Annotatie bij Macro-malware zaak

Hieronder volgt mijn annotatie (.pdf) bij de Macro-malware zaak.

Citeertitel: Rb. Rotterdam 19 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2395, Computerrecht 2020/88, m.nt. J.J. Oerlemans

Inleiding

De verdachte is in deze zaak veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2020:2395) voor het vervaardigen, verkopen, verspreiden en voorhanden hebben van malware met het oogmerk computervredebreuk te plegen. De verdachte ontwikkelde het programma ‘Rubella Macro Builder’. Het is zogenoemde ‘macro-malware’, omdat het aan Officedocumenten zoals Word en Excel een stuk verborgen code toevoegt die iets uitvoert. De verdachte had het programma zo geprogrammeerd dat het heimelijk verbinding legde met een externe server waardoor cybercriminelen hun eigen malware konden plaatsen op de computers van de slachtoffers. De zaak is interessant, omdat het een van de weinige veroordelingen is voor de vervaardiging van malware door een Nederlander en het misbruik maken van de macro-functionaliteit in Office-documenten een veelgebruikte aanvalstechniek is van cybercriminelen.

Bron: McAfee.

Onderzoek vangt aan door particulier onderzoek

De zaak begon niet met een opsporingsonderzoek door de politie, maar met een onderzoek van cybersecuritybedrijf McAfee. De onderzoekers bij McAfee viel een advertentie op het oog van het programma op een hackersforum. Het screenshot van een geprepareerd Word-document had Nederlandse taalinstellingen. Dat is ongebruikelijk in de hackerswereld, waar de voertaal volgens McAfee doorgaans Engels is. Ook was een chataccount (van Jabber) van een ene ‘Rubella’ te vinden. De onderzoekers namen contact op via Jabber met de aanbieder en toonde interesse in de software.

Nader onderzoek van de malware – ‘Dryad’ genaamd – toonde verschillende functionaliteiten aan, zoals (1) de mogelijkheid een uitvoeringsbestand te downloaden van een aangegeven URL, (2) de mogelijkheid (o.a.) een .exe-bestand op een computer te starten, (3) de bestandsnaam van de download te wijzigen, (4) verschillende functionaliteiten om antivirusprogramma’s te omzeilen, en (5) de functionaliteit een Word- of Excel-document te generen.

Strafbare karakter van feiten

De verdachte wordt het vervaardigen van malware, te weten ‘Rubella’, ‘Dryad’ en ‘Cetan’, ten laste gelegd. Deze typen malware zijn hoofdzakelijk geschikt voor het voorbereiden van het plaatsen van afluister- en/of hackapparatuur (strafbaar gesteld in art. 139d lid 2 sub a Sr jo 138ab Sr). De verdachte heeft deze malware vervolgens verkocht, verspreid, anderszins ter beschikking gesteld en voorhanden gehad. Het fungeert als ‘tool’ voor cybercriminelen (zie r.o. 4.2.1). In 2017 berichtte Europol dat misbruik van de macro-functionaliteit in Office-documenten een veel gebruikte aanvalstechniek is van cybercriminelen.

Zie bijvoorbeeld Europol, ‘Internet organised threat assessment report 2017’, p. 57:

“A common approach is to attach a malicious attachment to an email, often a Microsoft Office document containing malicious macro code – a tactic that Dridex is notorious for resurrecting. Alternatively the message may include a link to a malicious URL which will then attempt to infect the target computer when they visit the site.”

De verdediging voert aan dat de verdachte geen oogmerk had dat met de software computervredebreuk wordt gepleegd. Het benodigde oogmerk voor de strafbaarstelling zou dus ontbreken, waardoor de verdachte moet worden vrijgesproken. De rechtbank gaat daar niet in mee. Er is veel bewijs voorhanden dat tot bewezenverklaring van het benodigde oogmerk leidt. De verdachte zegt in zijn verklaring bijvoorbeeld dat de software is ontwikkeld om antivirusprogramma’s te omzeilen en toegang te krijgen tot andermans computer. Ook verklaart hij ter zitting dat hij op een bepaald moment de Rubella software is gaan verkopen (r.o. 4.2.3). Dat is mijns inziens in feite een bekentenis.

De rechtbank overweegt dat verdachte de producten op hackersfora verkocht en daarop zijn producten aanprees. Zo is te lezen in een digitale advertentie van Rubella dat het mogelijk is om aan deze malware een ‘powershell payload’ toe te voegen. Met ‘payload’ wordt malware bedoeld die een kwaadwillende kan uitvoeren bij zijn slachtoffer. In de advertentietekst wordt verder benadrukt dat het mogelijk is om met deze malware anti-virusdetectie te omzeilen. Tevens wordt benadrukt in de advertentietekst dat de malware al vier weken FUD zou zijn. Wanneer een bestand FUD is, wordt bedoeld dat het niet door antivirussoftware wordt herkend als zijnde een virus, aldus de rechtbank in zijn uitleg van deze zaak met een hoog technisch karakter (r.o. 4.2.3).

De rechtbank leidt het oogmerk onder andere af uit het geanalyseerde berichtenverkeer op telefoon van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte zelf het verband al heeft gelegd tussen het maken en verkopen van deze software en de strafbaarstelling op grond van artikel 139d lid 2 sub a Sr (r.o. 4.2.3). De verdachte wordt ook veroordeeld voor het voorhanden hebben van creditcardgegevens van 42 personen, terwijl hij wist dat het mogelijk was om met deze gegevens creditcardfraude te plegen.

De rechtbank acht het ontoegankelijk maken van gegevens met de programma’s niet bewezen, omdat uit de beschikbare dossierinformatie onvoldoende is gebleken dat de door de verdachte vervaardigde en verkochte malware hoofdzakelijk geschikt of ontworpen was om gegevens te wissen of onbruikbaar te maken, dan wel vernieling van een geautomatiseerd werk te plegen (zoals bij ransomware, zie ook Rb. Rotterdam 26 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6153, Computerrecht 2018/210, m.nt. J.J. Oerlemans en mijn blogbericht over de strafbaarstelling van het vervaardigen en voorhanden hebben van ransomware).

Veroordeling

De verdachte wordt veroordeeld tot 12 dagen gevangenisstraf (de tijd dat hij in voorarrest heeft gezeten) en een taakstraf van 240 uur, met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen met een proeftijd van 3 jaren.

Opvallend is dat reclassering adviseerde de verdachte aan te melden bij het programma ‘Hack_Right’ om een positieve draai te geven aan de vaardigheden van de verdachte. Binnen het programma lopen jonge hackers bijvoorbeeld stage bij een cybersecuritybedrijf. De rechtbank vindt het niet nodig dat de verdachte het programma Hack_Right volgt, vanwege ‘de voorwaardelijke gevangenisstraf gedurende een proeftijd van drie jaren en vanwege het leereffect dat van deze strafzaak zal uitgaan voor de verdachte’. De destijds 6,76 Bitcoin (met een waarde van 22.711,97 euro) wordt verbeurd verklaard, omdat deze vermoedelijk met de strafbare feiten zijn verkregen.

De strafoplegging valt tegelijkertijd lager uit dan de officier van justitie heeft geëist. Dat is volgens de rechtbank te verklaren vanwege de overwegingen van de persoon van de verdachte en deels omdat minder wordt bewezen dan de officier van justitie ten laste had gelegd.

Conclusie

Juridisch gezien is er weinig op te merken aan de uitspraak. De rechtbank voert de juiste overwegingen in deze technische zaak en het oordeel van de rechtbank is begrijpelijk. De straf kan als laag worden gezien, omdat de software het mogelijk maakt voor cybercriminelen om op grote schaal computervredebreuk te plegen. De veroorzaakte schade door de software is mogelijk aanzienlijk. Echter, op het delict staat slechts maximaal twee jaar gevangenisstraf en de rechtbank legt een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd op. Met deze straf kan de verdachte verder gaan met zijn studie en verder werken aan zijn toekomst.

Het was wel interessant geweest meer te lezen over de bewijsgaring  van de politie onder leiding van het Openbaar Ministerie. Vermoedelijk is een netwerkzoeking ex 125j Sv toegepast toen de politie in de collegezaal de verdachte arresteerde en de laptop van de verdachte doorzocht. In de media is te lezen dat de laptop nog aanstond en de politie bewijs direct heeft verzameld. Het zou goed zijn daar mee over te lezen, omdat er nauwelijks jurisprudentie is over de bevoegdheid van de netwerkzoeking. De advocaat heeft hier echter geen verweer op gevoerd, waardoor de rechtbank Rotterdam er ook geen overwegingen aan hoeft te wijden.

Met name de technische details van de zaak en het geringe aantal veroordelingen voor het vervaardigen van software die als ‘tool’ door cybercriminelen wordt gebruikt, maakt de zaak lezenswaardig.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht juni 2020

Drugshandel via het darkweb, witwassen van bitcoins en voorbereiden van een aanslag

Op 23 april 2020 zijn in een megazaak door de Rechtbank Overijssel 12 verdachten veroordeeld voor drugshandel via het darkweb, witwassen met bitcoins en het voorbereiden van aanslagen op de voormalige motorclub Satudarah. Het ging om de onderzoeken ‘Metaal’ en ‘Liechtenstein’ (zie ook OM persbericht en dit nieuwsbericht).

De strafbare feiten kwamen volgens het OM aan het licht toen de politie kon meelezen met de cryptofoons (PGP-telefoons) van de verdachten. Het OM kreeg met een Europees Opsporingsbevel (EOB) van de Britse autoriteiten een kopie van de inhoud van een server met PGP-berichten in handen, dat de Nederlandse politie vervolgens op inhoud heeft onderzocht. De Britten hebben op basis van eigen bevoegdheden en met medeweten van een ander bedrijf, de chatberichten onderschept, ontsleutelt en vervolgens die chatberichten doorgeleid naar de Nederlandse autoriteiten (zie Rb. Overijssel 23 april 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1587, r.o. 4.2).

De rechtbank Overijssel overweegt met betrekking tot het onderzoek Metaal dat de verdachte zich samen met zijn medeverdachten gedurende langere tijd heeft bezig gehouden met omvangrijke drugshandel. Ook werden drugs geproduceerd en vond uitvoer van verdovende middelen naar het buitenland plaats. Zij maakten bij die handel en export onder meer gebruik van het “zogenoemde Darkweb” en verzonden de bestelde drugs in vermomde postpakketten, zoals bijvoorbeeld DVD-hoesjes. Het is jammer dat in deze uitspraak de namen van de desbetreffende darknet markets zijn geanonimiseerd.

De betaling voor de drugs vond plaats in Bitcoin. De politie heeft ook een pseudokoop van drugs op een darknet market uitgevoerd in de zaak ECLI:NL:RBOVE:2020:1587. Ook is het interessant te lezen hoe de politie op basis van de accountnaam van de verdachte als verkoper op drugsforum en de PGP-sleutel, de activiteiten op verschillende darknet markets heeft getraceerd. Ook wordt opgemerkt hoe bepaalde websites niet meer online waren, maar door de politie ‘konden worden bekeken, omdat het Team Darkweb van de Landelijke politie de databases ervan had veiliggesteld’ (r.o. 4.4.3.8). De link met de verdachte en de geldtransacties konden worden vastgelegd op basis van de inhoud van de chatgesprekken, de observaties door de politie van verdachten en de door de politie gemaakte analyse met het programma ‘Chainalysis’ van de geldwissels (r.o. 4.5.3.1)

De bitcoins werden op gezette tijden omgewisseld in contant geld. De verdachten vormden op basis van gelijkwaardigheid een samenwerkingsverband, volgens de rechhtbank. De taken waren en werden in overleg verdeeld. Zij communiceerden daarover met elkaar – en met onbekend gebleven derden – door middel een communicatieapp ‘Ironchat’. Op verschillende plaatsen in Nederland hadden zij werkhuizen en ‘stashplekken’ voor de te produceren en/of te verhandelen drugs. In die panden zijn door de politie niet alleen machines en toebehoren voor de productie van drugs aangetroffen, maar ook verpakkings- en verzendingsmaterialen voor bijvoorbeeld Duitsland, Australië en de Verenigde Staten. Vier mannen krijgen voor de drugshandel via het darkweb, witwassen en deelname aan een criminele organisatie 7 jaar gevangenisstraf opgelegd.

