Cybercrime jurisprudentieoverzicht maart 2025

Bron: afbeelding gegenereerd met Dall-E (prompt: A realistic digital illustration depicting bank helpdesk fraud and crypto scams via social media influencers)

Fraude door middel van crypto-investeringen

De cybercrimekamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 januari 2025 vijf mannen veroordeeld voor onder andere verschillende vormen van online oplichting, computervredebreuk en witwassen. De rechtbank legde celstraffen op variërend van 8 tot 36 maanden. Daarnaast moeten de mannen gezamenlijk meer dan 600.000 euro aan schadevergoedingen betalen. Bovendien is hen een betalingsverplichting van ruim driehonderdduizend euro aan de Staat opgelegd, als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zie ook het persbericht, Celstraffen en schadevergoedingen voor cybercriminaliteit.

In een uitspraak van 30 januari 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:499) veroordeelde de rechtbank Zeeland-West-Brabant bijvoorbeeld één van de verdachten voor oplichting door middel van crypto-investeringen. De werkwijze van de verdachten was als volgt.

De slachtoffers werden gebeld door iemand die zich voordeed als een bankmedewerker en hen wees op een verdachte transactie of een ander probleem met hun rekening. In meerdere gevallen werden de slachtoffers overtuigd om geldbedragen van hun spaarrekening over te boeken naar hun lopende rekening, waarna deze bedragen werden doorgestort naar een zogenaamde “kluisrekening” of “depositorekening”. In werkelijkheid betrof dit een rekening op naam van een katvanger (‘money mule’).

Deze money mules kwamen via een promotiefilmpje van een ‘influencer’ op Snapchat in contact met verschillende Snapchataccounts. In deze zaak was de verdachte verantwoordelijk voor deze accounts. In het promotiefilmpje werd geïnteresseerden gevraagd hun bankrekening beschikbaar te stellen. Wie hierop inging, kwam in gesprek met de gebruiker van de betreffende Snapchataccounts. De potentiële money mule kreeg vervolgens een ‘pitch’ te zien waarin werd beloofd dat hij of zij 25 tot 40% zou ontvangen van het bedrag dat naar zijn of haar rekening werd overgemaakt. In werkelijkheid kregen velen helemaal niets en verloren zij zelfs hun eigen spaargeld. Vervolgens kreeg een loopjongen of ‘pinner’ de beschikking over de pinpas en inloggegevens van de money mule. In korte tijd werden grote geldbedragen gepind en goederen aangeschaft.

De verdachte is veroordeeld voor het witwassen van ruim € 500.000. De rechtbank past daarbij het volwassenstrafrecht toe op de verdachte. Zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de jeugdreclassering adviseerden toepassing van het sanctierecht voor volwassenen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte gedurende langere tijd een groot aantal strafbare feiten heeft gepleegd. Daarnaast heeft hij, direct na een eerdere veroordeling door de rechtbank Den Haag, opnieuw soortgelijke delicten begaan. Volgens de rechtbank wijst dit op een “pro-criminele levenshouding”. De verdachte lijkt bovendien niet open te staan voor pedagogische beïnvloeding en is al eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. De verdachte wordt daarop veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en moet verschillende schadevergoedingen betalen.

Principiële overwegingen n.a.v. het arrest Landeck

Op 22 januari 2025 veroordeelde het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:66) een verdachte voor het aanschaffen van ongeveer 1.885 zogeheten ‘bots’ op Genesis Market, voor diefstal en voor het voorhanden hebben van gegevens die bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten. Zie dit blogbericht over de veroordelingen naar aanleiding van operatie ‘CookieMonster’ en de ontmanteling van Genesis Market.

De principiële overwegingen van het gerechtshof over het onderzoek van een smartphone zonder toestemming van de rechter-commissaris zijn met name interessant, mede in het licht van het Landeck-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) (ECLI:EU:C:2024:830). De verdediging voerde aan dat de smartphone (een iPhone XS) van de verdachte in beslag was genomen en volledig (geautomatiseerd) werd uitgelezen.

Het hof stelt met de verdediging vast dat inderdaad sprake was van een uitvoerig en intensief onderzoek van de telefoon. Dit onderzoek omvatte onder meer:

  • Het bekijken van foto’s, waaruit onder andere informatie over het gezinsleven van de verdachte naar voren kwam.
  • Het lezen van notities van de verdachte, waaronder informatie over zijn ernstig zieke moeder.
  • Het in kaart brengen van e-mailadressen en het koppelen van telefoonnummers aan andere informatie.
  • Het bekijken van chatgesprekken.
  • Het vinden van een boardingpass met reisgegevens.
  • Het analyseren van de internetgeschiedenis.
  • Het bekijken en integraal opnemen in het dossier van een notitie met de titel ‘my life’, waarin privacygevoelige informatie stond over het gezinsleven en medische gegevens van de verdachte.

Hierdoor konden zeer nauwkeurige conclusies over het privéleven van de verdachte worden getrokken, wat volgens het hof neerkomt op een zeer ernstige inmenging in zijn fundamentele rechten. Het hof stelt tevens met de verdediging vast dat voor dit onderzoek geen machtiging is aangevraagd bij de rechter-commissaris; in het dossier wordt slechts vermeld dat het onderzoek plaatsvond ‘met toestemming van de officier van justitie’.

