Richtlijn Strafvordering – Oplichting

Posted on 17/04/2019 op Oerlemansblog

Per 1 maart 2019 treedt de gewijzigde ‘Richtlijn voor strafvordering oplichting’ in werking (Stcrt. 2019, 10294. De richtlijn is gewijzigd vanwege de inwerkingtreding van de Wet computercriminaliteit III per 1 maart 2019 (Stb. 2019, nr. 67). Met de inwerktreding van deze wet is het nieuwe artikel voor online handelsfraude, artikel 326e Sr, geïntroduceerd. Het artikel maakt het strafbaar als personen een beroep of gewoonte maken van het aanbieden van goederen of diensten op het internet, zonder de intentie om die goederen of diensten daadwerkelijk te leveren.

Deze richtlijn ziet op de meest voorkomende vormen van oplichting, zoals omschreven in art 326 lid 1 Sr, waarbij een of meerdere slachtoffers worden bewogen tot de afgifte van geld of goederen, danwel tot het verlenen van (een) dienst(en). Het gaat daarbij om oplichting al dan niet via internet van burgers of bedrijven, niet van de overheid (verticale fraude).

In de gewijzigde richtlijn is de tabel voor internetoplichting vervangen voor een tabel voor online handelsfraude. Uitgangspunt daarbij is dat slachtofferschap iets zwaarder telt dan het financieel nadeel: meer slachtoffers met een laag schadebedrag levert een hogere straf op dan weinig slachtoffers met een hoog schadebedrag. In de richtlijn is rekening gehouden met de witwascomponent die zich in dit soort zaken veelal voordoet, namelijk het incasseren op de eigen rekening / de rekening van een katvanger en het vervolgens overboeken of opnemen van het geld.

Jurisprudentieoverzicht Cybercrime – april 2019

Posted on 17/04/2019 op Oerlemansblog

Veroordeling in onderzoek “Cyber 007”

Op 28 februari 2019 heeft de rechtbank Noord-Holland in een phishing-zaak geoordeeld (ECLI:NL:RBNHO:2019:1568) met de spannende operatienaam “Cyber 007”.  De verdachte wordt veroordeeld voor diefstal, computervredebreuk en deelname een criminele organisatie. Rekeninghouders van Rabobank en ABN AMRO bank zijn phishingmails verstuurd, waarin stond dat vanwege veiligheidsredenen op korte termijn een vernieuwde bankpas moest worden aangevraagd. Verder werd meegedeeld dat hun huidige bankpas binnenkort automatisch zou verlopen. In de e-mails werd daarom verzocht de aanvraag van de nieuwe bankpas te voltooien en de oude bankpas(sen) op te sturen naar een inleverpunt van de desbetreffende bank voor recycling. De adressen van deze inleverpunten betroffen adressen van verschillende woningen.

Werkwijze

De e-mails werden voorzien van een link, bijvoorbeeld genaamd ‘Nieuwe betaalpas aanvragen’. Via deze link werd men doorverwezen naar een nagebouwde, valse website van de bank, waar de rekeninghouders enkele bankgegevens, zoals hun bankrekeningnummer en pincode, moesten invullen. De opgestuurde bankpassen werden daarna weggenomen uit de brievenbussen van de zogenaamde inleverpunten. In enkele gevallen werden vervolgens de opnamelimieten van deze bankpassen verhoogd en grote geldbedragen gepind. In deze uitspraak werd door de officier van justitie geen bewijs geproduceerd van betrokkenheid bij het verzenden van de e-mails, dus daar werd de verdachte van vrijgesproken.

Kwalificering van de feiten

Door verschillende personen is vervolgens geld met bankpassen gepind, dan wel zijn (luxe) goederen met de bankpassen aangeschaft. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de betrokken personen. Uit de aard van deze handelwijze is volgens de rechtbank sprake geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid, die tot oogmerk had om – door middel van oplichting – bankpassen en bijbehorende pincodes te verkrijgen, daarmee computervredebreuk te plegen (door in te loggen op de internetbankieren omgeving) en computergegevens aan te tasten (door opnamelimieten van bankpassen te verhogen), met als uiteindelijk doel de bankrekeningen van de rekeninghouders leeg te halen (diefstal door middel van valse sleutels) door geld op te nemen uit geldautomaten dan wel aankopen te doen in winkels (diefstal door middel van valse sleutels en/of witwassen).

Gedwongen ontsleuteling iPhone

In de zaak staan ook uitgebreide overwegingen omtrent het gedwongen ontgrendelen van een iPhone 4 met behulp van een vingerafdrukscan. De iPhone die verdachte bij zijn aanhouding bij zich had, is in beslag genomen en door de politie meteen in ‘Flight Mode’ gezet, zodat de telefoon niet van afstand kon worden gewist. Nadat de verdachte weigerde zijn iPhone te ongrendelen is zijn rechterduim, zonder geweld, op de vingerafdrukscanner van de iPhone geplaatst en is de iPhone ontsloten. De rechtbank acht dit rechtmatig gelet op de ernst en aard van de verdenkingen tegen verdachte, het ontbreken van zijn medewerking tot het ontgrendelen van de iPhone, de gerechtvaardigde verwachting bij de opsporingsambtenaren dat zich op de iPhone voor het onderzoek relevante gegevens zouden bevinden en een minder ingrijpend middel tot ontgrendeling van de iPhone niet voorhanden was.

Veroordeling

De verdachte wordt veroordeeld voor 218 dagen gevangenisstraf, waarvan 180 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Ook krijgt de verdachte een taakstraf opgelegd van 240 uur en moet hij een schadevergoeding van 2300 euro betalen.

Misbruik van inloggegevens voor het plegen van fraude

Op 14 februari 2019 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBNNE:2019:637) voor oplichting en het aftappen van gegevens. De verdachte heeft door middel gebruik van keyloggers, op grote schaal inloggegevens van studenten van de Hanzehogeschool Groningen verzameld. Zie ook dit leuke artikel ‘Cybercrime op de Hanze’.

Het delict ‘wederrechtelijk aftappen of opnemen van gegevens’ in artikel 139c Sr werd bewezen geacht, vanwege het gebruik van keyloggers waarmee de toetsaanslagen werden verzameld. Door middel van de verzamelde inloggegevens kon de verdachte binnendringen in de klantenaccounts van studenten bij webshops en heeft hij deze accounts gebruikt om frauduleuze bestellingen te plaatsen, hetgeen het delict oplichting in art. 326 Sr oplevert.

De bestelde goederen liet verdachte bezorgen op zorgvuldig uitgekozen adressen, waar hij gemakkelijk de geleverde goederen – uit het zicht van de bewoners – uit de brievenbussen kon vissen. Verdachte heeft door deze handelswijze internetbedrijven en een groot aantal particulieren financieel benadeeld. Daar komt bij dat veel van deze particulieren ook op andere wijze nadeel hebben ondervonden, omdat zij ten onrechte als wanbetaler zijn aangemerkt.

De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 194 dagen, waarvan 180 voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

Veroordelingen voor online drugshandel

Het Hof Amsterdam heeft op 27 februari 2019 een verdachte in het onderzoek ‘Lancashire’ veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:587) voor grensoverschrijdende drugshandel via een darknetmarket, gewoontewitwassen en het bezit van verdovende middelen. De verdachte maakte deel uit van een organisatie van zes personen die zich bezighielden met online drugshandel.

Het digitaal bewijs bestond deels uit een aantal (verwijderde) foto’s en hun metadata op de SD-kaart van de fotocamera van de verdachte die weer zijn teruggehaald. Op de foto’s stonden onder andere de pillen die werden verkocht. De handel waarbij de verdachte betrokken was, legde zich met name toe op het bevoorraden van de ‘resellers’ en behoorde daarmee tot het hogere segment van de drugshandel. De verdachte wordt veroordeeld voor in totaal 27 maanden gevangenisstraf.

Dat online drugshandel niet altijd via het darkweb plaatsvindt, laat een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 19 maart 2019 zien (ECLI:NL:RBOBR:2019:1837). In deze zaak ging het over het verkoop van GBL, een stof waarmee GHB kan worden gemaakt. GBL werd via internet vanuit Polen bedrijfsmatig verkocht. De verdachte heeft zijn bedrijf gepresenteerd als een bedrijf dat legaal GBL als schoonmaakmiddel verkocht, terwijl de verdachte het bedrijf in feite gebruikte om GBL als grondstof voor de bereiding van GHB aan zijn afnemers te leveren. De verdachte is bij het plegen van de feiten planmatig te werk gegaan en heeft een deel van zijn bedrijfsactiviteiten verplaatst naar Polen om uit het zicht van de opsporingsautoriteiten te blijven.

In de uitspraak staat een interessante overweging over rechtsmacht. Rechtsmacht van Nederland wordt op grond van art. 2 Sr in deze zaak aangenomen, ondanks dat slechts een deel van het feit in Nederland is gepleegd. De aansturing van strafbare feit vond in Nederland plaats en de stoffen werden in Nederland afgeleverd of opgehaald. Ook bleek uit opgevraagde verkeersgegevens dat de mobiele telefoon van de verdachte zich in Nederland bevond. Vergelijking van de locaties van de twee telefoons levert op dat zij in elk geval op negen verschillende datums beiden de zendmast in een bepaalde woonplaats aanstraalden. Nederland kan daarom als pleegplaats van het strafbare feit worden aangemerkt, waardoor op grond van artikel 2 Sr rechtsmacht bestaat, hetgeen betekent dat de officier van justitie ontvankelijk is en in zijn vervolging kan worden ontvangen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van het verweer van de raadsman met betrekking tot artikel 7 Sr.

De veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van het voorbereiden en voorhanden van stoffen die bestemd zijn tot het plegen van een feit dat strafbaar is gesteld in de Opiumwet. De verdachte krijg een gevangenisstraf opgelegd van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk en een geldboete van 25.000 euro.

Witwassen van Lindendollars en cryptocurrencies

Op 18 december 2018 werd een verdachte door de rechtbank Rotterdam veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2018:11321) tot het medeplegen van witwassen (art. 420bis Sr) van een bedrag van ruim 826.000 euro met behulp van virtuele currencies. De uitspraak is pas op 19 maart 2019 gepubliceerd. In dit geval bood het bedrijf ‘Virwox’ een platform aan voor het verhandelen van verschillende virtuele valuta’s, zoals bitcoins. Bij dat bedrijf is in maart 2012 een account gemaakt op naam van de verdachte. Via dit account werden bitcoins ingewisseld voor linden dollars (een andere virtuele munt). Deze linden dollars werden op hun beurt omgezet in euro’s en gestort op acht bankrekeningen op naam van de verdachte en iemand anders. Van de bitcoins die via de Virwox-account op naam van verdachte werden omgezet, waren (in elk geval) 72.605 bitcoins afkomstig van één bepaalde handelaar op Silk Road, een darknet market. Op de bankrekeningen die op naam zijn gesteld van de verdachte en iemand anders zijn – via de Virwox-account op naam van de verdachte – bedragen gestort van in totaal respectievelijk € 826.001,- en € 27.715,-. Die bedragen zijn in kleine tranches via pintransacties opgenomen van de bankrekeningen.

Hoewel er niet een (on)middellijk verband is te leggen met een nauwkeurig aangeduid misdrijf als bron van het geld, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat het geldbedrag van € 826.001,- een criminele herkomst heeft. Gronden voor die conclusie zijn de hoogte van dat bedrag, de omstandigheid dat het in vele kleine bedragen op acht verschillende bankrekeningen van de medeverdachten is gestort en dat het uiteindelijk grotendeels contant is opgenomen. Daar komt bij dat het geld de vorm heeft gehad van verschillende cryptovaluta’s die in het criminele circuit veel gebruikt worden om de herkomst van crimineel geld te verhullen en dat het geld, in de vorm van bitcoins, voor een groot deel afkomstig is van de online marktplaats Silk Road. Het is een feit van algemene bekendheid dat Silk Road, dat inmiddels is gesloten, veelal gebruikt werd voor criminele transacties.

De rol van de verdachte bij het witwassen is groter geweest dan het enkel contant (laten) opnemen van geld van zijn bankrekeningen. De verdachte heeft diverse bankrekeningen op zijn naam geopend terwijl hij wist wat daar het doel van was. De verdachte wist bovendien dat het om zeer grote totaalbedragen ging en hij had het vermoeden dat het geld afkomstig was van drugshandel. Daarbij komt dat de verdachte – die nauwelijks legale inkomsten had – wekelijks zo’n € 800,- kreeg. Ook zijn er (dure) vakanties voor hem betaald die niet passen bij de inkomsten van de verdachte. Daarmee heeft de verdachte ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij bezig was de criminele herkomst van het geld te verhullen. Daarmee is gegeven dat bewezen kan worden dat zijn opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin, was gericht op witwassen.

De verdachte kreeg een gevangenisstraf opgelegd van 12 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk.

In een andere zaak bij de rechtbank Rotterdam is op 13 maart 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2019:2408) voor het medeplegen van gewoontewitwassen van 4182 bitcoins via bitcoinbeurs ‘Kraken’. De verdachte trad hier een jaar op als geldezel en ontving in die hoedanigheid grote hoeveelheden geld op zijn bankrekeningen tot een totaalbedrag van meer dan één miljoen euro.

De uitbetalingen door Kraken, soms meerdere op één dag, waren per transactie niet hoger dan € 8.999,91. Daarmee bleven de bijschrijvingen op de bankrekeningen van de verdachte steeds onder de meldplicht van de banken. Het totaal van deze bijschrijvingen stond in geen verhouding tot de inkomsten uit arbeid van de verdachte. De op de bankrekeningen van de verdachte bijgeschreven geldbedragen werden vrijwel direct na ontvangst – soms na een (gedeeltelijke) doorboeking naar bankrekeningen van familieleden van de verdachte – contant opgenomen, zonder kennelijke legale economische noodzaak of verklaring daarvoor. De rechtbank overweegt dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat voormelde geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft zich echter zowel tijdens zijn verhoor door de FIOD als ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen. Ook in deze zaak overweegt dat de rechtbank dat het ‘een feit van algemene bekendheid is dat bitcoins dikwijls worden gebruikt in het criminele circuit, onder meer in de drugshandel’.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vijf voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

Opruiing tot terrorisme via social media

Op 12 februari 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam een minderjarige verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2019:855) voor opruiing tot terrorisme. Op zijn social media kanalen had de verdachte filmpjes geplaatst waarin strijdliederen te horen zijn met een oproep om aanslagen te plegen voor de Islamitische Staat en om zogenaamd ongelovigen de keel door te snijden en te doden. De verdachte beheerde het kanaal waarop 29 oktober 2017 tot en met 3 juli 2018 de filmpjes werden beheerd en verspreid.

In de uitspraak wordt beschreven hoe bijvoorbeeld op één van de filmpjes de keel van een geknielde persoon met zijn op hadden zijn rug werd doorgesneden, terwijl op zijn kleding de tekst “Kuffar” (ongelovige) te lezen is. Op de achtergrond is een persoon met een IS-vlag te zien. Daarna is het hoofd volledig van het lichaam doorgesneden en vervolgens te zien is dat de persoon het hoofd met kracht van het lichaam losrukt.

De rechtbank is met de officier van justitie van mening dat de verdachte niet langer hoeft vast te zitten dan de dagen die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het belangrijkste is dat verdachte zich niet opnieuw met deze opruiende praktijken bezighoudt. Verdachte zit in een intensief hulptraject en heeft zich tijdens zijn schorsing goed gehouden aan de bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding, behandeling en controle.

De rechtbank legt 210 dagen jeugddetentie op, waarvan 133 voorwaardelijk, gelet op de positieve proceshouding van de verdachte, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid en zijn medewerking aan de hulpverlening.

Aanwijzing grensoverschrijdende inzet hackbevoegdheid

Posted on 11/04/2019 op Oerlemansblog

Op 26 februari 2019 is de “Aanwijzing voor de internationale aspecten van de inzet van de bevoegdheid ex art. 126nba Sv” gepubliceerd (Stcrt. 2019, 10277). De aanwijzing geeft regels voor de toepassing van de hackevoegdheid (artikel 126nba Sv), omdat mogelijk via internet geautomatiseerde werken kunnen worden benaderd  die zich in het buitenland bevinden.

In de aanwijzing staat een rechtshulpverzoek het uitgangspunt voor het plegen van opsporingshandelingen buiten Nederland. In een rechtshulpverzoek moet de officier een verzoek doen de gezochte gegevens te vorderen en/of (zelfstandig) veilig te stellen op basis van de daarvoor in dat land geldende wettelijke grondslagen. Indien op het moment waarop aan de rechter-commissaris machtiging voor de inzet van de bevoegdheid van artikel 126nba Sv gevraagd wordt, bekend is dat de gegevens niet in Nederland zijn opgeslagen, wordt dat in de aanvraag vermeld. Hiermee is in een dergelijke situatie verzekerd dat het aspect van de inbreuk op de soevereiniteit van een andere staat onderwerp vormt van een expliciete afweging door de officier van justitie en de rechter-commissaris.

Als met een redelijke inspanning niet kan worden vastgesteld wat de locatie van geautomatiseerd verwerkte gegevens is, wordt gehandeld alsof de gegevens in Nederland zijn opgeslagen. Daarvan kan blijkens de aanwijzing ook sprake zijn als niet langer kan worden gewacht op een reactie of er geen reactie van het land is te verwachten op een rechtshulpverzoek. Ook kan hiervan bijvoorbeeld sprake zijn bij het gebruik van anonimiseringssoftware of opslag in de cloud. Met een ingewikkelde formulering wordt de redelijke inspanning beschreven met: ‘de tijd en moeite voor het vaststellen van een specifieke geografische locatie in een reële verhouding tot de noodzakelijkheid van onverwijld optreden, de tijdsdruk en de doorlooptijd van het onderzoek’. In de aanwijzing wordt een interne procedure bij het Openbaar Ministerie beschreven die moet worden gevolgd.