In het onderzoek Liechtenstein ging het ook om internationale drugshandel en witwassen via bitcoins. De verdachten zijn geïdentificeerd door de accounts te koppelen van de verdachten die via de PGP-telefoon of laptops via de applicatie Ironchat met elkaar chatten over het voorbereiden van een aanslag. Twee van de zes verdachten planden meerdere aanslagen op motorclub Satudarah in Enschede. Zij dachten namelijk dat de voormalige motorclub hen had verraden bij de politie, nadat de politie een inval had gedaan bij het Enschedese drugspand. Ook verhandelden de groep XTC-pillen, methamfetamine, cocaïne, heroïne en LSD via sites, zoals ‘Rolex’, ‘Flamingo’, ‘Snapdrugz’, ‘AliExpress’ en ‘Vendor’ op het Darkweb. Via die sites zijn drugsorders uit onder meer Polen, Zweden, Duitsland en Australië bij de groep geplaatst (ECLI:NL:RBOVE:2020:1559, r.o. 4.3.3.1).

Teruggave van bitcoins en waardebepaling

Op 5 oktober 2016 werd een verdachte veroordeeld voor het stelen van elektriciteit ten behoeve van bitcoinmining. Op een van de inbeslaggenomen computers worden 127,3 bitcoins aangetroffen. Na synchronisatie van de wallet met internet blijken er een half jaar 585,5 bitcoins te zijn bijgeschreven, maar de link met de bewezenverklaarde diefstal van elektriciteit ontbreekt. De tegenwaarde van de inmiddels vervreemde bitcoins dient te worden uitgekeerd aan de verdachte, zo beslist het Hof te Den Haag (Hof Den Haag 24 oktober 2018, Computerrecht 2019/54, ECLI:NL:GHDHA:2018:2821, m nt. N. van Gelder). Daarbij sloot het hof kort gezegd aan op de gemiddelde koerswaarde van Bitcoin ten tijde van de inbeslagname. Het middel klaagt over het feit dat niet de bitcoins teruggegeven worden en subsidiair dat de waardebepaling niet klopt. De Hoge Raad verwerpt het beroep (HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:845).  

De (juridisch complexe) conclusie bij het arrest (ECLI:NL:PHR:2020:249) AG Bleichrodt is met name interessant, omdat daar is te lezen dat ‘de waardebepaling niet aan de rechter is’. ‘Tegen die achtergrond heeft het hof met zijn overwegingen over de waardebepaling van de 585,48591218 bitcoins waarop de last tot teruggave betrekking heeft, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.’ De teruggave van de bitcoins is in dit geval feitelijk niet meer mogelijk. De ‘bewaarder’ dient volgens de AG over te gaan tot uitbetaling van in beginsel de prijs die de bitcoins bij verkoop door hem hebben opgebracht (r.o. 23).

Hoge Raad arrest over bezit kinderporno

Op 12 mei 2020 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest (ECLI:NL:HR:2020:799) gewezen over de vraag of kinderpornoafbeeldingen in een cloudopslagruime (Microsoft’s Skydrive) kwalificeert als ‘bezit’ van kinderporno (zie met name r.o. 2.3.2-2.3.3).

De Hoge Raad beslist dat bezit een fysieke connotatie heeft en mede daarom kinderporno in opslagruimte niet kwalificeert als bezit van kinderporno. Destijds is ‘toegang verschaffen’ tot kinderpornografisch materiaal ook strafbaar gesteld met de overweging dat ‘de voorgestelde aanscherping van artikel 240b Sr biedt een ruimer bereik en vormt een nuttig en wenselijk vangnet voor gevallen die mogelijk niet onder de strafbaarstelling van «bezit» zouden kunnen worden gebracht’ (Kamerstukken II 2008/09, 31810, nr. 3, p. 3-4). Overigens adviseerde AG Knigge in de conclusie bij het arrest dat het beter was gewest afbeeldingen zelf ten laste te leggen in plaats van de gegevensdrager (ECLI:NL:PHR:2020:139, r.o. 4.6.3).

Zie ook deze annotatie van Michael Berndsen (de @cyberadvocaat) over dit arrest op Bijzonderstrafrecht.nl.

E-book over digitaal kinderpornografisch materiaal

Het Kenniscentrum Cybercrime van het Hof Den Haag heeft een informatief boek (.pdf) uitgebracht over de strafbaarstelling van kinderpornografie in artikel 240b Sr. Het boek is geheel geactualiseerd en zeer uitgebreid. Door het in open access beschikbaar te stellen kan ook buiten de rechtspraak van deze kennis gebruik worden gemaakt.

A. Kuijer, J.W. van den Hurk & S.J. de Vries, Artikel 240b Sr. Juridische en digitaal-technische aspecten van strafvervolging wegens gedragingen met digitaal kinderpornografisch materiaal, Kennis Centrum Cybercrime 2020, Rechtspraak.nl

AI, strafrecht en het recht op een eerlijk proces

Voor het themanummer ‘AI en Recht’ van het tijdschrift Computerrecht, hebben Bart Schermer en ik een artikel geschreven over AI, strafrecht en het recht op een eerlijk proces (.pdf).

Het artikel bespreekt eerst de zogenoemde ‘Ennetcom-casus’ en gaat daarna in op de inzet van kunstmatige intelligentie voor het (geautomatiseerd) nemen van strafvorderlijke beslissingen.

Ennetcom

In 2016 heeft het Nederlandse Team High Tech Crime een grote hoeveelheid gegevens (7 Terabyte) in beslag genomen van ‘Ennetcom’, een bedrijf dat werd verdacht van witwassen. Het Nederlandse bedrijf Ennetcom leverde diensten op het gebied van versleutelde communicatie. Tijdens een doorzoeking bij het bedrijf zijn 3,6 miljoen versleutelde berichten in beslag genomen die zijn verstuurd via zo’n 40.000 smartphones van naar schatting 19.000 klanten.

Klanten konden met speciale BlackBerry-telefoons, voorzien van specifieke software, versleutelde tekstberichten en notities versturen. De encryptiesleutels waren opgeslagen op de ‘Blackberry Enterprise Servers’ van Ennetcom. Deze servers bevonden zich in Toronto, Canada. Na een rechtshulpverzoek van Nederland en een machtiging van een rechter-commissaris aan de Canadese autoriteiten zijn op 19 april 2016 de encryptiesleutels op de servers veilig gesteld zodat daarmee de berichten konden worden ontsleuteld door de Nederlandse opsporingsautoriteiten.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft software ontwikkeld waarmee zeer grote hoeveelheden gegevens snel en diepgaand geanalyseerd kunnen worden. Datasets zijn snel te doorzoeken om zo verbanden te leggen tussen verschillende attributen, zoals gebruikersnamen, bijnamen, telefoonnummers en e-mailadressen. Hierdoor kunnen rechercheurs en analisten vele malen sneller en effectiever werken in een opsporingsonderzoek. De software, genaamd ‘Hansken’, is ook ingezet voor de analyse van de Ennetcom-data.

Verdachten worden in strafzaken geconfronteerd met belastend bewijs dat afkomstig is uit een grootschalige data-analyse met het Hansken systeem. In het artikel leggen wij uit dat het recht op een eerlijk proces in artikel 6 EVRM het deelrecht kan worden afgeleid dat de verdachte toegang moet hebben tot gegevens die tegen hem worden gebruikt in belastende en ontlastende zin. De verdediging moet daarbij de mogelijkheid hebben de gegevens met betrekking tot de verdachte te bestuderen en te betwisten. Het openbaar ministerie heeft volgens ons ook tot op zekere hoogte ook zelf een verantwoordelijkheid de technische mogelijkheden aan de verdediging te bieden om de gegevens in een strafproces te bestuderen en te betwisten.

De inrichting van een ‘data room’, waarbij de gegevens die betrekking hebben op de verdachte veilig en relatief eenvoudig kunnen worden geraadpleegd, betreft een voorstel die wij doen om aan het recht invulling te geven. In de toekomst zullen nog veel zaken volgen waarbij verdachten geconfronteerd worden met het resultaat van een grootschalige data-analyse die zijn veilig gesteld in andere strafzaken.

AI en geautomatiseerde besluitvorming

Naast geavanceerde data-analyse of data mining kan ook kunstmatige intelligentie worden toegepast in het kader van de opsporing en vervolging. Zo zijn er onder de noemer predictive policing tal van experimenten binnen de politie die er op gericht zijn om met behulp van kunstmatige intelligentie crimineel gedrag te voorspellen. Daarnaast kan kunstmatige intelligentie worden ingezet voor het nemen of ondersteunen van strafvorderlijke beslissingen door de officier van justitie, rechter-commissaris en rechter.

In het tweede deel gaan wij na in hoeverre de inzet van kunstmatige intelligentie raakt aan de beginselen van een eerlijk proces bij het geautomatiseerd nemen van strafvorderlijke beslissingen.

In het artikel leggen wij uit dat het in het bijzonder bij geautomatiseerde besluitvorming van belang is dat de motivering van de besluitvorming deugdelijk is. Dit betekent dat de gekozen toepassingen transparant, uitlegbaar en controleerbaar zijn.

Hoe deugdelijk de motivering van algoritmische besluitvorming in de praktijk moet zijn, is echter nog onduidelijk. Grofweg zijn er in de context van het strafrecht twee problemen met betrekking tot een voor deugdelijke motivering noodzakelijke transparantie van algoritmes, te weten 1) complexiteit, en 2) de angst voor manipulatie/misbruik. In het artikel gaan we verder in op deze problemen en leggen wij uit hoe met deze problemen kan worden omgegaan.

Gaming the system?

Met betrekking tot het tweede probleem is de angst dat kwaadwillenden het systeem gaan manipuleren of beïnvloeden om tot voor hen gunstige uitkomsten te komen (gaming the system). Inzicht in algoritmische besluitvorming kan daarmee de effectiviteit van de opsporing ondermijnen.

Het kabinet lijkt in haar bijlage bij een Kamerbrief uit oktober 2019 over algoritmes in de opsporing het transparantiebeginsel uit te zonderen door hen in een aparte categorie te plaatsen. In een meer recente beantwoording van Kamervragen over het gebruik van AI bij de politie wordt in punt 76 herhaald dat:

het voor de politie in voorkomende gevallen noodzakelijk is om (delen van) de gegevensverwerking niet inzichtelijk te maken. Dit kan nodig zijn om te voorkomen dat personen zich kunnen onttrekken aan een effectieve taakuitoefening door de politie. Inzicht in de gebruikte analysemethode kan immers aanleiding zijn om het gedrag bewust zodanig aan te passen dat men in de gegevensanalyse buiten zicht blijft. Daarnaast kan geheimhouding nodig zijn omdat inzicht in de gegevensverwerking raakt aan de nationale veiligheid

(deze antwoorden op Kamervragen zijn na het artikel gepubliceerd en daarom niet meegenomen in het artikel zelf).  

