Eerste Hoge Raad arrest na prejudiciële vragen over EncroChat en SkyECC

Op 13 februari 2024 heeft de Hoge Raad het eerste arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2024:192) na de na de beantwoording van prejudiciële vragen door de Hoge Raad over de EncroChat- en SkyECC-zaken (HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, zie ook ‘Antwoorden op prejudiciële vragen in de EncroChat- en SkyECC-zaken‘). Dit bericht is voornamelijk gebaseerd op de samenvatting van de website van de Hoge Raad en de samenvatting in het arrest zelf.

De prejudiciële vragen gingen over de betekenis van het ‘interstatelijke vertrouwensbeginsel’ voor de beoordeling van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van dergelijke vanuit het buitenland ontvangen onderzoeksgegevens en de mogelijkheden voor de verdediging om de rechtmatigheid van die bewijsverkrijging te onderzoeken. De Hoge Raad antwoordde dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel van toepassing is. Dat betekent onder meer dat het niet op de weg van de Nederlandse strafrechter ligt om de rechtmatigheid van het in Frankrijk uitgevoerde onderzoek naar EncroChat en SkyECC te toetsen.

De advocaten van de verdachte vroegen de Hoge Raad de uitspraak van het hof te vernietigen. Zij hebben meerdere cassatieklachten ingediend tegen deze uitspraak. De cassatieklachten richtten zich onder meer tegen de weigering van het hof om de zaak uit te stellen tot de Hoge Raad de door de rechtbank Noord-Nederland gestelde prejudiciële vragen over Encrochatdata beantwoord zou hebben. Verder klaagden de advocaten over de afwijzing door het hof van verschillende onderzoekswensen van de verdediging en over het oordeel van het hof dat de EncroChat-berichten voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daarnaast deden de advocaten van de verdachte het verzoek aan de Hoge Raad om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het Hof van Justitie van de EU.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad heeft ten eerste geoordeeld dat een rechter, als in een andere strafzaak prejudiciële vragen zijn gesteld over een rechtsvraag die ook speelt in de zaak die hij behandelt, de behandeling van de door hem behandelde zaak kan schorsen, maar daartoe niet verplicht is. Het is aan rechter om beslissing te nemen over schorsen van verdere behandeling in licht van belangen die in betreffende zaak aan de orde zijn (vgl. HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913). Het hof kon dus het aanhoudingsverzoek van de verdediging afwijzen.

Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof kon oordelen dat op de toetsing van de inzet van de interceptietool het vertrouwensbeginsel van toepassing is, nu de inzet van de interceptietool plaatsvond onder verantwoordelijkheid van de Franse en dus buitenlandse autoriteiten. Het is niet aan de Nederlandse rechter om te toetsen of de wijze waarop die inzet heeft plaatsgevonden strookt met de rechtsregels die daarvoor gelden in Frankrijk. De omstandigheid dat de inzet van de interceptietool meebracht dat ook gegevens van EncroChat-toestellen die zich op het moment van interceptie in Nederland bevonden werden verzameld en gekopieerd en vervolgens ook met Nederland werden gedeeld, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. Ook art. 31 Richtlijn 2014/41/EU geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen (vgl. HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913). Het hiertegen gerichte cassatiemiddel is verworpen.

Recht op een eerlijk proces

Ook het oordeel van het hof dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’ acht de Hoge Raad juridisch juist en voldoende gemotiveerd. De Hoge Raad wijst erop dat het hof bij zijn oordeel onder meer heeft betrokken dat de EncroChat-dataset die betrekking heeft op deze zaak, woordelijk uitgewerkt in het dossier is gevoegd en dat de verdachte van de inhoud daarvan kennis heeft kunnen nemen en zich daartegen heeft kunnen verdedigen. Dat technische informatie over de inzet van de interceptietool van EncroChat niet in het dossier is gevoegd, leidt niet tot een ander oordeel. Deze cassatieklacht slaagt dan ook niet. Dat geldt eveneens voor een aantal andere cassatieklachten.