Het hof stelt voorop dat uit de zogeheten Smartphone-arresten (HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, ECLI:NL:HR:2017:588 en ECLI:NL:HR:2017:592) volgt dat voor het verrichten van onderzoek aan gegevens van een in beslag genomen geautomatiseerd werk of digitale gegevensdrager een getrapte bevoegdheidstoedeling geldt. Dit betekent dat:

  • Een opsporingsambtenaar onderzoek mag verrichten indien op voorhand te voorzien is dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt zal zijn.
  • De officier van justitie (door of namens deze) onderzoek mag verrichten indien op voorhand te voorzien is dat sprake zal zijn van een meer dan beperkte inbreuk.
  • De rechter-commissaris (door of namens deze) toestemming moet geven indien op voorhand te voorzien is dat de inbreuk zeer ingrijpend zal zijn.

Waar het hof eerder (in het arrest van 20 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2538) nog overwoog dat dit beoordelingskader in voldoende mate tegemoetkwam aan de door het HvJ EU verlangde waarborgen bij onderzoek aan gegevens, moet, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, de vraag worden beantwoord of dat na het arrest van het HvJ EU in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830) nog steeds het geval is.

Kort gezegd, luidt het antwoord dat in dit geval toestemming van de rechter-commissaris noodzakelijk was voor het onderzoek aan de telefoon. Omdat die toestemming ontbrak, is sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv.

Bij de beoordeling of aan deze schending een rechtsgevolg moet worden verbonden, moet het hof overwegen of: (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel van de schending had ondervonden, (b) dit nadeel was veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt was voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering, in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim, gerechtvaardigd was.

Het hof concludeerde dat als de rechter-commissaris om toestemming was gevraagd, hij deze zonder nadere beperkingen had kunnen verlenen. De verdachte was door het vormverzuim dus niet in een nadeliger positie geraakt. Daarom oordeelde het hof dat bewijsuitsluiting, noch strafvermindering, een gerechtvaardigd rechtsgevolg is. Daarom volstaat het hof met de constatering van het vormverzuim.

Rol van Nederlandse opsporingsinstanties in het Exclu-onderzoek

In een tussentijdse beslissing in hoger beroep (ECLI:NL:GHDHA:2025:274) van 21 januari 2025 verduidelijkt het gerechtshof Den Haag de rol van de Nederlandse opsporingsinstanties in het Exclu-onderzoek. Daarnaast bevat de uitspraak interessante overwegingen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Het hof overweegt ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel het volgende. Beslissingen van rechters van de aangezochte autoriteit (Duitsland) hebben betrekking op de rechtmatigheid van de Duitse tenuitvoerlegging van het door Nederland uitgevaardigde Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB). De Nederlandse strafrechter komt daarover in beginsel geen oordeel toe (HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 6.16.3). Van belang is ook dat volgens de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat Nederlandse opsporingsambtenaren aanwezig mochten zijn bij de uitvoering van een onderzoekshandeling door een buitenlandse autoriteit, of dat zij technische assistentie verleenden, niet betekent dat de betreffende onderzoekshandelingen onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse opsporingsautoriteiten hebben plaatsgevonden (HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 6.18). Evenmin kan uit het feit dat vanuit Nederland onderzoekshandelingen met grensoverschrijdende invloed zijn verricht (zoals het binnendringen in een zich in het buitenland bevindend geautomatiseerd werk), worden afgeleid dat deze handelingen onder Nederlandse verantwoordelijkheid vielen (HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192).

De verdediging heeft betoogd dat Nederland verantwoordelijk is voor de in de onderzoeken 26Samber en 26Lytham verrichte onderzoekshandelingen. Volgens de raadsman heeft Nederland niet slechts EOB’s uitgevaardigd, maar ook zelfstandig onderzoekshandelingen in Duitsland uitgevoerd.

Het hof overweegt hierover dat uit de bewoordingen van het EOB, inzake de machtiging ex artikel 126uba Sv van de rechter-commissaris van 26 augustus 2022, volgt dat aan de Duitse autoriteiten is verzocht om Nederlandse opsporingsambtenaren toestemming te verlenen om vanaf Nederlands grondgebied binnen te dringen in een zich in Duitsland bevindende Exclu-berichtenserver. Tevens is verzocht om technische bijstand te mogen verlenen bij de plaatsing en monitoring van het interceptiemiddel. Daarnaast staat in het EOB vermeld dat de ontsleuteling van de Exclu-berichten in Nederland zal plaatsvinden. Het hof constateert op basis van het dossier dat de Nederlandse politie (team DIGIT) de in het Exclu-communicatieprotocol toegepaste versleuteling heeft geanalyseerd en ongedaan heeft gemaakt. Zoals door de advocaat-generaal ter terechtzitting is bevestigd, had Nederland een ‘leidende rol’ over dit onderdeel van de Exclu-operatie. Daaruit blijkt van een vergaande vorm van technische bijstand door Nederland met betrekking tot de voor de ontsleuteling van de Exclu-berichten benodigde onderzoekshandelingen.

