Kamerbrieven over cybercrime en cybersecurity voorjaar 2020

Kamerbrief over ‘Citrix-problematiek en WRR-rapport over digitale ontwrichting

Op 20 maart 2020 heeft de minister van Justitie en Veiligheid de kabinetsreactie gestuurd op het rapport ‘Voorbereiden op digitale ontwrichting’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en een overzicht van de geleerde lessen van de Citrix-problematiek aan.

Het valt daarbij op dat de minister veel aanbevelingen dan de WRR niet overneemt of er slechts indirect op ingaat. De WRR beval bijvoorbeeld aan een ‘helder afgebakende wettelijke bevoegdheid voor digitale hulptroepen te creëren en de noodzaak van een aparte regeling voor overheidshandelen gericht op tegengaan van escalatie te onderzoeken’. Vervolgens wijst de minister op de al bestaande ‘nationale crisisstructuur’ en het ‘Nationaal Crisisplan Digitaal’ dat in februari 2020 is gepubliceerd, waar we waarschijnlijk uit moeten afleiden dat dit voldoende wordt geacht.

De WRR wees er ook op dat private dienstaanbieders vaak geen belang hebben in opsporing of attributie van aanvallen. De minister reageert daar indirect op door aan te geven dat ‘onder bestaande wettelijke kaders kan worden ingegrepen wanneer dit toch nodig is. Vakdepartementen hebben hierin bevoegdheden om in te grijpen op basis van sectorale wetgeving’.

Wel zegt de minister toe deze bevoegdheden in kaart te brengen zodat het gehele instrumentarium voor ingrijpen bij crises met digitale elementen inzichtelijk wordt en zodat kan worden bezien waar eventuele aanvullingen nodig zijn. Hierbij worden onder meer de ‘Coördinatiewet uitzonderingstoestanden’ en de ‘Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag’ betrokken.

Verder is interessant dat de minister in de Kamerbrief melding maakt van een nieuw samenwerkingsplatform op het gebied van cybersecurity, waar op dezelfde fysieke locatie samengewerkt wordt door politie, OM, NCSC, de AIVD en de MIVD met als doel informatie over cyberdreigingen en incidenten bijeen te brengen en gezamenlijke analyses te verrichten.

De minister benadrukt een aantal keer in de Kamerbrief dat alle organisaties primair zelf verantwoordelijk zijn voor digitale weerbaarheid. Tijdens de Citrix-problematiek werd duidelijk dat er nog veel sectoren zijn die niet over een eigen computercrisisteam of samenwerkingsverband beschikken. Uiteindelijk moet elk bedrijf en organisatie ergens terecht kunnen voor informatie en advies. Deze moeten in beginsel worden opgericht door de sectoren zelf, aldus de minister.

Om de betrouwbaarheid van cybersecuritydiensten te borgen is een subsidie verstrekt ‘om te komen tot een risicomodel en een kwaliteitsregeling voor leveranciers van cybersecuritydiensten’.

Persoonlijk vind ik het nog lastig een mening te vormen over deze kabinetsreactie. In de lange formele brief lees ik tussen de zinnen door geen enthousiasme voor de aanbevelingen in het rapport en vraag ik mij af of de overheid nu voldoende een vuist kan vormen bij ernstige incidenten bij cybersecurity. Ook wordt tamelijk summier ingegaan op de Citrix-problematiek. Daarvoor zou ik meer onderzoek willen lezen om er echt een oordeel over te kunnen vormen.

Michel van Eeten (prof. cybersecurity aan de TU Delft) schreef laatst overigens ook mooi en een prikkelend stuk over het WRR-rapport en hoe de oplossing niet altijd moet worden gezocht in meer bevoegdheden of een nieuwe overheidsinstantie. Zeker het lezen waard!

 Kamerbrief over de aanpak van cybercrime door regionale eenheden van de politie

In opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft een onderzoeksbureau in februari 2020 een ontnuchterend rapport afgeleverd over de aanpak van cybercrime door regionale eenheden van de politie’. Het rapport vond ik punten toch schokkend. Met al het geld en investeringen die zijn vrijgemaakt voor de politie om cybercrime  beter te bestrijden, vallen de resultaten op regionaal niveau – uitgaande van dit rapport – mij tegen.

De belangrijkste verandering die in rapport wordt besproken is dat naast het Team High Tech Crime (THTC) sinds 2016 ook op regionaal niveau binnen de politie-eenheden aandacht gekomen in de vorm van acht gespecialiseerde ‘cybercrime teams’. Maar in de eenheid Den Haag en Oost Nederland bestaat dat nog niet uit 10 FTE, waardoor het formeel niet voldoende capaciteit heeft voor een ‘cyberteam’. In het rapport worden nogal wat problemen bij de cyberteams gesignaleerd. Ook gaat het bij de intake van cybercrime nog steeds niet goed, omdat misdrijven te vaak niet herkend en geregistreerd worden als cybercrime.

Het gaat überhaupt niet goed met de kennis en kunde over cybercrime bij de politie volgens de onderzoekers. In het rapport staat:

“voor de cyberteams in de onderzochte eenheden geldt dat er een grote behoefte is om de specialistische digitale kennis binnen de generieke opsporing te versterken. De dieptekennis op digitaal vlak is met name voorhanden bij de Landelijke Eenheid (THTC) en bij de teams digitale opsporing. De cyberteams werken regionaal en pakken landelijk nauwelijks zaken op, terwijl cybercrime uiteraard niet regionaal van aard is”.

Door de cyberteams wordt nu wel voor meer cybercrimezaken door het OM vervolgd, omdat meer zaken worden aangedragen. Het accent ligt daarbij op veel voorkomende cybercriminaliteit, zoals phishing. Maar in deze zaken komt men weinig tot een veroordeling van een verdachte, omdat cybercriminelen vaak buiten beeld blijven. Mede hierom wordt vaker ingezet op ‘barrières tegen digitale criminaliteit’. Dat gaat dan koste van capaciteit van de opsporing, vraag ik mij af? En is de toezicht op deze acties van de politie voldoende?

Door de aanpak van cybercrime met specifieke cyberteams blijft verder de expertise binnen de reguliere opsporing achter, zo signaleren de onderzoekers. Bij andere teams is er daardoor weinig aandacht voor de digitalisering van criminaliteit. Dat lijkt mij een ernstige probleem. Kijk ook naar de laatste cijfers van maart 2020 van het CBS over criminaliteit, waar wordt gesignaleerd dat traditionele criminaliteit daalt en cybercrime stijgt. Internet en computers faciliteren simpelweg bepaalde vormen van criminaliteit, zoals oplichting en zedendelicten. Sterker nog, zij transformeren deze vormen van criminaliteit waar de politie uiteraard op moet inspelen. De regering komt later dit jaar met een meer uitgebreide reactie over de aanpak van cybercrime.

Kamerbrief over aanpak van ‘pedohandboek’

In de Kamerbrief van 10 februari 2020 over de aanpak van het ‘pedohandboek’ dat circuleert op het darkweb, geeft de minister van Justitie en Veiligheid aan dat vervolging voor het verspreiden van teksten uit een pedohandboek reeds mogelijk is. Het vervaardigen, bezit of verspreiding van het handboek valt volgens de minister onder het delict opruiing (artikel 131 Sr e.v..).

Op dit moment brengt volgens het OM een zelfstandige strafbaarstelling van het pedoboek geen extra mogelijkheden voor opsporing en vervolging mee. Toch laat de minister verkennen wat de (wettelijke) mogelijkheden zijn om de verspreiding van het ‘pedohandboek’ als zelfstandig strafbaar feit aan te pakken. Hierover wordt de Tweede Kamer nog voor de zomer geïnformeerd.

De Wijzigingswet Wiv 2017

De ‘Wijzigingswet 2017’ krijgt weinig aandacht in de literatuur en media, maar er staan toch belangrijke bepalingen in het wetsvoorstel die ik even op een rijtje wil zetten. Het wetsvoorstel betreft voor een belangrijk deel de codificatie van de Beleidsregels Wiv 2017. De Beleidsregels waren ingevoerd gelet op de zorgen in de samenleving, zoals deze onder meer uit de uitslag van het raadgevend referendum over de Wiv 2017 zijn gebleken (49,44% stemmen tegen en 46,53% stemmen voor de Wiv 2017).