Conclusie

Wij waarschuwen dat het voornemen van het kabinet om algoritmische besluitvorming in de opsporing niet te onderwerpen aan de eisen van transparantie en uitlegbaarheid zorgelijk zijn, omdat zij een bedreiging vormen voor de equality of arms en het recht op een eerlijk proces.

Ook in de opsporing moet een concrete invulling worden gegeven aan het recht op een eerlijk proces bij grootschalige data-analyes en het gebruik van algoritmes voor algoritmische besluitvorming. De komende jaren zullen we zien wat van deze invulling terecht komt. 

Bart Schermer & Jan-Jaap Oerlemans

Cybercrime jurisprudentieoverzicht augustus 2020

Veroordeling voor oplichting, computervredebreuk, witwassen en het voorhanden van malware

Op 26 juli 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBZWB:2020:2699) voor computervredebreuk, het voorhanden hebben van malware, deelname aan een criminele organisatie en oplichting.

De verdachte stuurde spamberichten (phishingberichten) naar slachtoffers met het doel hen om te leiden naar een nepwebsite van een bank voor het aanvragen van een nieuwe pinpas. De slachtoffers voerden hun rekeningnummer, pasnummer, pincode, telefoonnummer en e-mailadres in op de nepwebsite. Deze gegevens werden door de website automatisch doorgezonden naar een mededader. Met deze informatie werd een nieuwe mobiele telefoon geregistreerd voor en bankierapp.

Als dat niet mogelijk bleek, deelde de verdachte de gegevens met een andere mededader, zodat zij de betreffende klant kon bellen om het slachtoffer te overtuigen de registratie te voltooien. Na het scannen van de codes had de criminele organisatie de volledige controle over de rekening van het slachtoffer, alsmede over de daaraan gekoppelde rekeningnummers. Vanaf dat moment kon en werd er, zonder dat daarvoor een code hoefde te worden gescand, een nieuwe betaalpas aangevraagd. Deze betaalpas was nodig om het geld van de rekening van het slachtoffer door te boeken naar een andere rekening.

Via de mobiel bankieren app werden rekeningen van slachtoffers leeggehaald en werden diverse bestellingen gedaan bij webshops. In de woning en auto van verdachte zijn goederen in beslag genomen die afkomstig zijn van een aantal van de genoemde winkels. Ook zijn in de financiële gegevens van verdachte aanwijzingen gevonden voor aankopen bij webwinkels van een totaal van €108.513,81.

In de uitspraak staan enorm veel technische details vermeld. Bijvoorbeeld over hoe de zaak aan het rollen kwam door informatie in de e-mailheader die leidde naar een ‘vps-server’. De leverancier van de vps-server verstrekte vervolgens betaalinformatie van de verdachte over de verhuur van de server. Ook wordt vermeld dat op een inbeslaggenomen Macbook de programma’s “Arkei Stealer” en “Baldr” stonden. Beide programma’s betreffen ‘info stealers’ (een type malware), die van geïnfecteerde computers gebruikersnamen, wachtwoorden, creditcardnummers en andere gevoelige informatie proberen te achterhalen.

Op de inbeslaggenomen Macbook waren 1809 unieke Machine ID’s te zien, afkomstig van “Arkei Stealer”. Van vrijwel ieder besmette apparaat was een schermafdruk gemaakt en waren gebruikersnamen, wachtwoorden en andere identificerende gegevens te zien. De beheerstool om deze gegevens te beheren was ook aanwezig op de laptop.

Uitzonderlijk is nog de volgende overweging van de rechtbank: ‘ook nu realiseert de rechtbank zich dat verdachte het achterste van zijn tong niet heeft laten zien. De BlackBerry, van waaruit de server met malware werd aangestuurd, is immers op slot gebleven. Het vermoeden is dan ook dat ook hier de werkelijke schade (vele malen) groter is dan dat naar voren is gekomen in het dossier.’

De verdachte kreeg een – voor cybercrimezaken relatief zware – gevangenisstraf opgelegd van 3 jaar opgelegd gekregen, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. 

Veroordeling voor witwassen met bitcoins en verkoop van Netflixaccounts

Op 9 juni 2020 veroordeelde (ECLI:NL:RBOVE:2020:1960) de rechtbank Overijssel een verdachte voor (onder andere) schuldwitwassen en het voorhanden hebben van een wachtwoord of toegangscode met het oogmerk computervredebreuk te plegen. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 7 maanden.

In de zaak is sprake een ‘text book’-typologie voor witwassen met virtuele valuta. De verdachte adverteerde namelijk op localbitcoins.com (cash voor Bitcoin) en in de advertentie stond onder meer:

“Afspreken kan bij de Mc Donalds of het station in Zwolle (Overijssel), gedurende de openingstijden van het restaurant.”

– “Ik handel alleen op Localbitcoins.com, geen uitzonderingen.”

– “Ik stel geen vragen over de reden van de transactie.”

De rechtbank noemt verder dat verbalisanten zagen dat de gehanteerde wisselcommissie door verdachte in oktober 2017 circa 17% bedroeg, terwijl de reguliere bitcoin exchanges maximaal 2% hanteren.

De rechtbank overweegt dat, nu de verdachte een substantieel hogere wisselcommissie hanteerde dan het door de reguliere ‘bitcoin exchangers’ gehanteerde tarief en zijn klanten bereid waren dit veel hogere tarief te betalen, de enige logische verklaring daarvoor is dat zijn klanten anoniem wilden blijven. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het schuldwitwassen van contante geldbedragen (in totaal circa 38.000 euro) en een hoeveelheid bitcoins. De rechtbank overweegt ook dat ‘omdat verdachte heeft geweigerd inzage te geven in zijn computers, niet bekend is of de volledige omvang van de witwasactiviteiten van verdachte inzichtelijk is geworden’.

De verdachte wordt ook veroordeeld voor het voorhanden hebben van een wachtwoord of toegangscode met het oogmerk computervredebreuk te plegen. De verdachte had namelijk duizenden gehackte Netflixaccounts verworven via een ‘darknet market’ (in de uitspraak wordt verwezen naar ‘Hansa Market’) en het downloaden van loginnamen en wachtwoorden via dumtext.com.

Overigens is met de inwerkingtreding van de Wet computercriminaliteit III in 2019 nu ook ‘heling van gegevens’ strafbaar gesteld in artikel 139g Sr. In een zaak met feiten als deze had mogelijk artikel 139g lid 1 sub a Sr ten laste kunnen worden gelegd:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft degene die niet-openbare gegevens:

a. verwerft of voorhanden heeft, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf zijn verkregen;”

Cybersecuritybeeld Nederland 2020

Op 29 juni 2020 is het Cybersecuritybeeld Nederland 2020 gepubliceerd. In dit blogbericht ga ik alleen op enkele zaken uit het rapport die mij opvielen. De nogal uitgebreide begrippenuitleg en methodologische verantwoording laat ik begrijpelijkerwijs achterwege. Ook het scenariomodel door TNO is ontwikkeld is voor mijn doeleinden (samenvatten van de meest relevante incidenten of inzichten uit het CSBN niet relevant).

Dit keer herhaal ik ook niet alles wat er staat over de waarschuwing dat de ‘grootste dreiging voor cybersecurity uitgaat van statelijke actoren’ en zij zich vooral richten op de Nederlandse ‘topsectoren’. Er worden geen noemenswaardige voorbeelden gegeven van incidenten en de informatie hierover blijft nogal abstract. Het staat in contrast met bijvoorbeeld de meer gedetailleerde informatie over (jihadistisch) terrorisme en radicale islam in het jaarverslag 2019 van de AIVD.

Ransomware aanval op gemeente Lochem

Bij de aanval op de gemeente Lochem is begin juni 2019 misbruik gemaakt van een kwetsbaarheid in Remote Desktop Protocol (RDP). RDP wordt gebruikt om computers op afstand te beheren. Bij het  incident in Lochem is via brute force-aanvallen op de RDP-poort toegang tot een thuiswerkserver verkregen. Na het inloggen op de server installeerde de aanvaller(sgroep) verschillende applicaties. Hiermee verkreeg hij inzicht in het netwerk en de gebruikers. Bij de aanval werd ransomware ingezet, waardoor een aantal bestanden werd versleuteld. Na de aanval heeft de gemeente besloten om de computersystemen opnieuw in te richten. Zaken als het aanvragen van paspoorten, het registreren van een verhuizing en het aangeven van een geboorte waren hierdoor tijdelijk niet mogelijk. De aanval resulteerde in een schadepost van 200.000 euro. Zie ook deze leuke podcast van de ‘Onderzoeksraad der dingen’ over het incident.

Incidenten bij universiteiten en een hogeschool

Het rapport vermeld dat drie Nederlandse universiteiten en een HBO-instelling eind 2019 en begin 2020 doelwit van overheidshackers. De NOS vermeld dat het vermoedelijk Iraanse overheidshackers waren, maar gek genoeg wordt dit in het rapport niet concreet gezegd. Ze zouden academische kennis zoals boeken en lesmateriaal hebben willen stelen. In februari 2020 was een onderzoeksgroep van de Vrije Universiteit kortstondig slachtoffer van een cyberaanval waarbij de aanvaller uiteindelijk verregaande rechten kreeg op een van de servers waar onderzoeksresultaten op staan. Vandaag was overigens nog in het nieuws dat hackers toegang hadden gekregen tot allerlei gegevens van afgestudeerde studenten van de Technische Universiteit Delft en de Universiteit Utrecht (ai!).

Meer bekendheid kreeg natuurlijk de aanval op de Universiteit Maastricht. De Universiteit Maastricht werd op 23 december 2019 slachtoffer van een ransomware-aanval. De aanvaller verkreeg toegang tot het netwerk van de universiteit, nadat medewerkers twee maanden eerder de link in een phishing e-mail hadden geopend. Nadat toegang was verkregen, heeft de aanvaller meerdere servers gecompromitteerd en het netwerk verkend om zo de toegang tot het netwerk te vergroten. Het is de aanvaller gelukt om volledige administratierechten te krijgen over servers van de universiteit doordat twee servers een zeer belangrijke beveiligingsupdate van mei 2017 misten. Daarna heeft de aanvaller op een deel van de servers de Clop-ransomware uitgerold. Bestanden werden als gevolgd daarvan versleuteld op minimaal 267 servers. Daardoor waren onder andere e-mails, onderzoeken en computers ontoegankelijk en was een aantal websites niet meer bereikbaar. Omdat ook back-up servers geraakt waren, was het herstel complex. De universiteit besloot om €197.000,- losgeld te betalen aan de (vermoedelijk Russische) criminelen om weer toegang te krijgen tot de versleutelde bestanden. De Universiteit heeft aangifte gedaan bij de politie.

Modi operandi cybercriminelen en enkele recente zaken

Het NCSC concludeert dat de modi operandi en ingezette middelen grotendeels gelijk zijn gebleven. Wel vielen de inzet van ransomware door criminele afpersers en het actieve misbruik van kwetsbaarheden door statelijke en criminele actoren op. Verder bleek dat actoren nog steeds zoeken naar zwakke schakels in de leveranciersketen als opstap naar interessante doelwitten.

Over de dreiging van ideologisch gemotiveerde actorgroepen (hacktivisten en terroristen) en insiders, cybervandalen en scriptkiddies rapporteert het NCSC: “al jaren zijn vanuit deze actorgroepen geen substantiële aanvallen tegen Nederland of Nederlandse belangen waargenomen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat dit komende jaren anders is.”