De advocaat-generaal heeft uitdrukkelijk erkend dat Nederlandse opsporingsambtenaren in het Exclu-onderzoek zelfstandig opsporingshandelingen hebben verricht. Hij heeft hun rol zelfs als ‘leidend’ bestempeld. Het dossier bevat een grote hoeveelheid stukken, waaronder vorderingen tot machtiging ex artikel 126uba Sv, beslissingen van de rechter-commissaris, bevelen van de officier van justitie, EOB’s en processen-verbaal van politie, waarin gedetailleerd wordt omschreven welke onderzoekshandelingen zijn verricht. Het gerechtshof overweegt daarop dat de onderzoekshandelingen onder de verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten hebben plaatsgevonden. Het hof acht het vertrouwensbeginsel ook in deze omstandigheden onverkort van toepassing.

De verdediging heeft verzocht om specificering van het onderzoek dat de Nederlandse autoriteiten op Duits grondgebied hebben uitgevoerd. Het hof is van oordeel dat uit het algemeen proces-verbaal 26Lytham voldoende duidelijk blijkt welke onderzoekshandelingen zijn verricht. Tegen deze achtergrond acht het hof het verzoek van de verdediging onvoldoende specifiek en wijst het af. Wel wordt het verzoek tot verstrekking van alle EOB’s in het kader van dit onderzoek toegewezen. Bijna alle andere verzoeken worden verder afgewezen, met uitzondering van een proces-verbaal van het Team High Tech Crime en een observatieverslag. Na de verstrekking van deze stukken zal de strafzaak verder gaan.

Medeplegen van cybercriminaliteit door hosting provider

Op 21 februari 2025 heeft de rechtbank Rotterdam een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2025:2488) voor medeplichtigheid en medeplegen van computervredebreuk via een hostingprovider. Volgens de rechtbank heeft de verdachte met zijn dienstverlening een Mirai-botnetinfrastructuur gefaciliteerd, waarmee cybercriminelen onder meer DDoS-aanvallen konden uitvoeren. Daarnaast zijn via de servers van de verdachte ten minste drie geautomatiseerde werken wederrechtelijk binnengedrongen, al zijn er aanwijzingen dat dit in werkelijkheid op grotere schaal heeft plaatsgevonden.

Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was de verdachte, samen met zijn medeverdachte, aandeelhouder en bestuurder van een hostingbedrijf. De servers van [medeverdachte rechtspersoon] bevonden zich in een datacentrum in Amsterdam en werden verhuurd aan klanten. Op 1 en 18 april 2019 ontving de politie van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) meldingen dat de hostingprovider mogelijk via het aan hen toebehorende IP-block een Mirai-afgeleide DDoS-botnetinfrastructuur faciliteerde, en dat er vanaf dit IP-block meer dan 30.000 DDoS-aanvallen waren uitgevoerd. Het Mirai-computervirus infecteert computers en maakt deze onderdeel van een botnet.

De rechtbank stelt vast dat de hostingprovider sinds 31 januari 2018 verantwoordelijk was voor dit IP-block (bestaande uit 256 IP-adressen). Uit onderzoek blijkt dat tussen 5 juni 2018 en 25 juli 2019 bij URLHaus (een organisatie die abusemeldingen verzamelt en openbaar maakt) 3.772 meldingen over dit IP-block zijn ingediend. Van de 2.740 malware-samples die konden worden veiliggesteld, zijn 2.372 geclassificeerd als Mirai. Verder blijkt dat 61 van de 256 IP-adressen in het IP-block in de periode van 10 februari 2018 tot 11 september 2019 Mirai-gerelateerd waren. The Spamhaus Project (een organisatie vergelijkbaar met URLHaus) classificeerde het IP-block als malafide. Bovendien zijn vanaf verschillende IP-adressen binnen het IP-block Mirai-aanvallen en een ransomware-aanval uitgevoerd, waarbij wederrechtelijk is binnengedrongen in geautomatiseerde werken. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat via de door [medeverdachte rechtspersoon] ter beschikking gestelde servers en IP-adressen een Mirai-botnet is gehost (feit 2) en computervredebreuk is gepleegd (feit 1).

Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de verdachte en zijn medeverdachten medeplichtig waren aan deze strafbare feiten. Voor medeplichtigheid moet niet alleen worden bewezen dat de verdachten opzet hadden op het ter beschikking stellen van de desbetreffende servers en IP-adressen, maar ook dat hun opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) gericht was op de door de daders gepleegde gronddelicten: het hacken en het hosten/verspreiden van het Mirai-botnet.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachten op de hoogte waren van de geldende gedragscode, maar zich hier niet aan hebben gehouden. Uit verklaringen blijkt dat zij wisten dat misbruik werd gemaakt van hun servers. Zo ontving een NAS-server tussen 18 maart en 1 oktober 2019 in totaal 8.012 e-mails, waarvan 138 betrekking hadden op ‘Mirai’ en gerelateerd waren aan het IP-block. Dagelijks kwamen meldingen over Mirai binnen. De rechtbank oordeelt dat de verdachten onvoldoende actie hebben ondernomen om dit misbruik te bestrijden.