Afwegingscriteria

Als afwegingscriteria voor de (mogelijke) grensoverschrijdende inzet staan in de aanwijzing: (a) ernst of onmiddellijkheid van de gevolgen van de aanval of dreiging; (b) aard en ernst van het strafbare feit; (c) vluchtigheid van de gegevens of informatie die wordt gezocht, en of die moet worden veiliggesteld, danwel ontoegankelijk moet worden gemaakt; (d) mate van betrokkenheid van de Nederlandse rechtsorde en de gevolgen daarvoor (inclusief slachtofferbelangen) (e) de aard van de te verrichten opsporingshandelingen: afhankelijk van de mate van ingrijpendheid, mate van inbreuk op de privacy van de verdachte, mate van inbreuk op privacy van slachtoffers die middels het geautomatiseerde werk wordt gemaakt en (f) risico’s voor het geautomatiseerde werk, d.w.z. technische risico’s en een inschatting van de mogelijke schade voor derden.

Als tijdens de onderzoekshandelingen blijkt dat deze gericht zijn op gegevens die zich op het territorium van een specifieke andere staat bevinden, wordt zo snel mogelijk alsnog een rechtshulpverzoek gedaan aan de desbetreffende staat voor het gebruik van deze gegevens en het onderzoek of besloten de onderzoekshandelingen te stoppen. De uitzondering daarop is dat het belang van het onderzoek groter wordt geacht dan de mogelijke schending van de soevereiniteit van die andere staat of staten. Dat brengt mee dat de officier van justitie in alle gevallen aan de rechter-commissaris meldt wat bekend is over de locatie van de gegevens. Dat geldt dus ook in het geval dat er niets bekend is over de locatie van de gegevens.

Kort commentaar

De overwegingen en instructies in de richtlijn zijn niet verassend, omdat de wetsgeschiedenis over de Wet computercriminaliteit III soortgelijke overwegingen aangeeft. Wat mij betreft komt in de aanwijzing nu duidelijker naar voren dat de grensoverschrijdende inzet ook toelaatbaar wordt geacht als de reactie op een verzoek te lang zich laat wachten, of geen reactie van het land is te verwachten. Ook bleek in de wetsgeschiedenis nog het uitgangspunt te zijn dat het desbetreffende land altijd wordt geïnformeerd over de inzet van de hackbevoegdheid als de locatie bekend wordt, terwijl nu – als ik het goed begrijp – een uitzondering van toepassing kan zijn als ‘het belang van het onderzoek groter wordt geacht dan de mogelijke schending van de soevereiniteit van die andere staat of staten’.

Ik blijf benieuwd hoe internationaal strafrechtjuristen hierover denken die niet zozeer gespecialiseerd zijn in IT-recht, dus ik houd mij aanbevolen voor publicaties of reacties op het onderwerp.

Nieuw boek: Strafrecht en ICT

Posted on 04/01/2019 op Oerlemansblog

Vanaf nu is het boek Strafrecht en ICT beschikbaar! Het boek betreft een studieboek en naslagwerk over cybercriminaliteit.

In het boek bundelen Bert-Jaap Koops en ik onze krachten en updaten wij het boek ‘Strafrecht en ICT’ uit 2007 (destijds uitgebracht onder de redactie van Bert-Jaap Koops).

Materieel strafrecht en ICT
Wij behandelen in hoofdstuk 2 van het boek uitvoerig de strafbepalingen, wetsgeschiedenis en jurisprudentie over computercriminaliteit in enge zin (met delicten als computervredebreuk, de verspreiding van kwaadaardige software (malware) en ddos-aanvallen) en computercriminaliteit in brede zin (met delicten als fraude, oplichting en online zedendelicten). Vergeleken met de tweede druk uit 2007 is er meer jurisprudentie beschikbaar, waardoor de bepalingen beter zijn uitgekristalliseerd. Ook zijn er delicten bijgekomen of aangepast, onder andere vanwege de Wet computercriminaliteit III, zoals heling van gegevens en sextortion.

Formeel strafrecht en ICT
Hoofdstuk 3 gaat over formeel strafrecht en ICT. Het hoofdstuk behandeld alle relevante opsporingsbevoegdheden die worden in gezet in opsporingsonderzoeken naar cybercriminaliteit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de Wet vorderen gegevens, de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden en de bepalingen omtrent de doorzoeking van plaatsen en inbeslagname van computers. Ook de hackbevoegdheid en de take down-bevoegdheid uit de Wet computercriminaliteit III komen uiteraard aan bod. Zowel in het hoofdstuk over het materieel strafrecht als het hoofdstuk over het formeel strafrecht kijken we enige tijd vooruit en spreken we enkele toekomstverwachtingen over het vakgebied uit.

Grensoverschrijdende digitale opsporing

Het laatste hoofdstuk van het boek gaat over grensoverschrijdende digitale opsporing. Ik mijn hoofdstuk bouw ik voort op mijn werk uit mijn proefschrift, Tekst en Commentaar en nieuwe jurisprudentie. In het hoofdstuk ga ik onder andere in op de grensoverschrijdende toepassing van het vorderen van gegevens, undercover bevoegdheden en de hackbevoegdheid.

Het is een genoegen geweest samen met Bert-Jaap Koops aan het boek te werken. Kennis die ik niet kwijt kon in mijn proefschrift of andere publicaties heeft nu een plek gekregen in het boek. Het boek is nadrukkelijk niet alleen als studieboek geschreven, maar ook als naslagwerk voor wetenschap en praktijk. Het boek heeft hopelijk veel waarde voor juristen die zich in de praktijk bezighouden met cybercriminaliteit en voor juristen die meer willen weten over cybercriminaliteit.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht – december 2018

Posted on 14/12/2018 op Oerlemansblog

De Rechtbank Groningen en Den Haag en het parket Noord-Holland hebben in november en december 2018 een themazitting cybercrime gehouden. Daarop volgende ook enige media-aandacht.

Wat een goed initiatief! Door dit soort themazittingen krijgen rechters en andere betrokken organisaties in de strafrechtketen meer ervaring met cybercrime. Het laat ook zien dat cybercrime een veel voorkomende vorm van criminaliteit is, dat ook via het reguliere strafrecht moet worden aangepakt (zeker voor zover het gaat om gedigitaliseerde criminaliteit (cybercrime in brede zin)).

Hieronder volgt een overzicht van cybercrimezaken die in mij in de afgelopen maanden opgevallen. Daarbij geef ik dit keer ook speciaal aandacht aan de digitale bewijsvoering in deze zaken (voor zover relevant).

1.     Aankoop van semtex via AlphaBay

De Rechtbank Amsterdam heeft op 23 augustus 2018 een man veroordeeld voor het bezit van vuurwapens. De zaak is echter vooral interessant vanwege de verweren van de raadsman van de verdachte.

De advocaat voert in deze zaak ter verdediging aan dat sprake was van uitlokking, omdat het dossier sterke aanwijzingen bevat dat de FBI zelf actief heeft geprobeerd om (nep)semtex te verkopen en hiertoe afspraken met de verdachte heeft gemaakt. De rechtbank verwerpt het verweer en legt uit dat van uitlokking pas sprake is als de verdachte door het handelen van de FBI tot andere handelingen is gebracht dan die waarop zijn opzet al was gericht. Hiervoor zijn geen aanwijzingen in het dossier. Interessant is ook de overweging:

“Hoewel de rechtbank net als de verdediging best wil aannemen dat de FBI als pseudo-verkoper van de semtex heeft gefungeerd, is daarmee niet zonder meer aannemelijk dat de FBI de koper ‘[naam]’ heeft gebracht tot handelen waar zijn opzet niet reeds op was gericht. In de beperkte informatie die de FBI heeft doorgegeven staat immers vermeld dat het onderzoek ermee is gestart dat deze [naam] op AlphaBay een verzoek had geplaatst om onder meer semtex te kopen. Ook de overige informatie van de zijde van de FBI wijst niet op het wekken van de interesse van [naam] voor het kopen van semtex.”

Ook merkt de rechtbank nog op dat ‘is gesteld noch gebleken’, dat het openbaar ministerie enige rol had bij of invloed had op het handelen van de FBI. Het bewijs uit het buitenland mag daarom worden gebruikt in het strafproces.

De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van voorbereiding van moord, doodslag, diefstal met geweld of brandstichting, omdat niet met voldoende bepaaldheid is gebleken welk crimineel doel verdachte met dat pakketje voor ogen had. Voor het bewijs dat de ten laste gelegde voorwerpen ‘bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf’moeten namelijk ook de contouren van het (feitelijk) te plegen misdrijf blijken. In deze zaak ontbraken de contouren van het feitelijk te plegen misdrijf en kon dit niet door de officier van justitie worden aangetoond. De rechtbank verwijst hier naar het arrest HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179. De verdachte wordt tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld voor het illegale bezit van vuurwapens.

2.     Afdreiging na reactie op advertenties sekswebsites

De Rechtbank Amsterdam heeft op 12 november 2018 een aantal verdachten veroordeeld voor het medeplegen van afdreiging en gewoontewitwassen door misbruik van advertenties op sekswebsites.

De zaken in het onderzoek ‘13Malone’ richten zich tegen zeven verdachten. De verdachten pleegden afdreiging door mannen die reageerden op de door hen geplaatste advertenties te chanteren. Er is geen sprake van het delict ‘afdreiging’, om dat de verdachten niet voldoende concrete bedreigingen met geweld naar de slachtoffers hebben gestuurd.

De verdachte ging met zes medeverdachten als volgt te werk. De verdachten plaatsen een seksadvertentie op de websites speurders.nl, kinky.nl en sexjobs.nl. Nadat een slachtoffer heeft gereageerd op een seksadvertentie wordt met deze persoon contact gelegd door iemand die zich voordoet als een vrouw/prostituee. Er volgt een uitwisseling van seksueel getinte berichten en er wordt soms om een naaktfoto van het slachtoffer gevraagd waar zowel het hoofd als het geslachtsdeel van de man op staat. Intussen worden er – vermoedelijk aan de hand van het telefoonnummer van het slachtoffer via Facebook – namen van het slachtoffer en personen uit zijn omgeving achterhaald.

Dan veranderen de verdachten de berichten van toon en komt ‘de pooier’ aan het woord. Het slachtoffer moet geld betalen om bekendmaking van zijn ‘schaamtevolle’ gedrag aan de met naam genoemde personen uit zijn omgeving te voorkomen. De slachtoffers ‘moeten er van leren dit niet meer te doen’. De slachtoffers moeten vervolgens geld overmaken naar een bankrekeningnummer waarbij vaak dezelfde tenaamstelling wordt genoemd. Het geld moet door het slachtoffer snel worden overgemaakt en er moet een screenshot als bewijs van de betaling worden verzonden. Het bedrag dat op de rekening wordt gestort wordt daarna snel in cash opgenomen. De verdachten hebben de ontvangen bedragen daarmee ook witgewassen. Een aantal verdachten zijn slechts veroordeeld voor het witwassen, omdat hun betrokkenheid bij de afdreiging niet kon worden bewezen. Als slachtoffers hebben betaald, worden zij gedwongen steeds opnieuw te betalen. De bedreigingen houden overigens uiteindelijk op als de slachtoffers niet betalen of daarmee stoppen.

Interessant is ook dat de rechtbank opmerkt dat er vanwege de lage aangiftebereidheid van het delict waarschijnlijk veel meer zaken spelen, waar deze modus operandi van de criminelen wordt gebruikt. Op de mobiele telefoon van één van de verdachten stonden 4780 seksgerelateerde berichten uit de periode van 1 tot 11 december 2016. Dat vormt volgens de rechtbank mogelijk een aanwijzing voor de daadwerkelijke omvang van de criminele praktijken van de verdachten. Ook stonden honderden verdachte transacties op de bankrekeningen van de verdachten van in totaal ruim € 56.000, waarvan slechts een klein deel aan de acht aangevers is te linken. De rechtbank beschouwt de acht beschikbare aangiftes als één feitencomplex. In onderlinge samenhang bezien, blijkt uit de bewijsmiddelen dat er diverse dwarsverbanden zijn als het gaat om gebruikte IP-adressen, gebruikersaccounts, telefoonnummers en bankrekeningen. Die onderlinge verwevenheid vormt één feitencomplex. Daarbij wordt in de zaken weliswaar een wisselende combinatie gebruikt van telefoonnummers, e-mailadressen, de bankrekeningnummers van verdachten en/of IP-adressen, maar vindt de afdreiging veelal in dezelfde bewoordingen plaats.

Met betrekking tot de bewijsvoering is relevant dat de politie onderzoek heeft gedaan bij de exploitant van de site Kinky.nl. De website-exploitant heeft in de eigen systemen gezocht op de gebruikte telefoonnummers en bankrekeningnummers in verschillende combinaties. Bij navraag blijkt dat op de rekeningen van de verdachten meer dan 10.000 euro aan verdachte transacties is te vinden. De verdachte transacties zijn betalingen waarbij de betaler geen bekende relatie heeft met de houder van de bankrekening. Verder is hierbij relevant de frequentie van de bijschrijvingen op de betreffende rekening en de omschrijving die daarbij staat vermeld. Uit onderzoek bij de exploitant van sexjobs.nl heeft de politie twee IP-adressen kunnen afleiding die op naam van de verdachten staan.

Tijdens een huiszoeking zijn de mobiele telefoons van de verdachte in beslag genomen. Op deze telefoons stond het (veelzeggende bewijsmateriaal) van ‘een groot aantal voor verdachten belastende berichten, seksadvertenties, screenshots van bankoverschrijvingen en (naakt)foto’s’. Op de telefoon van een andere verdachte zijn screenshots aangetroffen van diverse profielen en de contactenlijsten van deze profielen afkomstig van Facebook. Verder is gebleken dat meerdere van de telefoonnummers gebruikt zijn in de telefoons van de medeverdachten. Op de telefoon van één van de verdachten zijn onder andere de gebruikersaccounts voor de websites kinky.nl en sexjobs.nl aangetroffen.

De verdachte in de ondergenoemde zaak is minderjarig en wordt veroordeeld tot 300 dagen jeugddetentie (waarvan 233 voorwaardelijk). Ook krijgt hij een taakstraf van 200 uur opgelegd en moet hij een schadevergoeding betalen.

3.     Sextortion van minderjarige meisjes

Het Hof Den Haag heeft op 1 november 2018 arrest gewezen in een sextortion-zaak. Door middel van een bekende modus operandi deed de online zedendelinquent zich voor als een scout van een modellenbureau. De verdachte zocht via sociale media contact met de meisjes, met de vraag of zij foto’s wilde sturen. Als bevestiging dat zij benaderd waren door het modellenbureau), werd er een e-mail gestuurd met een e-mailadres van het modellenbureau.

De meisjes hebben van zichzelf foto’s verstuurd naar een de verdachte die gebruik maakte van het pseudoniem ‘Manisha’, waarbij sommige meisjes ook naaktfoto’s versturden. De verdachte eiste meer naakfoto’s van de slachtoffer onder dreiging van het publiceren (‘exposen’) van de naakfoto’s via een instagramaccount. Ook dwong hij sommige slachtoffers de app ‘Snapchat’ te installeren op hun mobiele telefoons. Via Snapchat zijn normaliter foto’s en video’s na enkele seconden niet meer zichtbaar. Diverse aangeefsters dachten daardoor ook dat zij bij verzending van foto’s weinig risico op verdere verspreiding liepen. De verdachte gebruikte echter een specifieke applicatie (‘Mobizen’) waarmee hij deze foto’s en video’s wel direct vanaf het scherm van zijn smartphone kon opslaan. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers van de verdachte is tevens een grote hoeveelheid kinderporno gevonden.

De verdachte is veroordeeld tot 250 dagen jeugddetentie en een bijzondere maatregel met controle door jeugdreclassering, onder meer wegens het bezit van kinderporno, oplichting, en afpersing.

De zaak is in het bijzonder ook interessant vanwege de uitgebreide digitale bewijsvoering. De politie heeft op 2 juni 2016 een e-mail gestuurd aan één van de vermelde e-mailadressen in de aangifte van sextortion naar ‘Manisha’. Of de politie de e-mail onder dekmantel heeft gestuurd en een bijzondere opsporingsbevoegdheid heeft ingezet blijft onduidelijk door de summiere informatie die hierover wordt verschaft. Nadat de verdachte de e-mail heeft geopend, werd het IP-adres van de verdachte zichtbaar voor de opsporingsambtenaren. Het IP-adres kon worden gekoppeld aan het woonadres van de verdachte. Hetzelfde IP-adres heeft de verdachte gebruikt bij het aanmaken van het Instagramaccount van ‘Manisha’ ook toe aan het woonadres van de verdachte. Bovendien behoorde het telefoonnummer dat bij het aanmaken van het Instagramaccount is opgegeven tevens toe aan de verdachte. Het telefoonnummer behoorde toe aan de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte, waarmee is ingelogd op het instagramaccount.

Uit het onderzoek naar de inbeslaggenomen telefoon is gebleken dat mailapplicatie geconfigureerd was voor de eigenaar van het modellenbureau. Daaruit blijkt dat de verdachte over de mailaccounts van het modellenbureau kon beschikken en uit naam daarvan e-mails on uitsturen. Enkele naaktfoto’s en snapchatberichten met de slachtoffers zijn tevens op de inbeslaggenomen mobiele telefoon gevonden. Ten slotte blijkt uit digitaal onderzoek naar de internetgeschiedenis dat de verdachte meerdere sites bezocht en zoektermen gebruikt die te relateren zijn aan het modellenbureau en de scouts van het modellenbureau.

4.     Oplichting via Whatsapp

De Consumentenbond en Fraudehelpdesk waarschuwen voor een toename van fraude via Whatsapp. Daarbij doen de oplichter zich voor als de zoon of dochter van een slachtoffer met het verzoek om geld over te maken. Dit doen zij vaak op geraffineerde wijze, waarbij eerst via een app weten een ‘nieuw telefoonnummer’ te hebben, compleet met profielfoto van de persoon van wie ze de identiteit gebruiken. Deze foto hebben ze van social media gehaald, evenals informatie over familierelaties en hoe mensen elkaar aanspreken. Vervolgens vragen ze om een betaling voor een openstaande rekening.