In deze blogpost bespreek ik niet niet alle bepalingen van het wetsvoorstel Wijzigingswet Wiv 2017 maar de aanpassingen van (in mijn ogen) de belangrijkste artikelen rond het gerichtheidsvereiste en het delen van ongeëvalueerde gegevens met buitenlandse diensten. Daarnaast signaleer ik nog een paar interessante vragen en antwoorden in het Kamerdebat over het wetsvoorstel.

Belangrijke wijzigingen Wiv 2017

1. Het gerichtheidsvereiste

In artikel 5 van de Beleidsregels Wiv 2017 staat dat bijzondere bevoegdheden “zo gericht mogelijk” moeten worden ingezet. Het nieuwe vereiste die per 1 mei 2018 van kracht is, is geïntroduceerd naar aanleiding van de motie Recourt. In de motie stond dat het wenselijk is dat het gerichtheidsvereiste voor álle bevoegdheden geldt en niet alleen voor de bijzondere bevoegdheden zoals in de Beleidsregels is opgenomen. In de Beleidsregel en de toelichting wordt echter niet uitgelegd wat het gerichtheidsvereiste behelst.

In het wetsvoorstel wordt in de memorie van toelichting (p. 4-5) verduidelijkt dat onder “zo gericht mogelijk” wordt verstaan

“in hoeverre bij de verwerving sprake is van het tot een minimum beperken van niet strikt voor het onderzoek noodzakelijke gegevens, gelet op de technische en operationele omstandigheden van de casus.”

De te vergaren gegevens moeten daarbij dus van te voren worden afgebakend, bijvoorbeeld op basis van geografische gegevens, naar tijdstip, soort data en object. Per inzet van een bevoegdheid krijgt het vereiste aldus zijn uitwerking. Zonder voorbeelden blijft deze uitleg natuurlijk wel wat vaag. Het was overigens sowieso al gek dat het vereiste niet eerder was gedefinieerd.

In de praktijk is wel ervaring met het vereiste opgedaan, waar de CTIVD ook al op heeft getoetst. In CTIVD-rapport nr. 64 (2019) over de selectie van geïntercepteerde communicatie uit de ether, constateert de toezichthouder bijvoorbeeld dat in de aanvraag tot de inzet van de bijzondere bevoegdheid tot selectie in één geval een heldere omschrijving ontbrak van de organisatie ten aanzien waarvan de selectiebevoegdheid werd ingezet. De geformuleerde groep was te ruim omschreven en in de aanvraag was niet omschreven waarom sprake was van een organisatie.

En in het CTIVD-rapport nr. 63 (2019) over filtering bij ‘onderzoeksopdrachtgerichte interceptie’ (bulkinterceptie) gaf de toezichthouder aan dat bij een specifieke vorm van satellietinterceptie tijdens de onderzoeksperiode ‘een deel van gebruikte verwerkingssystemen alle inhoud en metadata van herkende typen data or protocollen doorlaat. Het zonder meer opslaan van gegevens op deze manier laat zich niet verenigen met het vereiste dat de interceptie ‘zo gericht mogelijk’ dient te zijn’ (onderstreping toegevoegd). In reactie op beide rapporten zeiden de ministers zich in te spannen deze onrechtmatigheden in de toekomst te voorkomen.

Als het wetsvoorstel Wijzigingswet Wiv 2017 wordt aangenomen en van kracht is, geldt het gerichtheidsvereiste verder voor álle bevoegdheden. Daartoe wordt artikel 26 Wiv 2017 gewijzigd, waar nu ook de andere algemene vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zijn neergelegd. Als gevolg daarvan moet het vereiste ook worden toegepast bij de inzet van algemene bevoegdheden zoals de informantenbevoegdheid en het stelselmatig verzamelen van persoonsgegevens op internet. Als je bijvoorbeeld gegevens opvraagt bij een bedrijf of instelling op grond van de informantenbevoegdheid (die dat dan al dan niet vrijwillig verstrekt), dan vraag je dat zo gericht mogelijk; bijvoorbeeld de gegevens van het target die je als dienst in de gaten houdt en niet een hele database. Een dergelijke toets raakt overigens ook sterk de proportionaliteitstoets en subsidiariteitstoets, maar goed. Vanuit het perspectief van de bescherming van fundamentele rechten is de bepaling zeker een winst, omdat het als extra waarborg kan fungeren voor alle bevoegdheden.

2. Delen van ongeëvalueerde gegevens met buitenlandse diensten

Het wettelijk kader voor het delen van gegevens is nogal ingewikkeld. In deze blogpost sluit ik aan bij de uitleg uit de memorie van toelichting en het nader verslag.

In het nader verslag wordt uitgelegd dat voorafgaand aan het aangaan van een samenwerkingsrelatie met een buitenlandse dienst een ‘wegingsnotitie’ wordt opgesteld. In de wegingsnotitie wordt aan de hand van wettelijk vastgelegde criteria, zoals de ‘democratische inbedding van de buitenlandse dienst’ en ‘de eerbiediging van mensenrechten door het betreffende land’, nagegaan of een dergelijke samenwerkingsrelatie kan worden aangegaan en in hoeverre gegevens kunnen worden uitgewisseld. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geëvalueerde of ongeëvalueerde gegevens. Ongeëvalueerde gegevens zijn gegevens waarvan de AIVD en de MIVD te weinig kennis van de inhoud hebben om een adequate weging te kunnen maken van de noodzaak, behoorlijkheid en zorgvuldigheid van de verstrekking van de gegevens.

De door de minister van BZK of minister van Defensie verleende toestemming voor het aangaan van de samenwerkingsrelatie bepaalt dus ook de grenzen van die samenwerking en of er gegevens mogen worden verstrekt en zo ja, welke soorten gegevens.

Artikel 64 Wiv 2017 vormt een uitzondering op deze regeling. In het kader van een goede taakuitvoering kan de AIVD of de MIVD op grond van een dringende en gewichtige reden – bijvoorbeeld indien men beschikt over gegevens die wijzen in de richting van een ophanden zijnde terroristische aanslag in het desbetreffende land – gegevens verstrekken aan de buitenlandse dienst waarmee geen samenwerkingsrelatie bestaat. Dat mag alleen met toestemming van de verantwoordelijke minister. Het kan daarbij óók gaan om de verstrekking van ongeëvalueerde gegevens.

De aanpassing ziet er op de situatie dat er wél een samenwerkingsrelatie is, maar de wegingsnotitie aangeeft dat het regulier niet is toegestaan gegevens met de buitenlandse dienst te delen. Door aanpassing van artikel 64 Wiv 2017 wordt dit bij bovengenoemde gewichtige redenen wel mogelijk met toestemming van de verantwoordelijke minister. Als er toch al een uitzondering is met toestemming van de minister de gegevens te delen bij gewichtige redenen, is het wat mij betreft ook niet gek dat dit ook mogelijk wordt gemaakt als er wel een samenwerkingsrelatie bestaat. De CTIVD wordt overigens via een melding op de hoogte gesteld bij een verstrekking van ongeëvalueerde gegevens.

In het nader verslag vragen leden van GroenLinks nog hoe het staat met het internationaal toezicht op het delen van gegevens met buitenlands diensten. De minister van Defensie herhaalt dat bij samenwerkingsverbanden de controle op de handelingen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten door de nationale toezichthouders plaatsvindt. Het is volgens minister ‘te vroeg om voor het toezicht op samenwerkingsverbanden multilaterale afspraken te maken over het integraal wegnemen van wettelijke beperkingen voor de uitwisseling van staatsgeheime gegevens tussen toezichthouders’.

Tweede Kamerdebat (nota naar aanleiding van het verslag)

Tijdens het Tweede Kamerdebat over de Wijzigingswet Wiv 2017 kwamen een aantal interessante onderwerpen voorbij (zie de ‘nota naar aanleiding van het verslag’). Ik licht er drie uit.  