Daarnaast blijkt uit onderzoek naar de klanten van [medeverdachte rechtspersoon] dat zij diensten konden afnemen zonder authentieke contactgegevens te verstrekken. Klanten gebruikten bijvoorbeeld e-mailadressen die te relateren zijn aan cybercriminaliteit, betaalden anoniem via bitcoins en gaven niet-bestaande adressen op, zoals ‘420 Hacktown’. Ook blijkt uit de communicatie tussen de verdachten en hun klanten dat malafide klanten bewust werden toegelaten. Zo geven reacties op klanttickets aan dat [medeverdachte rechtspersoon] ‘DDoS’ en ‘spoofing’ toestaat zolang dit geen problemen oplevert, en dat ‘botnets’ en ‘bins’ toegestaan zijn mits ze verborgen blijven. In sommige gevallen werd klanten zelfs uitgelegd hoe ‘malware binaries’ het beste konden worden verborgen. Toen een pseudokoper van de politie op 12 september 2019 vroeg of er gecontroleerd werd op abuse-rapporten, luidde het antwoord dat dit niet gebeurde.

Gelet op deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachten bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hun servers en IP-adressen gebruikt zouden worden voor het verspreiden van een Mirai-botnet en voor computervredebreuk. De rechtbank acht de verdachte in deze zaak schuldig aan medeplegen en medeplichtigheid aan computervredebreuk door het beschikbaar stellen van de daarvoor benodigde middelen.

De verdachte in de onderhavige had een kleinere rol dan zijn medeverdachte. Hoewel een gevangenisstraf passend wordt geacht, houdt de rechtbank rekening met persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop. Daarom wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden opgelegd, een taakstraf van 180 uur, met een proeftijd van twee jaar. De medeverdachte, die binnen het bedrijf verantwoordelijk was voor sales en klantencontacten en volgens de rechtbank een grotere rol speelde, krijgt een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opgelegd (zie ECLI:NL:RBROT:2025:2492).

Cybercrime jurisprudentieoverzicht februari 2022

Hoge Raad wijst arrest over ddos-aanvallen

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad een arrest (ECLI:NL:HR:2021:1944) gewezen over ddos-aanvallen. Het arrest gaat met name over het begrip ‘geautomatiseerd werk’ in de zin van art. 80sexies (oud) Sr in de context van het delict voor ddos-aanvallen (artikel 138b Sr).

De raadsman had in de zaak in eerste aanleg aangevoerd dat op grond van het voorliggende dossier niet kan worden vastgesteld dat ten gevolge verdachtes gedragingen aanvallen zijn uitgevoerd op een bepaalde website en dat de toegang tot die website daardoor daadwerkelijk is belemmerd.

Het Hof overwoog dat om van ‘het belemmeren van het gebruik van een geautomatiseerd werk’ te kunnen spreken, het is vereist dat vast komt te staan dat het gebruik van het desbetreffende geautomatiseerd werk daadwerkelijk wordt belemmerd. Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat de website door verdachtes toedoen meermalen is aangevallen door middel van een DDoS-aanval én dat de toegang tot die website daardoor (tijdelijk) metterdaad belemmerd is geweest. Dat het de verdachte kennelijk niet is gelukt om de website volledig en voor een lange periode ‘uit de lucht te halen’, doet hier niet aan af: ook een lijdelijke belemmering van de toegang tot de website is voldoende om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te kunnen komen. Het hof verwerpt daarop het verweer.

In het oude begrip van ‘geautomatiseerd werk’ (art. 80sexies Sr (oud)) was vereist dat het werk drie functies vervult, te weten opslag, verwerking en overdracht van gegevens. Niet alleen zelfstandige apparaten die aan deze drievoudige eis voldoen, zijn geautomatiseerde werken, maar ook netwerken, bestaande uit computers die door middel van via het internet verspreide software met elkaar zijn verbonden en/of telecommunicatievoorzieningen vallen onder dat begrip, evenals delen van zulke geautomatiseerde werken (HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9718, NJ 2013/468, m.nt. Reijntjes en HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9287, NJ 2012/62, m.nt. Keijzer (opmerking JJO: ter zijde: waarom verwijst de HR alleen naar een NJ met annotatie, maar niet naar anderen en niet het ECLI-nummer?). Een belemmering van de werking van een computerprogramma waarmee een of meer van die functies, kan worden aangemerkt als een belemmering van de werking van dit geautomatiseerd werk.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte via een bepaalde website zestien ddos-aanvallen heeft laten uitvoeren op een andere website, en dat de toegang tot de website ‘internetsite 2’ door deze aanvallen daadwerkelijk (tijdelijk) belemmerd is geweest. Op grond hiervan heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte de toegang tot en/of het gebruik van een geautomatiseerd werk heeft belemmerd. In het licht van de onder r.o. 2.5 en r.o. 2.6 weergegeven wetsgeschiedenis en gelet op wat onder r.o. 2.7 is vooropgesteld, geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de instandhouding van een actieve website vereist dat een geautomatiseerd werk in de onder 2.7 bedoelde zin in werking is, en dat het uitvoeren van een DDoS-aanval de toegang tot die website belemmert, wat meebrengt dat daardoor ook de werking van dit geautomatiseerd werk, voor zover het de functionaliteit van die website in stand houdt, wordt belemmerd. Om deze reden faalt het cassatiemiddel.

