Cybercrime jurisprudentieoverzicht mei 2024

Hoge Raad: het woord website kwalificeert niet als geautomatiseerd werk

De Hoge Raad heeft op 19 maart 2024 in een arrest (ECLI:NL:HR:2024:455) bevestigd dat de woorden ‘website van [huisartsenpost]’ niet kan worden begrepen als een ‘een inrichting die de functionaliteit van website in stand houdt’, of als aanduiding van “gedeelte van” geautomatiseerd werk (in de zin van art. 80sexies Sr (oud)). 

In de onderhavige zaak heeft het hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2022:1551) de woorden “website van [huisartsenpost]” opgevat als een aanduiding in de tenlastelegging van het geautomatiseerd werk waarop is binnengedrongen of waarvan een gedeelte is binnengedrongen. Daarbij heeft hof overwogen dat die website als zodanig “feitelijk slechts bestaat uit samenstel van gegevens, geen fysieke vorm heeft en derhalve karakter van ‘inrichting’ ontbeert”.

Het hof Den Haag heeft de verdachte vrijgesproken, omdat de (in cassatie niet bestreden) dergelijke website op zichzelf niet als geautomatiseerd werk kan worden aangemerkt. De uitleg die hof heeft gegeven aan de tenlastelegging met het daarin voorkomend begrip “(gedeelte van) een geautomatiseerd werk”, welk werk bestond uit “website van [huisartsenpost]” is, mede in licht van wat is vooropgesteld en ontbreken van concrete aanduiding op welke daar bedoelde inrichting de tenlastelegging op ziet, niet onverenigbaar met bewoordingen van tenlastelegging en moet in cassatie worden geëerbiedigd.

De klacht dat “website van [huisartsenpost]” in tenlastelegging moet worden begrepen als een inrichting die de functionaliteit van website in stand houdt, of als aanduiding van “gedeelte van” geautomatiseerd werk, faalt daarom.

Veroordeling voor grootschalige bankmedewerkerfraude

Op 12 maart 2024 heeft de rechtbank Amsterdam een verdachte veroordeeld voor drie jaar gevangenisstraf, waarvan een jaar voorwaardelijk, vanwege grootschalige en jarenlange internationale bankmedewerkerfraude, phishing en witwassen (ECLI:NL:RBAMS:2024:1419).

De verdachte veroordeelt voor:

  1. Het – samen met anderen – stelen van geldbedragen van rekeninghouders van de ING Bank/Rabobank/Regiobank met gebruikmaking van onder valse voorwendselen en/of diefstal verkregen (inlog)gegevens, pincodes en/of bankpassen in de periode van 29 januari 2021 tot en met 21 november 2022 te Amsterdam (zaaksdossiers Anydesk en [X];
  2. Het samen met anderen bewegen van rekeninghouders tot afgifte van geldbedragen (totaal € 24.989,34) door zich onder valse naam voor te doen als bankmedewerker en de rekeninghouders onder valse voorwendselen, namelijk problemen met hun bankrekening(en), het programma Anydesk te laten installeren en een externe (remote) verbinding laten accepteren, waarna de computers van deze rekeninghouders werden binnengedrongen en de verdachte en/of zijn mededaders vervolgens toegang hadden tot (inlog)gegevens en bankpas(sen) van de rekeninghouders in de periode van 13 november 2022 tot en met 21 november 2022 te Amsterdam;
  3. Het voorhanden hebben van meerdere phishinglinks, phishingpanels, software voor het geautomatiseerd doorgeven van gegevens, leads(lijsten), targetlijsten en (bulk)sms-berichten, in de periode van 1 mei 2021 tot en met 13 december 2022 te Amsterdam, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting, diefstal, afpersing of verduistering (zaaksdossier [naam 1] en zaaksdossier Phishing panels en leads);
  4. Het voorhanden hebben van 41 servers en/of phishingpanels en/of programma’s/software voor het geautomatiseerd doorgeven van gegevens, telkens met de bedoeling om (inlog)gegevens af te vangen en/of te verkrijgen die toegang geven tot een of meerdere bankrekeningen in de periode van 14 maart 2021 tot en met 13 december 2022 te Amsterdam;
  5. Gewoontewitwassen van meerdere geldbedragen (totaal € 790.011,05) in de periode van 1 augustus 2021 tot en met 5 juli 2023 te Amsterdam (Algemeen dossier en zaaksdossier witwassen).