Geen aanleiding tot prejudiciële vragen EHRM of het HvJ EU

De Hoge Raad ziet ook geen reden prejudiciële vragen te stellen aan het EHRM en het Hof van Justitie van de EU. N.a.v. namens verdachte ingediende reactie op CAG merkt HR nog op dat ook uitspraak van EHRM 26 september 2023, nr. 15669/20, ECLI:CE:ECHR:2023:0926JUD001566920 (Yüksel Yalçinkaya/Turkije) in relatie tot bestreden uitspraak geen aanleiding geeft tot doen van zo’n verzoek. Door EHRM uiteengezette “general principles” zijn al betrokken in HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913. In cassatie voorliggende zaak verschilt bovendien sterk van zaak die aan orde was in deze uitspraak van EHRM. Daarin ging het immers om veroordeling van klager o.g.v. gebruik dat hij maakte van specifieke applicatie voor cryptocommunicatie en mogelijkheden om in dat verband authenticiteit en integriteit van bewijs voor dat gebruik te betwisten. Bewijsvergaring onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten was daarbij niet aan orde.

Antwoorden Hoge Raad op prejudiciële vragen in de EncroChat- en SkyECC-zaken

Op 13 juni 2023 antwoordde (ECLI:NL:HR:2023:913) de Hoge Raad de prejudiciële vragen over EncroChat en SkyECC. Voor het Nederlands Juristenblad (NJB) hebben Bart Schermer en ik een artikel (.pdf) geschreven waarin wij de antwoorden op deze vragen analyseren.

In dit blogbericht delen wij onze belangrijkste conclusies.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

De antwoorden van de Hoge Raad met betrekking tot het interstatelijke vertrouwensbeginsel zijn over het geheel genomen niet verassend. De Hoge Raad maakt (wederom) duidelijk dat het niet behoort tot de taak van de Nederlandse strafrechter om de rechtmatigheid van de uitvoer van het buitenlandse onderzoek te toetsen.

Nederlandse rechters moeten dus uitgaan van de rechtmatigheid van het verzamelde bewijs in Frankrijk in de EncroChat en SkyECC-zaken. Wanneer in Frankrijk onherroepelijk vast komt te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht, dan kan de Nederlandse rechter daar op grond van het Nederlandse strafprocesrecht consequenties aan verbinden. Gezien de stand van zaken op dit moment, zal dit niet snel gebeuren.

Recht op een eerlijk proces

De Hoge Raad oordeelt ook dat het uitgangspunt is dat het dat het door de buitenlandse autoriteiten verkregen materiaal betrouwbaar moet worden geacht. Als er echter concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan, dan is de rechter gehouden de betrouwbaarheid van die resultaten te onderzoeken. Die aanwijzingen kunnen voortkomen uit een specifiek verweer.

Wij plaatsen hierbij de kanttekening dat een verweer op dit punt voor de verdediging lastig is te onderbouwen, omdat deze (indirect) ook betrekking hebben op de toetsing van de rechtmatigheid van het Franse onderzoek waar het interstatelijke vertrouwensbeginsel aan in de weg staat. De ‘Catch 22’ die de verdediging ervaart wordt helaas voor hen niet opgelost door de Hoge Raad.

Wij wijzen erop dat de overwegingen omtrent het interstatelijke vertrouwensbeginsel betrekking hebben op de verzameling van de gegevens door en onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten. Echter, het interstatelijk vertrouwensbeginsel houdt op bij de Nederlandse grens.

Verweer op de verdere verwerking (analyse) van de gegevens

Advocaten kunnen dus verweer voeren op deze verdere verwerking van gegevens en de betrouwbaarheid van de ruwe data zelf en de daarop verrichte analyses ter discussie stellen. Met andere woorden: hoewel de verzameling van het bewijs niet te controleren valt, valt het verdere gebruik van het bewijs dat wél. Voor zover daartoe aanleiding is, bijvoorbeeld omdat de verdediging ontkent dat het digitale bewijs betrekking heeft op de cliënt, moet de verdediging hierop effectief verweer kunnen voeren.

De analyse van de gegevens in Nederland, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van algoritmen en AI, staat volledig open ter toetsing aan het recht op een eerlijk proces. Als daartoe aanleiding is, moet de verdediging uitleg krijgen hoe het resultaat van die verdere gegevenswerking – het bewijs – tot stand is gekomen en daar verweer op kunnen voeren. Onzes inziens ligt op dit punt nog ruimte voor verweren en jurisprudentievorming.