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 4 oktober 2018 twee verdachten voor oplichting met een vergelijkbare werkwijze veroordeeld. De verdachten hebben zich op WhatsApp voorgedaan als iemand anders. De 19-jarige man zocht begin dit jaar via de berichtendienst contact met een 85-jarige man. De verdachte deed zich voor als de dochter van het slachtoffer en vroeg hem om in totaal ruim 2.300 euro over te maken. Het slachtoffer dacht echt met zijn dochter te appen. De 21-jarige Utrechter heeft zich op een soortgelijke manier schuldig gemaakt aan oplichting. Hij stuurde in september 2017 een WhatsApp-bericht naar een 71-jarige vrouw en deed zich voor als haar dochter. In het gesprek vroeg hij meerdere keren aan het slachtoffer om geld over te maken. In totaal heeft de vrouw ruim drieduizend euro overgemaakt.

De 21-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De 19-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarnaast moeten ze ongeveer 10000 euro aan schade vergoeden.

5.     Klonen van modems VodafoneZiggo

De Rechtbank Rotterdam heeft op 11 oktober 2018 een aantal verdachte veroordeeld die in georganiseerd verband de modems van Vodafone Ziggo hebben gekloond. In het onderzoek ‘26Cicero’ is de verdenking gerezen dat in Nederland in georganiseerd verband op illegale wijze (met gebruikmaking van speciaal daartoe ontwikkelde software) modems van betalende klanten van Ziggo werden uitgelezen en gekloond. Het onderzoek ving aan naar aanleiding van informatie van de Canadese politie. De unieke modemgegevens van honderden betalende klanten van Ziggo zijn met behulp van malware gekopieerd en geplaatst op andere modems. Tegen betaling van een eenmalig bedrag van zo’n € 150,- konden de afnemers van de gekloonde modems gratis internetten zolang de betalende klant wiens modem was gekloond een abonnement had.

De verdachte kloonde de modems en installeerde die bij zijn afnemers. De modems kocht hij in bij een medeverdachte die bij Ziggo werkte. Een andere medeverdachte, die via een onderaannemer in dienst was bij Ziggo, installeerde de gekloonde modems als de Ziggo-straatkast moest worden geopend om de internetverbinding mogelijk te maken.

De rechtbank overweegt dat het gevaarlijk is dat gekloonde modems ook kunnen worden gebruikt om kwaadaardige aanvallen op bedrijven uit te voeren of om persoonlijke informatie van derden te achterhalen. De veiligheid en integriteit van de infrastructuur kan daarmee ernstig in gevaar komen. De geschetste potentiële gevaren hebben zich in deze zaak niet voorgedaan. Wel heeft de verdachte hinder en schade veroorzaakt voor met name Ziggo en heeft hij door het witwassen van zo’n € 20.000,- volgens de rechtbank de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast.

De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde computervredebreuk, het voorhanden hebben malware, gewoontewitwassen en listiglijk gebruik maken van een telecommunicatiedienst (326c Sr). Wel volgt vrijspraak voor het medeplegen van vervaardigen van malware, nu niet kan worden bewezen dat verdachte als medepleger een bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de ‘1337suite’. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden opleggen, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tevens moet de verdachte een taakstraf uitvoeren van 180 uur. De straf was aanzienlijk lager dan de eis van de officier van justitie.

Strafvordering in het digitale tijdperk

Posted on op Oerlemansblog

Waar moet de Nederlandse regeling voor de opsporing in het digitale tijdperk aan voldoen? De Commissie-Koops heeft getracht op deze vraag antwoord te geven en heeft in juni 2018 een indrukwekkend rapport afgeleverd over ‘de regulering van opsporingsbevoegdheden in het digitale tijdperk’. Het rapport bevat maar liefst 72 aanbevelingen voor de wetgever om het onderdeel over opsporing (“Boek 2”) in het nieuwe Wetboek van Strafvordering beter in te richten.

Mijn artikel is een beschouwing van het rapport waar ik de belangrijkste aanbevelingen van de commissie in het rapport samenvat en kritisch bespreek. Ook betoog ik dat het onderwerp van data-analyse in de opsporing in het rapport onvoldoende is uitgewerkt.

In deze blogpost volsta ik verder met de conclusie van mijn artikel. Het gehele artikel is door een open access regeling direct te lezen via het ‘Platform Modernisering Strafvordering’.

Paragraaf 6 – Slotbeschouwing

De Commissie-Koops heeft een waardevolle bijdrage geleverd aan het project Modernisering Strafvordering door verbeteringen voor te stellen met betrekking tot het conceptwetsvoorstel Boek 2. De Commissie heeft een grondige en systematische analyse gedaan van de voorgestelde regelingen en aandacht besteed aan de relevante maatschappelijke ontwikkelingen. De wetgever doet er goed aan alle 72 aanbevelingen uit het rapport serieus mee te nemen in het wetgevingsproces.

De nieuwe rol en invulling van ‘stelselmatigheid’ is bovendien waardevol om de zwaarte van de privacy-inmenging en bijpassende autoriteit in te vullen. Het nieuwe normeringscriterium loopt als een rode draad door het rapport voor de normering van bijzondere opsporingsbevoegdheden, zoals openbronnenonderzoek, het beslag op digitale gegevensdragers, het vorderen van gegevens en onderzoek aan (tele)communicatie.

Toch is het criterium van stelselmatigheid naar mijn mening niet voor alle opsporingshandelingen even geschikt. In sommige gevallen kan bij de normering van opsporingsmethoden beter voor duidelijkheid worden gekozen met een vooraf ingevulde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en bijbehorende autoriteit om het bevel voor de opsporingshandeling te geven. Ik doel daarbij in het bijzonder op het beslag op bepaalde gegevensdragers en de inzet van scrapers ten behoeve van de opsporing. De Commissie-Koops gaat in plaats daarvan mee met de ruime normen die in de praktijk zijn ontwikkeld en achteraf door de rechtspraak zijn goedgekeurd of bijgestuurd. Daarbij worden suggesties gedaan voor een zeer genuanceerde invulling van het criterium afhankelijk van de verschillende omstandigheden van het geval, waarbij met tal van factoren rekening moet worden gehouden.

Het is echter belangrijk dat ook de maatschappij, bij monde van de wetgever, zich uitspreekt en beslissingen neemt over belangrijke zaken, zoals de wenselijke wettelijke bescherming bij het onderzoek van gegevens in een smartphone en de vraag of scrapers op grote schaal (persoons)gegevens mogen verzamelen. Ook geeft een regeling voor opsporingsmethoden zonder stelselmatigheid als normeringscriterium de reikwijdte van een opsporingsbevoegdheid duidelijker aan en biedt daarmee meer rechtszekerheid voor alle betrokkenen in het strafproces.

In dit artikel heb ik opnieuw betoogd dat de zwaarte van de privacy-inmenging bij de inbeslagname van en het onderzoek op smartphones ernstig is en dat simpelweg kan worden gekozen voor een vereiste machtiging van een rechter-commissaris (behoudens enkele uitzonderingen bij wet). Zeker voor de jongere generaties zijn opsporingshandelingen met betrekking tot smartphones, PC’s en laptops, waarbij de bijbehorende gegevens al dan niet in de cloud zijn opgeslagen, zeer privacy-intrusief. Het arrest van de Hoge Raad en het voorstel van de Commissie-Koops houden hier mijns inziens onvoldoende rekening mee en leggen een onduidelijk criterium aan om de ernst van de privacy-inmenging te bepalen. De aanbeveling een wetsvoorstel voor het beslag op gegevensdragers en openbronnenonderzoek al eerder naar de Tweede Kamer te sturen ondersteun ik daarom ten volle. Hopelijk bestaat daarbij ook nog ruimte voor een debat over het alternatief van een eenvoudiger regeling met een duidelijke bevoegde autoriteit voor de inbeslagname en het onderzoek van gegevens op bovengenoemde gegevensdragers en de inzet van scrapers.

Daarnaast is de uitwerking over de ‘dataficering van de opsporing’ en in het bijzonder het gebruik van data-analysetechnieken in het rapport ondermaats gebleven. Een commissie die zich buigt over ‘strafvordering in het digitale tijdperk’ zou ook hierover uitgebreid moeten adviseren, waarbij kan worden voortgebouwd op adviezen die hier al eerder over zijn gegeven.

Het advies had zich moeten richten op concrete suggesties voor strafprocessuele waarborgen bij de verwerking van gegevens binnen het opsporingsproces, inclusief het daaraan gerelateerde vermeende gebrek aan toezicht. In plaats daarvan worden slechts voorzichtige aanbevelingen gedaan en tegelijkertijd een nieuwe vergaande bevoegdheid voorgesteld om een bevel tot data-analyses bij derden ten behoeve van de opsporing mogelijk te maken. Tegenover al het potentieel dat data-analyse voor de politie biedt, moet voldoende bescherming voor de betrokken burgers staan. Op dit punt is het rapport niet in balans.

Het is echter geenszins mijn bedoeling dit artikel over het rapport van de Commissie-Koops in mineur af te sluiten. De bovenstaande kritiek doet niet af aan de waarde en het belang van de voorstellen van de Commissie. Over het geheel genomen heeft de Commissie-Koops een mooie en waardevolle prestatie geleverd, waar de wetgever – getuige de 72 aanbevelingen gericht op het Wetboek van Strafvordering – concreet mee uit te voeten kan.

Facebookvrienden worden met de verdachte

Posted on 14/11/2018 op Oerlemansblog

In het themanummer van Justitiële Verkenningen over ‘De digitalisering van georganiseerde misdaad’ is ook mijn artikel over online undercover operaties verschenen. In het artikel (.pdf) leg ik uit wat online undercover operaties zo uniek en aantrekkelijk maken voor de opsporing en welke regels gelden voor de politiële undercover bevoegdheden.

In het kader van mijn proefschrift (‘Investigating Cybercrime’) heb ik mij al eerder met het onderwerp bezig gehouden. Door recente jurisprudentie over de accountovername en de breed uitgelichte online undercover operatie over de darknet market ‘Hansa’ vond ik het tijd hier nog een artikel over te schrijven. Het artikel is een uitvloeisel van een paper die ik had geschreven voor het NVC-congres van afgelopen zomer.

Wat online undercover operaties zo aantrekkelijk maakt voor de opsporing

In cybercrimezaken kunnen online undercoveroperaties een effectief opsporingsmiddel zijn om bewijs te verzamelen met een online handle als digitaal spoor, zoals een nickname, e-mailadres of profiel op sociale media. Onder de omstandigheid dat verdachten consistent gebruik maken van anonimiseringstechnieken die het IP-adres verhullen van het netwerk waar zij gebruik van maken, is de toepassing van online undercover opsporingsmethoden één van de weinige middelen om bewijs te verzamelen in opsporingsonderzoeken met betrekking tot cybercriminaliteit.

Een bijkomende voordeel van de online toepassing van undercover opsporingsbevoegdheden, is dat opsporingsambtenaren net zo anoniem kunnen communiceren als de betrokken van het opsporingsonderzoek, zonder (direct) lijflijk risico en zonder de bureaustoel te hoeven verlaten met een wereldwijd bereik van de opsporingsmethode. Bij een accountovername kunnen opsporingsambtenaren zelfs door de bril van een crimineel of een persoon met toegang tot besloten omgevingen meekijken en bewijs verzamelen voor een opsporingsonderzoek. In reguliere opsporingsonderzoeken (geen cybercrime) waarbij verdachten online actief zijn, biedt de toepassing van online undercoverbevoegdheden additionele mogelijkheden ten opzichte van de bevoegdheden die in de fysieke wereld kunnen worden toegepast.

‘BOB’ gaat digitaal

Dezelfde regels gelden voor de toepassing van undercover bevoegdheden als 20 jaar geleden, zoals die in de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) zijn geformuleerd. Toch is de context waarbinnen de bevoegdheden worden toegepast stevig verandert. Dat levert de vraag op of de huidige regeling nieuwe toepassingen nog “dekt”. In verband met het legaliteitsbeginsel staat namelijk in de wet welke indringende opsporingsmethoden opsporingsinstanties mogen gebruiken. Door de techniekonafhankelijke formulering van de bevoegdheden zijn de BOB-bevoegdheden prima toepasbaar in een online context. Mijn artikel laat zien aan welke toepassingen je in de hedendaagse gedigitaliseerde wereld moet denken.

Jurisdictie

Het wereldwijde bereik van online undercover opsporingsmethoden levert echter wel een flink jurisdictievraagstuk op. In het artikel ga ik daar kort op in. Daarbij herhaal ik het standpunt dat ik in mijn dissertatie heb ingenomen, namelijk dat unilaterale online opsporing onder dekmantel onder omstandigheden moet worden toegestaan. Daarbij denk ik in het bijzonder aan de situatie dat verdachten anonimiseringsmaatregelen nemen en de fysieke locatie van de verdachte redelijkerwijs niet kan worden vastgesteld. Het artikel sluit ik af met een betoog dat de stormachtige ontwikkeling van cybercriminaliteit en de noodzakelijke inzet van digitale opsporingsbevoegdheden om bewijs te verzamelen staten er toe dwingt om afspraken met elkaar te maken onder welke omstandigheden grensoverschrijdende online undercover operaties zijn toegestaan.

Makers Coinvault veroordeeld – annotatie

Posted on 21/10/2018 op Oerlemansblog

De ‘Coinvault-zaak’ (Rb. Rotterdam 26 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6153) verdient nadere aandacht. Het betreft namelijk de eerste veroordeling voor ransomware in Nederland. Dat is de hoogste tijd, omdat ransomware al jaren één van de meest prevalente vormen is van cybercrime in enge zin. In deze blog ga ik eerst kort in op de feiten van de zaak. Daarna bespreek ik uitgebreider de ten laste gelegde feiten en welke andere delicten van toepassing kunnen zijn. Tot slot werp ik een korte toekomstblik op ransomware.

Veroordeling

De Rechtbank Rotterdam heeft op 26 juli 2018 twee jongemannen veroordeeld tot 240 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar voor het besmetten van een groot aantal computers met zelfgemaakte ransomware. Het is een relatief lage gevangenisstraf in verhouding tot de ernst van de delicten. De verdachten hebben van november 2014 tot en met september 2015 computers besmet met zelfgemaakte ransomware van de variant ‘Coinvault’ en ‘Bitcryptor’. Deze ransomware is meer specifiek te kwalificeren als ‘cryptoware’, waarbij gegevens worden versleuteld. Zonder betaling in virtueel geld (in dit geval Bitcoin) en de ontvangst van de sleutel om gegevens weer toegankelijk te maken, is het zonder back-up in de meeste gevallen onmogelijk de gegevens terug te krijgen.

De feiten

In de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam staat weinig informatie over het opsporingsproces, maar uit de mediaberichten over de zaak blijkt dat de verdachten de malware als ‘trojan’ hebben verspreid (zie bijvoorbeeld dit bericht in de Volkskrant en deze blog van McAfee). In dit geval was de kwaadaardige software vermomd als commerciële software en ‘sleutel-generatoren’ die in nieuwsgroepen gratis konden worden download. Nadat duizenden computers waren besmet activeerden de verdachten de cryptoware en eisten ze 250 euro in Bitcoin van hun slachtoffers. De computers stonden als zombiecomputers onder controle van hun command-and-control server. Bij het verbinding maken met de server maakten de verdachten echter geen gebruik van anonimiseringstechnieken (zoals Tor), waardoor het IP-adres terugverwees naar het adres van de abonneehouder (het ouderlijk huis van de verdachten). Dat leidde tot de arrestatie van de verdachten in een klein dorp nabij Amersfoort.

De tenlastelegging

De officier van justitie heeft artikel 138ab Sr, 350a Sr en 317 Sr (afpersing) ten laste gelegd. Het ligt het meest voor de hand het delict gegevensaantasting (art. 350a Sr) ten laste te leggen. Het artikel is ervoor gegoten, omdat het (onder andere) strafbaar stelt ‘het opzettelijk en wederrechtelijk veranderen, onbruikbaar maken of ontoegankelijk maken van gegevens’ met een maximale gevangenisstraf van twee jaren of een geldboete van de vierde categorie. De verdachten hebben gebruik gemaakt van een botnet, waardoor ook sprake is van een gekwalificeerde vorm van computervredebreuk in artikel 138ab lid 3 Sr (zie ook het Toxbot-arrest (ECLI:NL:HR:2011:BN9287)). Sinds mei 2015 is overigens ook artikel 138b Sr gewijzigd, waardoor een strafverzwaring naar een maximale gevangenisstraf van vijf jaar of een geldboete van de vierde categorie van toepassing indien met het plegen van het feit als omschreven in art. 350a Sr ‘ernstige schade’ wordt veroorzaakt. De memorie van toelichting definieert niet helder wat ‘ernstige schade’ behelst, maar ik neem aan dat hier ook de besmetting van duizenden computers met ransomware onder valt, zoals in casu het geval was.

Bijzondere aandacht verdient ook de tenlastelegging van afpersing (art. 317 Sr) in deze zaak. Het gaat hier om de uitoefening van dwang, om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen met geweld of de bedreiging met geweld, door ‘de bedreiging dat gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen, onbruikbaar of ontoegankelijk zullen worden gemaakt of zullen worden gewist’ (zoals staat omschreven in art. 317 lid 2 Sr). Daarvan is in deze zaak sprake, omdat de cryptoware de gegevens ontoegankelijk maakt, tenzij het losgeld wordt betaald in de vorm van Bitcoin (of het systeem op een andere manier met een sleutel kan worden ontsleuteld). De Rechtbank Rotterdam volstaat in haar (helaas zeer korte) bespreking van het artikel met: “de rechtbank is daarbij van oordeel dat het op deze wijze ontoegankelijk maken van bestanden gelijk is te stellen aan het begrip geweld als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht”.