De politie heeft ook onderzoek gedaan naar bankrekeningen op naam van anderen (money mules), waarvan wordt vermoed dat verdachte daar beschikking over had en die gebruikt werden om crimineel geld wit te wassen, net als vervolgonderzoek naar de bekende bankrekeningen van verdachte en zijn cryptovermogen. Gelet op de eerdere overwegingen waarin de rechtbank de diefstallen, de oplichtingen en het voorhanden hebben van phishing panels, leads en technische hulpmiddelen bewezen acht, en gelet op de hoogte van de geldbedragen die niet kunnen worden verklaard uit legale inkomsten of vermogenscomponenten van verdachte, is er een gerechtvaardigd witwasvermoeden. Dat betekent dat van verdachte een verklaring over de herkomst van het geld mag worden verlangd. Voor zover het bewijsoordeel van de rechtbank in weerwil is van de verklaring van verdachte en/of de betwisting van het witwasbedrag door de verdediging, gaat de rechtbank daar in de uitspraak op in.

De rechtbank overweegt dat de verdachte is op jonge leeftijd begonnen met deze feiten en is ondanks een eerdere veroordeling ermee doorgegaan. Uit de aangiftes is af te leiden dat de slachtoffers te goeder trouw waren. Dit vertrouwen heeft verdachte in grove mate beschadigd. Bovendien gaat het in veel gevallen om mensen op leeftijd. Deze mensen hebben doorgaans in hun leven jarenlang hard gewerkt en gespaard om op hun oude dag nog te kunnen genieten van hun pensioen. Verdachte en zijn mededaders hebben het structureel zonder aarzeling op deze doelgroep gemunt. De verdachte zat diep in een groot crimineel netwerk waarin hij gemakkelijk aan target- en leadslijsten kon komen. Hij verrichte niet alleen strafbare handelingen voor zichzelf, maar deed dat ook als vriendendienst voor anderen. Zo was hij naar eigen zeggen goed in het vrijmaken van buitgemaakt geld, maar ook in andere zaken, zoals het vervalsen van identiteitsdocumenten en facturen en het misleiden van de bank en cryptobedrijven.

De rechtbank overweegt ook – met de gebruikelijke sterke bewoordingen – dat het witwassen van criminele gelden ‘een bedreiging van de legale economie vormt en de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Het heeft een corrumperende invloed op het normale handelsverkeer en is daarmee ook een bedreiging voor de samenleving’. Witwassen bevordert het plegen van delicten, omdat door het wegsluizen van crimineel geld en/of het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden de opsporing van de onderliggende misdrijven wordt bemoeilijkt en zonder witwassen het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. De rechtbank vindt het verder extra kwalijk dat verdachte reeds eerder is veroordeeld en in twee proeftijden liep.

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het (mede)plegen van meerdere diefstallen met valse sleutel, oplichtingen, voor het voorhanden hebben van voorwerpen en gegevensdragers die geschikt zijn om deze feiten mee te plegen met het oogmerk dat die feiten werden gepleegd (art. 139d en 234 Sr) en voor gewoontewitwassen voor een bedrag van € 762.812,42.

Digitaal bewijs bij gewapende roofoverval

De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 april 2024 enkele verdachten veroordeeld voor een roofoverval. De uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2024:4337) is interessant vanwege de interessante overwegingen omtrent digitaal bewijs, namelijk een analyse van reisbewegingen van mobiele telefoon en cryptotransacties.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een uiterst professioneel ogende en goed voorbereide gewapende overval. Er zijn voorverkenningen geweest en het slachtoffer is toen hij nietsvermoedend naar zijn auto liep om naar zijn werk te gaan, opgewacht door meerdere daders met zwarte sjaals voor hun mond, waarbij de ene dader een vuurwapen op zijn hoofd richtte, een tweede zijn koffer afpakte en de derde zijn autosleutel. Het slachtoffer is vervolgens door de daders gedwongen om achterin zijn eigen auto te gaan zitten. Tijdens het rijden zijn de polsen van het slachtoffer met tie-rips aan elkaar gebonden.

De verdachte werd onder bedreiging van het vuurwapen gedwongen zijn telefoons af te geven. Ook moest hij de pincodes voor zijn telefoon en zijn KuCoin-app – een app waarin cryptoportemonnees (“wallets”) beheerd kunnen worden – aan de mannen vertellen. De daders hebben hierna ruim 859 Monero aan cryptovaluta afgeboekt, met een waarde van op dat moment € 186.507,39. Het slachtoffer is ruim een uur van zijn vrijheid beroofd geweest en is uiteindelijk alleen en zonder telefoons achtergelaten in zijn auto.