Jan-Jaap Oerlemans & Bart Schermer

Meer duidelijkheid over de Ironchat-operatie

Bron afbeelding: https://nos.nl/artikel/2258309-beveiliging-door-politie-gekraakte-cryptofoons-was-twijfelachtig

Op 6 november 2018 maakte het Openbaar Ministerie bekend dat de politie Oost-Nederland en het Openbaar Ministerie (OM) er in 2017 waren geslaagd de versleutelde chatapplicatie ‘Ironchat’ te ontsleutelen. In het persbericht is de lezen:

“Dankzij deze operatie hebben politie en Openbaar Ministerie een goede informatiepositie gekregen. Er zijn ruim 258.000 chatberichten meegelezen en dat levert veel informatie op. Deze informatie kan leiden tot beslissende doorbraken in lopende onderzoeken. Ook kunnen de gegevens worden gebruikt om nieuwe strafrechtelijke onderzoeken op te starten. Op deze manier is er bewijs in lopende onderzoeken verkregen en kunnen nieuwe criminele activiteiten gestopt worden.”

Zie ook dit NOS-artikel voor meer informatie over IronChat.

Werking IronPhone en IronChat

In de uitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2024:6732) van de rechtbank Gelderland van 12 september 2024 staan in r.o. 2.1.4-2.1.6 interessante details over de cryptotelefoons. Om gebruik te maken van de communicatiemethode diende men een abonnement af te sluiten. Op een prijslijst die beschikbaar is uit de kopie van de server van het bedrijf staan de volgende kosten voor een abonnement:

  1. Telefoon (model Wileyfox Swift2) met als kosten voor een abonnement: per zes maanden € 800,- voor Europa en € 1000,- voor wereldwijd;
  2. Telefoon (model Samsung S8) met als kosten voor een abonnement: per zes maanden € 1.500,- voor Europa en € 1.750,- voor wereldwijd;
  3. Laptop (model HP Folio 9470m) met als kosten voor een abonnement: € 2.250,- per jaar.

Bij een aantal telefoons die zijn onderzocht in het kader van andere strafrechtelijke onderzoeken is opgevallen dat de telefoons technisch zo zijn ingericht dat er geen gebruik gemaakt kan worden van de camera, microfoon of wifi. Een getuige heeft verklaard dat de camera’s en microfoons werden verwijderd uit de telefoons wanneer verdachte dat wilde. Volgens de bewijsstukken gebeurde ongeveer in de helft van de gevallen.

Encryptiemethode

In de gebruiksaanwijzing van ‘communicatiemethode 2’ (uit 2015), staat omschreven dat gebruik wordt gemaakt van end-to-end encryptie door middel van het zogenaamde OTR (Off-The-Record) protocol. In de gebruikersaanwijzing worden de volgende voordelen opgesomd van het gebruik van OTR ten opzichte van andere “veilige communicatie”:

  • [communicatiemethode 2] laat geen digitale handtekeningen achter in berichten waardoor het achteraf niet valt te bewijzen dat er communicatie heeft plaatsgevonden;
  • communicatiemethode 2] werkt alleen als beide contacten online zijn, er wordt niets van berichten op servers opgeslagen. (…);
  • Gesprekken via [communicatiemethode 2] vallen achteraf niet meer te ontsleutelen, ook niet als de datalijnen getapt worden. (…);
  • [communicatiemethode 2] beschikt over een wis & sluit functie waarbij alle berichten direct worden gewist en encryptiesleutels direct komen te vervallen;
  • [communicatiemethode 2] heeft een PANIC modus waarbij u met één druk op de knop uw gehele [communicatiemethode 3] wist en ontoegankelijk maakt.

Overige functionaliteiten

Daarnaast is het mogelijk om de inhoud van een chat op beide telefoons helemaal te verwijderen door een codewoord in te voeren en te versturen naar degene waarvan men wil dat de inhoud van die chat verdwijnt. Men voert dan in: “CRASHME!34”.

Ook staat in een proces-verbaal dat de communicatie-app voor de buitenwereld er uitziet als een medische app. Sommige landen verplichten bij de douane het wachtwoord van telefoons te verstrekken, maar medische gegevens mogen dan niet worden ingezien.

Onderzoek naar een leverancier Ironchat

In het onderzoek ‘Orwell’ werd een in Nederland gevestigd bedrijf onderzocht in verband met de verdenking dat dit bedrijf encrypted communicatiemiddelen faciliteerde voor onder andere criminele organisaties. Dit Nederlandse bedrijf maakte gebruik van een telecomserver in het Verenigd Koninkrijk.

Middels een Europees Onderzoeksbevel kreeg het onderzoeksteam de beschikking over een kopie (een ‘image’) van de server van het Nederlandse bedrijf. Uit digitaal onderzoek bleek dat de server werd gebruikt voor het versturen van versleutelde berichten en belangrijke informatie bevatte, die zicht gaf op onder andere verschillende chataccounts, chatnamen en de NN (op dat moment anonieme)-gebruikers van de producten van het Nederlandse bedrijf.