1. Geclausuleerde toestemming TIB

De leden van de Partij van de Dieren vroegen zich of in hoeverre het mogelijk is dat de TIB ‘geclausuleerd’ voorafgaand aan de inzet goedkeuring geeft van de inzet van (bepaalde) bijzondere bevoegdheden die door de minister zijn goedgekeurd. Dan wordt dus goedkeuring gegeven, maar onder voorwaarde dat bij de uitvoering ergens rekening mee wordt gehouden. Blijkbaar ziet de partij deze ruimte niet, omdat in artikel 36 lid 2 Wiv 2017 is vastgelegd dat de commissie oordeelt of de toestemming van de minister rechtmatig is. Deze toestemming zou ook geen geheime voorwaarden toelaten volgens de partij. De minister van Defensie beaamt dat strikt genomen de Wiv 2017 niet voorziet in de mogelijkheid tot geclausuleerde goedkeuring. In de praktijk is dit slechts in enkele situaties voorgekomen, zo geeft zij aan. Opvallend is dat verderop wordt gezegd dat: 

“Mocht een geclausuleerde goedkeuring door de TIB voor de inzet van de bijzondere bevoegdheid overigens voorwaarden bevatten die om verschillende redenen als niet aanvaardbaar worden beschouwd (praktisch onwerkbaar, verschil in interpretatie wettelijke bepalingen e.d.), dan ligt het voor de hand dat – nu de verleende toestemming niet van rechtswege is vervallen – deze door de Minister wordt ingetrokken.”

Ten slotte wordt gewezen op de aanstaande evaluatie (die uiterlijk start op 1 mei 2020, maar waarvan de Commissieleden nog niet publiekelijk bekend zijn) zich buigt over ‘de hele inrichting, de functie en de plek van de TIB in het bestel, een en ander tegen de achtergrond van de ministeriële verantwoordelijkheid’. Het vraagstuk geclausuleerde goedkeuring door de TIB maakt daar onderdeel van uit.

2. ‘Werken met grote gegevenssets en GDA’

Verder vond ik het interessant – en ook terecht overigens – dat verschillende Kamerleden vroegen of de regering kon ingaan op de kritiek van de TIB over de verzameling van grote gegevenssets door middel van hacken of informanten. De leden van GroenLinks geven aan dat ook bij andere bevoegdheden gegevens in bulk worden verzameld, ook van personen die niet in onderzoek zijn bij de diensten. De leden vragen waarom deze waarborgen niet in bindende bepalingen zijn gegoten voor GDA-verwerking van alle verzamelde data, of deze data nu uit een open bron zijn verkregen, via een zogeheten bulk-hack zijn binnengehaald, met de OOG-interceptie bevoegdheid zijn afgevangen of van een andere dienst zijn ontvangen. De minister geeft aan dat dit onderwerp niet wordt behandeld in de Wijzigingswet en daarom hier niet op wordt ingegaan. Het wordt mogelijk in de wetsevaluatie betrokken.

Ook wordt de suggestie om de waarborgensystematiek voor geautomatiseerde data-analyse na bulkinterceptie op bijvoorbeeld metadata in de Wiv 2017 uit te breiden, wordt niet door de minister omarmt. De minister is er geen voorstander van, omdat dan voor ‘alle gevallen van geautomatiseerde data-analyse waarbij persoonsgegevens worden verwerkt, toestemming van de minister en een toets van de TIB noodzakelijk zou zijn’. Dat is mijns inziens afhankelijk van hoe je het regelt, maar de minister geeft in ieder geval aan een dergelijke regeling niet wenselijk te vinden.

De minister zegt dat ook geautomatiseerde data-analyse onderwerp kunnen zijn voor de wetsevaluatie. De minister wilt eerst de resultaten van de evaluatie af te wachten, alvorens tot aanpassingen van het stelsel te komen. De leden van wetsevaluatie gaan het dus nog druk krijgen gezien het aantal onderwerpen op die voor hen op de agenda zijn geplaatst! (zie deze Kamerbrief (.pdf) uit november 2019).  

3. Regelgeving en invloed opslagkracht van de diensten

De leden van CDA- en VVD fractie stelden verschillen vragen ‘of de genomen maatregelen werkbaar blijven voor de diensten’ en ‘op welke wijze met het voorliggende wetsvoorstel de slagkracht van de diensten wordt bevorderd en de disproportionele bureaucratisering van het werk van de diensten tegengegaan’.

De minister (die uiteraard haar eigen wetsvoorstel verdedigde) antwoordde daarop dat de bepalingen uit de Wijzigingswet  2017 naar inschatting werkbaar zijn. Over de bepalingen uit de Wiv 2017 (ten opzichte van de Wiv 2002) antwoord de minister dat de AIVD en de MIVD ‘intensief betrokken’ waren bij de totstandkoming van de wet en naar hun beste vermogen een inschatting hebben gemaakt van de impact van de nieuwe regels op hun werkwijze. Maar: ‘in de toepassingspraktijk is gebleken dat op onderdelen er frictie kan ontstaan tussen de wettelijke norm (en de wijze waarop deze is toegelicht) en de werkbaarheid voor de praktijk’. De minister wordt niet concreter welke onderdelen dat zijn en geeft aan dat ‘een en ander’ bij de wetsevaluatie wordt ingebracht.

AI, strafrecht en het recht op een eerlijk proces

Voor het themanummer ‘AI en Recht’ van het tijdschrift Computerrecht, hebben Bart Schermer en ik een artikel geschreven over AI, strafrecht en het recht op een eerlijk proces (.pdf). Mijn annotatie over de veroordeling van de oprichter van Ennetcom in het Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving is ook hier (.pdf) te lezen.

Het artikel bespreekt eerst de zogenoemde ‘Ennetcom-casus’ en gaat daarna in op de inzet van kunstmatige intelligentie voor het (geautomatiseerd) nemen van strafvorderlijke beslissingen.

Ennetcom

In 2016 heeft het Nederlandse Team High Tech Crime een grote hoeveelheid gegevens (7 Terabyte) in beslag genomen van ‘Ennetcom’, een bedrijf dat werd verdacht van witwassen. Het Nederlandse bedrijf Ennetcom leverde diensten op het gebied van versleutelde communicatie. Tijdens een doorzoeking bij het bedrijf BitFlow Technologies Inc. in Canada (op basis van een rechtshulpverzoek) zijn 3,6 miljoen versleutelde berichten in beslag genomen die zijn verstuurd via zo’n 40.000 smartphones van naar schatting 19.000 klanten.

Klanten konden met speciale BlackBerry-telefoons, voorzien van specifieke software, versleutelde tekstberichten en notities versturen. De encryptiesleutels waren opgeslagen op de ‘Blackberry Enterprise Servers’ van Ennetcom. Deze servers bevonden zich bij BitFlow Technologies Inc. in Toronto, Canada. Na een rechtshulpverzoek van Nederland en een machtiging van een rechter-commissaris aan de Canadese autoriteiten zijn op 19 april 2016 de encryptiesleutels op de servers veilig gesteld zodat daarmee de berichten konden worden ontsleuteld door de Nederlandse opsporingsautoriteiten.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft software ontwikkeld waarmee zeer grote hoeveelheden gegevens snel en diepgaand geanalyseerd kunnen worden. Datasets zijn snel te doorzoeken om zo verbanden te leggen tussen verschillende attributen, zoals gebruikersnamen, bijnamen, telefoonnummers en e-mailadressen. Hierdoor kunnen rechercheurs en analisten vele malen sneller en effectiever werken in een opsporingsonderzoek. De software, genaamd ‘Hansken’, is ook ingezet voor de analyse van de Ennetcom-data.

Verdachten worden in strafzaken geconfronteerd met belastend bewijs dat afkomstig is uit een grootschalige data-analyse met het Hansken systeem. In het artikel leggen wij uit dat het recht op een eerlijk proces in artikel 6 EVRM het deelrecht kan worden afgeleid dat de verdachte toegang moet hebben tot gegevens die tegen hem worden gebruikt in belastende en ontlastende zin. De verdediging moet daarbij de mogelijkheid hebben de gegevens met betrekking tot de verdachte te bestuderen en te betwisten. Het openbaar ministerie heeft volgens ons ook tot op zekere hoogte ook zelf een verantwoordelijkheid de technische mogelijkheden aan de verdediging te bieden om de gegevens in een strafproces te bestuderen en te betwisten.

De inrichting van een ‘data room’, waarbij de gegevens die betrekking hebben op de verdachte veilig en relatief eenvoudig kunnen worden geraadpleegd, betreft een voorstel die wij doen om aan het recht invulling te geven. In de toekomst zullen nog veel zaken volgen waarbij verdachten geconfronteerd worden met het resultaat van een grootschalige data-analyse die zijn veilig gesteld in andere strafzaken.

AI en geautomatiseerde besluitvorming

Naast geavanceerde data-analyse of data mining kan ook kunstmatige intelligentie worden toegepast in het kader van de opsporing en vervolging. Zo zijn er onder de noemer predictive policing tal van experimenten binnen de politie die er op gericht zijn om met behulp van kunstmatige intelligentie crimineel gedrag te voorspellen. Daarnaast kan kunstmatige intelligentie worden ingezet voor het nemen of ondersteunen van strafvorderlijke beslissingen door de officier van justitie, rechter-commissaris en rechter.