Richtlijn Cybercrime strafvordering kan beter

De richtlijn Cybercrime strafvordering noemt de toepasbaarheid van het delict afpersing merkwaardig genoeg in zijn geheel niet. In plaats daarvan worden de artikelen 139d Sr (de plaatsing van malware), art. 326 Sr (oplichting) en art. 284 Sr (dwang) genoemd. De officier van justitie had inderdaad art. 139d lid 2 sub a Sr met verwijzing naar art. 138ab lid 3 Sr ten laste kunnen leggen. Dat zou beter tot uitdrukking doen komen dat de verdachten ook de vervaardiging van de Coinvault-malware wordt verweten. Op het eerste gezicht lijkt bij ransomware de ten laste legging van het delict ‘oplichting’ (art. 326 Sr) minder voor de hand te liggen. Voor oplichting is immers (onder andere) vereist dat iemand bijvoorbeeld na een ‘listige kunstgreep’ geld overmaakt. Met andere woorden wordt de betrokkene ‘er in geluisd’. Bij ransomware wordt simpelweg de computer van het slachtoffer gegijzeld en losgeld door een anonieme dader wordt geëist; daarbij lijkt van een ‘listige kunstgreep’ geen sprake. Voor de besmetting van de computer wordt soms wel een ‘listige kunstgreep’ gebruikt. In deze zaak hebben de verdachten bijvoorbeeld de computers besmet via onschuldig lijkende programma’s die via internet ter beschikking zijn gesteld, waarna de slachtoffers na besmetting van cryptoware bewogen worden geld over te maken. Eerder is oplichting wel ten laste gelegd en bewezen verklaard in het geval van ‘banking malware’. Ten slotte kan in de context van ransomware ook nog sprake zijn van het delict dwang (art. 284 Sr), omdat een persoon ‘door enige feitelijkheid’ (het versleutelen van een computer) een ander wederrechtelijk dwingt iets te doen (losgeld betalen) of te dulden (het versleuteld laten van de computer). Het voordeel van de hoge maximale gevangenisstraf bij art. 317 Sr is dat slachtoffers spreekrecht hebben en ook zware bijzondere opsporingsbevoegdheden mogen worden toegepast, zoals direct afluisteren (art. 126l Sv) en alle vormen van de hackbevoegdheid (art. 126nba Sv).

‘Geweld’ bij ransomware?

Met de opkomst van het Internet of Things raken steeds meer apparaten die autonome beslissingen kunnen nemen met het internet verbonden. Dat brengt bijvoorbeeld met zich mee dat mensen opgesloten kunnen raken in hun hotelkamer, omdat de kamerdeur met het elektronische slot niet meer functioneert na een ransomwarebesmetting. Het ontoegankelijk maken van een slimme auto met ransomware tegen losgeld voor een flink bedrag lijkt mij ook goed denkbaar. In deze gevallen ziet het vereiste ‘geweld’ bij afpersing mogelijk meer op het goed zelf in plaats van de opgeslagen gegevens op de computer. Toch lijkt het dat het geweld of de bedreiging van geweld zich daarbij meer richt op het gebruik van het goed, dan op het goed zelf; het omhulsul van het goed blijft ten slotte intact. Het is overigens ook denkbaar dat met ransomware het geweld of de bedreiging van geweld zich richt tegen een persoon. Als medische apparaten aan het lichaam (zoals een insulinepomp) of in het lichaam (zoals een pacemaker) verbonden zijn met een netwerk en op afstand ontoegankelijk wordt gemaakt, kan namelijk sprake van (de dreiging van) geweld jegens een persoon bij het gebruik van ransomware.

Strafrechtpraktijk nog onvoldoende voorbereid op ransomware

Los van deze theoretische bespiegeling over de strafbaarstelling van ransomware is van belang te realiseren dat de besmetting van ransomware op IoT-apparaten geen science fiction is. Ransomware is een groeiend probleem. De WannyCry-aanval heeft in mei 2017 ziekenhuizen in het Verenigd Koninkrijk, het spoorwegsysteem tussen Duitsland en de Russische Federatie, telecommunicatiebedrijven in Spanje en Portugal en Petrochemische bedrijven in China en Brazilië en autofabrikanten in Japan platgelegd. De Nederlandse samenleving zal zich moeten voorbereiden op deze vormen van cybercrime en maatregelen moeten treffen (niet alleen op het gebied van strafrecht). Daarnaast is nu al een tendens zichtbaar dat cybercriminelen de aanvallen gerichter worden uitgevoerd, zoals het besmetten van medische apparaten in ziekenhuizen, waarbij een veel groter bedrag wordt geëist: in de tienduizenden euro’s in plaats van die doorgaans 500 euro voor besmette PC’s. De strafrechtpraktijk lijkt hier nog onvoldoende op voorbereid.

Mijn noot met bijna gelijke tekst is verschenen in: Rb. Rotterdam 26 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6153, Computerrecht 2018/210, p. 281-291, m.nt. J.J. Oerlemans.

Over ethisch hacken: nieuwe leidraad ‘Coordinated Vulnerability Disclosure’ gepubliceerd

Posted on 16/10/2018 op Oerlemansblog

De leidraad ‘Coordinated Vulnerability Disclosure (CVD) is een aanscherping op de ‘leidraad responsible disclosure’ van het Nationaal Cyber Security Centrum uit 2013. Het doel van de richtlijn is om bij te dragen aan de veiligheid van ICT-systemen door kennis over kwetsbaarheden door ethische hackers te laten delen met de eigenaren van ICT-systemen, zodat deze de kwetsbaarheden kunnen verhelpen voordat deze actief misbruikt worden door derden. In de nieuwe richtlijn komt beter tot uiting dat er een gelijkwaardig gesprek moet zijn tussen de melder en de mogelijk kwetsbare organisatie.

In de afgelopen jaren hebben melders binnen de randvoorwaarden van coordinated vulnerability disclosure beleid van organisaties gewerkt. Toch kan tijdens het vinden van kwetsbaarheden de wet worden overtreden. In het kader van een CVD-overeenkomst kunnen organisatie en melder overeenkomen geen aangifte te doen (van in de eerste plaats computervredebreuk), zolang de melder binnen de randvoorwaarden van het beleid opereert. Eveneens kan worden afgesproken dat er geen civielrechtelijke stappen worden ondernomen, waarbij eventuele schade op de melder wordt verhaald.

Nadrukkelijker dan voorheen, staat nu in de richtlijn:

“Indien er wel aangifte wordt gedaan, is in Nederland het bestaan en naleven van CVD-beleid een relevante omstandigheid die de officier van justitie zal meenemen in zijn beslissing om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te laten stellen en/of te vervolgen. In principe stellen Politie en Openbaar Ministerie (OM) geen strafrechtelijk onderzoek in, indien de melder zich klaarblijkelijk aan de regels uit het CVD-beleid van de betreffende organisatie heeft gehouden.”

Daarbij wordt naar twee uitspraken verwezen  (ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ1157) en  ECLI:NL:RBDHA:2014:15611) en een beleidsbrief  waarin specifiek wordt ingegaan op de overwegingen bij de onderzoeks- en vervolgingsbeslissing. Net als in de uitspraken wordt daar in gegaan op de gebruikelijke overwegingen zoals het dienen van algemeen belang, of de melder niet onevenredig handelde (de proportionaliteitstoets) en niet een minder ingrijpende manier had kunnen handelen (de subsidiariteitstoets).

Het NCSC hanteert een standaardtermijn van 60 dagen tussen de melding en de publieke bekendmaking van de kwetsbaarheid. De omstandigheden van het geval kunnen nopen tot een langere of kortere termijn. In het CVD-beleid worden tips en voorbeelden gegeven. Daarbij wordt het CVD beleid over het gehele spectrum gebruikt, van het strenge CVD-beleid van Fox IT (slechts in een offline omgeving op voorgeselecteerde producten), naar het standaard beleid op ResponsibleDisclosure.nl tot het informele en ruimtehartige CVD-beleid van Bits of Freedom.

Recente zaak over ethisch hacken

Op 30 augustus 2018 heeft de Rechtbank Den Haag een 45-jarige IT-er veroordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2018:10451) voor computervredebreuk, maar geen straf opgelegd. Op basis van art. 9a Sr kan een rechter daartoe overgaan, indien ‘de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan’. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat hij geen kwade bedoelingen had, dat hij de gegevens uit de database niet voor eigen gewin heeft gebruikt en dat hij een maatschappelijk belang heeft gediend. In de uitspraak staan veel technische details en uitgebreide overwegingen van de rechtbank die voor de liefhebber interessant zijn. Het komt echter niet de leesbaarheid van de uitspraak ten goede. Daarom volgt hier onder een korte samenvatting.

De verdachte deed een beroep op de rechtvaardigingsgrond van het ‘algemeen belang’ door uit te leggen dat de hack op de site van de stichting was uitgevoerd om te laten zien dat de beveiliging ondermaats was. De hacker heeft simpelweg het robots.txt-bestand van de webserver opgevraagd waarbij na invoer van een geldig ID 80.000 donateursgegevens beschikbaar kwamen. In de gegevensset waren ook NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats), bankrekeningnummers, e-mailadressen en opmerkingen over betaalgedrag van “vrienden” te vinden. Het script was niet met een wachtwoord beveiligd, maar dat is ook niet vereist om computervredebreuk te plegen. Wel overweegt de rechtbank dat sprake is van een kenbare drempel die de verdachte is overgegaan, enerzijds door het afschermen van pictura.php met het commando “disallow” op de website en anderzijds door bij opvraging daarvan de invoer van een geldig ID te vereisen.