In het Verenigd Koninkrijk werd zelfstandig onderzoek gedaan naar de versleutelde berichten die via deze server waren verzonden. Van 3 oktober 2018 tot 2 november 2018 werd overgegaan tot het ‘live intercepteren en decrypten van de server’. De Britse autoriteiten hebben toestemming gegeven voor het gebruik daarvan in opsporingsonderzoeken in Nederland.

Onderzoek naar de gebruikers van IronChat en opvolgende onderzoeken

De telecommunicatie werd vervolgens ter beschikking gesteld aan het onderzoek ‘Goliath’. Dit onderzoek, dat op 30 mei 2018 is ingesteld door de politie Oost-Nederland, richtte zich naar “criminele NN-gebruikers” van zogenaamde encrypted telefoons die de chatapp Ironchat gebruikten.

Over het opsporingsonderzoek met de naam ‘Goliath’ overweegt de rechtbank Gederland in (ECLI:NL:RBGEL:2024:6732) dat in de periode van 3 oktober 2018 tot en met 2 november 2018 de communicatieapplicatie is geïntercepteerd. Tijdens deze interceptiefase is 24/7 chatverkeer onderschept, gelezen, geduid, veredeld en geanalyseerd. Er is binnen onderzoek Goliath gewerkt met, onder andere, zoekwoorden (topics). Dit waren zoekwoorden die te relateren zijn aan diverse vormen van criminaliteit. Voorbeelden van dergelijke woorden zijn: ‘drugs’, ‘coke’, ‘slapen’, ‘pipa’s’, ‘AK’ of ‘wapens’. Deze topics waren beschikbaar in diverse talen. Als er in chatberichten woorden voorkwamen die op deze topiclijsten stonden, werden alle chatberichten van de conversatie zichtbaar in de chatmodule. Gedurende de interceptieperiode is niet vastgesteld dat anderen, waaronder politici, artiesten en de gewone man met bijvoorbeeld een geheime relatie, gebruik hebben gemaakt van de communicatiemethode, zoals de verdediging stelde.

Volgens ECLI:NL:RBOVE:2020:1558 werd door de officier van justitie overeenkomstig artikel 126dd Sv toestemming gegeven voor het gebruik van de overgedragen onderzoeksgegevens ten behoeve van het onderzoek ‘Metaal’, dat zich richtte op het achterhalen van de identiteit van de (NN-)gebruikers. In dit onderzoek kwam vervolgens een account naar voren dat kon worden gekoppeld aan de verdachte.

De rechtbank Overijssel overweegt in ECLI:NL:RBOVE:2020:1558 dat zij ‘naar eigen recht, op basis van eigen bevoegdheden en met medeweten van een ander bedrijf de chatberichten onderschept, ontsleuteld en vervolgens die chatberichten heeft doorgeleid naar de Nederlandse autoriteiten’.

Ontvankelijkheid OM

De rechtbank Overijssel en Limburg overwegen in hun uitspraken dat ‘voldoende duidelijk is op welke wijze de inhoud van de chatgesprekken is verkregen’. De rechtbank Overijssel overweegt simpelweg dat ‘niet gebleken van enig vormverzuim. Het verweer wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging’.

De rechtbank Limburg overweegt dat de onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvond onder verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk. De taak van de Nederlandse strafrechter is volgens de rechtbank ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dat onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

Het behoort volgens de rechtbank niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek in het buitenland is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels. Er dient, op grond van het vertrouwensbeginsel, dan ook van de rechtmatigheid van de verkrijging van deze gegevens te worden uitgegaan. De verdediging heeft in zijn geheel niet onderbouwd dat er bij de verkrijging van de gegevens sprake is van een onrechtmatigheid en op welke wijze deze zou zijn ontstaan en onder wiens verantwoordelijkheid. Niet is gebleken dan ook van enige schending van het recht op een eerlijk proces.

Voor wat betreft het gebruik van de verkregen resultaten in verschillende onderzoeken in Nederland, overweegt de rechtbank Limburg dat op grond van artikel 126dd Sv de officier van justitie bevoegd is om die gegevens te verstrekken aan een ander onderzoek. Een beschikking van de rechter-commissaris is niet vereist. Het verweer wordt dan ook verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Dit bericht is geüpdated op 4 november 2024 naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie.