataset als blijkt dat zich daarin een kenmerk bevindt, zoals een telefoonnummer. 

De tijdelijke regeling bevat geen maximale bewaartermijn van de gegevens, omdat de gegevens in de bulkdatasets allemaal relevant worden geacht. In plaats daarvan vindt een periodieke beoordeling vindt plaats om de 3 jaar, 2 jaar, of 1 jaar; afhankelijk van het type bulkdataset. Over het geheel gezien biedt deze regeling meer bescherming dan (de huidige uitvoering) van de Wiv 2017 en kan het worden gezien als een invulling van de algemene bepalingen omtrent gegevensverwerking en de zorgplicht uit de Wiv.  

Jan-Jaap Oerlemans

Jaarverslag AIVD en evaluatiecommissie Wiv 2017

Gisteren heeft de AIVD zijn jaarverslag 2019 gepubliceerd. Het is zoals gewoonlijk interessant leeswerk, waar toch verrassend veel details in staan. Landen als Rusland, China en Iran worden bij de naam worden genoemd als landen die spionage bedrijven in Nederland. Ook de lijst met arrestaties van personen van de ‘jihadistische beweging’ op basis van ambtsberichten van de AIVD (op p. 11) is indrukwekkend.

Ook de MIVD heeft eind april zijn jaarverslag 2019 gepubliceerd. In het jaarverslag wordt o.a. benadrukt dat de Russische Federatie informatieoperaties uitvoert om maatschappelijke verdeeldheid te creëren. Ook waarschuwt de MIVD dat digitale spionage bij overheden en bedrijven door staten zoals China en Rusland één van de grootste dreigingen voor Nederland vormt. Bij de MIVD staat er geen lijst met arrestaties naar aanleiding van ambtsberichten in het jaarverslag, maar wordt bijvoorbeeld uitgelegd met welke onderdelen van Defensie werken.

De jaarverslagen maken concreet welk belangrijk werk de diensten verrichten en hoe productief zij zijn geweest. Ze zijn zeker lezenswaardig voor mensen die meer willen leren over het werk van de diensten.

Leden van de evaluatiecommissie Wiv 2017

Deze week werd ook duidelijk wie de leden van de evaluatiecommissie voor de Wiv 2017 zijn (zie Staatscourant nr. 21256).  

De meesten zijn mij wel bekend en betreft volgens mij een deskundig gezelschap. Ik zet ze hierbij op een rijtje (waarbij ik zelf hun achtergrond aan heb toegevoegd):

– drs. R.V.M. Jones-Bos (o.a. voormalig ambassadeur in Moskou)

– mr. Th.P.L. Bot (lid van ‘Raad van Rechtshandhaving’ en ervaring als o.a. plaatsvervangend hoofd van de AIVD in 2001 en 2002)

– prof. mr. E.J. Dommering (emeritus hoogleraar informaticarecht);

– prof. dr. L.J. van den Herik (hoogleraar internationaal publiekrecht);

– prof. dr. B.P.F. Jacobs (hoogleraar beveiliging en correctheid van software);

– vice-admiraal b.d. W. Nagtegaal;

– prof. mr. S.E. Zijlstra (hoogleraar staats- en bestuursrecht).

Onderzoeksonderwerpen

De Commissie Jones-Bos heeft als opdracht te onderzoeken:  

  • Of de wet datgene heeft gebracht wat de wetgever daarmee voor ogen had (realisatie van de doelstellingen van de wet);
  • Of de wet in de praktijk een werkbaar instrument is gebleken voor de taakuitvoering van de diensten;
  •  Welke knel- en aandachtspunten in de toepassingspraktijk van de wet te onderkennen.

Daarbij moet bijzondere aandacht worden geschonken aan:

  1. het integrale stelsel van toezicht, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan:
  • de inrichting, functie en positie van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB), een en ander tegen de achtergrond van het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid;
  • de positionering van de klachtbehandeling bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en de effectiviteit daarvan mede vanuit het burgerperspectief;
  • de rechtseenheidsvoorziening TIB – CTIVD;
  • de benoemingsprocedure voor de leden van TIB en CTIVD.

2. de bevoegdheden van de diensten tot gegevensverwerking en de daarvoor geldende waarborgen, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan:

  • de toepassing en inpasbaarheid van nieuwe technieken binnen de wettelijk geregelde bevoegdheden (techniekonafhankelijkheid);
  • de toepassing van het gerichtheidscriterium bij bijzondere bevoegdheden;
  • het datareductiestelsel en de bewaartermijnen;
  • de duidelijkheid van in de wet gehanteerde terminologie.

3. de bevoegdheden en waarborgen met betrekking tot internationale samenwerking van de diensten (zowel op vlak van gegevensverstrekking als ondersteuning).

Is de Wiv 2017 voldoende werkbaar?

Uit de opsomming blijkt dat er veel aandacht is voor (simpel gezegd) de vraag of de nieuwe wet wel ‘werkbaar’ is voor de AIVD en de MIVD. De opdracht: “Welke knel- en aandachtspunten in de toepassingspraktijk van de wet te onderkennen” is overigens heel raar geformuleerd, maar het lijkt om de identificatie van deze knelpunten te gaan.

De AIVD benadrukt in het jaarverslag in het voorwoord en op p. 22 “de zorg over het vermogen om binnen de huidige kaders verborgen dreigingen te kunnen (blijven) onderkennen” vanwege deze nieuwe wet, maar zij leggen niet uit waar die knelpunten dan uit bestaan. We gaan er uiteraard vanuit dat de commissieleden ook door andere partijen dan de AIVD hierover wordt gevoed.

Waar is het onderwerp van ‘data-analyse’ gebleven?

In de nota naar aanleiding van verslag over de Wijzigingswet Wiv 2017 (zie daarover deze blog) gaf de minister nog aan – naar aanleiding van vragen van kritische Kamerleden – dat het vraagstuk van ‘geautomatiseerde data-analyse’ mogelijk in de evaluatie wordt betrokken. En in de Kamerbrief over de evaluatiecommissie van 12 november 2019 werd het onderwerp van ‘geautomatiseerde data-analyse’ nog specifiek genoemd.

Nu lijkt het onderwerp van geautomatiseerde data-analyse naar de achtergrond te zijn geschoven, maar hopelijk wordt het ingelezen bij het aandachtspunt van de ‘de toepassing en inpasbaarheid van nieuwe technieken binnen de wettelijke geregelde bevoegdheden’. Het lijkt mij namelijk van belang ook de toepassingspraktijk sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Wiv in verhouding tot de noodzakelijke waarborgen te onderzoeken.

Planning

Tot slot merk ik nog iets op over de planning. In de Kamerbrief van 12 november 2019 werd nog een doorlooptijd van zes maanden genoemd (met afronding rapport in november 2020). Dat leek mij sowieso wel krap om de onderzoekswerkzaamheden uit te voeren, gesprekken te voeren en het rapport op te stellen. Maar goed, vanwege het Coronavirus wordt de datum voor de oplevering van het rapport later vastgesteld en bekend gemaakt in de Staatscourant. We gaan het zien!

== Update =

Link naar jaarverslag MIVD toegevoegd.