
Op 28 augustus 2026 is het conceptwetsvoorstel voor de ‘Wet bescherming nationale veiligheid door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten’ (Wbnv) gepubliceerd voor internetconsultatie. Tot en met 11 oktober 2026 kan iedereen via internetconsultatie.nl op het voorstel reageren. Het is de bedoeling dat de Wbnv de huidige Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) en de Tijdelijke cyberwet (Stb. 2024, 88) opvolgt.
Aanleiding voor het wetsvoorstel is het veranderde dreigingslandschap, dat wordt gekenmerkt door hybride dreigingen en offensieve cyberprogramma’s van statelijke actoren zoals Rusland en China. Daarnaast spelen geconstateerde operationele knelpunten en de toegenomen ‘administratieve lastendruk’ onder de Wiv 2017 een rol. De wettelijke taken van beide diensten blijven inhoudelijk in grote lijnen hetzelfde.
Alleen de AIVD en de MIVD vallen onder het toezichtstelsel van de nieuwe wet, en dus niet de NCTV en andere spelers in het nationale veiligheidsdomein. In deze signalering bespreek ik kort enkele belangrijke pijlers van het conceptwetsvoorstel: het nieuwe opponentenregime, de herziening van het toezichtstelsel, de modernisering van bijzondere operationele bevoegdheden, de intensivering van de samenwerking met publieke partijen en de introductie van een wettelijk kader voor publiek-private samenwerking.
Het conceptwetsvoorstel bevat daarnaast een omvangrijke nieuwe regeling over het staatsnoodrecht, opgenomen in hoofdstuk 11 van het wetsvoorstel. Die regeling blijft in deze signalering buiten beschouwing. Naar aanleiding van de reacties op de internetconsultatie kan het voorstel nog worden aangepast. Daarna volgt onder meer advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State, waarna het wetsvoorstel eventueel wordt gewijzigd voordat het bij de Tweede Kamer wordt ingediend.
Het ‘opponentenregime’
In het voorgestelde opponentenregime (paragraaf 4.6) is het de bedoeling dat niet langer voor iedere individuele inzet van bijzondere bevoegdheden voorafgaande toestemming en een afzonderlijke rechtmatigheidstoets nodig zijn. Voor de inzet van bijzondere bevoegdheden tegen vooraf aangewezen opponenten, waaronder bepaalde statelijke, militaire, paramilitaire en terroristische organisaties, toetst een onafhankelijk college vooraf de aanwijzing van de organisatie als geheel. Deze aanwijzing geldt voor maximaal één jaar en kan telkens met maximaal één jaar worden verlengd. Daarna kan het diensthoofd binnen dit kader zelfstandig operationele toestemming verlenen voor de inzet van bijzondere bevoegdheden.
Voor bepaalde vergaande bijzondere bevoegdheden, zoals DNA-onderzoek, verkenning voor bulkinterceptie en bulkinterceptie zelf, blijft de reguliere toestemmings- en toetsingsprocedure gelden.
Hoewel de reguliere hackbevoegdheid binnen de opponentenprocedure kan worden ingezet, is het gericht bevragen van de daaruit verkregen ‘bijzondere bulkgegevens’ wel onderworpen aan een voorafgaande rechtmatigheidstoets (artikel 84). Opvallend is dat voor het binnendringen in een geautomatiseerd werk en het daaropvolgende ‘positioneren’ en treffen van voorbereidingen geen afzonderlijke voorafgaande rechtmatigheidstoets door het CTT is vereist. Pas wanneer de diensten overgaan tot de daadwerkelijke ‘uitwinning’ van gegevens of het aanbrengen van bepaalde voorzieningen, is een bindende CTT-toets vooraf verplicht (artikel 78).
Nieuw stelsel voor het vorderen van gegevens
De wetgever introduceert ook een fors uitgebreid stelsel voor het vorderen van gegevens. De diensten kunnen voortaan op grond van de wet gegevens vorderen bij aanbieders van communicatiediensten en onlineplatforms (artikelen 87 tot en met 90), bij kredietinstellingen en financiële instellingen (artikel 92) en, onder bepaalde voorwaarden, bij bestuursorganen of private entiteiten ter bescherming van weerbaarheidsbelangen (artikel 94). Deze vorderingsbevoegdheden zijn op hoofdlijnen vergelijkbaar met de vorderingsbevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering.
Eén college voor toetsing en toezicht
Het conceptwetsvoorstel introduceert een stelselwijziging waarbij de huidige twee toezichthouders, de TIB en de CTIVD, worden samengevoegd tot één geïntegreerd College van Toetsing en Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTT). De toezichthouders hebben eerder zelf tot een dergelijke samenvoeging opgeroepen.