In het tweede deel gaan wij na in hoeverre de inzet van kunstmatige intelligentie raakt aan de beginselen van een eerlijk proces bij het geautomatiseerd nemen van strafvorderlijke beslissingen.

In het artikel leggen wij uit dat het in het bijzonder bij geautomatiseerde besluitvorming van belang is dat de motivering van de besluitvorming deugdelijk is. Dit betekent dat de gekozen toepassingen transparant, uitlegbaar en controleerbaar zijn.

Hoe deugdelijk de motivering van algoritmische besluitvorming in de praktijk moet zijn, is echter nog onduidelijk. Grofweg zijn er in de context van het strafrecht twee problemen met betrekking tot een voor deugdelijke motivering noodzakelijke transparantie van algoritmes, te weten 1) complexiteit, en 2) de angst voor manipulatie/misbruik. In het artikel gaan we verder in op deze problemen en leggen wij uit hoe met deze problemen kan worden omgegaan.

Gaming the system?

Met betrekking tot het tweede probleem is de angst dat kwaadwillenden het systeem gaan manipuleren of beïnvloeden om tot voor hen gunstige uitkomsten te komen (gaming the system). Inzicht in algoritmische besluitvorming kan daarmee de effectiviteit van de opsporing ondermijnen.

Het kabinet lijkt in haar bijlage bij een Kamerbrief uit oktober 2019 over algoritmes in de opsporing het transparantiebeginsel uit te zonderen door hen in een aparte categorie te plaatsen. In een meer recente beantwoording van Kamervragen over het gebruik van AI bij de politie wordt in punt 76 herhaald dat:

het voor de politie in voorkomende gevallen noodzakelijk is om (delen van) de gegevensverwerking niet inzichtelijk te maken. Dit kan nodig zijn om te voorkomen dat personen zich kunnen onttrekken aan een effectieve taakuitoefening door de politie. Inzicht in de gebruikte analysemethode kan immers aanleiding zijn om het gedrag bewust zodanig aan te passen dat men in de gegevensanalyse buiten zicht blijft. Daarnaast kan geheimhouding nodig zijn omdat inzicht in de gegevensverwerking raakt aan de nationale veiligheid

(deze antwoorden op Kamervragen zijn na het artikel gepubliceerd en daarom niet meegenomen in het artikel zelf).  

Conclusie

Wij waarschuwen dat het voornemen van het kabinet om algoritmische besluitvorming in de opsporing niet te onderwerpen aan de eisen van transparantie en uitlegbaarheid zorgelijk zijn, omdat zij een bedreiging vormen voor de equality of arms en het recht op een eerlijk proces.

Ook in de opsporing moet een concrete invulling worden gegeven aan het recht op een eerlijk proces bij grootschalige data-analyes en het gebruik van algoritmes voor algoritmische besluitvorming. De komende jaren zullen we zien wat van deze invulling terecht komt. 

Bart Schermer & Jan-Jaap Oerlemans

Annotatie over Playpen-zaak

Deze blogpost bevat mijn annotatie (.pdf) in Computerrecht over de veroordeling (Rb. Midden-Nederland 15 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4766) van een Nederlandse verdachte die actief was op het kinderpornoforum ‘Playpen’ op het dark web.

Inleiding

Playpen is door de media ook wel bestempeld als “the most ‘notorious darknet child pornography site. De zaak is interessant, omdat het een veroordeling van een Nederlandse verdachte betreft voor het bezit en toegang verschaffen tot kinderpornografisch materiaal en de verspreiding van kinderporno via het forum.

De Nederlandse kinderpornogebruiker is door een Amerikaanse operatie geïdentificeerd, waarbij vermoedelijk computers zijn gehackt en software is gebruikt om bezoekers van het Tor-forum Playpen te de-anomiseren. Dit roept vragen op die in de uitspraak onbeantwoord blijven, zoals:

‘is een dergelijke operatie met de nieuwe hackbevoegdheid ook onder Nederlands recht toegestaan?’

In deze annotatie wordt kort de Amerikaanse operatie uitgelicht. Daarna wordt ingegaan op het oordeel in de uitspraak zelf met betrekking tot het bezit en toegang verschaffen tot kinderpornografisch materiaal en de verspreiding van kinderporno via Playpen. Ter afsluiting wordt ingegaan op de nieuwe mogelijkheden van de hackbevoegdheid, dat per 1 maart 2019 door de implementatie van de Wet computercriminaliteit III in het Wetboek van Strafvordering (Sv) is te vinden.

Achtergrond Operation Pacifier

Playpen betrof een zogenoemde ‘hidden service’, in dit geval een forum dat alleen via Tor bereikbaar was en in de periode van 2014-2015 online was. Op het forum werd (ook prepuberale) kinderpornografie uitgewisseld tussen forumleden. Met gebruik van het Tor systeem kunnen internetgebruikers anoniem internetten, wordt het netwerkverkeer versleuteld en kunnen internetdiensten worden geraadpleegd die niet via het reguliere internet bereikbaar zijn.

Het forum Playpen kreeg veel media-aandacht, omdat de FBI in 2015 in ‘Operation Pacifier’ de bezoekers van het forum de-anonimiseerde. Volgens onderzoeksjournalisten zoals Joseph Cox is dit mogelijk gemaakt, omdat de FBI de website tijdelijk heeft overgenomen en met behulp van een ‘technisch hulpmiddel’ (software) identificerende informatie over de bezoekers van de website heeft vastgelegd, zoals IP-adressen, Mac-adressen en andere technische informatie van de computers van de bezoekers.

Door de operatie waren in mei 2017 al 870 personen opgepakt of veroordeeld, waarvan 368 in de Europese Unie. Bovendien zijn 259 misbruikte kinderen geïdentificeerd of uit hun slachtoffersituatie ontzet. De operatie heeft ook tot kritiek geleid, omdat Amerikaanse autoriteiten ook privé-gegevens van niet-Amerikanen heeft verzameld en daarmee buiten haar jurisdictie zou treden. De FBI zou ook niet transparant genoeg zijn over het gebruik van het technische hulpmiddel in deze strafzaken, hetgeen mogelijk in spanning staat met het recht op het eerlijk proces (zie ook Kate Tummarello, ‘The Fight Against General Warrants to Hack Rages On’, Electronic Frontier Foundation, 9 mei 2017).   

Verstrekking van gegevens aan Europol en buitenlandse opsporingsdiensten

Na de operatie heeft de FBI naar verluidt de identificerende informatie van niet-Amerikaanse bezoekers aan Europol overgedragen. Europol heeft vervolgens vanwege haar coördinerende taak die gegevens doorgegeven aan de verschillende nationale opsporingsautoriteiten binnen de Europese Unie (zie Mark Hendrikman, ‘FBI-onderzoek naar kinderporno op Tor levert meer dan 3000 zaken in Europa op’, Tweakers.net, 24 januari 2016 en het persbericht van Europol, ‘Major online child sexual abuse operation leads to 368 arrests in Europe’ van 5 mei 2017). De Nederlandse autoriteiten vielen hier klaarblijkelijk ook onder. Hoewel de naam van het forum in de uitspraak is geanonimiseerd, blijkt uit Nederlandse berichtgeving dat de verdachte is veroordeeld vanwege zijn activiteiten op het kinderpornoforum Playpen (zie bijvoorbeeld Riks Ozinga, ‘Verdachte in kinderpornozaak krijgt taakstraf en voorwaardelijke celstraf’, RTV Utrecht, 16 oktober 2019).

Vertrouwensbeginsel

Zoals ik eerder in een annotatie bij een andere kinderpornozaak heb opgemerkt, worden vaker dit soort gegevens over kinderpornogebruikers uitgewisseld. Op grond van het vertrouwensbeginsel uit het internationale recht, mag het Openbaar Ministerie er op vertrouwen dat het bewijs op rechtmatige wijze door buitenlandse autoriteiten is vergaard (zie o.a. zie HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3426). Het bewijs mag daarom in principe worden gebruikt in de Nederlandse strafzaak.