In de bewijsmotivering staat dat celmateriaal was aangetroffen op de jas en de kabelbinders van het slachtoffer dat hoogstwaarschijnlijk aan de daders toebehoorden. Verder speelde nadrukkelijk als bewijs mee: (a) bewijsmiddelen met betrekking tot de telefoonnummers van de verdachten, (b) bewijsmiddelen met betrekking tot reisbewegingen van en onderlinge contacten tussen vermeende dadertelefoons, (c) bewijsmiddelen met betrekking tot een link tussen een vermeende dadertelefoon en het slachtoffer en (d) bewijsmiddelen met betrekking tot cryptotransacties.

Dit heeft geleid tot onderstaande tabel, waarbij de aangehaalde plaatsen steeds betekenen dat het betreffende telefoonnummer een zendmast in die plaats aanstraalt.

Verklaring [slachtoffer] / camerabeeldenReisbewegingen [telefoonnummer 6] 6Reisbewegingen [telefoonnummer 7] 7Reisbewegingen [telefoonnummer 8] 8
06:25 tot 06:39 uur – Berkhout06:26 uur – Berkhout
06:51 uur – Berkhout
07:08 uur – [slachtoffer] loopt naar zijn auto, geparkeerd in Hoorn
07:11 uur – de auto van [slachtoffer] rijdt weg van parkeerplaats in Hoorn07:11 tot 07:16 uur – Hoorn07:11 uur – Berkhout
07:17 uur – Berkhout07:17 uur – Hoorn
07:22 uur – Scharwoude
07:23 uur – Berkhout07:23 uur – Scharwoude07:23 – Scharwoude
± 07:26 uur – één van de daders stapt uit de auto (exacte locatie onbekend)07:26 uur – Oosthuizen
07:27 uur – De Goorn
07:35 uur – Purmerend07:35 uur – Wijdewormer07:34 uur – Purmerend
08:09 uur – Zuidoostbeemster
08:09 uur – Oosthuizen
08:15 uur – de andere twee daders zijn ook uitgestapt en laten de auto en [slachtoffer] achter in Middelie08:15 uur – Purmerend08:15 uur – Uithoorn

De rechtbank concludeert dat de drie telefoons op 1 oktober 2021 tussen 06:25 uur en 07:35 uur min of meer dezelfde reisbewegingen maken. Er zijn geen registraties van deze nummers meer na 1 oktober 2021 om 08:15 uur. De nummers zijn niet op naam gesteld.

Ook heeft de politie onderzoek gedaan naar de bankrekeningen de verdachten, is informatie opgevraagd bij KuCoin en andere cryptoplatforms, en is de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte onderzocht. Op die telefoon zijn foto’s aangetroffen van zogenoemde ‘seed phrases’. Met gebruik van deze seed phrases kon onder meer een wallet die op de Monero blockchain draaide, hersteld worden. Daaruit blijkt dat de verdachten en tweemedeverdachten kort na de overval op het slachtoffer Monero ontvingen in hun – zeer recent geopende – cryptowallets.

De combinatie van deze bewijsmiddelen leidt tot vaststelling van de schuld van de verdachte. De verdachte in de onderhavige uitspraak wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden. Ook krijgt het slachtoffer een vergoeden van de gelede schade van € 197.035,39, bestaande uit € 187.035,39 als vergoeding voor de materiële en € 10.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade. De rechtbank overweegt daarbij als strafvermeerderende omstandigheid dat de overval grote financiële en psychische gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer.

Geen teruggave versleutelde telefoon

De rechtbank Zeeland-West-Brabant publiceerde op 19 april 2024 een interessante beslissing gewezen (ECLI:NL:RBZWB:2024:2634) over een inbeslaggenomen telefoon van een verdachte in een grootschalig onderzoek waarbij hij in verband wordt gebracht met een Exclu-account op een cryptotelefoon.

De raadkamer van de rechtbank overweegt over het klaagschrift van de klager (de bovengenoemde verdachte), het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,

b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de telefoon. Zij overweegt daarbij dat politie en justitie begrijpelijkerwijs geïnteresseerd zijn in de telefoon van klager. Tot op heden is het de politie namelijk niet gelukt om alle gegevens op de telefoon te ontsleutelen. Klager heeft geweigerd de code van de telefoon te verstrekken.

Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer 1009 blijkt dat het met de huidige methoden en technieken niet mogelijk is gebleken om de gegevens op het toestel inzichtelijk te maken en dat het bij eventuele toekomstige pogingen noodzakelijk is dat de politie over de telefoon kan beschikken.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op het voornoemde, het belang van strafvordering niet in strijd komt met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat de klager zijn telefoon nodig heeft voor zijn onderneming en om zijn bankzaken te regelen maakt dit oordeel niet anders. Gelet op de huidige technologische mogelijkheden – bijvoorbeeld via iCloud – is het niet ondenkbaar dat klager op een andere wijze beschikking krijgt over de gegevens en documenten die hij op de telefoon had opgeslagen. Daarom is het klaagschrift ongegrond.

