Debat over aftappen

Posted on 05/06/2012 on Oerlemansblog

Twee weken geleden (23 mei 2012) heb ik een seminar bijgewoond over aftappen naar aanleiding van het WODC-onderzoek ‘het gebruik van de telefoon- en internettap in de opsporing‘. De media schreef over het rapport met name dat ‘Nederland koploper in aftappen is’ (zie bijvoorbeeld nu.nl).

Kamerleden duikelden vervolgens over elkaar heen om in de media te herhalen dat het een schande is dat Nederlands koploper is en de notificatieplicht moet worden nagekomen. Andere onderzoeksresultaten uit het rapport zijn verder nauwelijks ter sprake gekomen. In dit bericht wil ik daar enkele opmerkingen over maken.

Telefoontap minder effectief?

Al voor het seminar begon en het rapport officieel aan het publiek beschikbaar werd gesteld kwam de Volkskrant al met het bericht dat de ‘telefoontap steeds minder effectief wordt’. Dat was misschien niet zo netjes van de Volkskrant, maar het haalde wel een belangrijke boodschap uit het rapport. Namelijk dat steeds meer mensen van andere communicatiemiddelen dan de telefoon gebruik maken en daardoor niet alle communicatie meer over de reguliere tap komt. Het is daarom niet verbazend dat opsporingsdiensten meer van de internettap gebruik zijn gaan maken en het aantal ingezette internettaps is verdubbeld van 1704 taps in 2010 naar 3331 taps in 2011. Volgens de demissionaire regering (brief van 25 mei 2012, Kamerstukken II 2011/12, 30 517, nr. 25)is dat te verklaren door de toename van het gebruik van internettoepassingen op smartphones. De WODC-onderzoekers geven aan dat door gebrek aan capaciteit en kennis bij de politie het aantal ingezette internettaps nog relatief laag is gebleven.

De vermeende ineffectiviteit heeft niet geleid tot een daling van het aantal taps. De traditionele telefoontap is zelfs meer ingezet dan ooit (van 22006 in 2010 naar 24718 in 2011). De telefoontap blijkt nog steeds een effectieve opsporingsmethode te zijn. In de brief van de regering wordt bevestigd dat de telefoontap vooral nuttig indirect bewijsmateriaal oplevert. Soms geeft het ook aanleiding tot een effectieve en efficiënte inzet van andere opsporingsbevoegdheden. Tijdens het seminar werd ook door een officier van justitie toegelicht dat een verdachte soms wel van 8 prepaid telefoons gebruik maakt en dat kan ook (deels) een verklaring leveren voor het hoge aantal ingezette taps. Persoonlijk kreeg ik bij het seminar de indruk (door het gebrek aan debat daarover) dat de internettap nog niet zo’n grote rol speelt in opsporingsonderzoeken. Deze opsporingsbevoegdheid is volgens mij vooral relevant in de meer high tech opsporingsonderzoeken waarbij verdachten voornamelijk via internet communiceren. Afgevraagd kan worden of dit in de toekomst gaat veranderen als steeds meer mensen voor hun communicatie vooral van internet gebruik maken. Ik denk dat het belangrijk is daar nu al over na te denken en debat te voeren.

De overwegingen in de brief van de regering over de internettap vond ik zelf wel interessant en die wil ik hier nog kort uitlichtten. Over de internettap werd gezegd dat inmiddels ‘geselecteerde internettoepassingen’ kunnen worden afgetapt, waardoor niet het gehele netwerkverkeer hoeft te worden geanalyseerd. Naast dat dit efficiënter is, komt dat natuurlijk ook de privacy van de betrokkene ten goede. Opstelten geeft nogmaals aan ‘zowel nationaal als internationaal wordt onderzocht of er aanpassing van wet- en regelgeving nodig is om ook op internet de juiste mogelijkheden te hebben voor de opsporing’. Voor het zomerreces moet de Kamer daarover worden geïnformeerd.

In mijn eigen artikel over de internettap geef ik aan dat door versleuteling het in toenemende mate lastig wordt de inhoud van communicatie via internet af te tappen. Tegelijkertijd kan met de inzet van alternatieve opsporingsmethoden veel worden bereikt. De bijzondere opsporingsbevoegdheid van direct afluisteren (artikel 126l Sv), inclusief de mogelijkheid tot het plaatsen van een keylogger, biedt mogelijk een interessant alternatief om het probleem van versleuteling te omzeilen. De opsporingsbevoegdheid mag in een woning echter slechts worden toegepast bij misdrijven waar een gevangenisstraf van 8 jaar of meer op staat. De praktische toepassing van deze opsporingsmethode is daardoor beperkt. In de Verenigde Staten wordt wellicht vaker van deze opsporingsmethode gebruik gemaakt om het probleem van versleuteling te omzeilen. Zie bijvoorbeeld ook deze analyse cryptografiedeskundige Matt Blaze over de Amerikaanse ‘wiretap report’ van 2010 (die van 2011 verschijnt hopelijk later deze maand).

Het is mij niet duidelijk geworden in hoeverre opsporingsdiensten in Nederland concreet gehinderd worden door versleuteling. Ook ben ik benieuwd in hoeverre de nieuwe versie van het IP-protocol (IPv6) in de nabije toekomst mogelijk een probleem gaat vormen voor opsporingsdiensten. Wellicht zou de Nederlandse politie daar over wat meer kunnen zeggen naar voorbeeld van hun overzeese collega’s. In de Verenigde Staten probeert de FBI namelijk duidelijk te maken dat dit wel degelijk een probleem is. Zie daarover bijvoorbeeld dit interessante bericht op CNET.

Reactie Kamerleden

Van de reactie van Kamerleden had ik om eerlijk te zijn wel wat meer verwacht. Kamerlid El Fassed stuurde twee dagen voor het verschijnen van het rapport een viertal Kamervragen in. In mijn ogen maakt hij terecht een punt over het verschaffen van transparantie over het aantal vorderingen van gegevens bij sociale mediadiensten. Ik zie niet in hoe informatie over het aantal verzoeken tot gevolg kan hebben dat verdachten hun gedrag daarop zouden aanpassen, zoals staatssecretaris Teeven eerder heeft aangegeven.