Veroordeling Nederlandse verdachte

De rechtbank Midden-Nederland heeft in de verdachte veroordeeld voor het bezit, toegang verschaffen, en de verspreiding van kinderpornografisch materiaal via een internetforum. De verdachte heeft op twee momenten een ‘thread’ gestart (nieuw onderwerp van discussie op het forum) en vervolgens kinderpornografisch materiaal gedeeld op het besloten forum. In de uitspraak is te lezen dat ‘‘de exacte activiteiten van individuele forumgebruikers alleen konden worden vastgesteld over de periode van 20 februari 2015 tot en met 5 maart 2015’’.

De rechtbank gaat mee met het verweer van de verdediging van de verdachte dat daarmee nog geen sprake is van het gewoonte maken van de verspreiding tot kinderpornografisch materiaal. De rechtbank acht aldus de verspreiding van kinderpornografisch materiaal bewezen, maar niet het gewoonte maken daarvan (waar een hogere straf op straf op staat) (zie rechtsoverweging 4.3).

De verdachte heeft wel een gewoonte gemaakt van het bezit van kinderpornografie. In het door de politie in beslag genomen materiaal, bevonden zich in totaal 103.132 foto’s en 243 video’s. In een willekeurige selectie van ‘ongeveer 25%’ daarvan, zijn 16.453 foto’s en 172 video’s beoordeeld als kinderpornografisch. De bekennende verdachte heeft verklaard dat hij 2 à 3 keer per week kinderpornografische sites bezocht en dat als hij afbeeldingen ging downloaden, dat het er tussen de 20 en 100 per keer waren. Gelet op het aantal aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen en de frequentie waarmee verdachte het kinderpornografisch materiaal heeft gedownload, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal (zie r.o. 4.3).

Strafmaat

De rechtbank voert een uitgebreide strafoverweging (zie r.o. 8.3). Het overweegt daarbij in het nadeel van de verdachte dat hij zich een lange periode schuldig heeft gemaakt aan het in bezit hebben van pornografisch materiaal, de grote hoeveelheid afbeeldingen die bij verdachte zijn aangetroffen en de (jonge) leeftijd van de minderjarigen die op de aangetroffen afbeeldingen stonden.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat de verdachte volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek, spijt heeft van zijn gedragingen en in behandeling is. Het recidiverisico wordt door de reclassering, op basis van gesprekken met zijn behandelaar, ingeschat als laag. De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op van één jaar, waarvan 364 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. De verdachte krijgt verder een taakstraf van 240 uur.

Toepassing hackbevoegdheid op een forum als Playpen?

Nu rest de vraag of een dergelijke operatie zoals de FBI heeft uitgevoerd ook onder Nederlands recht mogelijk is. Uiteraard kan deze vraag alleen worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Echter, als ratio van de nieuwe hackbevoegdheid in artikel 126nba Sv is door de wetgever specifiek meegegeven dat de inzet van de hackbevoegdheid het mogelijk maakt om verdachten te identificeren die actief zijn op Tor en zich met kinderpornografie bezighouden (Kamerstukken II 2015/16, 34372, nr. 3, p. 20).

Op grond van artikel 126nba lid 1 sub a Sv kan de Nederlandse politie met de inzet van de hackbevoegdheid onder strenge voorwaarden op afstand binnendringen in computers, zoals een webserver van een forum en de computer van een verdachte, en vervolgens gegevens vastleggen ter identificatie van die verdachte. De ‘Aanwijzing voor de internationale aspecten van de inzet van de bevoegdheid ex art. 126nba Sv’ geeft allerlei factoren mee die een officier van justitie in overweging moet nemen als hij of zij een rechter-commissaris om toestemming vraagt de hackbevoegdheid in te zetten, waarbij mogelijk computers in het buitenland worden binnengedrongen.

Kort gezegd valt te beargumenteren dat een dergelijke operatie doorgang mag vinden, vanwege het feit dat een webserver en de bezoekers via Tor in beginsel ‘niet redelijkerwijs’ te lokaliseren zijn en het zeer ernstige feiten zijn met mogelijk Nederlandse daders en slachtoffers (zie ook Kamerstukken II 2015/16, 34372, nr. 3, p. 47 met specifiek het gebruik van Tor als voorbeeld).

Tot slot

De veroordelingen in binnen- en buitenland naar aanleiding van Operation Pacifier laat ook zien dat het bewijs afkomstig van de hackbevoegdheid kan standhouden, ondanks bezwaren van advocaten en privacybelangenorganisaties.

Een interessante vraag daarbij is ten slotte nog in hoeverre de politie openheid van zaken moet geven van de toepassing van de hackbevoegdheid en het gebruikte technische hulpmiddel. In Nederland staat in artikel 126nba lid 2 sub d Sv dat “een aanduiding van de aard en functionaliteit van het technische hulpmiddel” moet worden verstrekt. Ook schrijft het ‘Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk’ allerlei technische vereisten en logging voor (zie Stb. 2018, 340 voor het Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk en de toelichting daarop).

De verdediging kan in het kader van het recht op een eerlijk proces zoveel als mogelijk nagaan op welke wijze het bewijsmateriaal is vergaard en op zekere hoogte de betrouwbaarheid van het vergaarde bewijs ter discussie stellen (zie als mogelijke voorloper de ‘Aydin C.-zaak’, Rb. Amsterdam 16 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1627, Computerrecht 2017/103, m.nt. J.J. Oerlemans). Het zijn zeker aspecten waar de rechtspraak in de toekomst ervaring mee opdoet als de hackbevoegdheid wordt toegepast en het resultaat daarvan in opsporingsonderzoeken als bewijs wordt gebruikt.

Citeertitel: Rb. Midden-Nederland 15 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4766, Computerrecht 2020/9, m.nt. J.J. Oerlemans.

Hoofdstukken uit ‘Strafrecht en ICT’ in open access beschikbaar

In januari 2019 verscheen het boek ‘Strafrecht en ICT’ van Bert-Jaap Koops en mij. Het boek betreft een studieboek en naslagwerk. We hebben goede reacties uit de praktijk gekregen.

Nu de embargoperiode van Sdu voorbij is, mag ik de belangrijkste hoofdstukken online zetten. Hieronder staan de links met een indicatie van de inhoud.

Materieel strafrecht en ICT
Het hoofdstuk biedt een overzicht van de strafbepalingen, wetsgeschiedenis en jurisprudentie over computercriminaliteit. Het hoofdstuk heeft de volgende inhoud:

  • Computervredebreuk en wederrechtelijk overnemen van gegevens
  • Afluisteren, aftappen en opnemen van communicatie
  • Verstoring van computergegevens
  • Verstoring van computersystemen
  • Misbruik van technische hulpmiddelen
  • Klassieke vermogensdelicten
  • Valsheid in geschrifte
  • Oplichting
  • Computergerelateerde zedenmisdrijven
  • Uitingsdelicten
  • Auteursrechtschendingen
  • Blik op de toekomst

Formeel strafrecht en ICT
Dit hoofdstuk behandeld alle relevante opsporingsbevoegdheden die worden in gezet in opsporingsonderzoeken naar cybercrime. Dit is de inhoudsindicatie:

  • Het opsporingsonderzoek
  • Doorzoeking, inbeslagname en onderzoek van gegevens in computers
  • Het vorderen van gegevens
  • De telecommunicatietap
  • Direct afluisteren
  • Stelselmatige observatie en locatiebepaling
  • Hacken als opsporingsbevoegdheid
  • Vergaren van publiekelijk toegankelijke online gegevens
  • Online undercover opsporingsmethoden
  • Digitaal bewijs
  • Blik op de toekomst

Grensoverschrijdende digitale opsporing

Dit hoofdstuk gaat over jurisdictie, het Cybercrimeverdrag, andere belangrijke verdragen en de grensoverschrijdende toepassing van opsporingsbevoegdheden. De inhoud is als volgt:

  • Jurisdictie en rechtshulp
  • Het Cybercrimeverdrag en internationale samenwerking in digitale opsporing
  • Grensoverschrijdende toepassing van bevoegdheden  
  • U.S. Cloud Act
  • Tweede Protocol bij het Cybercrimeverdrag (concept
  • EU-voorstellen voor digitale bewijsgaring

Jurisprudentieoverzicht cybercrime februari 2020

Hoge Raad arrest over kaartlezers

De Hoge Raad heeft op 17 december 2019 een arrest (ECLI:NL:HR:2019:1973) gewezen over de vraag of een kaartlezer een geautomatiseerd werk (artikel 80sexies Sr) is. De zaak ging over een vorm van fraude waarbij gemanipuleerde ‘e.dentifiers’ in bankshops van een bank werden geplaatst. Daarmee werden vervolgens valse betaalpassen vervaardigd, waarmee in totaal meer dan € 1 miljoen contant is opgenomen bij pinautomaten.