Opmerking JJO: mij ontgaat om eerlijk te zijn het nut van dit arrest. Het is vrij onduidelijk opgeschreven (zeker vergeleken met arresten van het Amerikaanse Hooggerechtshof). Het gedoe over het begrip geautomatiseerd werk vind ik ook wat vermoeiend. Het is toch niet zo lastig in een tenlastelegging op te schrijven waarin je opschrijft dat een ‘server’ is platgelegd in de zin van artikel 138b Sr? Uiteraard ben ik benieuwd als mensen de waarde van het arrest beter kunnen duiden :-).

== Update ==

In NJ 2022/124 legt prof. em. Reijntjes (ook in soms onduidelijk en ouderwets taalgebruik) uit dat hier het punt is dat de Hoge Raad in dit arrest door middel van een teleologische interpretatie van de wet het begrip ‘geautomatiseerd werk’ verruimt en van toepassing verklaart op websites:

“De rechtszekerheid (lex certa!) lijkt hierbij niet in het geding; voor een gewoon burger, die wist dat art. 138bis Sr specifiek tegen DDos-aanvallen gericht was, kan het niet als een verrassing zijn gekomen dat de Hoge Raad dat voorschrift dan ook werkelijk in die zin leest. Het zijn alleen de juristen, die schrikken van een teleologische interpretatie, die de letter van de wet opzij schuift.”

Het roept inderdaad wel de vraag op of dan ook kan worden volgehouden dat een ‘account’ niet als geautomatiseerd werk kwalificeert, zoals het Hof Den Haag in september 2020 nog in een arrest duidelijk maakte.

Veroordelingen voor ddos-aanvallen

In januari 2022 waren er een aantal opvallende veroordelingen voor ddos-aanvallen. De zaak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2022:22) liet lang op zich wachten, omdat de verdachte op 1 februari 2018 in verzekering was gesteld en pas op 22 februari 2022 eindvonnis wijst.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van acht maanden schuldig gemaakt aan het plegen van een groot aantal DDoS-aanvallen op webservers van banken, bedrijven en overheidsinstanties. De rechtbank oordeelt dat er met de handelingen van de verdachte een gemeen gevaar voor goederen en voor de verlening van diensten te duchten was (zoals is vereist voor het delict in artikel 161sexies Sr). Zij verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:BN9287, waarin is geoordeeld dat onder ‘gemeen gevaar’ mede wordt verstaan het gevaar voor een ongestoorde dienstverlening aan een onbestemd, doch aanmerkelijk aantal afnemers. Uit de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II blijkt dat er voor een (groot) aantal afnemers van diensten en goederen een verstoring is opgetreden, dan wel kon optreden tijdens de ddos-aanvallen van de verdachte.

Vanwege de forse overschrijding van de redelijk termijn krijgt de verdachte verder geen gevangenisstraf, maar een werkstraf van 200 uur. De forse vorderingen van materiele schade (oplopend tot ruim 8 ton) worden door de rechtbank niet toegewezen. Met betrekking tot de hoogte van de schade is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, vooralsnog onvoldoende is onderbouwd. Nader onderzoek is noodzakelijk en dit levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Zij verklaart daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De Rechtbank Den Haag veroordeelde verder op 4 januari 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:22) een man van twintig voor DDoS aanvallen op mijnoverheid.nl en overheid.nl in maart 2020, als gevolg waarvan deze websites tijdelijk niet bereikbaar waren. Deze aanvallen zijn te kwalificeren als gericht tegen een geautomatiseerd werk behorende tot de vitale infrastructuur (artikel 138b Sr), waarbij ook een gemeen gevaar voor de verlening van diensten was te duchten (artikel 161sexies Sr). Ook wordt de verdachte veroordeeld voor bedreiging met de dood van politieagenten.

De raadsman had vrijspraak bepleit omdat uit het procesdossier niet blijkt dat de handelingen van de verdachte daadwerkelijk een stoornis in de gang of werking van de webserver van overheid.nl hebben veroorzaakt (feit 1) of de toegang tot en het gebruik van deze webserver hebben belemmerd (feit 2). Voor zover dit zou blijken uit het rapport van Solvinity van 26 maart 2020, dat als bijlage bij de vordering van de benadeelde partij is gevoegd, kan de rechtbank dit rapport volgens de raadsman niet gebruiken voor het bewijs. Het rapport is namelijk zeer kort voor de terechtzitting in het geding gebracht en niet geverifieerd door opsporingsambtenaren aan de hand van een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal, aldus de verdediging.

In dit kader is het van belang op te merken dat het Hof Den Haag op 27 januari 2022 in twee arresten (ECLI:NL:GHDHA:2022:57, ECLI:NL:GHDHA:2022:58) zich heeft uitgesproken over de toelaatbaarheid van het verrichten van het voorbereid onderzoek door en in opdracht van een verzekeringsmaatschappij. De rechtbank heeft eerder de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in twee zaken, omdat in deze zaken is het voorbereidend onderzoek verricht door en in opdracht van verzekeringsmaatschappijen. In dat geval vindt vervolging plaats, zonder dat van opsporing sprake is geweest. Volgens het hof wordt daarmee een fundamentele inbreuk gemaakt op het strafvorderlijk systeem, dat vereist dat vervolging plaatsvindt naar aanleiding van een opsporingsonderzoek. Opsporing gebeurt onder gezag van de officier van justitie door ambtenaren, die bij de wet zijn aangewezen (zie artikelen 132a, 141 en 167 van het wetboek van strafvordering). Deze bepalingen vormen het fundament voor een integere en onafhankelijke rechtspraak die de waarheidsvinding tot doel heeft. Door een inbreuk hierop te maken, is het wettelijk systeem in de kern geraakt, aldus het hof. Het gevolg daarvan is dat de officier van justitie in deze zaken niet ontvankelijk is verklaard. Het verdient de voorkeur als resultaten van onderzoek door een verzekeringsmaatschappij inhoudelijk worden getoetst en vervolgens worden ingebracht in het opsporingsonderzoek dat onder gezag van de officier van justitie staat, voor het dossier aan de rechter wordt aangeboden.   