Over cybercriminaliteit verhaald het NCSC verder dat met ondersteuning van Europol een aantal landen een einde maakte aan de activiteiten van het internationaal crimineel GozNym-netwerk, dat gebruik maakte van de GozNym-malware. Hiermee probeerden de criminelen naar schatting in totaal 100 miljoen euro te stelen van meer dan 41.000 slachtoffers. Ook noemt het NCSC de politieactie in januari 2020 waarbij een Nederlandse verdachte aangehouden op verdenking van het online aanbieden van omstreeks 12 miljard inlognamen en gestolen wachtwoorden.

DNS-hijacks

Ten slotte is de waarschuwing over ‘DNS-hijacks’ interessant. Het centrum voor cybersecurity signaleert een ‘interesse aan in het wijzigen van Domain Name System (DNS)-instellingen als aanvalstechniek’. Door DNS-instellingen van organisaties te wijzigen, bijvoorbeeld via het hacken van een ‘registrar’, kan inkomend netwerkverkeer tijdelijk omgeleid en onderschept worden. Dit kan onder andere worden gebruikt voor spionagedoeleinden en kunnen volgens het NCSC een ‘aanzienlijke impact’ hebben op de integriteit van het internet.  

COVID telecomdata ook voor de AIVD en de MIVD?

Vorige week werd ik door een NOS-verslaggever gebeld over de vraag of de dataset die door telecomproviders moet worden gemaakt om verplaatsingen van het COVID-19 virus na te gaan ook kan worden gebruikt door inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dit is het artikel van de NOS die uiteindelijk volgde. Mijn inbreng is helaas verloren gegaan, maar het leek mij toch goed mijn antwoord nog even mee te geven.

De vraag of de COVID-telecomgegevens ook gevorderd kunnen worden door overheidsdiensten triggerde een klein onderzoek van het wetsvoorstel om er antwoord op te kunnen geven. In het kort is het antwoord: ja, met de bestaande bevoegdheden tot het vorderen van gegevens bij telecomproviders kunnen telecomgegevens, inclusief locatiegegevens, gevorderd worden door  politie en justitie en de AIVD en de MIVD. Maar onduidelijk is welke gegevens straks precies beschikbaar zijn voor overheidsdiensten en deze gegevens iets extra’s beiden ten opzichte van de al bestaande gegevens. Naast mijn uitleg over de bevoegdheden was mijn boodschap met name dat in de toelichting van het wetsvoorstel meer aandacht voor deze vorderingsmogelijkheden op zijn plaats was geweest. Daar moet je wat mij betreft gewoon transparant over zijn en hier kan je anticiperen op zorgen uit de samenleving hierover. Mijn (korte) analyse is verder hieronder te lezen.

Zie ook overigens deze mooie blog post van Jaap-Henk Hoepman over het wetsvoorstel vanuit privacyperspectief, waarbij ook wordt afgevraagd of het wetsvoorstel wel voldoende nut heeft en soortgelijke wetgeving straks ook in andere situaties wordt gemaakt.

Nieuwe gegevensset

Het is wat puzzelen met het wetsvoorstel, maar het lijkt er op dat de telecomproviders een nieuwe gegevensset moeten creëren op basis van de locatiegegevens van simkaarten van gebruikers. Die gegevens moeten worden ‘gepseudonimiseerd’ (hetgeen kan worden teruggedraaid) en vervolgens door de aanbieder (de telecomprovider) worden gecombineerd en verwerkt om ook een inschatting te maken van welke gemeente iemand vandaan komt. De aantallen en ‘herkomstgegevens’ van de apparaten met SIM-kaart worden dan eens per 24 uur verstrekt aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het CBS combineert de door de aanbieders los van elkaar verstrekte informatie. Bij het CBS vindt vervolgens een correctie plaats om van de verkregen informatie representatieve gegevens te maken over de Nederlandse bevolking. Het RIVM ontvangt vervolgens weer deze bewerkte informatie van het CBS.

Over de gegevensset staat in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel:

“het gaat om tellingen per uur van totaalaantallen mobiele eindapparaten (mobiele telefoons) per gemeente, uitgesplitst naar de afgeleide herkomst van de houder van de telefoon. De afgeleide herkomst wordt door de aanbieder bepaald aan de hand van de gemeente waar het eindapparaat gemiddeld het grootste deel van de tijd verbinding heeft gemaakt met het netwerk van de betreffende aanbieder. Dit wordt geschat door middel van verwerkingen die de aanbieder uitvoert op basis van verkeersgegevens in combinatie met een antennekaart, bodemgebruikkaarten of publieke geografische informatie”. 

“Het beginsel van het verwerken van zo min mogelijk herleidbare data (ook wel: dataminimalisatie) vereist daarbij dat de locatie- en verkeersgegevens in een zo vroeg mogelijk stadium door de aanbieders wordt gepseudonimiseerd, waarbij zij ontdaan worden van alle direct herleidbare data zoals telefoonnummer en IMSI-nummer, en gelabeld worden onder een nieuw uniek identificatienummer.”

Het is mij onduidelijk gebleven hoe lang de gegevens bij de telecomproviders beschikbaar zijn. Als ze heel kort beschikbaar zijn en snel vernietigd worden, zijn ze minder interessant om te vorderen voor overheidsdiensten voor hun taakuitoefening (opsporingsonderzoeken bescherming van de nationale veiligheid). In het wetvoorstel staat over de vernietiging:

“De aanbieders vernietigen de persoonsgegevens die zij genereren ter verkrijging van de informatie die moet worden verstrekt, direct na verkrijging van die informatie.”

Persoonlijk begrijp ik deze bepaling niet goed. Moet nu de gegevensset na verstrekking worden vernietigd, dus hebben aanbieders de gegevens dan maximaal 24 uur de gegevens ter beschikking? Of gaat het om een andere bewaartermijn? De “details” voor de aanlevering van de gegevens worden blijkbaar in een aanwijzing nader bepaald. Hier gaan onder andere ook de zorgen over van de telecomproviders, blijkens dat nieuwsbericht. Opvallend vind ik dat, als ik het goed begrijp, de aanbieders zo ver als mogelijk terug moeten gaan om deze gegevens te genereren (tot 1 januari 2020).

Vorderen van gegevens

In principe kunnen de AIVD en de MIVD op grond van artikel 55 van de Wet op de inlichtingen en Veiligheidsdiensten (Wiv 2017) locatiegegevens van een gebruiker opvragen bij aanbieders van elektronische communicatiediensten, dus ook telecommunicatieproviders. De verstrekking daarvan is niet vrijwillig, dus het is een vorderingsbevoegdheid. Dat is natuurlijk alleen mogelijk in het kader van hun taakuitoefening en voor zover dat in het belang is van de nationale veiligheid (artikel 8 en 10 Wiv 2017). Daarbij moet met name worden gedacht aan de situatie dat een persoon de nationale veiligheid bedreigt. Het gaat dus niet om het opvragen van de hele set aan gegevens, maar de gegevens van een gebruiker van telecomprovider, bijvoorbeeld: wat zijn de locatiegegevens die horen bij het nummer X in de periode X. Overigens kan een iedere instantie op grond van de informantenbevoegdheid in artikel 39 Wiv 2017 wel op vrijwillige basis gegevens verstrekken op verzoek van de AIVD of de MIVD. Een goede bedrijfsjurist zou wat mij betreft bij een dergelijk verzoek tot verstrekking van een hele dataset zich wel moeten afvragen of dat proportioneel en subsidiair is. Toepassing van deze bevoegdheid lijkt mij minder voor de hand te liggen, omdat er een specifieke bestaande vorderingsbevoegdheid is in artt. 54-56 Wiv 2017.

De politie en het OM kunnen ook locatiegegevens vorderen bij telecomproviders op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dat is mogelijk in het kader van een opsporingsonderzoek naar een misdrijf en op bevel van een officier van justitie.

Beschouwing

Voorheen moesten telecomproviders op grond van dataretentiewetgeving gebruikersgegevens en verkeersgegevens (waaronder locatiegegevens) bewaren ten behoeve van opsporingsdoeleinden. Deze regeling is onrechtmatig verklaard, maar telecomproviders bewaren nog steeds deze gegevens voor factureringsdoeleinden (bijvoorbeeld: hoeveel data is wanneer verbruikt door abonnee Pietje en vanaf welke antennes verliep de verbinding?). Deze gegevens kunnen met de bovengenoemde bevoegdheden worden gevorderd. Daarom is het de vraag of de ‘COVID telecomdata’ die straks mogelijk wordt opgeslagen, wel van nut is voor de genoemde overheidsdiensten.

Maar als de politie of een veiligheidsdienst deze COVID telecomgevens opvragen, dan zou dat een goed voorbeeld zijn van function creep: de gegevens moeten op basis van wetgeving worden opgeslagen en verwerkt voor een specifiek doel (het in kaart brengen van het aantal mobiele apparaten per gemeente, gedifferentieerd naar herkomst van die apparaten ten behoeve van de virusbestrijding), maar vervolgens worden dezelfde gegevens ook gebruikt voor de andere doelen van opsporing en de bescherming van de nationale veiligheid.

Wat mij betreft was het goed geweest als in de toelichting van het wetsvoorstel werd opgemerkt of de gegevens gevorderd kunnen worden door overheidsinstanties en zo ja, door wie en onder welke voorwaarden. Ook als overheidsinstanties zelf uitsluiten dat de gegevens worden gevorderd (omdat het bijvoorbeeld niets toevoegt t.o.v. bestaande telecomgegevens), dan kan dat van te voren al worden aangegeven.

== UPDATE ==

Inmiddels is de nota van verslag over de wijziging van de Tijdelijke wet informatieverstrekking RIVM over COVID-19 gepubliceerd. Hier gaat de minister wel in op de mogelijkheid van het vorderen of opvragen van de COVID telecomgegevens. De antwoorden bevestigen wat mij betreft de analyse hierboven (ja, de gegevens kunnen mogelijk worden verkregen, maar het biedt geen toegevoegde waarde). Aangegeven wordt dat de gegevens mogelijk kunnen worden opgevraagd op grond van artikel 39 Wiv 2017 en gevorderd kunnen worden op grond van artikel 55 Wiv 2017. Zie verder ook het antwoord op vraag 59:

Daarnaast kunnen de diensten op grond van artikel 55 – een bijzondere bevoegdheid die uitsluitend gericht door de diensten kan worden ingezet, namelijk gerelateerd aan een gebruiker van een communicatiedienst – gegevens opvragen. Deze kan dus niet zien op geaggregreerde niet tot personen herleidbare informatie.

Zoals in het antwoord op vraag 6a van de leden van de VVD-fractie is uitgelegd is daarnaast echter niet te zien op welke wijze deze geaggregeerde niet tot personen herleidbare informatie een bijdrage kan leveren aan de taakuitvoering van de diensten.

Noch de door de aanbieders extra te verwerken gegevens, noch de aan het CBS en RIVM te verstrekken geaggregeerde niet tot personen herleidbare informatie kan een bijdrage leveren aan de taakuitvoering van de diensten, zeker niet ten opzichte van de gegevens die de aanbieders in het kader van hun dienstverlening al verwerken. Daarmee ontbreekt de noodzaak voor de diensten om deze gegevens te verwerven. Als bij de diensten de noodzaak ontbreekt om gegevens te verwerven dan is verwerving op grond van de Wiv 2017 niet mogelijk.