Daarnaast stelt El Fassed de vraag of het niet verstandig zou zijn of voor het aftappen van telefoons en sociale media door opsporingsautoriteiten dezelfde voorwaarden moeten gelden. Blijkbaar is El Fassed of GroenLinks niet goed op de hoogte van de wetgeving. Sociale mediadiensten zijn (vooralsnog?) niet aftapplichtig; daar kunnen slechts gegevens worden gevorderd. Voor het vorderen van opgeslagen gegevens (o.g.v. artikel 126ng lid 2 Sv) gelden verder dezelfde voorwaarden als voor een telecommunicatietap. Dit heb ik overigens ook uitvoerig uiteen gezet in mijn artikel over de internettap.

Persoonlijk vind ik het jammer dat een debat over de niet-aftapbaarheid van telecommunicatie en telecommunicatiediensten die zich soms aan de aftapplicht lijken te onttrekken is uitgebleven. Wat mij betreft zijn dit ook belangrijke vragen waar over gediscussieerd moet worden. Wellicht biedt de toekomstige brief van Opstelten over opsporingsbevoegdheden op internet hiervoor een mooie aanleiding.

De Belgische ‘online doorzoeking’

Posted on 19/04/2012 on Oerlemansblog

In België wordt in artikel 88ter Wetboek van Strafvordering de zogenaamde ‘netwerkzoeking’ geregeld. Aan het artikel kan een zeer brede betekenis worden toegekend. Zelfs zo breed dat het de grondslag zou kunnen vormen van tot een ‘online doorzoeking’ in het buitenland.

In dit blogbericht wil ik de bevoegdheid kort analyseren en een vergelijking maken met het Nederlandse equivalent zoals geregeld in artikel 125j van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering. Daarbij wil ik opmerken dat het slechts mijn eerste gedachten zijn over het onderwerp. Als iemand mij kan en wil verbeteren, dan graag! .

Belgische netwerkzoeking

De Belgische netwerkzoeking is een op zichzelf staande opsporingsbevoegdheid en geen opsporingsbevoegdheid die slechts in het verlengde staat van een andere bevoegdheid, zoals een huiszoeking of doorzoeking ter vastlegging van gegevens. Wel kan een machtiging tot een netwerkzoeking door een rechter tijdens een zoeking worden afgegeven als blijkt dat een betrokken verdachte van een bepaalde systemen gebruik maakt om daar vervolgens een zoeking te doen. De zoeking zou elke mogelijke technische en procedurele vorm kunnen inhouden en daarmee zijn de mogelijkheden van opsporingsbevoegdheid zeer breed.

Zelfs zo breed dat in literatuur (Zie voor een heldere uitleg bijvoorbeeld J. Kerkhofs & P. van Linthout, ‘Cybercriminaliteit doorgelicht’, Tijdschrift voor Strafrecht 2010, nr. 4, pp. 179-199) als voorbeeld wordt genoemd dat met een voorhanden inlognaam en wachtwoord ook de webmail van een verdachte (bijvoorbeeld Gmail en Hotmail) kan worden onderzocht. Denkbaar is dat opsporingsambtenaren zo’n inlognaam en wachtwoord tijdens een huiszoeking op een briefje ergens vinden, tijdens een tap wordt onderschept, of zelfs met software of een ‘bug’ op het toetsenbord wordt onderschept (als die opsporingsmethode tenminste in de wetgeving mogelijk is gemaakt). Met de netwerkzoeking-bevoegdheid zou dan volgens de Belgen op het geautomatiseerde werk (in casu de webserver) een zoeking kunnen plaatsvinden.

Dit vind ik een bepaald vergaande bevoegdheid dat mijns inziens wel degelijk op hacken als opsporingsbevoegdheid neerkomt. Er wordt immers onder een valse hoedanigheid een (persoonlijk) geautomatiseerd werk van een verdachte binnengedrongen. Het idee is volgens mij dat, omdat er een wettelijke bevoegdheid (in België) voorhanden is voor een dergelijke opsporingshandeling geen sprake van het delict (hacken) zou zijn. De opsporingsmethode zelf komt in het spraakgebruik nog steeds neer op hacken. Bovendien wordt in bepaalde gevallen in feite op een geautomatiseerd systeem (server) van een bedrijf gezocht die daarvoor geen toestemming heeft geven en wellicht in het buitenland staat. Zowel het betrokken bedrijf of de betrokken staat kan dat nog steeds als een delict of inbreuk op haar soevereiniteit zien. De enige beperking van de netwerkzoeking lijkt te zijn dat niet op slinkse wijze of met een technische voorziening computers gehackt mogen worden. De toegang moet dus rechtmatig verkregen zijn, bijvoorbeeld door het vergaren van de inloggegeven met een andere opsporingsbevoegdheid. Ik vraag mij af of het ook mogelijk zou zijn netwerken overal ter wereld te doorzoeken, indien een systeembeheerder daar bijvoorbeeld toegang toe heeft en de toegangscodes aan opsporingsinstanties afgeeft. Hopelijk wordt dat dan wel even met een jurist van het betrokken bedrijf overlegt.

België heeft het Cybercrimeverdrag niet geratificeerd waarin verdragstaten overeen
zijn gekomen dat gegevens slechts met voorafgaande toestemming van de rechthebbende
of met rechtshulp grensoverschrijdend gegevens kunnen worden verkregen. De partijen waren er tijdens de onderhandeling niet uitgekomen dat een grensoverschrijdende netwerkzoeking mogelijk zou zijn, wellicht omdat zij zich in hun soevereiniteit geschonden voelen. Dat betekent dat de normale volkenrechtelijke regels gelden en strafvorderlijke bevoegdheden in principe niet over de grens mogen worden toegepast. De kans bestaat naar mijn mening dat een andere staat of bedrijf naar aanleiding van zo’n actie de Belgische Staat voor een (internationale?) rechter sleept. Het is blijkbaar de bedoeling dat bij de Belgische netwerkzoeking de verantwoordelijke voor het systeem waar een zoeking plaatsvindt geïnformeerd wordt. Dit is echter alleen noodzakelijk indien de identiteit van de verantwoordelijke redelijkerwijze kan worden vastgesteld. De
auteurs Kerkhofs en Linthout wijzen er tevens op dat voor de bepaling geen termijn voor de informering voorschrijft en niet op straffe van een sanctie is voorgeschreven.