In de onderhavige zaak is de rechtbank van oordeel dat het rapport van Solvinity wel degelijk kan worden gebruikt voor het bewijs. Het is een geschrift dat aan het dossier is toegevoegd en ter terechtzitting is besproken. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad verzet geen rechtsregel zich in een dergelijk geval tegen het gebruik daarvan als bewijsmiddel. Geen rechtsregel gebiedt voorts dat een dergelijk rapport zou moeten worden geverifieerd door een opsporingsambtenaar. De inhoud van het rapport biedt voorts geen enkele aanleiding om de betrouwbaarheid of juistheid daarvan in twijfel te trekken.

Bij het bepalen van de straf in de ddos-zaak houdt de rechtbank onder meer rekening met de omstandigheid dat de DDoS zijn gepleegd in de beginfase van de coronapandemie, toen veel mensen behoefte hadden aan de informatie van de overheid over de verspreiding van het virus en de maatregelen ter bestrijding daarvan door de overheid. De rechtbank houdt bij de straftoemeting tevens rekening met ‘sterke aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek’, de jonge leeftijd van de verdachte, zijn houding tijdens de zitting en een blanco strafblad. De rechtbank legt de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op van drie maanden, een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur, een proeftijd van drie jaar, alsmede een schadevergoeding van € 9.213,75.

Veroordeling voor aankoop wapen via het darkweb van een undercoveragent

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 17 februari 2022 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBNNE:2022:402) voor een poging tot het voorhanden krijgen van een vuurwapen op grond van de Wet wapens en munitie. De verdachte is op het darkweb op zoek gegaan naar een wapen en heeft vervolgens via Protonmail contact had gelegd met een undercoveragent (en niet met een wapenleverancier).

De bewijsoverwegingen zijn interessant om te lezen. Zo is te lezen dat de ‘blijkens door Google verstrekte gegevens’ het Gmailadres was aangemaakt middels een Sloveens IP-adres, door een gebruiker met een accountnaam van de verdachte. Het emailadres [emailadres] @gmail.com is gekoppeld aan een Skype-account met de username [verdachte] en de locatie Slov.Konjice, Slovenia. Blijkens onderzoek in politiesystemen verblijft op het adres [straatnaam] te [woonplaats], een man genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië, nu Slovenië). De gesprekken tussen de undercoveragent en de verdachte zijn als proces-verbaal bijgevoegd en te lezen in te uitspraak. Na verloop van tijd ging de communicatie over naar protonmail en werd de prijs van 1500 euro voor een vuurwerpen van het merk Beretta, type 92 FS in het kaliber 9×19 millimeter.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van het begin van een uitvoering, gericht op de aankoop en daarmee het voorhanden krijgen van het betreffende vuurwapen. Het feit dat de verkoop niet is doorgegaan is enkel gelegen in de omstandigheid dat de verkoper een infiltrant van de politie betrof en niet doordat verdachte de koop niet wilde doorzetten. Bovendien acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij enkel nieuwsgierig was gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, in het bijzonder de inhoud van de door hem verstuurde berichten, ongeloofwaardig.

De rechtbank overweegt dat het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen roept een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van anderen in het leven. Het blijft de vraag wat de verdachte van plan was met het wapen, omdat hij daarover geen openheid van zaken heeft willen geven. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank acht het geldbedrag van €1.500,- vatbaar voor verbeurdverklaring nu het geldbedrag aan verdachte toebehoort en het bestemd was voor het begaan van het bewezenverklaarde feit (het betrof immers het aankoopbedrag voor het wapen).

Veroordelingen voor wraakporno

Op 1 februari 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBMNE:2022:294) voor dwang, wraakporno en afdreiging.

De verdachte ontmoette het slachtoffer via ‘Yubo’, een soort dating app. De verdachte verspreidde een filmpje via Telegram van een meisje dat zichzelf bevredigd. Dit was niet het slachtoffer, maar de verdachte deed alsof zij dat was en verspreidde haar profiel van Instagram en Snapchat in hetzelfde kanaal, samen met (niet-naakt)foto’s die zij naar de verdachte had verstuurd. De tekst bij het bericht was: “[slachtoffer 2] uit [woonplaats], zit op school in [plaats] en hockeyt ook nog, deze vieze kk kebber ligt wekelijks met een andere boy in bed en vind dat nog leuk ook, maak de helemaal kapot deze kleine kanker hoer [telefoonnummer]”. De Telegramgroep had op dat moment 88.215 leden.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van aangeefster en uit de app-gesprekken volgt dat de verdachte het slachtoffer dwong om contact met hem te houden en dreigde haar toekomst te verpesten en haar gegevens online te plaatsen als aangeefster hem niet zou deblokkeren. Het ten laste gelegde delict dwang ten opzichte van het eerste slachtoffer is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Ten opzichte van een tweede slachtoffer heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan afdreiging door haar te dwingen naaktfoto’s en -filmpjes van zichzelf aan hem te sturen, onder de bedreiging dat hij anders haar foto’s zou gaan lekken op Telegram. Het minderjarige slachtoffer heeft vervolgens onder die druk meerdere naaktfoto’s en -filmpjes van zichzelf aan verdachte gestuurd. Het openbaar maken van de video in de appgroep ziet de rechtbank als wraakporno, omdat de filmpjes van seksuele aard waarop een onbekend gebleven persoon te zien is en de daarbij geplaatste foto’s van het account van het slachtoffer, nadeel opleveren voor het tweede slachtoffer.

De verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 210 dagen (met aftrek van voorarrest) en een proeftijd van twee jaren. Ook krijgt de verdachte voor drie jaar een vrijheidsbeperkende maatregel (contactverbod) opgelegd.

De rechtbank Den Haag heeft op 26 januari 2022 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2022:467) voor identiteitsfraude, belaging, ‘sextortion’ (afdreiging) en wraakporno. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan identiteitsfraude door de gegevens van zijn ex-partner [slachtoffer] te misbruiken bij het afsluiten van een telefoonabonnement bij KPN, bij een bestelling van een iPhone 12 Pro en het aanmaken van een account op de website Werksters.nl. Door haar gegevens te gebruiken heeft hij haar overlast en nadeel bezorgd.

De verdachte dreigde een tweede slachtoffer dat zij toegangstickets voor Decibel aan hem moest sturen, omdat anders seksfilmpjes zouden worden verspreid. Hoewel het slachtoffer aan dit dreigement toegaf, heeft de verdachte die desbetreffende seksfilmpjes aan verscheidene vrienden van het slachtoffer gestuurd. De verdachte heeft aangevoerd dat het iemand anders moet zijn geweest die deze berichten heeft verstuurd, omdat zijn Instagram account gehackt is geweest. Deze bewering houdt naar het oordeel van de rechtbank geen stand. De rechtbank acht onaannemelijk dat een ander zich niet alleen heeft uitgegeven als de verdachte, maar ook toegang heeft gehad tot zijn telefoon, Instagramaccount en mailaccount. Dat deze persoon bovendien de beschikking heeft gehad over de betreffende seksfilmpjes die op de telefoon van verdachte stonden, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk.

De rechtbank overweegt ook of sprake is van belaging (zoals bedoeld in artikel 285d Sr). Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr zijn verschillende factoren van belang, te weten de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095). Uit de verklaringen van het tweede slachtoffer blijkt duidelijk dat zij geen contact wilde met de verdachte en dat zij hem meerdere malen heeft verzocht om haar met rust te laten. Ook heeft zij hem op een bepaald moment op WhatsApp en Instagram geblokkeerd. De verdachte zelf wist ook dat zij geen contact met hem wilde, zo heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat zij hem negeerde, maar dat hij toch contact bleef zoeken. De verdachte had zodoende moeten begrijpen dat hij geen contact meer moest opnemen met het slachtoffer. Het enkele feit dat slachtoffer in de tenlastegelegde periode eenmalig zelf contact heeft gezocht met de verdachte doet hier niet aan af. Het handelen van de verdachte heeft een grote impact gehad op het persoonlijk leven van slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, duur, frequentie en intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Deze inbreuk was bovendien wederrechtelijk.

De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van acht maanden, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod en een locatieverbod.

Hoofdstukken uit het boek ‘Cybercriminaliteit’ in open access beschikbaar

Op 1 november 2020 verscheen het Basisboek Cybercriminaliteit, onder redactie van Wytkse van der Wagen, Marleen Weulen Kranenborg en mijzelf. Het studieboek wordt veel gebruikt in vakken voor de opleiding criminologie bij verschillende Nederlandse universiteiten. Het boek verschaft ook basiskennis voor strafrechtstudenten en professionals uit de praktijk.

Nu de embargoperiode voorbij is, mag ik van Boom Uitgevers twee hoofdstukken publiekelijk beschikbaar stellen. Het gaat om de hoofdstukken ‘Verschijningsvormen van cybercriminaliteit’ (.pdf) en ‘Cybercriminaliteit en opsporing’ (.pdf).

De andere hoofdstukken, bijvoorbeeld over criminologische theorieën en cybercriminaliteit, daders, slachtoffers en interventiestrategieën zijn niet in open access beschikbaar, maar het boek is voor een schappelijke prijs beschikbaar bij uw boekhandel (of o.a. bol.com).

Als er vragen of opmerkingen zijn over het boek (en met name natuurlijk over de onderstaande hoofdstukken), dan hoor ik het graag per e-mail (te vinden op mijn UU-pagina). Wellicht volgt er volgend jaar een nieuwe druk waar we de opmerkingen in kunnen meenemen.

