Rapport evaluatiecommissie Jones-Bos: the good, the bad and the ugly

Op 20 januari 2021 heeft de Commissie-Jones-Bos haar rapport ‘Evaluatie 2020. Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017’ (.pdf) uitgebracht. De Wiv 2017 schrijft in artikel 167 voor dat de wet (telkens) na vijf jaar wordt geëvalueerd. Toch is besloten het evaluatieproces al twee jaar na de inwerkingtreding van de wet op 1 mei 2018 te starten.

De evaluatiecommissie verklaart dat de vervroegde evaluatie tegen de achtergrond van de ‘stevige maatschappelijke discussie over de Wiv 2017’, maar verwijst daarbij niet expliciet naar de uitslag van het raadgevend referendum waarbij meer mensen tégen de Wiv 2017 hebben gestemd, dan vóór (49,44% tegen en 46,53% voor de Wiv 2017). Hoewel de vervroegde evaluatie dus in eerste instantie was ingegeven door privacyzorgen, heeft de evaluatiecommissie klaarblijkelijk nadrukkelijk ook tot doel gehad de Wiv 2017 werkbaarder te maken. Het onderzoeken van de werkbaarheid van de Wiv 2017 was ook één van de opdrachten die de commissie van het kabinet heeft meegekregen.

In deze blogpost geef ik al mijn eigen korte reactie op belangrijke punten uit het rapport. Wie weet is het een begin van een volledige beschouwing van het rapport dat ik later in een artikel publiceer. Het kan zijn dat mijn standpunten later wijzigen (gelukkig mag dat in de wetenschap). Maar ik denk niet dat iedereen doorziet wat de mogelijke effecten zijn van de aanbevelingen en het leek mij goed in dit stadium hier al op te wijzen.

The good 

  • Het rapport is helder geschreven en bevat een heldere omschrijving van lastige onderwerp zoals: (1) het gebruik van bulkdata, (2) het proces van de verwerking van gegevens in de praktijk, (3) internationale samenwerking en de invloed van internationaal recht op het werk van de diensten, (4) het stelsel van toezicht.
  • De wettelijke regeling voor het verwerven van ‘register bulkdata’, zoals gegevens van de Kamer van Koophandel en de Rijksdienst Wegverkeer (RDW) voor kentekengegevens, is onvoldoende voorzienbaar en verdiend een aparte wettelijke basis (zie ook mijn oratie). Ook de waarborg van toestemming van de minister vind ik passend.
  • Een speciaal regime voor de (verdere) verwerking van bulkgegevens, incl. autorisatievereisten.
  • Voorstel tot aanpassing van de bijzondere bevoegdheid voor geautomatiseerde data-analyse aan (zie ook mijn recente preadvies en artikel hierover).
  • De aanbevelingen m.b.t. OOG-interceptie en de hackbevoegdheid.
  • De meeste aanbevelingen over internationale samenwerking (steviger waarborgen en bescherming van Nederlanders bij gegevensverstrekking aan buitenlande diensten).
  • De aanbevelingen over de reikwijdte van de TIB-toets en procedurele aanbevelingen over benoeming van de leden van de TIB en CTIVD.

The bad 

  • De aanbeveling voor één grondslag voor het verkrijgen van gegevens (incl. bulkdata) van Nederlandse medeoverheden. Deze aanbeveling is onvoldoende uitgewerkt. Vraagstukken zijn bijvoorbeeld: moet altijd verplicht worden verstrekt naar de diensten? En met welke waarborgen op het gebied van gegevensverwerking? Welke bewaartermijn geldt voor deze gegevens? In het strafrecht werd voor deze regeling een hele commissie aangesteld (de Commissie-Mevis met het rapport ‘Strafvorderlijke gegevensvergaring in de informatiemaatschappij‘).
  • Een nieuwe categorie voor geautomatiseerde data-analyse (‘GDA+’) met als argument (als ik het goed begrijp) dat alleen data-analyse waarbij wordt gewerkt met ‘statistische methoden’ (bijvoorbeeld bij profiling) privacy-intrusief zijn. Zogenoemde ‘naslagen’ waarbij allerlei soorten gegevens uit verschillende bronnen gekoppeld en gevisualiseerd kunnen worden zouden slechts een ‘beperkte privacy-inbreuk’ opleveren. Net zoals bijna twee jaar geleden (!) in een brief in reactie op een rechtseenheidbrief over geautomatiseerde data-analyse door de ministers uiteen is gezet. Het is een fundamenteel andere kijk op de privacy-effecten van data-analyse dan van veel juristen en dat verdient meer aandacht.  
  • Het schrappen van de bijzondere bevoegdheid van ‘selectie’ bij onderzoeksopdrachtgerichte-interceptie. Nu moet apart toestemming worden gegeven voor het kennisnemen van de inhoud na interceptie (zoals het uitluisteren van een telefoongesprek). Het voorstel is dit te schrappen (geen voorafgaande toestemming meer van de TIB). Maar welk probleem wordt hier opgelost en waarom is deze privacy-waarborg niet passend?
  • Het niet-samenvoegen van de TIB en CTIVD. Het stelsel werkt klaarblijkelijk niet zoals gehoopt (zoals eerder voorspeld door onder andere de Raad van State), mede door een verdergaande toetsing van de TIB dan gedacht. Volgens de aanbevelingen wordt de rol van TIB beduidend teruggeduwd, krijgt de afdeling toezicht van de CTIVD geen bindende toetsinstrumenten en worden verantwoordelijkheden meer belegd bij de verantwoordelijke ministers. Zie voor een andere kijk ook de bijdrage van de CTIVD aan de evaluatiecommissie.