Netwerkzoeking in Nederland

Naar aanleiding van het bovenstaande moet natuurlijk afgevraagd worden of in Nederland ook met het equivalent van de Belgische netwerkzoeking in het buitenland systemen mogen worden doorzoeken. Uit de wettekst zelf en wetsgeschiedenis kan worden afgeleid artikel 125j Sv een netwerkzoeking mogelijk maakt als vervolg van de inzet van een bevoegdheid tot het doorzoeken ter vastlegging van gegevens zoals geregeld in artikel 125i Sv. Indien bijvoorbeeld een doorzoeking ter vastlegging van gegevens plaatsvindt op een computer bij een bedrijf, dan kan de doorzoeking zich tevens uitstrekken tot andere computers binnen een bedrijfsnetwerk of zelfs met computers die met het netwerk verbonden zijn en binnen Nederlands territoir bevinden. De bevoegdheid kan alleen worden ingezet indien wordt vermoed dat bepaalde gegevens op die andere computers gevonden zullen worden. Deze laatste eis geldt echter ook in België.

De Nederlandse bevoegdheid tot een netwerkzoeking is daardoor beperkter in zijn aard dan de Belgische (zie ook Koops, in ‘De dynamiek van cybercrime-wetgeving in Europa en Nederland’, p. 17 en 18). Andere opsporingsbevoegdheden bieden naar mijn mening tevens onvoldoende legitimatie tot het op afstand doorzoeken van gegevens op een geautomatiseerd werk (zie ook dit artikel van mij en dit blogbericht).


Conclusie

De Belgische netwerkzoeking kan onder omstandigheden een ‘online doorzoeking’ in het buitenland mogelijk maken. In Nederland is deze opsporingshandeling naar mijn mening niet toegestaan, omdat de Nederlandse netwerkzoeking geen op zichzelf staande opsporingsbevoegdheid is en hacken (nog) geen opsporingsbevoegdheid is.

Naar mijn mening is de Belgische netwerkzoeking zeer vergaand, maar pragmatisch. Het biedt opsporingsambtenaren de mogelijkheid grensoverschrijdend gegevens te vergaren in dezelfde systemen als waar een verdachte gebruik van maakt, mits rechtmatig toegang wordt verkregen tot die systemen op basis van andere bevoegdheden. Echter, het kan leiden tot een ontransparante opsporingspraktijk waarbij heimelijk informatie wordt vergaard (al dan niet in het buitenland). Zelfs als een brave Belgische opsporingsambtenaar de verantwoordelijke over het gebruik van de bevoegdheid inlicht vindt het bedrijf het wellicht niet voldoende aanleiding (of te veel moeite?) om er een probleem van te maken of een procedure te starten. Indien dergelijke opsporingshandelingen niet via officiële rechtshulpverzoeken gaan worden de opsporingshandelingen die een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken aan het toezicht van de betrokken staat onttrokken. Dit kan de rechtsbescherming van de betrokkene in gevaar brengen, zeker wanneer de verdachte zich op territoir buiten België bevindt. Inzet van de opsporingsmethode kan leiden tot
diplomatieke spanningen als een staat van de netwerkzoeking op de hoogte raakt. Daarbij moet wel worden aangetekend dat dit afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, de afspraken die onderling zijn gemaakt en de opsporingspraktijk. Ik ben daarom heel benieuwd hoe de bevoegdheid in de praktijk gaat uitwerken en in hoeverre hier procedures uit volgen.

Nieuwe Kamerbrief over de aanpak van kinderpornografie

Posted on 06/02/2012 on Oerlemansblog

27 januari 2012 heeft Minister Opstelten een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over de aanpak van kinderpornografie. In de brief worden bestaande plannen bevestigd, zoals de nationale slachtoffergerichte aanpak en een verdubbeling van werkcapaciteit voor de bestrijding van kinderporno. Deze voornemens juich ik toe.

In dit bericht wil ik ingaan op een paar aspecten uit de brief die mij zijn opgevallen.

Alternatieve afdoeningen

Op pagina 5 wordt vrij uitgebreid ingegaan op de resultaten van de pilot ‘Initiatief Niets Doen Is Geen Optie’ (INDIGO). In de situatie waar een downloader of kijker van kinderpornografie door de politie wordt geïdentificeerd wordt namelijk soms een alternatief traject ingezet. Daarbij zal de politie met de houder van desbetreffende IP-adres of met de bewoner van de desbetreffende woning een ‘stevig gesprek’ gevoerd en krijgt de kinderpornogebruiker een waarschuwingsbrief van het OM. Dit wordt gedaan wanneer onvoldoende informatie aanwezig is een opsporingsonderzoek voort te zetten. De betrokkene wordt ook geregistreerd in de politiesystemen.

Een ander alternatief traject is dat de betrokkene – nadat is vastgesteld dat deze daadwerkelijk kinderporno volgens politie en justitie in bezit had – onder toezicht van de reclasseringsdient gaat en een intensief begeleidingstraject moet volgen bij een GGZ instelling.

Om eerlijk te zijn weet ik niet goed wat ik hier nu van moet vinden. Tegen het tweede traject zie ik op het eerste gezicht minder bezwaren dan het eerste. Wel vind ik het in ieder geval belangrijk genoeg hier op te merken.

Decryptiebevel

In navolging van de Kamerbrief van 10 juni 2011 laat de minister weten wat de ervaringen zijn met het decryptiebevel uit het Verenigd Koninkrijk. In het VK wordt het bevel per saldo positief gewaardeerd. Daarom is de minister van oordeel dat een vergelijkbare regeling ‘met een positieve grondhouding’ moet worden benaderd. Op zich vind ik het niet verassend dat  opsporingsambtenaren het een ‘nuttig instrument’ vinden de verdachte te verplichten gegevens voor opsporingsambtenaren weer leesbaar te maken. Het decryptiebevel staat echter wel in spanning met het nemo tenetur-beginsel zoals vervat in artikel 6 EVRM. Een verdachte hoeft in beginsel niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Terecht merkt de minister op dat de regeling uit het Verenigd Koninkrijk niet is voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en nader onderzoek wenselijk is.

