Cybercrime jurisprudentieoverzicht januari 2021

Beslissingen in EncroChat-zaken

De rechtbank Amsterdam heeft op 18 december 2020 enkele belangrijke beslissingen genomen in de bekende EncroChat-zaken (het onderzoek wordt ‘26Douglasville’ genoemd) (Rb. Amsterdam 18 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6443). De verdediging verzoekt tot toegang tot stukken uit een ander onderzoek (‘26Lemont’) om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van het onderzoek naar de EncroChat-hack ter nadere onderbouwing van hun verweer.

Kortgezegd meent het Openbaar Ministerie er geen aanleiding is om de door de verdediging gevraagde stukken aan het dossier toe te voegen, omdat een bevoegde rechterlijke autoriteit zowel in Frankrijk als in Nederland heeft getoetst of de gehanteerde werkwijze rechtmatig was. Toch blijft dan nog steeds onduidelijk wat de werkwijze precies was.

De rechtbank stelt kortgezegd dat het internationaal vertrouwensbeginsel impliceert dat het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of een door een andere EVRM-lidstaat uitgevoerd strafrechtelijk onderzoek in overeenstemming is met de in die lidstaat geldende rechtsregels (met verwijzing naar HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Er hoeven past rechtsgevolgen te worden verbonden aan de vormverzuimen als het recht op een eerlijk proces onvoldoende kan worden gewaarborgd. De rechtbank vindt dat de verdediging onvoldoende onderbouwd waarom de stukken moeten worden versterkt. Persoonlijk heb ik begrip voor het pleidooi van de advocaten en tegelijkertijd begrijp ik de verwijzing naar staande jurisprudentie van de rechtbank. Het is een zaak die ik zeker met interesse blijf volgen.

De rechtbank overweegt zelfs dat door de raadslieden onvoldoende is onderbouwd dat onderzoek 26Lemont heeft te gelden als een voorbereidend onderzoek naar de verdachten in onderzoek 26Douglasville. De JIT-overeenkomst vormt de basis waarop de door de Franse autoriteiten vergaarde informatie uit onderzoek 26Lemont aan Nederland is verstrekt. De rechtbank draagt (vooralsnog) het Openbaar Ministerie niet op de JIT-overeenkomst aan het dossier toe te voegen. De hele constructie met JIT’s begrijp ik persoonlijk nog niet goed, dus deze overweging kan ik niet op waarde schatten.

Zie ook deze fascinerende podcast van 25 oktober 2020 op AD.nl over de EncroChat-zaken.

Hoger beroep in moordzaak en Google-tijdlijn gegevens

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 1 december 2020 een verdachte in hoger beroep veroordeeld (ECLI:NL:GHARL:2020:9865) tot een gevangenisstraf van 20 jaar voor het medeplegen van de moord op haar echtgenoot. Het hof leunt voor de bewijsvoering sterkt op de resultaten van de Google Timeline behorende bij het Google-account van het slachtoffer, terwijl de verdachte ontkent. Eerder heb ik ook over de zaak in eerste aanleg (Rb. Noord-Nederland 11 juli 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2986) bericht. De zaak is interessant omdat de bewijsvoering sterk op de gegevens van Google berust terwijl de betrouwbaarheid daarvan wordt betwist. Mijn verwachting is dat deze gegevens vaker gebruikt zullen worden. Zie ook deze artikelen in Wired (‘How Your Digital Trails Wind Up in the Police’s Hands‘) over digitaal bewijs van Google, onder andere over de fascinerende ‘geofence-warrants‘, waarbij Google verkeersgegevens van Androidtelefoons in een bepaald gebied en een bepaalde tijd aan opsporingsinstanties moeten verstrekken.

Het hof stelt voorop dat aan de hand van gebruikersactiviteiten en locatiegegevens van het Googleaccount van het slachtoffer inzicht is verkregen in een tijdlijn met locaties en daarbij behorende activiteitgegevens, waaronder gebruikersactiviteiten (de Google Timeline). Het hof gebruikt de ‘confidence-waarde’ van Google om te bepalen wat de mate van waarschijnlijkheid dat de geschatte type activiteit (door Google) correct is. Zo wordt in het arrest beschreven: ‘Om 00:27:38 uur bevindt het toestel van het slachtoffer zich volgens de locatiegegevens van Google met een waarschijnlijkheid van 95% op een gebruiker die aan het lopen is. Volgens de gebruikersactiviteiten van Google verandert de hoek waarop het toestel zich bevindt aanzienlijk om 00:40:09 uur, met een waarschijnlijkheid van 100%. Om 00:43:18 uur beweegt het toestel niet, met een waarschijnlijkheid van 100%’.