The ugly 

  • De aanbeveling de relevantietoets aan te passen door een toets op ‘operationele waarde’. Het gevolg is dat bulkdatasets na de termijn van drie jaar bijna in hun geheel ‘van betekenis’ worden verklaard. De gevolgen voor het gegevenbeschermingsrecht zijn hier onvoldoende doordacht. Er geldt niet eens een maximale bewaartermijn van de gegevens. Het beginsel van ‘datareductie’ met een verplichte vernietiging van gegevens wordt hierdoor uitgehold.
  • De aanbeveling het mogelijk te maken begrippen voor te leggen aan de bestuursrechter. In een rechtsstaat kan een rechter beslissen over besluiten van een toezichtsorgaan, maar de toezichthouder interpreteert in eerste instantie de wet bij de taakuitvoering.

Conclusie

In de kern kan ik mij in veel gevallen vinden in de aanbevelingen van de evaluatiecommissie. Aandacht voor de werkbaarheid van wetgeving is belangrijk, ook in het kader van een effectieve bescherming van de nationale veiligheid.

Maar ‘the devil is in the details’ en ik heb veel vraagtekens bij de uitwerking van bepaalde voorstellen. Het rapport is ook niet altijd gebalanceerd, in de zin dat het soms super technisch-juridisch en over details gaat (zoals bij OOG-interceptie en de hackbevoegdheid) en andere keer weer heel hoog over is, zonder uitgebreid te toetsen aan de juridische basis of juridische consequenties (incl. grondrechten), met name m.b.t. bulkdatasets en geautomatiseerde data-analyse.

Het onvermijdelijke wetsvoorstel (ik verwacht dat een nieuw kabinet aan de hand van de aanbevelingen de opdracht geeft een wetsvoorstel voor te bereiden) en daaropvolgende de wetsbehandeling ga ik uiteraard met interesse volgen!  

Mijn benoeming als bijzonder hoogleraar ‘Inlichtingen en Recht’

Vandaag is bekend geworden dat ik per 1 februari 2020 werkzaam ben als bijzonder hoogleraar ‘Inlichtingen en Recht’ bij de Universiteit Utrecht. Het bericht van de Universiteit Utrecht over mijn aanstelling is hieronder te lezen:

Per 1 februari 2020 is dr. Jan-Jaap Oerlemans benoemd als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Oerlemans zal bezighouden met juridische vraagstukken op het terrein van inlichtingen en veiligheid.

Diepgaande juridische kennis met betrekking tot inlichtingen- en veiligheidsdiensten is geconcentreerd bij een handvol partijen binnen de overheid. Oerlemans is zelf werkzaam als onderzoeker bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD). De leerstoel maakt de overdracht van deze specialistische kennis en meer onderzoek mogelijk. Oerlemans richt zich in zijn onderzoek met name op de digitalisering van het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarbij komen vragen aan bod zoals: ‘Wanneer raakt cybersecurity de nationale veiligheid?’, zoals recentelijk bij de Citrix-kwetsbaarheid.

Oerlemans (1985) is in 2017 gepromoveerd aan de Universiteit Leiden op het proefschrift ‘Investigating Cybercrime’. In de afgelopen 10 jaar heeft hij onderzoek gedaan en gepubliceerd over cybercrime en digitale opsporing. In 2019 verscheen het boek ‘Strafrecht & ICT’ (samen met Bert-Jaap Koops). Tevens werkte hij aan de serie ‘Tekst & Commentaar’ op de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017. Oerlemans is redacteur bij het tijdschrift Computerrecht en lid van de expertgroep van het Kenniscentrum Cybercrime van het Hof Den Haag. Zijn onderzoek bevindt zich op het snijvlak van strafrecht, staatsrecht, IT-recht en privacyrecht.

Als bijzonder hoogleraar is Jan-Jaap Oerlemans verbonden aan het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging en de afdeling strafrecht van de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht”

Ik ga vol enthousiasme in Utrecht aan de slag. Vanaf dan blog ik uiteraard ook vaker over het inlichtingen en recht, nationale veiligheid en over mijn publicaties!