Opmerkelijke potentiële maatregelen uit het barrièremodel

In het barrièrmodel kinderporno is het kinderpornografieproces in beeld gebracht. Daarbij wordt aangegeven op welke manieren op welk moment kan worden ingegrepen om kinderporno te bestrijden. Daarbij gaat het niet alleen om juridische maatregelen. In het ‘Actieplan aanpak kindermishandeling 2012-2016’ worden de interventies die eenvoudig en op korte termijn in te voeren zijn verder uitgewerkt. Het is onduidelijk welke dat precies zijn. Voorbeelden van interventies die directe of korte termijn kunnen worden uitgevoerd zijn: het runnen van informanten en toepassing wet bijzondere opsporingsbevoegdheden, ontwikkelen van protocol met creditcardmaatschappijen voor blokkering na aankoop kinderporno, standaard inbeslagname van gegevensdragers bij zedendelicten en het uitbreiden van digitale wijkagenten voor monitoren op websites voor kinderen.

Bij de middellange implementatietermijn wordt gedacht aan: het signaleren en melden van bepaalde zoektermen en taalgebruik door samenwerking met providers en social mediawebsites, remotebeheer: stelselmatig checken en / of beperken wat veroordeelde zedendelinquent met minderjaren online doet (monitoring), informatie uitwisselen door Openbaar Ministerie aan B&W m.b.t. veroordeelde zedendelinquenten in gemeente en verhuisberichten doorsturen, database veroordeelde zedendelinquenten beschikbaar stellen door organisaties die met kinderen werken t.b.v. screening kandidaten, zedenvolgsysteem en onder toezicht stellen van veroordeelde zedendelinquenten met minderjarigen.

Bij sommige maatregelen staat een vraagteken en dat zijn dan ook wel de meest opmerkelijke. Veel van die maatregelen vind ik héél curieus. Zie bijvoorbeeld: verstoren van peer-to-peer netwerken door aanmaken van nepaccounts, verspreiden of aanbieden van kinderporno met virussen, versturen van e-mailbom naar verdachte, en de uitsmijter: ‘cookies op kinderpornosites plaatsen dat de politie meekijkt, IP-adres registreert en doorverwijzing naar ‘Stop it now’ of afsluiten van net-kp pagina maken’.

Wel wordt hierover opgemerkt: “Deze interventies zijn overigens gebaseerd op de input van de diverse deelnemers aan de brainstormsessies en weerspiegelen niet direct de voorziene koers vanuit het PVAKP/de politie. Bij een aantal van de genoemde interventies zijn in dit stadium nog vraagtekens te plaatsen voor wat betreft de haalbaarheid en werkbaarheid, bijvoorbeeld in verband met juridische kwesties en digitale consequenties”. Hmm, dat er nog vraagtekens bij te plaatsen zijn vind ik wel een understatement..

Filter bij Leaseweb

Tenslotte nog een enkele opmerking over de filterdienst van Leasweb. Mede gezien mijn functie bij Fox-IT vind ik het niet gepast op mijn blog uitgebreid in te gaan op de brief van Bits of Freedom waarin wordt gesteld dat de kinderpornofilter bij Leaseweb in strijd zou zijn met het recht op privacy en de vrijheid van meningsuiting. Wel wil ik nog opmerken dat een filterdienst waarvan bedrijven gebruik kunnen maken om kinderporno op hun websites tegen te houden volgens mij gewoon legitiem is.

Eerste Cyber Security Beeld Nederland gepubliceerd

Posted on 28/12/2011 on Oerlemansblog

Op 23 december 2011 is het eerste ‘Cyber Security Beeld’ van Nederland gepubliceerd. In een rapport van GovCERT.nl worden de dreigingen van 2011 beschreven en in een begeleidende brief van de overheid wordt hier een reactie op gegeven en de concrete maatregelen beschreven die naar aanleiding daarvan genomen moeten worden. Hierbij is aangesloten op een overzicht van het relevante juridische kader met betrekking tot cyber security. Tenslotte heeft de nationale Cyber Security Raad nog een reactie gegeven op het eerste Cyber Security Beeld.

In dit bericht wordt geen overzicht gegeven van de grootste bedreigingen uit 2011 en ontwikkelingen zoals cloudcomputing en mobiele malware die de ICT veiligheid van Nederland bedreigen. GoverCERT.nl heeft dat net als voorgaande jaren prima in een rapport weergegeven en voor beveiligingsonderzoekers zou daar weinig nieuws in (moeten) staan. Wel wil ik ingaan op een aantal belangrijke toezeggingen in de brief door Minister worden gedaan en de overwegingen met betrekking tot strafrecht analyseren.

Brief minister
De begeleidende brief is grotendeels een opsomming van al genomen of nog te nemen maatregelen om de ICT veiligheid van Nederland te waarborgen. Bevestigd wordt bijvoorbeeld dat dat Defensie de kennis en capaciteiten moet ontwikkelen om offensieve handelingen te kunnen verrichten in het digitale domein. Ook wordt vrij diep in gegaan op de meldplicht datalekken. Zoals bekend hebben we al een Europese meldplicht en was het kabinet voornemens een algemene meldplicht in te voeren. Daarnaast is Kamerlid Hennis-Plasschaert met een meldplicht gekomen. Zie over de meldplicht die nu in consultatie is dit informatieve (en kritische) blogbericht van Dirk Zwager Advocaten. De Kamer zal vóór het zomerreces van 2012 geïnformeerd worden over de wijze waarop de meldplicht wordt ingericht.