Vormfouten bij hackbevoegdheid leidt niet tot sancties

Op 15 april 2024 wees de rechtbank Overijssel een interessante uitspraak (ECLI:NL:RBOVE:2024:2048), waar op de toepassing van de hackbevoegdheid wordt ingegaan. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de bevoegdheden ex artikel 126m, 126l en 126nba Sv zijn ingezet, telkens na machtiging van de rechter-commissaris. Aan elk van deze bevelen ligt een proces-verbaal ten grondslag met (aanvullende) informatie die, bezien in onderling verband en samenhang, met de eerdere informatie voldoende grond vormt voor de verdenking van in ieder geval overtreding van de Opiumwet, feiten die gezien hun aard of de samenhang met andere feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris in al die gevallen in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de afgegeven machtigingen heeft kunnen komen.

Het standpunt van de verdachte ten aanzien van artikel 126nba Sv dat het opsporingsmiddel geen geschikt en goedgekeurd technisch hulpmiddel betreft, vindt voor wat betreft het niet gekeurd zijn van het opsporingsmiddel naar het oordeel van de rechtbank steun in de processen-verbaal aanvragen en bevelen onderzoek geautomatiseerd werk (artikel 126nba). Volgens artikel 21, tweede lid, van het Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk (hierna: Bogw) is dit toegestaan. Zoals vereist in het tweede lid heeft de officier van justitie in de bevelen vermeldt dat het onderzoeksbelang dringend vordert dat (een) technisch(e) hulpmiddel(en) als bedoeld in artikel 21, tweede lid, Bogw wordt/worden ingezet. Het derde lid van artikel 21 Bogw vereist dat wanneer er gebruik wordt gemaakt van een niet gekeurd technisch hulpmiddel, de officier van justitie de uitkomst van de keuring of herkeuring na afloop van het gebruik vermeldt in de processtukken. Het vierde lid van artikel 21 Bogw maakt afwijking van het derde lid mogelijk. In dat geval vermeldt de officier van justitie in de processtukken dat toepassing is gegeven aan dit artikel lid en vermeldt hij welke aanvullende waarborgen zijn getroffen om de betrouwbaarheid, integriteit en herleidbaarheid van de met het technisch hulpmiddel vastgelegde gegevens te garanderen. De rechtbank stelt vast dat geen van de in het derde en vierde lid van artikel 21 Bogw vereiste vermeldingen in de processtukken staan. De rechtbank is van oordeel dat er op dit punt sprake is van een vormverzuim.

De verdachte heeft enkel benoemd dat het technisch hulpmiddel niet gekeurd is en dat om die reden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiermee voldoet het verweer van verdachte niet aan de vereisten die de Hoge Raad stelt voor een geslaagd verweer in de zin van artikel 359a Sv (zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533). De Hoge Raad eist dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren zoals genoemd in artikel 359a, tweede lid, Sv tot uitdrukking wordt gebracht tot welk rechtsgevolg het door hem aangevoerde vormverzuim zou moeten leiden. De verdachte heeft niet gesteld welk belang het geschonden voorschrift dient, wat de ernst van het verzuim is en welk nadeel daardoor is veroorzaakt. De rechtbank verwerpt dan ook om die reden het verweer.

In een tweede zaak waarin de hackbevoegdheid wordt ingezet, heeft de raadvrouw verweren gevoerd over de rechtmatigheid van het inzetten van de bevoegdheid op grond van artikel 126nba Sv in het buitenland en het uitlezen van bepaalde telefoons van verdachte in Nederland.

De rechtbank Overijssel is in deze zaak (ECLI:NL:RBOVE:2024:1255) van oordeel dat niet gebleken is dat de bevoegdheid als bedoeld in artikel 126nba Sv gebruikt is op momenten dat verdachte zich buiten Nederlands grondgebied bevond. Voor zover dit wel het geval zou zijn geweest, overweegt de rechtbank dat de zogenoemde ‘Schutznorm’ verhindert dat verdachte een beroep zou kunnen doen op bewijsuitsluiting. Een eventuele inbreuk op de soevereiniteit van de staat binnen wiens grenzen is opgetreden, betreft geen belang van verdachte, maar het belang van de betreffende staat. De vraag of door de Nederlandse opsporingsambtenaren bij het verrichten van opsporingshandelingen in het buitenland het toepasselijke verdragsrecht en Unierecht is nageleefd, is in het kader van de strafzaak tegen de verdachte in zoverre niet relevant (met verwijzing naar HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913).