Inhoudsopgave

3             Verschijningsvormen van cybercriminaliteit

Jan-Jaap Oerlemans & Wytske van der Wagen

3.1 Inleiding

3.2 Cybercriminaliteit in enge zin

3.2.1 Hacken

3.2.2 Malware

3.2.3 Botnets

3.2.4 Ddos-aanvallen

3.3 Gedigitaliseerde criminaliteit

3.3.1 Internetoplichting

3.3.2 Online drugshandel

3.3.3 Witwassen en virtuele valuta

3.3.4 Online zedendelicten

3.4 Toekomstige ontwikkelingen

3.5 Tot besluit

3.6 Discussievragen

3.7 Kernbegrippen

Bijlage: Overzicht van relevante delicten

Citeerwijze:

J.J. Oerlemans & W. van der Wagen, ‘Verschijningsvormen van cybercriminaliteit’, p. 55-105 in: W. van der Wagen, J.J. Oerlemans & M. Weulen Kranenbarg (red.), Basisboek Cybercriminaliteit, Den Haag: Boom criminologie 2020.

Inhoudsopgave

7             Cybercriminaliteit en opsporing

Jan-Jaap Oerlemans

7.1 Inleiding

7.2 Het opsporingsonderzoek en normering van opsporingsmethoden

7.2.1 De organisatie van opsporing naar cybercriminaliteit in Nederland

7.2.2 De politie

7.2.3 Openbaar Ministerie

7.2.4 Rechterlijke macht

7.2.5 De IRT-affaire

7.2.6 Stelsel van normering van bijzondere opsporingsbevoegdheden

7.3 Het IP-adres als digitaal spoor

7.3.1 Het opsporingsproces bij een IP-adres als digitaal spoor

7.3.2 Het vorderen van gegevens

7.3.3 Inbeslagname en onderzoek op gegevensdragers

7.3.4 Regels voor de doorzoeking en inbeslagname van gegevensdragers

7.3.5 De netwerkzoeking

7.3.6 Online doorzoeking

7.4 Opsporingsmethoden en de uitdaging van anonimiteit

7.4.1 Proxy- en VPN-diensten

7.4.2 Tor

7.4.3 Openbronnenonderzoek

7.4.4 Undercover bevoegdheden

7.5 Opsporingsmethoden en de uitdaging van versleuteling

7.5.1 Versleuteling in opslag

7.5.2 Versleuteling in transport

7.5.3 De hackbevoegdheid

7.6 Jurisdictie en grensoverschrijdende digitale opsporing

7.6.1 Wetgevende jurisdictie

7.6.2 Handhavingsjurisdictie

7.6.3 Unilaterale digitale opsporing

7.6.4 Toekomstige ontwikkelingen van grensoverschrijdende digitale opsporing

7.7 Verstoring van cybercriminaliteit

7.8 Tot besluit

7.9 Discussievragen

7.10 Kernbegrippen

Bijlage: Overzicht van relevante dwangmiddelen en bijzondere opsporingsbevoegdheden

Citeerwijze:

J.J. Oerlemans, ‘Cybercriminaliteit en opsporing’, p. 195-258 in: W. van der Wagen, J.J. Oerlemans & M. Weulen Kranenbarg (red.), Basisboek Cybercriminaliteit, Den Haag: Boom criminologie 2020.

Basisboek Cybercriminaliteit

In het najaar van 2019 staken enkele criminologiedocenten hun koppen bij elkaar en vatten het plan op een boek te schrijven over cybercriminaliteit ten behoeve van het onderwijs. Dat leidde uiteindelijk tot het Basisboek Cybercriminaliteit van Wytske van der Wagen, Marleen Weulen Kranenbarg en mijzelf. Ook hebben enkele andere auteurs aan het boek meegewerkt en vanuit hun eigen expertise een mooie bijdrage geleverd. Het boek is vanaf 29 oktober 2020 verkrijgbaar via de website van Boom Uitgevers (met hoofdstuk 1 als voorproefje) of te bestellen via bol.com (37,50 euro).

In ons onderwijs over Cybercriminaliteit merkten we dat steeds een samenraapsel van artikelen en andere stukken bij elkaar moesten zoeken. Een samenhangend, actueel en overzichtelijk verhaal ontbrak. Dat is voor ons het motief geweest dit boek te schrijven. Het boek (300+ pagina’s) biedt inzicht in de verschillende verschijningsvormen en kenmerken van cybercriminaliteit, strafbaarstellingen, daders, slachtoffers, onderzoeksmethoden voor het online domein, het opsporingsproces en mogelijke interventies.

Persoonlijk ben ik in mijn nopjes over het eindresultaat! Het boek verschaft een uitstekend overzicht van de wetenschappelijke kennis op criminologische en juridisch gebied over cybercriminaliteit. Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 7 – die ik zelf hoofdzakelijk heb geschreven (ook op basis van eerder werk) – verschijnen beiden over één jaar in open access.

De combinatie van (inleiding van) techniek, criminologie en rechten werkt heel goed en ik ga het zeker gebruiken in mijn eigen (gast)colleges en cursussen. Verder wordt het in ieder geval dit jaar al gebruikt voor onderwijs op verschillende universiteiten, zoals de Erasmus Universiteit, de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit Leiden. Ik ga het uiteraard ook promoten bij mijn collega’s aan de Universiteit Utrecht.

Feedback is altijd welkom, dus jullie kunnen mij daarover altijd mailen. Wie weet verschijnt er t.z.t. wel een tweede druk!