Juridisch kader
Het juridische kader met betrekking tot cyber security is ‘slechts’ een overzicht van zo’n beetje alle wet- en regelgeving die er maar enigszins mee te maken heeft. Het is bijna 70 pagina’s groot en op zich worden de relevante artikelen uit bepaalde wetten prima beschreven. Aan de hand van dit (toch wel atypische) overheidsdocument trekt de Minister blijkbaar zijn conclusies. Op pagina 8 en 9 van de begeleidende brief gaat de Minister in op de vraag of het huidige juridisch kader voldoende bevoegdheden biedt waarmee de overheid ‘snel, kundig en dwingend’ kan optreden tegen een ‘cybercrisis’. De uitkomsten van het onderzoek naar aanvullende ‘interventiemogelijkheden’ van de overheid zullen ook vóór het zomerreces van 2012 aan de Kamer worden aangeboden. De term ‘cybercrisis’ en de potentiële handhavingsmogelijkheden zijn zo breed gehouden dat het onmogelijk is vast te stellen op welke inverventiemogelijkheden van welke instanties nu wordt gedoeld.

Ik kan vanuit mijn onderzoeksachtergrond alleen uitspraken doen over strafrecht en ik vind ten aanzien van de toepassing van de relevante bijzondere opsporingsbevoegdheden op internet men zich er wel heel gemakkelijk van heeft afgemaakt

Bijzondere opsporingsbevoegdheden
In het rapport worden de opsporingsbevoegdheden namelijk beschreven van een doorzoeking, het vorderen van gegeven, het opnemen van telecommunicatie en het ontoegankelijk maken van gegevens. Daarnaast wordt gewezen op enkele overige opsporingsbevoegdheden, zoals stelselmatige observatie, stelselmatige informatie-inwinning, de pseudokoop of -dienst en infiltratie. Deze bevoegdheden zouden anders dan de bovengenoemde opsporingmethoden, niet specifiek zien op digitale informatie, communicatie en gegevens en worden daarom verder niet behandeld.
Toevallig zijn dat nu precies de opsporingsmethoden waar ik op dit moment onderzoek doe en uitzoek en hoeverre die toepasbaar zijn op internet. Onderzoek op social media en stelselmatige informatie-inwinning zijn naar mijn mening juist niet meer weg te denken in een digitaal opsporingsonderzoek. En juist de reikwijdte van deze opsporingsbevoegdheden zijn nog niet uitgekristalliseerd. De vraag is overigens wel of nieuwe wetgeving nodig om digitaal opsporingsonderzoek te normen, het lijkt meer te gaan over de interpretatie van de reikwijdte van deze opsporingsbevoegdheden waarover rechters zich wellicht vaker moeten (kunnen?) uitspreken.

Jurisdictie
Met betrekking tot jurisdictie op internet worden de beginselen prima beschreven. De Minister merkt daar over op dat Nederland zich binnen het strafrecht dient te houden aan de regel dat rechtsmacht geldt als het misdrijf via een server in Nederland heeft plaatsgevonden. De regel uit Oostenrijk komt uit bestuursrecht en is niet één op één toepasbaar op het strafrecht in Nederland. Bovendien zou het in strijd kunnen zijn met internationaalrechtelijke afspraken. Ik moet mij hier nog meer in verdiepen, maar ik begrijp nog niet helemaal waarom aan deze ‘regel’ zo sterk wordt vastgehouden. Wel snap ik dat delicten een stuk makkelijker zijn op te sporen wanneer deze via infrastructuur in Nederland gefaciliteerd worden.

Wet computercriminaliteit III en de online doorzoeking
Niet onbelangrijk is dat de Minister heeft toegezegd vóór het zomerreces van 2012 mede te delen welke maatregelen m.b.t. het strafrecht, waaronder de noodzaak tot het regelen van een online doorzoeking, nodig zijn. Het lijkt er op dat het conceptwetsvoorstel versterking bestrijding computercriminaliteit (of Wet computercriminaliteit III) voorlopig niet naar de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Nationaal Cyber Security Centrum
Per 1 januari 2012 gaat het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) van start. De ambitie is om de ‘digitale weerbaarheid van de Nederlandse samenleving’ te vergroten. Die ambitie moet met 3 pijlers verwezenlijkt worden, namelijk:

1. het ontwikkelen en aanbieden van expertise en advies;
2. het ondersteunen en uitvoeren van response bij dreigingen of incidenten;
3. door versterking bij crisisbeheersing

GovCERT.nl zal met al haar huidige taken opgaan in het Centrum. Het Cyber Security Centrum bestaat verder uit het ‘ICT Response Board’ en een vertegenwoordiger van verschillende relevante overheidspartijen (o.a. AIVD, politie, OM, Defensie en het NFI). De overheid nodigt andere relevante private en publieke partijen uit om zich daarbij aan te sluiten, maar lijkt daarbij geen budget voor vrij te maken. Het idee is dat op deze manier expertise wordt ontwikkeld. De meerwaarde van het centrum zou ontstaan als informatie, kennis en expertise gericht wordt gedeeld tussen partners of door bundeling effectief kan worden ingezet (‘bijvoorbeeld tijdens een grote ICT-crisis’). Volgens Opstelten heeft daarbij ‘iedere partij haar eigen verantwoordelijkheid en zal het NCSC de verschillende partijen ondersteunen en faciliteren om deze verantwoordelijkheid op passende wijze in te kunnen vullen’. Ik heb geen idee wat deze zin concreet inhoudt. Wie het wel weet mag het zeggen!

Ten aanzien van punt 2 blijkt dat het centrum voor de overheid alleen ‘tweedelijns respons’ aanbiedt en voor vitale infrastructuren ‘derdelijns respons’. Eerstelijns respons zijn maatregelen door de eigen interne ICT-organisatie van instanties en/of externe bedrijven, tweedelijns respons zijn maatregelen door een overkoepelende, branche-gerichte ‘CERT’ en derdelijns respons is een aanvulling op tweedelijns respons, zoals ‘het inzetten van het NCSC als aanvulling op de incident response bij vitale sectoren (zoals bijstand door Surf Cert vanuit het NCSC)’.

Ten aanzien van punt 3 zal het Centrum het ‘ICT Response Board’ faciliteren. Dat wil zeggen dat tijdens een digitale crisis (nog onduidelijk is wat voor een crisis precies) een ICT Response Board wordt georganiseerd dat een advies moet brengen tot het nemen van maatregelen voor de nationale crisisstructuur. Het NSCS ondersteunt in de uitvoering van deze maatregelen, waarvan de procedures worden vastgelegd in het Nationaal Crisisplan ICT (NCP-ICT). Daarnaast verzorgt het NSCS de coördinatie van het bijeenbrengen van operationele informatie en het duiden daarvan tijdens een crisis.

Het centrum moet dus ook als een soort informatiehub fungeren. Publieke en private partijen moeten daarin de mogelijkheid krijgen informatie uit te wisselen (zie paragraaf 7 van de bijlage). Dat mag niet meer informatie zijn dan is toegestaan op basis van de relevante juridische kaders, maar wél vertrouwelijk en onder een convenant. Ik vraag mij af hoe daar controle op kan plaatsvinden en ik denk aan het gevaar voor privacy met vergelijkbare problematiek als bij Veiligheidshuizen. Zie daarover deze opinie.

Reactie Cyber Security Raad
De Raad herkent zich goed in het Cyber Security Beeld. Wel worden twee adviezen meegegeven. Ten eerste moet een ‘inventarisatie van digitale belangen van de overheid en het bedrijfsleven’ plaatsvinden, waarbij in de eerste plaats aandacht moet worden gegeven aan vitale infrastructuur. Zonder een goed begrip van de specifieke belangen is het namelijk moeilijk te komen tot een goede risicobeoordeling. Ook is het volgens de Raad noodzakelijk om te weten welke controlemechanismen en beveiligingsmaatregelen nu al bestaan, om vast te stellen wat nog ontbreekt en waar met prioriteit aanvullende maatregelen nodig zijn.

Ten tweede adviseert de Raad een ‘nadere kwantificering’ te maken van de ‘met dreigingen en kwetsbaarheden samenhangende risico’s, onder meer op grond van onderkende aanvallen op de digitale omgeving en pogingen daartoe’. Hierbij is uiteraard samenwerking met de private sector nodig om een volledig mogelijk beeld op te bouwen. Daarbij wordt zelfs de formule meegegeven van ‘kans maal impact’ (haha).

Conclusie
Meer dan het Cyber Security Centrum lijkt het ICT Response Board de grootste rol te spelen wanneer er écht een digitale crisis zich voordoet. Wel vraag ik mij af of een publiek-privaat samenwerkingsverband de beste manier is met die heel ernstige crisis om te gaan. Ook ben ik benieuwd aan welke nieuwe ‘interventiemogelijkheden’ de overheid overweegt en wanneer zij toegepast zouden kunnen worden. Vooralsnog lijkt de nadruk te liggen op aanvallen waarbij vitale infrastructuur op spel staat en maatschappelijke ontwrichting met zich mee brengt.

Het Cyber Security Centrum zelf vind ik verder vrij uniek qua opzet. In elk geval zijn de huidige taken van GovCERT.nl er in op gegaan, maar daar komen het uitvoeren van response bij dreigingen en crisis en het faciliteren van informatie-uitwisseling tussen publiek-private partijen bij. Met heel beperkte middelen moet het Centrum blijkbaar een spilfunctie krijgen waarbij partijen samen kunnen komen om informatie uit te wisselen. Maar blijft toch wel een heel andere benadering van het security probleem dan van het Verenigd Koninkrijk die een honderden miljoenen ponden beschikbaar stellen aan de GHCQ om als spilfunctie te fungeren en de veiligheid van de ICT-infrastructuur beter te waarborgen. Ik ben niet in de positie om te oordelen welke aanpak beter is, maar bij de eerste serieuze crisis zal de aanpak zich moeten bewijzen.

Nieuwe aanpak van kinderpornografie

Posted on 13/07/2011 op Oerlemansblog

De minister van Veiligheid en Justitie heeft per brief op 10 juni 2011 de Kamer bericht over de aanpak van kinderpornografie met betrekking tot de toezeggingen die zijn gedaan in het Algemeen Overleg van 17 mei 2011. Het nieuwe beleid is voor een groot deel gebaseerd op het rapport ‘Kinderporno aangepakt’ van de politie. Wel gaat Opstelten in de brief nog uitgebreid in op de strafbaarstelling van virtuele kinderpornografie en het afgeven van een ontsleutelbevel aan de verdachte. In dit bericht wordt ingegaan op de juridische aspecten met betrekking tot de nieuwe aanpak van kinderpornografie.

Focusverschuiving

Volgens de minister moet ‘de impact en het effect van de aanpak op de slachtoffers van seksueel misbruik centraal komen te staan en niet de omvang van de output van de verwerking van de werkvoorraad van de politie’. Om dat effect te bewerkstelligen wordt het politiebestel dat zich bezighoudt met de bestrijding van kinderpornografie drastisch gereorganiseerd.

De organisatie moet per 1 januari 2012 bestaan uit een nationale unit dat zich o.a. bezighoudt met innovatie en specialistische taken (zoals techniek, internetsurveillance, werken-onder-dekmantal, etc.), opsporing op internet van kinderpornografiezaken (o.a. bijdrage aan internationale zaken), en relaties met derden zoals buitenland (intake in/uit en samenwerking met Europol en Interpol) en private partijen. De 10 regionale units moeten zich bezighouden met de bestrijding van misbruik door identificatie van Nederlandse slachtoffers, bestrijden van productie, verspreiding en downloaden van kinderporno, en doorrechercheren (rapport ‘Kinderporno aangepakt’, p. 20 e.v.).

Deze nieuwe organisatie moet een focusverlegging naar pleger, producent en (commercieel) verspreider van kinderpornografie en het achterhalen van slachtoffers beter bewerkstelligen. Toch merkt de Minister in de brief op: “Uw Kamer heeft terecht aangegeven dat bij de focusverlegging aandacht voor zogenaamde downloadzaken geboden blijft en daar ben ik het mee. Daarvoor moeten wel ook andere afdoeningen worden ingezet”. De Minister doelt hier op het bewerkstelligen van een ‘barrièremodel’ en het op een ‘buitenstrafrechtelijke manier afdoen’ van zaken met downloaders van kinderpornografie. Mij is nog onduidelijk wat dit precies betekent en ik kan dan ook niet inschatten in hoeverre deze maatregelen juridisch gezien door de beugel kunnen. Ook streeft de Minister na dat 25% meer kinderpornozaken in 2014 worden afgehandeld. Dit streven lijkt mij wel heel ambitieus als tegelijkertijd meer zaken met verspreiders en vervaardigers moeten worden afgehandeld in plaats van bezitters van kinderporno en daarnaast op zaken met aanwijzingen van misbruik altijd lokaal gerechercheerd moeten worden. Dat zal veel meer capaciteit en expertise kosten en ten koste gaan van het aantal zaken dat kan worden afgehandeld (zie ook p. 49 van mijn scriptie over dit onderwerp).