Met behulp van ‘een vals signaal’ (zie art. 138ab lid 1 Sr) heet de hacker daarmee toegang verschaft tot de een geautomatiseerde werk (de webserver) en computervredebreuk gepleegd. Het beroep op de rechtvaardigingsgrond slaagde niet, omdat de verdachte niet proportioneel handelde door de hele database binnen te halen en ten onrechte meteen naar de media (bij Tweakers.net, De Volkskrant en Trouw via het online klokkenluidersplatform PubLeaks) is gestapt, in plaats van de betrokken organisatie zelf. De verdachte is overigens geïdentificeerd na onderzoek door Fox IT dat was ingehuurd om de hack te onderzoeken. Uit de logbestanden op de webserver bleek dat met een (niet-afgeschermd) IP-adres net voor de hack was ingelogd. Het IP-adres behoorde bij Ziggo en het opvragen van de gebruikersgegevens bij Ziggo heeft klaarblijkelijk tot de verdachte geleid.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht – oktober 2018

Posted on 15/10/2018

Naar inmiddels goed gebruik heb ik weer een overzichtje gemaakt van opvallende jurisprudentie op het gebied van cybercrime. In het overzicht zit wederom een zaak over (grootschalige) drugshandel en witwassen met interessante bewijsoverwegingen. Daarop volgt een zaak over fraude met internetbankieren via de ING met leuke technische details, een zaak waarbij rechters hun visie geven op de (incidenteel terugkerende) vraag of het bezit van mangaporno strafbaar is en de (reeds in de media al breed uitgemeten) zaak over het hacken van een rioolinstallatie.

Drugshandel via het darkweb en witwassen

Op 18 september 2018 is een 32-jarige man uit Maastricht door de Rechtbank Overijssel veroordeeld (ECLI:NL:RBOVE:2018:3394) voor handel in hard- en softdrugs via het darkweb, witwassen via bitcoins en het bezit van hard- en softdrugs. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden. Daarnaast moet hij 21.492,50 euro aan de Staat betalen als ontneming. Een medeverdachte in het onderzoek ‘26Maywood’ is tevens veroordeeld (ECLI:NL:RBOVE:2018:3395) tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf met proefschrift, voor het witwassen van grote hoeveelheden bitcoins, met vermoedelijk een illegale herkomst, tegen contant geld.

De hoofdverdachte rekende een commissie van 10% voor het omzetten van de bitcoins tegen contant geld voor een totaalbedrag aan € 208.420,-. Hij had wetenschap dat de bitcoins onder meer afkomstig waren uit drugshandel. De verdachte handelde ook zelf in XTC en cocaïne via het darkweb en heeft deze XTC en cocaïne naar het buitenland per post verzonden.

Het bewijs is onder andere verzameld via een pseudokoop van de drugs, de analyses op de postpakketten en enveloppen, de analyse van bitcoin wallets op smartphones, foto’s op het scherm van de mobiele telefoon met daarop Whatsapp-gesprekken en onderzoek aan inbeslaggenomen laptops van de verdachte.

Veroordeling voor phishing

Op 25 september 2018 heeft het Hof Den Haag een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHDHA:2018:2488) voor computervredebreuk, oplichting, deelname aan een criminele organisatie en diefstal via een nepwebsite voor internetbankieren. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 18 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar.

De verdachten hebben een e-mail verstuurd naar slachtoffers, waarbij zij zich voordeden als de ING-bank. Via een hyperlink in deze e-mail werden de slachtoffers naar een “phishing-website” geleid. De website leek sterk op de officiële ING-webpagina, waarna de slachtoffers werd gevraagd om op deze pagina diverse persoonlijke (bank)gegevens in te vullen. Dankzij deze gegevens konden degenen achter dit “phishing” traject inloggen op de ING-internetbankier-omgeving van de aangevers en kennisnemen van onder meer de aard van de bankrekeningen (betaal- en/of spaarrekening) en de daarmee corresponderende saldogegevens van de betrokkenen. Het Hof overweegt in het arrest dat op dat moment sprake is van het opzettelijk en wederrechtelijk binnendringen in een geautomatiseerd werk, en daarom van het delict computervredebreuk (art. 138ab Sr).

De daders logden in op de rekeningen van de slachtoffers, waarbij het IP-adres werd vastgelegd van een Apple MacBook, waarvan later bleek dat de verdachten gebruik van maakten, met telkens dezelfde ‘User Agent’. Het IP-adres kon worden gekoppeld aan het (adres) waarop een verdachte tijdens de strafbare gedragingen verbleef. Interessant is dat de verdachte in dit geval geen toegang wilde geven tot zijn MacBook Pro dat was versleuteld met ‘FileVault’. Blijkbaar kon de politie geen toegang krijgen tot deze laptop van de verdachte, maar wel is bewezen dat de verdachte van dezelfde laptop gebruik maakte om de inloggegevens van de verdachten te vergaren. Dat is gebeurd door op listige wijze de wificode van slachtoffers te verkrijgen, waarbij vervolgens is ingelogd op de wifirouter van de slachtoffers. Vervolgens is met gebruikmaking van de inloggegevens van de slachtoffers ingelogd op de ING webserver en hier vandaan betalingen verricht ten laste van de aangevers. Het staat niet expliciet vermeld in de uitspraak, maar het is hoogstwaarschijnlijk voor de bewijsvoering ook digitaal forensisch onderzoek aan de wifi-routers uitgevoerd.

Volgens het Hof is ook sprake van deelname een criminele organisatie vanwege een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en continuïteit tussen de verdachte en anderen, die tot oogmerk had om door middel van “phishing” en oplichting de bankrekeningen van slachtoffers leeg te halen (diefstal).

Vrijspraak voor bezit van “manga-porno”

Op 31 augustus 2018 heeft de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2018:3579) een verdachte vrijgesproken van computervredebreuk, dwang en bezit van kinderporno, maar veroordeeld voor 40 uur taakstraf vanwege het voorhanden hebben van een ‘Remote Access Trojan’ (RAT)-bestand (art. 139d Sr).

Uit de verklaring van de verdacht blijkt dat hij deze bestanden naar verschillende personen heeft verzonden met het oogmerk om computervredebreuk te plegen en om gegevens af te tappen, namelijk door het meekijken via een webcam. Het voorhanden hebben van RAT-bestanden met dit oogmerk acht de rechtbank daarom bewezen.

De uitspraak is echter vooral opvallend, omdat de officier van justitie het bezig van kinderporno ten laste had gelegd, mede vanwege het bezit van ‘manga’s’. Manga zijn cartoontekeningen die in een bepaalde Japanse stijl zijn gemaakt. De erotische vorm daarvan heet overigens ‘hentai’, waarbij dikwijls zogenaamd minderjarigen seksuele handelingen verrichten. De rechtbank heeft kennisgenomen van de cartoontekeningen die in de collectiescan zijn opgenomen. De rechtbank overweegt dat virtuele kinderpornografie strafbaar is, indien er sprake is van een realistische, niet van echt te onderscheiden afbeelding. De rechtbank is van oordeel dat de in de selectie opgenomen manga’s niet als realistisch zijn aan te merken, in welk geval deze niet van echte afbeeldingen te onderscheiden zouden zijn geweest. De rechtbank vindt ook dat met betrekking tot de overige afbeeldingen de (kennelijke) minderjarigheid, dan wel de seksuele strekking van de gedragingen, niet blijken. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit ernstige zedendelict.

Veroordeling voor hack rioolinstallatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 september 2018 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2018:4380) voor het hacken van de rioolinstallatie van de gemeente Lopik. De verdachte heeft na het inloggen op de server van de rioolinstallatie een aanzienlijke hoeveelheid bestanden gewist. De rioolinstallatie kon daardoor enige tijd niet correct worden aangestuurd. Een paar maanden later heeft de verdachte via datzelfde programma rioolafsluiters dichtgezet en rioleringspompen aangezet en de daaropvolgende storingsmelding genegeerd, als gevolg waarvan ernstige schade aan de rioolinstallatie van de gemeente had kunnen ontstaan.

Bij een gedraging als deze kan een ‘gemeen gevaar voor het leveren van diensten’ ontstaan. Bij een rioolwatervoorziening is daarvan sprake, omdat het een dienst van algemene nutte is. Daarop kan artikel 161sexies onderdeel 1 Sr ten laste worden gelegd. Dat is een misdrijf waarop een maximale gevangenisstraf van zes jaar kan worden opgelegd. De technische bewijsoverwegingen uit de uitspraak zijn ook wel interessant. De verdachte werd overigens relatief eenvoudig geïdentificeerd via het niet-afgeschermde IP-adres van zijn computer waarmee hij met het Remote Desktop Protocol verbinding met de server maakte. De verbindingen werden gelogd, waardoor het IP-adres en de gebruikersnaam waarmee werd ingelogd zijn vastgelegd. Na het vorderen van de gebruikersgegevens en het identificeren van de vermoedelijke woning van de verdachte, werd in de woning van de man een briefje gevonden met gebruikersnamen en wachtwoorden waarmee is ingelogd. Bewijs werd ook geleverd aan de hand locatiegegevens van de mobiele telefoon van de verdachte en een internettap.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke strafzaken worden opgelegd en met het feit dat de man ZZP’er is en een gezin met twee kinderen moet onderhouden. De verdachte krijgt – vergeleken met de ernst van het delict de mijns inziens milde – maximale taakstraf opgelegd gekregen van 240 uur.