De zorg over het opvragen van de gegevens zijn wat mij betreft met dit antwoord voldoende geadresseerd, hoewel het natuurlijk wat laat in het proces is en ik het liever in de memorie van toelichting had gelezen.

Jaarverslag AIVD en evaluatiecommissie Wiv 2017

Gisteren heeft de AIVD zijn jaarverslag 2019 gepubliceerd. Het is zoals gewoonlijk interessant leeswerk, waar toch verrassend veel details in staan. Landen als Rusland, China en Iran worden bij de naam worden genoemd als landen die spionage bedrijven in Nederland. Ook de lijst met arrestaties van personen van de ‘jihadistische beweging’ op basis van ambtsberichten van de AIVD (op p. 11) is indrukwekkend.

Ook de MIVD heeft eind april zijn jaarverslag 2019 gepubliceerd. In het jaarverslag wordt o.a. benadrukt dat de Russische Federatie informatieoperaties uitvoert om maatschappelijke verdeeldheid te creëren. Ook waarschuwt de MIVD dat digitale spionage bij overheden en bedrijven door staten zoals China en Rusland één van de grootste dreigingen voor Nederland vormt. Bij de MIVD staat er geen lijst met arrestaties naar aanleiding van ambtsberichten in het jaarverslag, maar wordt bijvoorbeeld uitgelegd met welke onderdelen van Defensie werken.

De jaarverslagen maken concreet welk belangrijk werk de diensten verrichten en hoe productief zij zijn geweest. Ze zijn zeker lezenswaardig voor mensen die meer willen leren over het werk van de diensten.

Leden van de evaluatiecommissie Wiv 2017

Deze week werd ook duidelijk wie de leden van de evaluatiecommissie voor de Wiv 2017 zijn (zie Staatscourant nr. 21256).  

De meesten zijn mij wel bekend en betreft volgens mij een deskundig gezelschap. Ik zet ze hierbij op een rijtje (waarbij ik zelf hun achtergrond aan heb toegevoegd):

– drs. R.V.M. Jones-Bos (o.a. voormalig ambassadeur in Moskou)

– mr. Th.P.L. Bot (lid van ‘Raad van Rechtshandhaving’ en ervaring als o.a. plaatsvervangend hoofd van de AIVD in 2001 en 2002)

– prof. mr. E.J. Dommering (emeritus hoogleraar informaticarecht);

– prof. dr. L.J. van den Herik (hoogleraar internationaal publiekrecht);

– prof. dr. B.P.F. Jacobs (hoogleraar beveiliging en correctheid van software);

– vice-admiraal b.d. W. Nagtegaal;

– prof. mr. S.E. Zijlstra (hoogleraar staats- en bestuursrecht).

Onderzoeksonderwerpen

De Commissie Jones-Bos heeft als opdracht te onderzoeken:  

  • Of de wet datgene heeft gebracht wat de wetgever daarmee voor ogen had (realisatie van de doelstellingen van de wet);
  • Of de wet in de praktijk een werkbaar instrument is gebleken voor de taakuitvoering van de diensten;
  •  Welke knel- en aandachtspunten in de toepassingspraktijk van de wet te onderkennen.

Daarbij moet bijzondere aandacht worden geschonken aan:

  1. het integrale stelsel van toezicht, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan:
  • de inrichting, functie en positie van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB), een en ander tegen de achtergrond van het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid;
  • de positionering van de klachtbehandeling bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en de effectiviteit daarvan mede vanuit het burgerperspectief;
  • de rechtseenheidsvoorziening TIB – CTIVD;
  • de benoemingsprocedure voor de leden van TIB en CTIVD.

2. de bevoegdheden van de diensten tot gegevensverwerking en de daarvoor geldende waarborgen, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan:

  • de toepassing en inpasbaarheid van nieuwe technieken binnen de wettelijk geregelde bevoegdheden (techniekonafhankelijkheid);
  • de toepassing van het gerichtheidscriterium bij bijzondere bevoegdheden;
  • het datareductiestelsel en de bewaartermijnen;
  • de duidelijkheid van in de wet gehanteerde terminologie.

3. de bevoegdheden en waarborgen met betrekking tot internationale samenwerking van de diensten (zowel op vlak van gegevensverstrekking als ondersteuning).

Is de Wiv 2017 voldoende werkbaar?

Uit de opsomming blijkt dat er veel aandacht is voor (simpel gezegd) de vraag of de nieuwe wet wel ‘werkbaar’ is voor de AIVD en de MIVD. De opdracht: “Welke knel- en aandachtspunten in de toepassingspraktijk van de wet te onderkennen” is overigens heel raar geformuleerd, maar het lijkt om de identificatie van deze knelpunten te gaan.

De AIVD benadrukt in het jaarverslag in het voorwoord en op p. 22 “de zorg over het vermogen om binnen de huidige kaders verborgen dreigingen te kunnen (blijven) onderkennen” vanwege deze nieuwe wet, maar zij leggen niet uit waar die knelpunten dan uit bestaan. We gaan er uiteraard vanuit dat de commissieleden ook door andere partijen dan de AIVD hierover wordt gevoed.

Waar is het onderwerp van ‘data-analyse’ gebleven?

In de nota naar aanleiding van verslag over de Wijzigingswet Wiv 2017 (zie daarover deze blog) gaf de minister nog aan – naar aanleiding van vragen van kritische Kamerleden – dat het vraagstuk van ‘geautomatiseerde data-analyse’ mogelijk in de evaluatie wordt betrokken. En in de Kamerbrief over de evaluatiecommissie van 12 november 2019 werd het onderwerp van ‘geautomatiseerde data-analyse’ nog specifiek genoemd.

Nu lijkt het onderwerp van geautomatiseerde data-analyse naar de achtergrond te zijn geschoven, maar hopelijk wordt het ingelezen bij het aandachtspunt van de ‘de toepassing en inpasbaarheid van nieuwe technieken binnen de wettelijke geregelde bevoegdheden’. Het lijkt mij namelijk van belang ook de toepassingspraktijk sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Wiv in verhouding tot de noodzakelijke waarborgen te onderzoeken.

Planning

Tot slot merk ik nog iets op over de planning. In de Kamerbrief van 12 november 2019 werd nog een doorlooptijd van zes maanden genoemd (met afronding rapport in november 2020). Dat leek mij sowieso wel krap om de onderzoekswerkzaamheden uit te voeren, gesprekken te voeren en het rapport op te stellen. Maar goed, vanwege het Coronavirus wordt de datum voor de oplevering van het rapport later vastgesteld en bekend gemaakt in de Staatscourant. We gaan het zien!

== Update =

Link naar jaarverslag MIVD toegevoegd.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht april 2020

Veroordelingen voor criminele kinderporno-organisatie op het dark web

Enkele verdachten zijn in februari en maart 2020 veroordeeld voor het bezit en de verspreiding van kinderporno via chat websites op het dark web.

De rechtbank Rotterdam veroordeelde op 27 januari 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:501) een verdachte voor de deelname aan een criminele organisatie waarvoor hij beheerstaken heeft uitgevoerd en zodoende mede kinderporno heeft verspreid en aangeboden. Ook had de verdachte 11.354 afbeeldingen en 1.560 kinderpornovideo’s in zijn bezit. De overwegingen van de rechtbank over de deelname een criminele organisatie zijn interessant.

De rechtbank Rotterdam overweegt dat drie “chatsites” ‘als één organisatie kunnen en moeten worden beschouwd, omdat zij allen: “chatsites op het Darkweb’ waren, dezelfde modus operandi hadden, een gemeenschappelijk uitgangspunt hadden (onderling contact hebben met ‘liefhebbers van minderjarigen’) en dezelfde mogelijkheden boden (afbeeldingen aanbieden en beschikbaar stellen via een link), op hetzelfde script en dezelfde architectuur waren gebaseerd en de structuur en werkwijze op de sites overeen kwam. Daar komt nog bij dat de ‘beheersmatige handelingen op deze sites werden verricht door vrijwel dezelfde personen”.

De verdachte was tenminste twee jaar lang samen met andere personen actief als oprichter/beheerder, hoofdadministrator, moderator of administrator van de websites. Ook konden zij andere personen voordragen voor genoemde functies en konden leden worden gemonitord.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake was van een hiërarchie en structuur, omdat de moderators en administrators meer rechten en privileges hadden dan de geregistreerde gebruikers en de gasten en zij alleen toegang hadden tot bepaalde afgeschermde gedeeltes van de sites. Ook uit de hiervoor genoemde functies en rol- en taakverdeling blijkt van een georganiseerd verband. Daarom was er sprake van een criminele organisatie als bedoelt in art. 140 Sr, waar de verdachte deel van uit maakte. De verdachte wordt veroordeeld voor 3 jaar gevangenisstraf (waarvan één voorwaardelijk) en een proeftijd van drie jaar met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank Overijssel veroordeelde op 3 maart 2020 (ECLI:NL:RBOVE:2020:913) een verdachte voor het gewoonte maken van het verspreiden van kinderporno via chatrooms, het bezit van kinderporno en de deelname aan criminele organisatie. De verdachte kwam volgens de uitspraak in beeld ‘nadat de Britse opsporingsautoriteiten berichtten dat voornoemd webadres werd gehost op het IP-adres van verdachte’. In de uitspraak van de rechtbank Overijssel zijn meer details over het onderzoek ’26Somerville’ te lezen. De verdachte in deze zaak was ‘hoofdadminstrator en hoster’ van twee chatrooms. Hij ‘promoveerde’ bezoekers bijvoorbeeld tot moderator als deze ‘langere tijd positief’ opvielen.

De ‘staff’ van de chatsites hadden verschillende rangen met eigen chatkanalen. Op die kanalen kon men makkelijker en vrijer praten, omdat buitenstaanders minder makkelijk konden meelezen. De leden hielden aantekeningen van vergaderingen; hetgeen achteraf bijdroeg aan het bewijs tegen de kinderpornogebruikers. De database van een chatroom met 185 gebruikersnamen met hun rang is tevens in beslag genomen. De chatroom werd door de verdachte gehost via een virtuele machine op zijn PC.

De rechtbank ging niet mee in het verweer dat het delen van tekst en links naar kinderporno geen verspreiding van kinderporno is. Ook de waarschuwing op de chatsites dat geen kinderporno mocht worden verspreid, overtuigde de rechters niet omdat uit ander bewijs was af te leiden dat het daadwerkelijk kinderporno is verspreid. Uit de uitspraak wordt niet duidelijk op welke wijze het bewijs verzameld, maar de politie kon blijkbaar vaststellen dat in één van de chatrooms bijvoorbeeld 2410 gedeelde afbeeldingen tussen 26 januari 2018 en 14 juni 2018 zijn gedeeld, waarvan er 298 afbeeldingen kinderpornografisch waren. Feitelijk was dus sprake van de verspreiding van kinderporno. Door slechts te volstaan met de enkele vermelding van het verbod op de pagina na het inlogscherm op [chatroom 3] en het handmatig – door moderators – laten controleren van afbeeldingen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat toch kinderporno zou worden gedeeld op [chatroom 3], aldus de rechtbank.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het verspreiden, aanbieden, openlijk tentoonstellen, verwerven en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen, alsook op het toegang verschaffen tot kinderpornografische afbeeldingen. Ook op andere gegevensdragers werd bij de verdachte kinderporno gevonden. Interessant is bijvoorbeeld dat in een virtuele machine via de Browser ‘Internet Explorer’ of ‘Edge’ bestanden geopend waren met kinderpornografische namen. Door politie werden verder werden veertien bestandsnamen op kinderpornografische fora aangetroffen. De verdachte kreeg een gevangenisstraf opgelegd van drie jaar met bijzondere voorwaarden.  