De Hoge Raad overweegt herhaalt de relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BY9718 met betrekking tot het (oude) begrip ‘geautomatiseerd werk’ in artikel 80sexies Sr. De Hoge Raad overweegt dat de kaartlezer een geautomatiseerd werk is, omdat het een apparaat is die  authenticatie en uitwisseling van mede op rekeninggegevens en pincodes gebaseerde (challenge- en response)cijfercodes met het Internet Bankieren-systeem van de bank mogelijk maakt. Dat vindt plaats ten behoeve van digitale bancaire transacties. Zij maken daarmee deel uit van een systeem waarbij opslag, verwerking en overdracht van gegevens plaatsvindt (r.o. 3.5.3).

Oude vs nieuwe definitie geautomatiseerd werk

Het arrest gaat nog over de oude definitie van een geautomatiseerd werk. Het begrip is door de inwerkingtreding van de Wet computercriminaliteit III gewijzigd in:

“Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken”.

Met dit nieuwe begrip wordt aangesloten uit de definitie uit het Cybercrimeverdrag. Hieronder vallen volgens de toelichting in ieder geval apparaten die gegevens verwerken en in verbinding staan met een netwerk. Gezien de verwerking van gegevens valt mijns inziens een kaartlezer ook onder dit nieuwe begrip van een geautomatiseerd werk.

Aftappen en opnemen van gegevens

Over aftappen en opnemen in de zin artikel 139c Sr overweegt de Hoge Raad dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de in art. 139c Sr opgenomen termen ‘aftapt’ en ‘opneemt’ zien op het onderscheppen en vastleggen van stromende gegevens, dat wil zeggen gegevens die in een proces zijn van verwerking en overdracht. Het vastleggen van opgeslagen gegevens valt niet aan te merken als aftappen of opnemen in de zin van art. 139c Sr, maar als het ‘overnemen’ van gegevens (r.o. 3.6.2).

De Hoge Raad gaat mee in het oordeel van het Hof dat sprake is van ‘afgetapte en opgenomen gegevens’, omdat actief werd ingegrepen tijdens het ‘vraag- en antwoordspel van de identificatiekaartlezer’ tijdens internetbankieren. Daarbij worden gegevens via de chip opgevraagd, die in reactie daarop worden overgedragen en via een PIN code worden onderschept (r.o. 3.6.3).

Livestream kan afbeelding zijn in de zin van art. 240b Sr

Op 10 december 2019 heeft de rechtbank West-Brabant-Zeeland een 66-jarige verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBZWB:2019:5546) tot drie jaar gevangenisstraf en TBS voor ontucht en de vervaardiging en verspreiding van kinderporno.

De “surrogaat opa” won het vertrouwen van een gezin droeg als oppas zorg voor een 12-jarige meisje. Met dit meisje heeft hij ontucht gepleegd en heeft hij beeldmateriaal vervaardigd. In 2000 is verdachte in Nederland ook al veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk voor soortgelijke feiten. In 2012 is verdachte in België veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf voor verkrachting en aanranding van een minderjarige.

Het is een zaak met dramatische en trieste feiten, maar juridisch gezien wordt een belangrijke vraag gesteld. De verdachte heeft met zijn eigen telefoon en onder zijn eigen account een livestream van seksuele activiteiten en handelingen van het slachtoffer uitgezonden.

De rechtbank overweegt dat sprake is van een kinderpornografische ‘afbeelding’ in de in zin art. 240b Sr, omdat via een livestream mogelijk wordt gemaakt dat anderen een weergave van de werkelijke seksuele gedragingen van kinderen kunnen zien door middel van streamen en volgen. De verdediging voert aan dat geen sprake is van een afbeelding in de zin van 240 Sr, omdat geen sprake is van het vereiste van ‘enige duurzaamheid’. De rechtbank gaat daar niet in mee.

De rechtbank overweegt dat ‘een afbeelding in de zin van genoemd artikel is het weergeven van een werkelijkheid door middel van een technisch hulpmiddel waardoor deze werkelijkheid door (veel) anderen door middel van gebruik van techniek bekeken kan worden. Gelet op het doel en de strekking van genoemd artikel is ‘enige duurzaamheid’ geen vereiste om te kunnen spreken van een afbeelding in de zin van dit artikel’.

Veroordeling voor verspreiding kinderporno via GigaTribe

Op 11 december 2019 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHARL:2019:11285) tot 12 maanden gevangenisstraf voor de verspreiding van kinderporno via het peer-to-peer programma GigaTribe.

Net als in ECLI:NL:RBNNE:2017:2882 (zie ook mijn annotatie hierover) werd de zaak opgestart nadat Zwitserse autoriteiten via een undercover actie het account van een persoon hadden overgenomen en daarmee met de Nederlandse verdachte communiceerden over kinderporno. Tijdens het chatgesprek met de verdachte ontvingen de Zwitserse autoriteiten het wachtwoord van zijn versleutelde folder, waarin kinderporno bleek te staan. De Zwitserse ‘Cybercrime Coordination Unit’ deelden de informatie met de Nederlandse autoriteiten, die een onderzoek startten.

De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor het gebruik van bewijsmateriaal door de undercover acties van de Zwitserse autoriteiten.

Volgens het hof is er geen sprake van enig vormverzuim. Tijdens de doorzoeking van de woning van een verdachte is op een computer en USB-stick van de verdachte 1048 foto’s en 409 films aangetroffen met kinderpornografisch materiaal. Bovendien stonden op de laptop van de verdachte GigaTribe-chatgesprekken.

Mooi is ook de volgende overweging van het hof: ‘dat de verdachte de gebruiker is geweest van het account leidt het hof af uit de omstandigheid dat nagenoeg hetzelfde wachtwoord van dit account, staat vermeld op de onderlegger die de verbalisanten onder het toetsenbord van de verdachte hebben aangetroffen’. Ook kon het IP-adres worden teruggeleid tot de verdachte.

Veroordeling voor dreiging high school shooting via YouTube

Het hof Amsterdam heeft op 10 december 2019 een verdachte vrijgesproken (ECLI:NL:GHAMS:2019:461) van poging tot bedreiging. De minderjarige verdachte werd verweten op YouTube de volgende tekst te plaatsen:

“Fuck you man just when I was planning my school shooting you came out with motivational bs (this is actually no joke)”.

Het hof overweegt in hun vrijspraak dat in welke context de verdachte zijn bericht heeft geplaatst, namelijk op een groepspagina van een website en als reactie op een bericht van de beheerder. Niet is komen vast te staan dat er een potentiële groep bedreigden op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging.

Daarbij komt dat de woorden in het bericht, mede gelet op de context waarin ze zijn gebruikt, een onvoldoende specifieke inhoud en een onvoldoende duidelijk dreigende strekking hebben om een strafbare bedreiging op te leveren. De geplaatste tekst bevat ook geen enkele verwijzing naar een bestaande school, noch naar een locatie waar een dergelijke shooting zou plaatsvinden.

Het hof is daarom van oordeel dat onvoldoende grond bestaat voor de conclusie dat door het bericht redelijke vrees kon ontstaan dat personen het leven zouden kunnen verliezen, zodat ook om die reden van een voltooide bedreiging geen sprake kon zijn. Het bericht kan om dezelfde redenen evenmin worden aangemerkt als een begin van uitvoering om een dergelijke vrees te doen ontstaan, zodat ook van een poging tot bedreiging geen sprake is.

Gevangenisstraffen voor grootschalige phishing

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 11 december 2019 verschillende verdachten veroordeeld (o.a. ECLI:NL:RBMNE:2019:5885 t/m ECLI:NL:RBMNE:2019:5898) voor grootschalige phishing. Sommige verdachten kregen een gevangenisstraf opgelegd van 2 en 3 jaar. Ook moesten sommige verdachten geleden schade terugbetalen van rond de 150.000 euro.

De phishing ging in zijn werking door mails te sturen naar mensen die zogenaamd van banken afkomstig zijn. Vervolgens worden de rekeninghouders doorgestuurd naar websites die sprekend op die van de banken lijken. Later verstuurde de verdachte phishingmails waarin stond dat de rekeninghouder een nieuwe bankpas aan moest vragen en zijn inloggegevens moest invoeren.