In eerste aanleg is een contra-expertise verricht naar de Google Timeline. De Telecomdeskundige van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) heeft in eerste aanleg ter terechtzitting verklaard dat hij zijn eigen script op de ruwe data van Google Timeline heeft toegepast. De gegenereerde tijdstippen en positie heeft hij geplot in Google Maps en daaruit kwamen exact dezelfde posities naar voren als weergegeven in het politieonderzoek. In hoger beroep bepleit de verdediging dat de gegevens niet betrouwbaar zijn. Daarbij is een rapport ingebracht van het ‘Nederlands Forensisch Incident Response’ (hierna: NFIR). Ik mis de technische expertise en details van de zaak om het digitaal bewijs op waarde te schatten. De tegenstelling over de betrouwbaarheid is in ieder geval opvallend.

Het hof overweegt daarover dat tussen de digitale experts van de politie, het NFO en het NFIR consensus bestaat over het feit dat Google locatiegegevens niet gebruikt kunnen worden om een mobiele telefoon met absolute zekerheid en precisie op een specifieke locatie te plaatsen, en dat de politie en de NFO deskundige met de ruwe data van Google Timeline in Google Maps tot exact dezelfde tijdstippen en posities komen. Het hof stelt vast dat de door de verdediging ingeschakelde forensisch onderzoekers (NFIR) een dergelijk volledig onderzoek niet is verricht.

Kortgezegd ziet het Hof geen enkele reden om aan de betrouwbaarheid van de Google locatiegegevens te twijfelen en deze niet voor het bewijs te bezigen. Daarbij benadrukt het hof dat de Google locatiegegevens in het kader van de bewijsvoering slechts worden gebruikt als een indicatie van de locatie van het telefoontoestel, beschouwd in het licht van de door Google zelf aangegeven confidence-waarde. Het hof beschouwt de bevindingen van Google Timeline uiteindelijk in combinatie met de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek en het pathologisch onderzoek en is daarmee door het bewijs overtuigd dat de verdachte de moord heeft gepleegd.

Veroordeling voor drugshandel op darknet markets

Op 16 december 2020 heeft de rechtbank Rotterdam een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2020:11624) voor drugshandel via darknet markets en deelname aan een criminele organisatie. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden en een taakstraf van 240 uur. Eén van de zes medeverdachten wordt vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie.

De bewijsvoering over drugshandel via darkweb is met name interessant om te lezen. De uitspraak vermeld bijvoorbeeld de handgeschreven prijslijst met verboden middelen, inloggegevens van de darknet markten ‘Alphabay’ en ‘Valhalla’, een Excellijst met verkopen uit de drugshandel per darknet market en een handleiding genaamd ‘hoe bestellingen af te handelen op de dark markets’.

De medeverdachten verstopten pakketten met drugs in uitgeholde kaarsen en verstuurden deze vanuit hun woning naar adressen in het buitenland. In de berging van de woning en de schuur van hun grootmoeder zijn aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen aangetroffen.

Fraude door scan van QR-code

Op 15 december 2020 heeft de rechtbank Den Haag een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2020:12796) tot vier maanden gevangenisstraf voor oplichting, computervredebreuk, diefstal met een valse sleutel en witwassen.

Hij verdiende zijn geld door middel van fraude met een QR-code. Dat ging als volgt in zijn werk. De verdachte sprak het slachtoffer aan op het station Hollands Spoor die hem op zijn telefoon de ING Mobiel Bankieren app liet zien, waarin op dat moment een QR-code zichtbaar was. De man vroeg hem om die QR-code te scannen om 2 euro naar zijn bankrekening over te maken, omdat hij geld tekort kwam voor het kopen van een treinkaartje. Een dag later bemerkte het slachtoffer dat er buiten zijn medeweten vanaf zijn bankrekening transacties waren verricht. Op de camerabeelden van station Hollands Spoor was te zien dat het slachtoffer werd aangesproken door verdachte, en een handeling verrichte op zijn telefoon (het scannen van de QR-code).

De rechtbank ziet in het handelen van de verdachte listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels (vereist voor het delict oplichting). De verdachte heeft het slachtoffer in strijd met de waarheid voorgespiegeld dat hij door het scannen van de QR-code twee euro naar de bankrekening van verdachte zou overmaken. Op de camerabeelden van een kledingwinkel in Amsterdam is waar te nemen dat verdachte een dag later, op 4 november 2019 om 15:05 uur, een jas van € 995,- afrekende, terwijl uit de bankrekeninggegevens van het slachtoffer blijkt dat op precies hetzelfde tijdstip een bedrag van € 995,- van de bankrekening is afgeschreven bij de betreffende kledingwinkel in Amsterdam.

De verdachte is met bovenstaande handelingen ook binnengedrongen in een (deel van een) geautomatiseerd werk, namelijk de beveiligde internetbankierenomgeving van ING-bank. Verdachte heeft dit gedaan met inloggegevens tot het gebruik waarvan hij niet bevoegd was, en door zich voor te doen als geautoriseerde ING-klant, zodat in het kader van de computervredebreuk zowel sprake is van het gebruik van een valse sleutel, als van het aannemen van een valse hoedanigheid.

Een gedachte over “Cybercrime jurisprudentieoverzicht januari 2021

Reacties zijn gesloten.