De capaciteit aan mensen die zich bezighouden met de bestrijding van kinderpornografie wordt verdubbeld met 75 FTE tot en met 150 FTE. Dit wordt naar verluidt geregeld door een interne herverdeling in de politieorganisatie. De capaciteitsuitbreiding en het versterken van de aanpak van kinderpornografie op nationaal niveau vind ik wenselijk en waren dan ook aanbevelingen uit mijn onderzoek in februari 2010 naar de bestrijding van kinderpornografie op internet. Zie in dat kader ook dit artikel van mij.

Vooralsnog wordt vooral reactief opgespoord na meldingen van buitenlandse politiediensten, kinderpornomeldpunten, en aangifte vanuit de burgerij door vooral onderzoeken naar seksueel misbruik en meldingen van computerreparatiebedrijven (op dit moment goed voor meer dan 1400 zaken per jaar). Het proactief opsporen van kinderporno op internet wordt in het rapport afgedaan als ineffectief (p. 12): “De focus hierop richten zou de werkvoorraad kunnen verveelvoudigen, terwijl er weinige opsporingsmogelijkheden zijn om de betrokkenen – overigens vrijwel uitsluitend – buitenlandse slachtoffers en daders op te sporen”. Ik kan mij voorstellen dat daar niet de prioriteit op ligt, maar ik denk wel de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden op internet ten aanzien van Nederlandse verspreiders in georganiseerd verband (bijvoorbeeld binnen besloten netwerken) nadrukkelijker overwogen had moeten worden. Voor mijn part is dat een onderdeel van ‘doorrechercheren’ in plaats van ‘proactief rechercheren’.

Virtuele kinderporno

Opnieuw is er in kader van de aanpak van kinderporno tot een uitbreiding van het begrip
kinderpornografie gekomen. In vrij recente wijzigingen was de leeftijd al verhoogd van 16 naar 18 jaar en sinds 1 januari 2010 is het ‘toegang verschaffen tot kinderporno’ strafbaar. Virtuele kinderpornografie werd in 2006 strafbaar gesteld door toevoeging van het zinsdeel ‘of schijnbaar betrokken’ uit artikel 240b Sr na ratificatie van een optioneel artikel in het Cybercrime verdrag. Destijds was een belangrijke reden voor de strafbaarstelling dat het OM niet meer hoefde te bewijzen dat kinderpornografie ‘levensecht’ is. Nu hoeft virtuele kinderpornografie niet meer ‘levensecht’, maar slechts ‘realistisch’ te zijn. Voldoende is dat de afbeeldingen ‘dermate realistisch zijn dat die kunnen worden gebruikt om kinderen aan te moedigen of te verleiden om deel te nemen aan seksueel gedrag of gedrag dat deel kan gaan uitmaken van een subcultuur die seksueel misbruik van kinderen bevordert. Tevens moeten die afbeeldingen onmiskenbaar en naar objectieve maatstaven bezien zijn bedoeld tot het opwekken van seksuele prikkeling of andere seksuele doeleinden.’ Dit nieuwe criterium kan worden afgeleid uit de uitspraak van Rb. Rotterdam van 31 maart 2011 (LJN BP9776).

De Minister sluit daarbij aan en verwijst naar de ratio van de strafbaarstelling van kinderporno uit het recentelijk geratificeerde verdrag van Lanzarote. De Minister merkt in de brief nog op: “Door nadruk te leggen op een ruime uitleg van de strafbaarstelling van virtuele kinderpornografie zal worden bevorderd dat meer zaken van virtuele kinderpornografie aan de rechter worden opgelegd.” Afgevraagd moet worden hoe zich dit rijmt met de focusverlegging naar verspreiders en vervaardigers van kinderpornografie en de focus op seksueel misbruik van de slachtoffers van kinderpornografie.

In een uitstekende scriptie heeft Emiel van Dongen in 2009 veel kritiek geleverd op de strafbaarstelling van virtuele kinderpornografie wegens de ‘promotie van een subcultuur van seksueel misbruik van kinderen’. Hij stelt dat meer onderzoek moet worden gedaan naar het waarheidsgehalte van de aannames rondom aanmoediging of de vorming van een markt, klimaat of subcultuur ten aanzien van virtuele kinderpornografie. Moerings waarschuwde bovendien al in 2003 de overheid zich hiermee op glad ijs begeeft: “zij draagt in feite argumenten aan die ook benut kunnen worden om pornografie, waar volwassenen zijn betrokken, onder de werking van de het strafrecht te brengen. Hiermee krijgt zij mogelijk inmiddels bejaarde feministen uit de jaren zeventig achter zich, die zich keerden tegen pornografie waarin de vrouw als lustobject werd afgebeeld en die de weg naar seksuele onderdrukking en uitbuiting verder open zette.” (M. Moerings, ‘Virtuele kinderporno’,  Ars Aequi 2003, p. 29).

Onduidelijk is waar nu de grens ligt van virtuele kinderpornografie. In het verleden kon nog gezegd worden dat strips, tekeningen, cartoons en schilderijen uitdrukkelijk buiten de strafbaarstelling vielen. Nu niet meer. Vallen bijvoorbeeld de typisch Japanse sekscartoon-video’s  (‘Hentai’) nu onder kinderpornografie? Dit komt niet ten goede aan de rechtszekerheid.

Ontsleutelbevel verdachte

Tijdens het Algemeen Overleg van 17 mei 2011 heeft Kamerlid Van Toorenburg van de CDA-fractie gepleit voor wetgeving die voorziet in mogelijkheden om verdachten in kinderpornozaken te verplichten om versleutelde gegevens op gegevensdragers die in beslag zijn genomen, toegankelijk te maken. Daarbij werd verwezen naar artikel 49 van de Regulation of Investigatory Powers Act 2000 uit het Verenigd Koninkrijk. De verdachte mag een ontsleutelbevel worden gegeven indien dat in het belang is van de nationale veiligheid, het voorkomen of opsporen van misdrijven tegen de zeden of de economische welvaart van het Verenigde Koninkrijk. Daar is een machtiging van de rechter voor vereist. De verdachte dient na de vordering de encryptiesleutel, of de ontsleutelde gegevens, te overhandigen aan de opsporingsautoriteiten. Indien niet wordt voldoen aan het bevel staat daar een maximum gevangenisstraf van 5 jaar tegenover bij misdrijven tegen de zeden (waaronder kinderpornografie) en van de nationale veiligheid. In overige gevallen bedraagt het strafmaximum 2 jaar.

In de brief zegt Opstelten toe verder in overleg te treden met het Verenigd Koninkrijk over de effectiviteit van de regeling en onderzoekt hij (terecht) tevens hoe het ontsleutelbevel zich verhoudt tot het nemo tenturbeginsel (men hoeft niet mee te werken aan de eigen veroordeling). De minister geeft aan de ervaringen in het Verenigd Koninkrijk met de bevoegdheid ‘gevarieerd’ zijn. Of de bezitter de sleutel daadwerkelijk afgeeft, is afhankelijk van de ernst van de zaak. De minister onderzoekt de wenselijkheid van de maatregel en neemt daarbij mee voor welke delicten het zou moeten gelden en welke procedurele waarborgen voor een zorgvuldige toepassing wenselijk zijn. Ook alternatieven worden overwogen en in de eerstvolgende voortgangsbrief over de aanpak van kinderpornografie worden we hier nader over geïnformeerd.

Belangrijk is te realiseren dat deze discussie niet nieuw is. Rond 1999 speelde de discussie ook en achtte de toenmalige Minister van Justitie het verplichten van de verdachte aan ontsleuteling ‘een stap te ver gaan’; de verklaringsvrijheid en zwijgrecht van de verdachte waren namelijk in het geding (Kamerstukken II 1998/99, 26 671, nr. 3 (MvT), p. 26). In 2000 heeft Bert-Jaap Koops een uitgebreid onderzoek gedaan naar de relatie tussen het nemo tenetur-beginsel en de ontsleutelplicht (B.J. Koops, Verdachte en ontsleutelplicht: hoe ver reikt nemo tenetur?, Deventer: Kluwer 2000, (ITeR-Reeks, nr. 31).

Koops geeft overtuigende argumenten waarom het ontsleutelbevel een ontoelaatbare inbreuk geeft op het nemo tenetur-beginsel: “de aard en omvang van het probleem zouden zeer ernstig moeten zijn, willen zij opwegen tegen de inbreuk op de kern van nemo tenetur en systeem van de wet, en er zijn geen afdoende gegevens dat het cryptoprobleem  voor de opsporing ook maar in de buurt komt van een dermate ernstige opsporingsprobleem. En zelfs als zouden er aanwijzingen zijn dat cryptografie in ernstige mate veel belangrijke opsporingsonderzoeken definitief zou belemmeren, dan nog zou een ontsleutelplicht mank gaan aan gebrekkige effectiviteit vanwege de handhavingproblemen.” (Koops 2000, p. 98). Hij geeft bijvoorbeeld aan dat het OM zou moeten bewijzen dat de verdachte opzettelijk kennis achterhoudt over de sleutel. Het verweer: “Sorry, ik ben het vergeten”, is dan al zeer moeilijk te weerleggen (Koops 2000, p. 82 en 83). Zie ook de blog van crypto-deskundige Ronald Prins over de voorgestelde maatregel.

Nu is het wel zo dat het versleutelprobleem in de laatste jaren is toegenomen. Versleuteling vormt zowel een probleem bij communicatie (bijvoorbeeld bij versleutelde VoIP-telefonie) en gegevensdragers (versleutelde harde schijven met bijvoorbeeld kinderpornografie). In het kader van de nieuwe actualiteit van de problematiek en gewijzigde jurisprudentie rond het zwijgrecht is het lastig aan te geven of de maatregel van een ontsleutelplicht aan de verdachte juridisch mogelijk is. Wel is duidelijk dat het een nogal drastische maatregel is, waarbij bovendien veel mensen zich in hun privacy voelen geschaad. Misschien moet we op dit punt gewoon principieel zijn. Het is van Opstelten in elk geval verstandig niet overhaast de maatregel door te voeren en de effectiviteit van de maatregel goed te onderzoeken.

Persoonlijk zie ik meer in een alternatieve oplossing zoals het plaatsen van een hardwarematige of softwarematige ‘bug’ onder de bevoegdheid van direct afluisteren teneinde toetsaanslagen en daarmee ook wachtwoorden af te vangen. Het probleem daarmee is natuurlijk dat politie en justitie pas nadat de gegevensdrager in beslag genomen er achter komt dat het werk versleuteld is. In het kader van ‘niet-proactief’ rechercheren kan dat nog lastig worden!

Conclusie

Een nieuwe aanpak van kinderpornografie zou dit keer daadwerkelijk bewerkstelligd kunnen worden door de drastische veranderingen die in de politieorganisatie worden doorgevoerd. De regionale focus bij aanwijzingen van misbruik en de toegezegde focusverlegging van bezitter naar verspreiders en vervaardigers vind ik zeer terecht.

Een beetje tegenstrijdig vind ik het echter het streven naar 25% meer zaken in 2014 van de minister en de nadruk op meer vervolgingen voor virtuele kinderpornografie. Naar mijn idee kan je niet álles oppakken en moeten soms (harde) keuzes worden gemaakt. Ook had ik graag gezien dat de mogelijkheden voor het inzetten van opsporingsbevoegdheden op internet bij verspreiders van kinderpornografie die in georganiseerd verband werken nadrukkelijker werd overwogen.

Het ontsleutelbevel aan de verdachte is juridisch een lastig punt en ik hoop dat de overwegingen in de discussie rond 2000 door de regering worden meegenomen. Hopelijk vertalen de drastische maatregelen zich in een effectievere aanpak van kinderpornografie in Nederland.