Binnen het nieuwe college is de afdeling Toetsing belast met de voorafgaande bindende rechtmatigheidstoetsing van de inzet van bepaalde bijzondere bevoegdheden. De afdeling Toezicht houdt daarentegen toezicht op de rechtmatigheid van de gegevensverwerking tijdens en na operaties, en op de naleving van de overige bepalingen van de wet. Daarnaast komt er een afzonderlijke afdeling Klachtbehandeling.
In het conceptwetsvoorstel mogen de afdelingen Toetsing en Toezicht nauwer samenwerken. Zo kan de afdeling Toetsing bijvoorbeeld ‘aandachtspunten’ meegeven aan de afdeling Toezicht. Bovendien krijgt de afdeling Toezicht, in navolging van de Tijdelijke cyberwet, ten aanzien van een aantal bepalingen de mogelijkheid bindende oordelen te geven. Dat kan leiden tot vergaande operationele gevolgen, zoals de onmiddellijke beëindiging van de inzet van een bevoegdheid of de verplichte vernietiging van onrechtmatig verwerkte gegevens (artikel 188). Tegen alle bindende oordelen van het CTT staat voor de betrokken ministers versneld beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (artikel 207).
Een grotere rol voor de MIVD
Een belangrijk beoogd verschil met de Wiv 2017 betreft de aanzienlijk grotere rol van de MIVD als inlichtingendienst voor Defensie. Die ontwikkeling is ingegeven door de verschuiving van de nadruk op operaties in het buitenland naar de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijke grondgebied als beoogde hoofdtaak. Om in deze ‘grijze zone’ effectief te kunnen opereren, moet de krijgsmacht gegevens veel sneller kunnen omzetten in militair optreden.
Artikel 116 Wbnv faciliteert dit door de MIVD onder voorwaarden de bevoegdheid te geven om onbewerkte brongegevens, voordat deze volledig zijn beoordeeld en verwerkt, te delen met andere defensieonderdelen, zoals het Defensie Cyber Commando (DCC) en JISTARC. Ook voorzien de artikelen 136 en 137 in een grondslag voor wederkerige operationele en technische ondersteuning, waardoor andere onderdelen van Defensie en de MIVD elkaars capaciteiten kunnen versterken.
De verstrekking van gegevens door de MIVD valt onder het toezichtstelsel van de Wbnv. Voor de daaropvolgende verwerking van deze gegevens door andere onderdelen van Defensie geldt echter het reguliere gegevensbeschermingsrecht en is de Autoriteit Persoonsgegevens de bevoegde toezichthouder.
Een wettelijke grondslag voor publiek-private samenwerking
Ten slotte wordt cybersecurity in de Wbnv veel nadrukkelijker dan voorheen benaderd als een onderwerp dat rechtstreeks raakt aan de nationale veiligheid. Daarbij wordt de rol van private partijen onderkend en beoogt de wetgever beter gebruik te maken van hun gegevens, expertise en informatiepositie.
Als antwoord hierop introduceert het wetsvoorstel in de artikelen 144 en 145 een expliciete, structurele grondslag voor publiek-private samenwerking (PPS) met bedrijven, waaronder cybersecuritybedrijven, en kennisinstellingen. Afhankelijk van de vorm kan deze samenwerking bestaan uit het uitwisselen van gegevens, het verrichten van gezamenlijke analyses en het verlenen van wederzijdse technische of operationele ondersteuning en bijstand, zoals het delen van malwareanalyses. Voor structurele samenwerkingsrelaties waarbij persoonsgegevens worden verwerkt, gelden aanvullende voorwaarden, waaronder het opstellen van een wegingsnotitie en het verkrijgen van ministeriële toestemming.
De reikwijdte van de zogenoemde verstoringsbevoegdheid van artikel 97 Wbnv blijft echter onduidelijk, ook in de context van cybersecurity. De bepaling maakt het mogelijk maatregelen te bevorderen of zelf te treffen ter bescherming van de belangen die de diensten behartigen. Hoewel de memorie van toelichting duidelijk maakt dat dergelijke maatregelen zowel fysiek als digitaal kunnen plaatsvinden, bevat zij nauwelijks concrete uitleg over de mogelijke inzet en begrenzing van deze bevoegdheid.
Nadere aandacht voor het toezicht in de grijsgebieden
Dit zijn slechts enkele belangrijke wijzigingen uit het omvangrijke conceptwetsvoorstel. Er is ongetwijfeld meer dat nadere bestudering verdient. Zoals ik vandaag in NRC opmerkte: the devil is in the details. De afzonderlijke bepalingen zullen daarom nog zorgvuldig moeten worden doorgelicht, onder meer door de toezichthouders en de Afdeling advisering van de Raad van State.
Zelf zie ik in het bijzonder mogelijke toezichtproblemen wanneer staatsgeheime gegevens en gezamenlijke analyses worden gedeeld met andere defensieonderdelen, de politie of het NCSC, die deze informatie vervolgens voor hun eigen taakuitvoering gebruiken.