De gegevens die de gedupeerden op de nepwebsite achter lieten, kwamen terecht in een mailbox waar de verdachte de inloggegevens van had. Op die manier konden de verdachten bij hun inlog- en bankgegevens en konden mededaders geld opnemen bij pinautomaten. De verdachten bestelden daarnaast spullen bij webwinkels en haalden de goederen vervolgens bij afhaalpunten op.

De verdachten maakten zich volgens de rechtbank, met ieder zijn eigen rol, op een uitgekookte manier schuldig aan meerdere diefstallen, oplichting, computervredebreuk (art. 138ab Sr), het ter beschikking stellen van software om computervredebreuk te plegen (art. 139d jo art. 138 ab Sr) en witwassen.

Aftappen en GPS-trackers

Het Hof Den Haag heeft op 17 december 2019 een verdachte vrijgesproken (ECLI:NL:GHDHA:2019:3510). De verdachte werd verweten een GPS-tracker te plaatsen van de auto van zijn ex-partner. Met de GPS-tracker kon hij locatiegegevens van de auto van zijn ex-partner heimelijk verkrijgen.

De betreffende GPS-tracker was uitgerust met een simkaart en was gekoppeld aan een telefoonnummer van een opdrachtgever. De GPS-tracker kon vervolgens telkens worden geactiveerd door het versturen van een sms-bericht vanaf het telefoonnummer van de opdrachtgever. Na ontvangst van een sms-bericht werd een plaatsbepaling uitgevoerd en stuurde de GPS-tracker een sms-bericht met de actuele locatiegegevens naar de opdrachtgever. Uit onderzoek is gebleken dat zulks in ieder geval 12 keer heeft plaatsgevonden.

Strafbaarheid

De verdachte werd art. 139c Sr ten laste gelegd. Dat artikel stelt strafbaar het ‘opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens aftappen of opnemen, die niet voor hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk’ (onderstreping toegevoegd).

Kortgezegd overweegt het Hof dat geen sprake is van ‘aftappen of opnemen in de zin van artikel 139c Sr’, omdat dan sprake moet zijn van een (bestaande) gegevensstroom tussen twee partijen waar een derde kennis van neemt. Hier betreft het volgens het hof slechts een gegevensstroom tussen de GPS-tracker en het telefoonnummer.

Daarnaast is hier volgens het hof geen sprake van gegevens die “niet bestemd” zijn voor degene die aftapt of opneemt.

Bij de motivering van het arrest wordt helaas niet verwezen naar relevante wetsgeschiedenis of jurisprudentie. Een korte zoekslag levert het volgende op.

Relatie met communicatiegeheim

In de wetsgeschiedenis van de Wet computercriminaliteit II is te lezen dat het bij art. 139c Sr ook kan gaan om het aftappen of opnemen van communicatie tussen apparaten. Het gaat om telecommunicatie in een brede betekenis van het woord: als iedere vorm van overdracht, uitzending of ontvangst van gegevens via kabels, radio-elektrische weg dan wel door middel van optische of andere (elektromagnetische) systemen. Het artikel is gecreëerd als uitwerking van artikel 13 Grondwet, waarbij het dus vooral om de bescherming van vertrouwelijke communicatie gaat.

Andere jurisprudentie

In 2017 overwoog de rechtbank Limburg in een soortgelijke zaak nog: ‘dat het aftappen van de vervoersbewegingen van de auto van de juwelier door middel van hun telefoon en/of computer in strijd is met het in artikel 139c van het Wetboek van Strafrecht’.

In hoger beroep (ECLI:NL:GHSHE:2019:4490) legde de advocaat-generaal uit het plaatsen van een GPS-tracker niet betekent dat verdachte heeft afgetapt, afgeluisterd of opgenomen in de zin van artikel 139d van het Wetboek van Strafrecht, omdat aldus niet de gegevensverwerking of -overdracht door een ander afgetapt, afgeluisterd of opgenomen wordt. Daarmee lijkt de redenering van het hof Den Haag ook in andere jurisprudentie bevestiging te vinden.

Ander artikel van toepassing?

De conclusie is dus dat je niet kan ‘aftappen of opnemen’ met een GPS-tracker in de zin van artikel 139c Sr. Het lijkt mij ook een terechte conclusie gezien de tekst van de wet en achtergrond van de strafbaarstelling in relatie tot het briefgeheim.

Dan rest mij de vraag nog wel welk artikel dan wel van toepassing zou kunnen zijn als iemand een GPS-tracker onder je auto plaatst. Mogelijk kan je het via het civiele recht adresseren (onrechtmatige daad), maar ik kan geen strafrechtelijk artikel bedenken (tenzij je het gebruikt om iemand te af te persen ofzo natuurlijk).

Suggesties voor een mogelijk toepasselijk artikel via een reactie onder dit bericht of op Twitter zijn uiteraard welkom!

Meelezen op de appgroep: “Vreugdevuur Scheveningen”

In deze korte blog wil ik een beschikking signaleren die bij mij veel vragen oproept

Op 7 december 2019 heeft een rechter-commissaris van de rechtbank Den Haag in een beschikking (ECLI:NL:RBDHA:2019:14245) schriftelijk bevestigd goedkeuring te verlenen om binnenkomende berichten op de Whatsappgroep “Vreugdevuur Scheveningen” mee te lezen. De telefoon van de betrokken verdachte is in beslag genomen en de verdachte heeft vrijwillige de toegangscode van zijn telefoon verstrekt. Het is mij onduidelijk gebleven van welk misdrijf de verdachte wordt verdacht.

Probleem: niet aftapbaarheid

Het probleem is hier dat de politie graag de berichten in de Whatsappgroep wilt meelezen, maar dit niet mogelijk is door een tap te plaatsen. Whatsapp werkt klaarblijkelijk niet mee aan een bevel tot plaatsing van een telecommunicatietap.

Wet biedt strikt genomen geen ruimte

De wet laat op het moment het meelezen van binnenkomende berichten strikt genomen niet toe. De Commissie-Koops besteed in hun lijvige rapport hier veel aandacht aan (zie par. 5.3.4). De commissie beveelt aan de regeling in het wetboek van strafvordering aan te passen, zodat het (op voorhand voorzienbaar) laten binnenkomen van berichten is toegestaan. Als gevolg van de aanbeveling van deze commissie is een wetsvoorstel in consultatie gegeven (het conceptwetsvoorstel Innovatiewet Strafvordering), die dit mogelijk maakt door aanpassing van de regeling van de netwerkzoeking.

Toch toestemming

Toch beslist de rechter-commissaris in deze zaak dat het is toegestaan binnenkomende berichten mee te lezen. “Nood breekt wet”, lijkt de gedachte. De rechter-commissaris motiveert de beslissing door naar analogie aan de voorwaarden van de bijzondere opsporingsbevoegdheid tot het plaatsen van een telecommunicatietap (in artikel 126m Sv) te toetsen. Hoewel de omschrijving van de bevoegdheid in de tekst hele andere handelingen beschrijft, constateert de RC dat ‘het verschil in methode, tappen of meelezen, niet wezenlijk is te noemen’.

Discussie

Ik begrijp de gedachtegang van de rechter-commissaris wel en het is goed dat aansluiting wordt gezocht met een vergelijkbare bijzondere opsporingsbevoegdheid met strenge vereisten. De privacy-inbreuk is inderdaad ook vergelijkbaar met een tap.

Maar de rechter-commissaris keurt een opsporingsmethode goed, waartoe het Wetboek van Strafvordering op dit moment geen ruimte biedt. De Nederlandse wetgever moet nog via een democratisch proces beslissen of het wenselijk is dat juist deze opsporingsmethode mogelijk wordt door de regeling van de netwerkzoeking aan te passen in de Innovatiewet Strafvordering en zo ja, onder welke voorwaarden dat wenselijk is.

Consequentie mogelijk vormverzuim?

Het is te bezien of het vraagstuk uit deze beschikking tot een zittingsrechter komt en de verdediging hier een punt van maakt. En zelfs als dat gebeurt, is het maar de vraag of het als een vormverzuim wordt gezien dat tot een sanctie leidt, zoals strafvermindering.

Ik hoop niet dat vaak zo vrij en naar ‘analogie’ van de wet door rechter-commissarissen wordt geredeneerd. Het achterliggende idee van het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel in de opsporing is juist dat – door de wetgever en na een democratisch proces – in de wet wordt vastgelegd welke ingrijpende opsporingshandelingen onder welke voorwaarden mogen worden ingezet.