Veroordeling voor webcamseks met Filipijns meisje

Op 24 maart 2020 heeft de Rechtbank Overijssel een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBOVE:2020:1249) voor ontucht en het bezit van kinderporno. De verdachte is veroordeeld voor een voorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden gevangenisstraf, een proeftijd van 3 jaar met voorwaarden en een taakstraf van 240 uur op.  

Deze zaak met ernstige feiten kwam aan het licht door een Belgische onderzoeksjournalist. De verdachte zou één van de mannen zijn die achter een webcam naar seksshow keek van aan minderjarige. De politie heeft daarop een doorzoeking gedaan en gegevensdragers in beslag genomen. Daarop is kinderporno aangetroffen, maar geen informatie waaruit bleek dat de verdachte zich bezighield met ‘live-streaming’ seksshows. Wel is een betaling via Western Union aan een slachtoffer gevonden. Later bleek dat de verdachte maandenlang chatgesprekken van seksuele aard heeft gevoerd met dit minderjarige slachtoffer.  

De rechtbank overweegt dat de verdachte met zijn gedragingen ervoor heeft gezorgd dat meisjes als het slachtoffer gedwongen blijven om deel uit te maken van een enorm winstgevend verdienmodel, waarbij jonge kinderen voor een webcam worden gezet om seksshows te doen voor volwassenen die daarvoor slechts een wifi verbinding en een laptop, en soms een paar euro, nodig hebben. De kinderen die deel uitmaken van dit soort internationale netwerken worden vanaf jonge leeftijd geseksualiseerd en krijgen niet waar elk kind ter wereld recht op heeft, namelijk een normale seksuele ontwikkeling. Dat verdachte zijn eigen dochter, van toen negen jaar jong, heeft betrokken in zijn seksueel getinte chatgesprekken met het slachtoffer, vindt de rechtbank zorgelijk.

In artikel 245 Sr is ontucht met een minderjarige strafbaar gesteld, waarbij sprake is van seksueel binnendringen in het lichaam. Van deze gedraging was volgens de rechtbank geen sprake, omdat het niet de verdachte maar twee meisjes in opdracht van de verdachte dat elders met zichzelf en/of elkaar deden. De motivatie waarom het artikel niet van toepassing is met een verwijzing naar het ‘Pollepel-arrest’ (ECLI:HR:2004:AQ0950) en literatuur is lastig te volgen en wellicht nog voor discussie vatbaar. Wel wordt aldus het plegen van ontuchtige handelingen via een ‘live-stream’ en bezit van kinderporno bewezen geacht.

Phishing van creditcardgegevens

De rechtbank Amsterdam heeft op 25 maart 2020 een bijzondere uitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2020:1960 en ECLI:NL:RBAMS:2020:1961) gedaan over phishing met creditcardgegevens. Twee verdachten zijn veroordeeld tot een taakstraf vanwege oplichting. De uitspraak bevat interessante details over het opsporingsproces, maar bevat ook enkele slordigheden. Zou Amsterdam ook een ‘cyberkamer’ hebben ingeregeld voor cybercrimezaken? De kwaliteit van deze uitspraak laat te wensen over.

Het onderzoek ving aan met een melding van de onderzoeksafdeling fraudedetectie van International Card Services B.V. van mogelijke frauduleuze transacties. Kort daarop werden met de creditcard bestellingen via Mediamarkt gedaan. Na contact met het Openbaar Ministerie werd besloten om het pakket gecontroleerd te laten afleveren op het aangegeven adres. Geobserveerd wordt dat de verdachte het pakketje in ontvangst neemt en meeneemt naar haar woning. De politie treedt een half uur later binnen en treft verdachte en medeverdachte aan in haar slaapkamer samen met een geopende doos van de Mediamarkt. De doos met daarin een Macbook Pro is uit eerdergenoemde doos gehaald en op de pakbon staan de door Mediamarkt opgegeven bestelgegevens.

De verdediging voert aan dat niet voldoende bewezen is dat de verdachte het product heeft besteld en eist dat bijvoorbeeld DNA onderzoek op de laptop wordt gedaan. De rechtbank gaat daar in niet mee. De rechtbank stelt op basis van het bewijs vast dat de persoonlijke gegevens van de creditcardhouder via phishing zijn verkregen. Vervolgens is op de webportal van de creditcardmaatschappij ingelogd het telefoonnummer gewijzigd en zijn met de creditcard bestellingen geplaatst. Op de inbeslaggenomen laptops stonden e-mailaccounts open met diverse bestellingen op naam en rekening van creditcardhouders.

De rechtbank acht het voorhanden hebben van technische hulpmiddelen bewezen met het oogmerk om computervredebreuk bewezen, maar verwijst daarbij naar een verkeerd artikelnummer (138d Sr i.p.v. 139d lid 2 sub a Sr). Daarbij wordt uitgelegd:

“op beide laptops stonden diverse softwareprogramma’s, waaronder Sendblaster, waarmee bulk- email berichten kunnen worden verstuurd. Hierin trof men lijsten aan met duizenden e-mail adressen, verzonden phishing e-mail berichten naar onder meer banken en meerdere (templates) voor phishing berichten. Ook de op de laptops aanwezige programma’s Havij en Filezilla hebben bijgedragen aan de gepleegde computervredebreuk, te weten het binnendringen van Webportals. Ook zijn gegevens van cardhouders gewijzigd door frauduleus in te loggen op hun Webportals”.

 Het is technisch gezien natuurlijk lariekoek dat je kan binnendringen op een “Webportal”; dat doe je namelijk op de geautomatiseerde werken (de servers) van ICS. Het ligt voor de hand dat dan sprake is van binnendringen via een valse hoedanigheid (namelijk met het account van het slachtoffer), maar dat acht de rechtbank (met een minimale motivering) niet bewezen.

Grootschalige oplichting via Marktplaats

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 6 maart 2020 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBMNE:2020:853) voor een flinke gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaar, voor phishing (oplichting), bedreiging en diefstal. In de uitspraak wordt uitvoerig de modus operandi van de criminelen besproken.

De rechtbank overweegt dat de verdachte samen met andere verdachten steeds dezelfde modus operandi (gebruikte werkwijze) aanhield. Een koper benaderde de aangever via Marktplaats of via het telefoonnummer van de aangever dat de koper via Marktplaats had verkregen. De koper liet de aangever, meestal via WhatsApp, weten dat hij het door de aangever aangeboden goed op Markplaats wilde kopen. De koper vroeg de aangever vervolgens om € 0,01 over te maken via een door hem toegestuurde betaallink en zei daarbij dat hij er op die manier zeker van kon zijn dat de aangever te vertrouwen was en hij niet opgelicht zou worden. Wanneer de aangevers de betaallink openden, zagen zij een website die qua uiterlijk overeenkwam met de website van hun eigen bank. De aangever vulde vervolgens enkele persoonlijke gegevens in om deze € 0,01 over te maken. Deze gegevens konden bestaan uit de gebruikersnaam en het wachtwoord van hun bankrekening, het bankpasnummer en de vervaldatum van de bankpas.

Deze website sloeg vervolgens de gegevens op, waarna de koper of een derde kon inloggen op de bankrekening van de aangever en transacties kon uitvoeren. In enkele gevallen werd een geldbedrag overgemaakt naar de bankrekening van een derde (een money mule) en in diverse andere gevallen verplaatste de koper een geldbedrag van de spaarrekening van de aangever naar diens betaalrekening. Hierbij werd gedaan alsof de koper een geldbedrag van zijn eigen rekening had overgemaakt naar de rekening van de aangever. In dit geval vertelde de koper de aangever dat hij per ongeluk een te groot geldbedrag had overgemaakt, waarna hij de aangever vroeg om het te veel overgemaakte geld terug te storten. Als de aangever voldeed aan dit verzoek, maakte de aangever in werkelijkheid zijn of haar eigen spaargeld over naar de koper.

Bij een deel van de aangevers is de voornoemde methode niet voltooid. Deze aangevers kregen op verschillende momenten in dit proces argwaan, werden door hun bank benaderd en gewaarschuwd voor verdachte transacties of wilden om andere redenen niet meer meewerken met de koper. Zodra de koper dit besefte, werd zijn communicatie vaak agressief jegens deze aangevers en probeerde hij ze onder bedreiging van geweld te dwingen mee te werken of een geldbedrag af te staan. De bedreigingen stonden in Whatsappjes op de inbeslaggenomen telefoons opgeslagen, zoals: [slachtoffer 4] :

“Ik steek je huis in de fik en ik steek jou kapot en ik kom van het kamp en ik steek jouw hond kapot en ik steek je vrouw neer, ik maak heel jouw familie kapot”

en daarbij het adres van die [slachtoffer 4] te noemen. Dit leverde natuurlijk het nodigde bewijs op voor het delict bedreiging.

De zaak kent ook een interessante overweging over de bewijsvoering. Het bewijs wordt zeer uitvoerig besproken, zoals verkeersgegevens van telefonie, betaalgegevens en WiFi-gegevens ter lokalisering van de verdachte. De verdachte voert aan dat de naam van een verdachte bekend moet zijn om historische verkeersgegevens van telefonie onder artikel 126nd Sv te vorderen. De rechtbank overweegt dat dit sinds het arrest van HR 22 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4689 niet meer noodzakelijk is. Wel opmerkelijk is de overweging dat ‘phishing-websites’ als technische hulpmiddel worden gekwalificeerd met het oogmerk om computervredebreuk te plegen, terwijl later wordt gesproken over de ontwikkeling van phishing-software.

De verdachten zijn in dit traject op verschillende manieren betrokken geweest bij de phishing, terwijl deze elementen van oplichting door middel van computervredebreuk, na phishing-activiteiten met gebruik van specifiek ontwikkelde software in essentiële zin met elkaar samenhangen om tot oplichting via phishing-software te komen. Hieruit blijkt volgens de rechtbank dat beide verdachten voldoende hebben bijgedragen aan dit proces om als medeplegers te worden beschouwd.

De rechtbank Den Haag heeft op 6 maart 2020 eveneens een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2020:2595) tot 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor het op grote schaal medeplegen van identiteitsfraude, (marktplaats)oplichtingen, gewoontewitwassen en deelnemen aan een criminele organisatie. Ook zijn er meer dan 150 vorderingen van benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen. De uitgebreide uitspraak is van goede kwaliteit en interessant vanwege de besproken modus operandi van de criminelen en de bewijsvoering.

De rechtbank overweegt dat de oplichter (verkoper) via Whatsapp contact zocht met de koper in advertentie opgegeven mobiele nummer. In eerste instantie was ophalen en opsturen van het apparaat mogelijk. Echter als de koper koos voor ophalen werd het door de verkoper zo gedraaid dat het wel heel ver weg was en/of dat een afspraak niet mogelijk was. Vervolgens werd het vertrouwen van de koper gewonnen door het sturen van een (selfie met een) identiteitsbewijs en door het gebruik van een gelijkende profielfoto op WhatsApp. Na ontvangst van de betaling bleef de verkoper enige tijd bereikbaar voor de koper en kreeg de koper een valse track en trace code. Vervolgens was de verkoper niet meer bereikbaar. Geen van de kopers ontving het gekochte product. In bijna alle gevallen maakte de verkoper gebruik van de identiteit van kopers die bij een aankoop zelf waren opgelicht en hun identiteitsbewijs naar de verkoper hadden verstuurd. Dit alles leverde het delict identiteitsfraude  op.