Wetsvoorstel ‘Zerodays afwegingsproces’

Op voorstel van Tweede Kamerlid Verhoeven (D66) is een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd over een ‘regeling voor een afwegingsproces voor het gebruik van kwetsbaarheden in geautomatiseerde werken door de overheid’ (Wet Zerodays Afwegingsproces). Hier volgt een korte samenvatting van het wetsvoorstel en kritiek van de Raad van State daarop.

Zerodays

Zerodays, oftewel onbekende kwetsbaarheden, zijn fouten in software die nog onbekend zijn bij de maker van de software (de maker heeft nul dagen gehad om het gat te dichten). Deze zerodays kunnen gebruikt worden om de werking van de betreffende software te manipuleren, oftewel te hacken. Een breed scala aan actoren zoekt actief naar en/of gebruikt zerodays, zoals statelijke actoren, criminelen, bedrijven en ethisch hackers. Het in stand houden van zero days zou de software onnodig onveilig houden, zo is het idee.

Inhoudsindicatie wetsvoorstel

Het wetsvoorstel ‘Zerodays Afwegingsproces’ beoogt een wettelijk geborgd afwegingskader te bieden voor alle zerodays die de overheid ontdekt, aankoopt of anderszins in bezit krijgt. Het doel daarvan is dat er een goede, objectieve afweging plaats kan vinden tussen de verschillende belangen die gemoeid zijn bij het geheimhouden of laten dichten van zerodays. Hiertoe zou een nieuw orgaan moeten worden opgericht onder het Nationaal Cyber Security Centrum. Daarin zouden de verschillende belangen op het gebied van opsporing en inlichtingen, privacy, economie, vitale infrastructuur en cybersecurity vertegenwoordigd zijn. Ook krijgen vertegenwoordigers van partijen uit de vitale infrastructuur een adviserende rol om ervoor te zorgen dat beslissingen over zerodays met voldoende informatie over de vitale infrastructuur genomen worden.

De betrokken ministers zouden als besluitvormend orgaan fungeren en het idee is dat de CTIVD met als nieuwe taak achteraf op deze wet toezicht houdt. Zie ook de memorie van toelichting van het wetsvoorstel voor het uitgebreide verhaal.

Raad van State adviseert tegen wetsvoorstel

De afdeling advisering van de Raad van State is zeer kritisch over het wetsvoorstel en adviseert Verhoeven het voorstel in te trekken. Op dit moment bestaat al een regeling voor het gebruik van zero days door opsporingsdiensten (zie parlementaire discussie hierover) en inlichtingen- en veiligheidsdiensten (zie de discussie hier). Ook wordt het kader in deze uitgebreide Kamerbrief over het gebruik van onbekende kwetsbaarheden door overheidsinstanties nog eens uiteengezet.

In de kern is de regeling vergelijkbaar, namelijk dat in beginsel onbekende kwetsbaarheden gemeld moeten worden, tenzij een zwaarwegend belang (het opsporingsbelang, inlichtingenbelang of nationale veiligheid) daar tegen op weegt. Het adviesorgaan van de regering merkt fijntjes op dat “anders dan de initiatiefnemer in zijn toelichting lijkt te veronderstellen, is voor de opsporingsdiensten de hoofdregel dat opsporingsdiensten onbekende kwetsbaarheden aan de fabrikant melden, wettelijk vastgelegd”.

De afdeling advisering van de Raad van State acht het wetsvoorstel kortgezegd niet noodzakelijk vanwege de al bestaande regeling en bestaand toezicht daarop. Voor inzet van de hackbevoegdheid door de opsporingsdiensten is bijvoorbeeld al een machtiging van de rechter-commissaris nodig. Het adviesorgaan wijst er ook op op dat bij de totstandkoming van de Wiv 2017 is aangegeven dat de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) bij de rechtmatigheidstoetsing van hackoperaties van de AIVD en de MIVD ook het eventuele gebruik van onbekende kwetsbaarheden moet toetsen. Verschillende instanties houden bovendien achteraf toezicht op de naleving van de regeling (de Inspectie Justitie en Veiligheid en de CTIVD).

Verschillende wettelijke regimes voor opsporing en nationale veiligheid

De Raad van State merkt op dat ‘hoewel de bevoegdheden en de activiteiten op elkaar lijken en inlichtingen- en veiligheidsdiensten en opsporingsdiensten elkaar geregeld tegenkomen, in Nederland is bewust gekozen voor een gescheiden institutionele inrichting en aparte wettelijke regimes. De Wiv 2017 en het Wetboek van Strafvordering vertonen op hoofdlijnen overeenstemming, ingegeven door onder meer grondrechtelijke en Europeesrechtelijke normen, maar verschillen in hun uitwerking. Het belang van de nationale veiligheid vereist immers een andere afweging dan het belang van de opsporing. Dat deze belangen elkaar kunnen raken is daarbij een gegeven. De diensten kunnen waar noodzakelijk voor afstemming zorgen’.

Conclusie

De Raad van State heeft naar mijn idee een prima kritisch advies geschreven over het wetsvoorstel. Zelf heb ik er nog aan toe te voegen dat de initiatiefnemer van de wet blijkbaar veronderstelt dat de huidige regeling met toestemming en extern toezicht niet werkt. Het wetsvoorstel voegt vooral de input toe van bedrijven toe die de vitale infrastructuur beheren en belegt de beslissing tot melden bij de minister. Misschien moeten eerst wat resultaten van de huidige regeling worden afgewacht, voordat een nieuwe regeling en een nieuwe adviesclub in het leven worden geroepen.

Je kan natuurlijk ook betogen dat het belang van cybersecurity in software, dat vaak ook buiten Nederland wordt gebruikt, opweegt tegen het opsporingsbelang of de nationale veiligheid. Privacyvoorvechter Bits of Freedom is al jaren faliekant tegen het niet-melden van onbekende kwetsbaarheden en vindt het wetsvoorstel niet ver genoeg gaan.

De afweging tussen het algemene belang van cybersecurity en het opsporingsbelang en nationale (veiligheids)belang is lastig te maken en is afhankelijk van de context van het geval. Eerder heeft onze wetgever deze afweging al gemaakt en zij gaat dat in deze wet dat mogelijk opnieuw doen. Ik benieuwd wat de Tweede Kamer ter zijner tijd gaat stemmen en ik houd het (ook) in de gaten!

Mijn benoeming als bijzonder hoogleraar ‘Inlichtingen en Recht’

Vandaag is bekend geworden dat ik per 1 februari 2020 werkzaam ben als bijzonder hoogleraar ‘Inlichtingen en Recht’ bij de Universiteit Utrecht. Het bericht van de Universiteit Utrecht over mijn aanstelling is hieronder te lezen:

Per 1 februari 2020 is dr. Jan-Jaap Oerlemans benoemd als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Oerlemans zal bezighouden met juridische vraagstukken op het terrein van inlichtingen en veiligheid.

Diepgaande juridische kennis met betrekking tot inlichtingen- en veiligheidsdiensten is geconcentreerd bij een handvol partijen binnen de overheid. Oerlemans is zelf werkzaam als onderzoeker bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD). De leerstoel maakt de overdracht van deze specialistische kennis en meer onderzoek mogelijk. Oerlemans richt zich in zijn onderzoek met name op de digitalisering van het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarbij komen vragen aan bod zoals: ‘Wanneer raakt cybersecurity de nationale veiligheid?’, zoals recentelijk bij de Citrix-kwetsbaarheid.

Oerlemans (1985) is in 2017 gepromoveerd aan de Universiteit Leiden op het proefschrift ‘Investigating Cybercrime’. In de afgelopen 10 jaar heeft hij onderzoek gedaan en gepubliceerd over cybercrime en digitale opsporing. In 2019 verscheen het boek ‘Strafrecht & ICT’ (samen met Bert-Jaap Koops). Tevens werkte hij aan de serie ‘Tekst & Commentaar’ op de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017. Oerlemans is redacteur bij het tijdschrift Computerrecht en lid van de expertgroep van het Kenniscentrum Cybercrime van het Hof Den Haag. Zijn onderzoek bevindt zich op het snijvlak van strafrecht, staatsrecht, IT-recht en privacyrecht.

Als bijzonder hoogleraar is Jan-Jaap Oerlemans verbonden aan het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging en de afdeling strafrecht van de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht”

Ik ga vol enthousiasme in Utrecht aan de slag. Vanaf dan blog ik uiteraard ook vaker over het inlichtingen en recht, nationale veiligheid en over mijn publicaties!