Het geld werd overgemaakt naar rekeningen die kort daarvoor waren geopende door personen uit Oostbloklanden (waarvan 41 rekeningen bij de ING). Deze rekeningnummers werden korte tijd gebruikt en de daarop gestorte gelden werden gedurende de dagen dat de rekeningen actief waren, op een enkele uitzondering na, contant opgenomen bij geldautomaten en casino’s in Amsterdam. De verdachten wisselden vaak van Simkaart in hun mobiele telefoon. De geschreven aantekeningen  – om bij te houden met excuses waarom het pakket niet geleverd – leverde in de zaak een deel van het bewijs voor oplichting. De rechtbank overweegt dat de verdachte kiest om te zwijgen, maar het bovenstaande schreeuwt om een verklaring, zeker toen de verdachte bewijsmateriaal probeerde te vernietigen tijdens de inval van de politie.

Ten slotte is de bewijsvoering nog interessant over de netwerken waarmee verbinding is gemaakt (een WiFi-netwerk). Het netwerk had blijkbaar ‘twee unieke MAC-adressen’, waarbij “onderzoek in  openbare bronnen wees vervolgens uit dat deze MAC-adressen behoorden bij twee Blackberry telefoons. De historische locatiegegevens van deze MAC-adressen gaven GPS locatiecoördinaten [GPS locatie 1] , [GPS locatie 2] die, met een nauwkeurigheid van 150 meter, de [adres 1] – de straat waar de verdachte woont – aanwijzen als de plek waar deze netwerken zijn gebruikt”.

Hoewel de oplichtingen per persoon slechts bedragen van tussen 300-600 euro bedroegen, wordt bewezen geacht dat de verdachte – samen met anderen – in totaal voor een bedrag van 105.261,41 euro heeft opgelicht.

Kamerbrieven over cybercrime en cybersecurity voorjaar 2020

Kamerbrief over ‘Citrix-problematiek en WRR-rapport over digitale ontwrichting

Op 20 maart 2020 heeft de minister van Justitie en Veiligheid de kabinetsreactie gestuurd op het rapport ‘Voorbereiden op digitale ontwrichting’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en een overzicht van de geleerde lessen van de Citrix-problematiek aan.

Het valt daarbij op dat de minister veel aanbevelingen dan de WRR niet overneemt of er slechts indirect op ingaat. De WRR beval bijvoorbeeld aan een ‘helder afgebakende wettelijke bevoegdheid voor digitale hulptroepen te creëren en de noodzaak van een aparte regeling voor overheidshandelen gericht op tegengaan van escalatie te onderzoeken’. Vervolgens wijst de minister op de al bestaande ‘nationale crisisstructuur’ en het ‘Nationaal Crisisplan Digitaal’ dat in februari 2020 is gepubliceerd, waar we waarschijnlijk uit moeten afleiden dat dit voldoende wordt geacht.

De WRR wees er ook op dat private dienstaanbieders vaak geen belang hebben in opsporing of attributie van aanvallen. De minister reageert daar indirect op door aan te geven dat ‘onder bestaande wettelijke kaders kan worden ingegrepen wanneer dit toch nodig is. Vakdepartementen hebben hierin bevoegdheden om in te grijpen op basis van sectorale wetgeving’.

Wel zegt de minister toe deze bevoegdheden in kaart te brengen zodat het gehele instrumentarium voor ingrijpen bij crises met digitale elementen inzichtelijk wordt en zodat kan worden bezien waar eventuele aanvullingen nodig zijn. Hierbij worden onder meer de ‘Coördinatiewet uitzonderingstoestanden’ en de ‘Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag’ betrokken.

Verder is interessant dat de minister in de Kamerbrief melding maakt van een nieuw samenwerkingsplatform op het gebied van cybersecurity, waar op dezelfde fysieke locatie samengewerkt wordt door politie, OM, NCSC, de AIVD en de MIVD met als doel informatie over cyberdreigingen en incidenten bijeen te brengen en gezamenlijke analyses te verrichten.

De minister benadrukt een aantal keer in de Kamerbrief dat alle organisaties primair zelf verantwoordelijk zijn voor digitale weerbaarheid. Tijdens de Citrix-problematiek werd duidelijk dat er nog veel sectoren zijn die niet over een eigen computercrisisteam of samenwerkingsverband beschikken. Uiteindelijk moet elk bedrijf en organisatie ergens terecht kunnen voor informatie en advies. Deze moeten in beginsel worden opgericht door de sectoren zelf, aldus de minister.

Om de betrouwbaarheid van cybersecuritydiensten te borgen is een subsidie verstrekt ‘om te komen tot een risicomodel en een kwaliteitsregeling voor leveranciers van cybersecuritydiensten’.

Persoonlijk vind ik het nog lastig een mening te vormen over deze kabinetsreactie. In de lange formele brief lees ik tussen de zinnen door geen enthousiasme voor de aanbevelingen in het rapport en vraag ik mij af of de overheid nu voldoende een vuist kan vormen bij ernstige incidenten bij cybersecurity. Ook wordt tamelijk summier ingegaan op de Citrix-problematiek. Daarvoor zou ik meer onderzoek willen lezen om er echt een oordeel over te kunnen vormen.

Michel van Eeten (prof. cybersecurity aan de TU Delft) schreef laatst overigens ook mooi en een prikkelend stuk over het WRR-rapport en hoe de oplossing niet altijd moet worden gezocht in meer bevoegdheden of een nieuwe overheidsinstantie. Zeker het lezen waard!

 Kamerbrief over de aanpak van cybercrime door regionale eenheden van de politie

In opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft een onderzoeksbureau in februari 2020 een ontnuchterend rapport afgeleverd over de aanpak van cybercrime door regionale eenheden van de politie’. Het rapport vond ik punten toch schokkend. Met al het geld en investeringen die zijn vrijgemaakt voor de politie om cybercrime  beter te bestrijden, vallen de resultaten op regionaal niveau – uitgaande van dit rapport – mij tegen.

De belangrijkste verandering die in rapport wordt besproken is dat naast het Team High Tech Crime (THTC) sinds 2016 ook op regionaal niveau binnen de politie-eenheden aandacht gekomen in de vorm van acht gespecialiseerde ‘cybercrime teams’. Maar in de eenheid Den Haag en Oost Nederland bestaat dat nog niet uit 10 FTE, waardoor het formeel niet voldoende capaciteit heeft voor een ‘cyberteam’. In het rapport worden nogal wat problemen bij de cyberteams gesignaleerd. Ook gaat het bij de intake van cybercrime nog steeds niet goed, omdat misdrijven te vaak niet herkend en geregistreerd worden als cybercrime.

Het gaat überhaupt niet goed met de kennis en kunde over cybercrime bij de politie volgens de onderzoekers. In het rapport staat:

“voor de cyberteams in de onderzochte eenheden geldt dat er een grote behoefte is om de specialistische digitale kennis binnen de generieke opsporing te versterken. De dieptekennis op digitaal vlak is met name voorhanden bij de Landelijke Eenheid (THTC) en bij de teams digitale opsporing. De cyberteams werken regionaal en pakken landelijk nauwelijks zaken op, terwijl cybercrime uiteraard niet regionaal van aard is”.

Door de cyberteams wordt nu wel voor meer cybercrimezaken door het OM vervolgd, omdat meer zaken worden aangedragen. Het accent ligt daarbij op veel voorkomende cybercriminaliteit, zoals phishing. Maar in deze zaken komt men weinig tot een veroordeling van een verdachte, omdat cybercriminelen vaak buiten beeld blijven. Mede hierom wordt vaker ingezet op ‘barrières tegen digitale criminaliteit’. Dat gaat dan koste van capaciteit van de opsporing, vraag ik mij af? En is de toezicht op deze acties van de politie voldoende?

Door de aanpak van cybercrime met specifieke cyberteams blijft verder de expertise binnen de reguliere opsporing achter, zo signaleren de onderzoekers. Bij andere teams is er daardoor weinig aandacht voor de digitalisering van criminaliteit. Dat lijkt mij een ernstige probleem. Kijk ook naar de laatste cijfers van maart 2020 van het CBS over criminaliteit, waar wordt gesignaleerd dat traditionele criminaliteit daalt en cybercrime stijgt. Internet en computers faciliteren simpelweg bepaalde vormen van criminaliteit, zoals oplichting en zedendelicten. Sterker nog, zij transformeren deze vormen van criminaliteit waar de politie uiteraard op moet inspelen. De regering komt later dit jaar met een meer uitgebreide reactie over de aanpak van cybercrime.

Kamerbrief over aanpak van ‘pedohandboek’

In de Kamerbrief van 10 februari 2020 over de aanpak van het ‘pedohandboek’ dat circuleert op het darkweb, geeft de minister van Justitie en Veiligheid aan dat vervolging voor het verspreiden van teksten uit een pedohandboek reeds mogelijk is. Het vervaardigen, bezit of verspreiding van het handboek valt volgens de minister onder het delict opruiing (artikel 131 Sr e.v..).

Op dit moment brengt volgens het OM een zelfstandige strafbaarstelling van het pedoboek geen extra mogelijkheden voor opsporing en vervolging mee. Toch laat de minister verkennen wat de (wettelijke) mogelijkheden zijn om de verspreiding van het ‘pedohandboek’ als zelfstandig strafbaar feit aan te pakken. Hierover wordt de Tweede Kamer nog voor de zomer geïnformeerd.

De Wijzigingswet Wiv 2017

De ‘Wijzigingswet 2017’ krijgt weinig aandacht in de literatuur en media, maar er staan toch belangrijke bepalingen in het wetsvoorstel die ik even op een rijtje wil zetten. Het wetsvoorstel betreft voor een belangrijk deel de codificatie van de Beleidsregels Wiv 2017. De Beleidsregels waren ingevoerd gelet op de zorgen in de samenleving, zoals deze onder meer uit de uitslag van het raadgevend referendum over de Wiv 2017 zijn gebleken (49,44% stemmen tegen en 46,53% stemmen voor de Wiv 2017).

In deze blogpost bespreek ik niet niet alle bepalingen van het wetsvoorstel Wijzigingswet Wiv 2017 maar de aanpassingen van (in mijn ogen) de belangrijkste artikelen rond het gerichtheidsvereiste en het delen van ongeëvalueerde gegevens met buitenlandse diensten. Daarnaast signaleer ik nog een paar interessante vragen en antwoorden in het Kamerdebat over het wetsvoorstel.

Belangrijke wijzigingen Wiv 2017

1. Het gerichtheidsvereiste

In artikel 5 van de Beleidsregels Wiv 2017 staat dat bijzondere bevoegdheden “zo gericht mogelijk” moeten worden ingezet. Het nieuwe vereiste die per 1 mei 2018 van kracht is, is geïntroduceerd naar aanleiding van de motie Recourt. In de motie stond dat het wenselijk is dat het gerichtheidsvereiste voor álle bevoegdheden geldt en niet alleen voor de bijzondere bevoegdheden zoals in de Beleidsregels is opgenomen. In de Beleidsregel en de toelichting wordt echter niet uitgelegd wat het gerichtheidsvereiste behelst.

In het wetsvoorstel wordt in de memorie van toelichting (p. 4-5) verduidelijkt dat onder “zo gericht mogelijk” wordt verstaan

“in hoeverre bij de verwerving sprake is van het tot een minimum beperken van niet strikt voor het onderzoek noodzakelijke gegevens, gelet op de technische en operationele omstandigheden van de casus.”

De te vergaren gegevens moeten daarbij dus van te voren worden afgebakend, bijvoorbeeld op basis van geografische gegevens, naar tijdstip, soort data en object. Per inzet van een bevoegdheid krijgt het vereiste aldus zijn uitwerking. Zonder voorbeelden blijft deze uitleg natuurlijk wel wat vaag. Het was overigens sowieso al gek dat het vereiste niet eerder was gedefinieerd.

In de praktijk is wel ervaring met het vereiste opgedaan, waar de CTIVD ook al op heeft getoetst. In CTIVD-rapport nr. 64 (2019) over de selectie van geïntercepteerde communicatie uit de ether, constateert de toezichthouder bijvoorbeeld dat in de aanvraag tot de inzet van de bijzondere bevoegdheid tot selectie in één geval een heldere omschrijving ontbrak van de organisatie ten aanzien waarvan de selectiebevoegdheid werd ingezet. De geformuleerde groep was te ruim omschreven en in de aanvraag was niet omschreven waarom sprake was van een organisatie.

En in het CTIVD-rapport nr. 63 (2019) over filtering bij ‘onderzoeksopdrachtgerichte interceptie’ (bulkinterceptie) gaf de toezichthouder aan dat bij een specifieke vorm van satellietinterceptie tijdens de onderzoeksperiode ‘een deel van gebruikte verwerkingssystemen alle inhoud en metadata van herkende typen data or protocollen doorlaat. Het zonder meer opslaan van gegevens op deze manier laat zich niet verenigen met het vereiste dat de interceptie ‘zo gericht mogelijk’ dient te zijn’ (onderstreping toegevoegd). In reactie op beide rapporten zeiden de ministers zich in te spannen deze onrechtmatigheden in de toekomst te voorkomen.

Als het wetsvoorstel Wijzigingswet Wiv 2017 wordt aangenomen en van kracht is, geldt het gerichtheidsvereiste verder voor álle bevoegdheden. Daartoe wordt artikel 26 Wiv 2017 gewijzigd, waar nu ook de andere algemene vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zijn neergelegd. Als gevolg daarvan moet het vereiste ook worden toegepast bij de inzet van algemene bevoegdheden zoals de informantenbevoegdheid en het stelselmatig verzamelen van persoonsgegevens op internet. Als je bijvoorbeeld gegevens opvraagt bij een bedrijf of instelling op grond van de informantenbevoegdheid (die dat dan al dan niet vrijwillig verstrekt), dan vraag je dat zo gericht mogelijk; bijvoorbeeld de gegevens van het target die je als dienst in de gaten houdt en niet een hele database. Een dergelijke toets raakt overigens ook sterk de proportionaliteitstoets en subsidiariteitstoets, maar goed. Vanuit het perspectief van de bescherming van fundamentele rechten is de bepaling zeker een winst, omdat het als extra waarborg kan fungeren voor alle bevoegdheden.

2. Delen van ongeëvalueerde gegevens met buitenlandse diensten

Het wettelijk kader voor het delen van gegevens is nogal ingewikkeld. In deze blogpost sluit ik aan bij de uitleg uit de memorie van toelichting en het nader verslag.

In het nader verslag wordt uitgelegd dat voorafgaand aan het aangaan van een samenwerkingsrelatie met een buitenlandse dienst een ‘wegingsnotitie’ wordt opgesteld. In de wegingsnotitie wordt aan de hand van wettelijk vastgelegde criteria, zoals de ‘democratische inbedding van de buitenlandse dienst’ en ‘de eerbiediging van mensenrechten door het betreffende land’, nagegaan of een dergelijke samenwerkingsrelatie kan worden aangegaan en in hoeverre gegevens kunnen worden uitgewisseld. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geëvalueerde of ongeëvalueerde gegevens. Ongeëvalueerde gegevens zijn gegevens waarvan de AIVD en de MIVD te weinig kennis van de inhoud hebben om een adequate weging te kunnen maken van de noodzaak, behoorlijkheid en zorgvuldigheid van de verstrekking van de gegevens.

De door de minister van BZK of minister van Defensie verleende toestemming voor het aangaan van de samenwerkingsrelatie bepaalt dus ook de grenzen van die samenwerking en of er gegevens mogen worden verstrekt en zo ja, welke soorten gegevens.

Artikel 64 Wiv 2017 vormt een uitzondering op deze regeling. In het kader van een goede taakuitvoering kan de AIVD of de MIVD op grond van een dringende en gewichtige reden – bijvoorbeeld indien men beschikt over gegevens die wijzen in de richting van een ophanden zijnde terroristische aanslag in het desbetreffende land – gegevens verstrekken aan de buitenlandse dienst waarmee geen samenwerkingsrelatie bestaat. Dat mag alleen met toestemming van de verantwoordelijke minister. Het kan daarbij óók gaan om de verstrekking van ongeëvalueerde gegevens.

De aanpassing ziet er op de situatie dat er wél een samenwerkingsrelatie is, maar de wegingsnotitie aangeeft dat het regulier niet is toegestaan gegevens met de buitenlandse dienst te delen. Door aanpassing van artikel 64 Wiv 2017 wordt dit bij bovengenoemde gewichtige redenen wel mogelijk met toestemming van de verantwoordelijke minister. Als er toch al een uitzondering is met toestemming van de minister de gegevens te delen bij gewichtige redenen, is het wat mij betreft ook niet gek dat dit ook mogelijk wordt gemaakt als er wel een samenwerkingsrelatie bestaat. De CTIVD wordt overigens via een melding op de hoogte gesteld bij een verstrekking van ongeëvalueerde gegevens.

In het nader verslag vragen leden van GroenLinks nog hoe het staat met het internationaal toezicht op het delen van gegevens met buitenlands diensten. De minister van Defensie herhaalt dat bij samenwerkingsverbanden de controle op de handelingen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten door de nationale toezichthouders plaatsvindt. Het is volgens minister ‘te vroeg om voor het toezicht op samenwerkingsverbanden multilaterale afspraken te maken over het integraal wegnemen van wettelijke beperkingen voor de uitwisseling van staatsgeheime gegevens tussen toezichthouders’.

Tweede Kamerdebat (nota naar aanleiding van het verslag)

Tijdens het Tweede Kamerdebat over de Wijzigingswet Wiv 2017 kwamen een aantal interessante onderwerpen voorbij (zie de ‘nota naar aanleiding van het verslag’). Ik licht er drie uit.  

1. Geclausuleerde toestemming TIB

De leden van de Partij van de Dieren vroegen zich of in hoeverre het mogelijk is dat de TIB ‘geclausuleerd’ voorafgaand aan de inzet goedkeuring geeft van de inzet van (bepaalde) bijzondere bevoegdheden die door de minister zijn goedgekeurd. Dan wordt dus goedkeuring gegeven, maar onder voorwaarde dat bij de uitvoering ergens rekening mee wordt gehouden. Blijkbaar ziet de partij deze ruimte niet, omdat in artikel 36 lid 2 Wiv 2017 is vastgelegd dat de commissie oordeelt of de toestemming van de minister rechtmatig is. Deze toestemming zou ook geen geheime voorwaarden toelaten volgens de partij. De minister van Defensie beaamt dat strikt genomen de Wiv 2017 niet voorziet in de mogelijkheid tot geclausuleerde goedkeuring. In de praktijk is dit slechts in enkele situaties voorgekomen, zo geeft zij aan. Opvallend is dat verderop wordt gezegd dat: 

“Mocht een geclausuleerde goedkeuring door de TIB voor de inzet van de bijzondere bevoegdheid overigens voorwaarden bevatten die om verschillende redenen als niet aanvaardbaar worden beschouwd (praktisch onwerkbaar, verschil in interpretatie wettelijke bepalingen e.d.), dan ligt het voor de hand dat – nu de verleende toestemming niet van rechtswege is vervallen – deze door de Minister wordt ingetrokken.”

Ten slotte wordt gewezen op de aanstaande evaluatie (die uiterlijk start op 1 mei 2020, maar waarvan de Commissieleden nog niet publiekelijk bekend zijn) zich buigt over ‘de hele inrichting, de functie en de plek van de TIB in het bestel, een en ander tegen de achtergrond van de ministeriële verantwoordelijkheid’. Het vraagstuk geclausuleerde goedkeuring door de TIB maakt daar onderdeel van uit.

2. ‘Werken met grote gegevenssets en GDA’

Verder vond ik het interessant – en ook terecht overigens – dat verschillende Kamerleden vroegen of de regering kon ingaan op de kritiek van de TIB over de verzameling van grote gegevenssets door middel van hacken of informanten. De leden van GroenLinks geven aan dat ook bij andere bevoegdheden gegevens in bulk worden verzameld, ook van personen die niet in onderzoek zijn bij de diensten. De leden vragen waarom deze waarborgen niet in bindende bepalingen zijn gegoten voor GDA-verwerking van alle verzamelde data, of deze data nu uit een open bron zijn verkregen, via een zogeheten bulk-hack zijn binnengehaald, met de OOG-interceptie bevoegdheid zijn afgevangen of van een andere dienst zijn ontvangen. De minister geeft aan dat dit onderwerp niet wordt behandeld in de Wijzigingswet en daarom hier niet op wordt ingegaan. Het wordt mogelijk in de wetsevaluatie betrokken.

Ook wordt de suggestie om de waarborgensystematiek voor geautomatiseerde data-analyse na bulkinterceptie op bijvoorbeeld metadata in de Wiv 2017 uit te breiden, wordt niet door de minister omarmt. De minister is er geen voorstander van, omdat dan voor ‘alle gevallen van geautomatiseerde data-analyse waarbij persoonsgegevens worden verwerkt, toestemming van de minister en een toets van de TIB noodzakelijk zou zijn’. Dat is mijns inziens afhankelijk van hoe je het regelt, maar de minister geeft in ieder geval aan een dergelijke regeling niet wenselijk te vinden.

De minister zegt dat ook geautomatiseerde data-analyse onderwerp kunnen zijn voor de wetsevaluatie. De minister wilt eerst de resultaten van de evaluatie af te wachten, alvorens tot aanpassingen van het stelsel te komen. De leden van wetsevaluatie gaan het dus nog druk krijgen gezien het aantal onderwerpen op die voor hen op de agenda zijn geplaatst! (zie deze Kamerbrief (.pdf) uit november 2019).  

3. Regelgeving en invloed opslagkracht van de diensten

De leden van CDA- en VVD fractie stelden verschillen vragen ‘of de genomen maatregelen werkbaar blijven voor de diensten’ en ‘op welke wijze met het voorliggende wetsvoorstel de slagkracht van de diensten wordt bevorderd en de disproportionele bureaucratisering van het werk van de diensten tegengegaan’.

De minister (die uiteraard haar eigen wetsvoorstel verdedigde) antwoordde daarop dat de bepalingen uit de Wijzigingswet  2017 naar inschatting werkbaar zijn. Over de bepalingen uit de Wiv 2017 (ten opzichte van de Wiv 2002) antwoord de minister dat de AIVD en de MIVD ‘intensief betrokken’ waren bij de totstandkoming van de wet en naar hun beste vermogen een inschatting hebben gemaakt van de impact van de nieuwe regels op hun werkwijze. Maar: ‘in de toepassingspraktijk is gebleken dat op onderdelen er frictie kan ontstaan tussen de wettelijke norm (en de wijze waarop deze is toegelicht) en de werkbaarheid voor de praktijk’. De minister wordt niet concreter welke onderdelen dat zijn en geeft aan dat ‘een en ander’ bij de wetsevaluatie wordt ingebracht.