U.S. Cloud Act gepubliceerd

Op 23 maart 2018 heeft het Amerikaanse Congres de ‘Clarifying Overseas Use of Data Act’ (CLOUD Act) aangenomen. Het wetsvoorstel was slechts een onderdeel van een 2.323 pagina-tellend budgetplan, maar heeft grote gevolgen voor de toegang tot gegevens door opsporingsinstanties bij Amerikaanse internetdienstverleners, zoals Microsoft, Facebook en Google.

De CLOUD Act past enkele bepalingen in de ‘Stored Communications Act’ aan dat gaat over de toegang tot gegevens bij Amerikaanse elektronische communicatiedienstverleners in opsporingsonderzoeken. Deze wet maakt ten eerste mogelijk dat opsporingsinstanties in de Verenigde Staten toegang krijgen tot gegevens die buiten de VS zijn opgeslagen. Ten tweede maakt de CLOUD Act het mogelijk dat niet-VS opsporingsautoriteiten toegang kunnen krijgen tot gegevens van Amerikaanse dienstverleners als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

De eerste aanpassing kan worden gezien als een gevolg van de Microsoft t. Ierland-zaak, waarbij een Amerikaanse rechtbank had besloten dat de FBI geen toegang kreeg tot gegevens van Microsoft in Ierland. Deze zaak ligt nu bij het Amerikaans Hooggerechtshof. De CLOUD Act maakt duidelijk dat in het vervolg Microsoft de FBI toegang moet geven tot haar gegevens op basis van de Stored Communications Act, óók als deze buiten de VS ligt opgeslagen.

De tweede aanpassing heet tot gevolg dat andere staten met de Verenigde Staten afspraken moeten maken als zij direct toegang willen krijgen tot gegevens van Amerikaanse elektronische communicatieaanbieders. Het gaat daarbij om populaire diensten zoals Facebook, en de webmaildiensten van Microsoft en Facebook. Deze afspraken moeten worden gemaakt in een zogenoemde ‘executive agreement’. Het ziet er naar uit dat individuele staten zoals Nederland in zo’n agreement kunnen treden, maar ook een EU-VS overeenkomst in denkbaar.

De staat die met de VS deze afspraken wilt maken moet wel aan bepaalde criteria met betrekking tot fundamentele rechten voldoen. Als een ‘executive agreement’ van kracht is, kunnen niet-VS opsporingsdiensten gegevens vorderen van Amerikaanse dienstverleners onder hun eigen regelgeving voor zover de gegevens niet van Amerikaanse burgers zijn. De vordering moet verder betrekking hebben op ernstige criminaliteit, door een onafhankelijke autoriteit (kunnen) worden getoetst, voldoende specifiek zijn en voldoen aan de nationale regelgeving van de betreffende staat. Als onderdeel van het principe van reciprociteit, krijgen ook Amerikaanse dienstverleners de mogelijkheid tot direct toegang tot de gegevens van internetdienstverleners op het grondgebied van de andere desbetreffende staat.

Internetdienstverleners krijgen de mogelijkheid protest aan te tekenen als zij denken dat de verstrekking van gegevens van een niet-Amerikaan of persoon die zich buiten de VS bevindt in strijd is met de regelgeving van een ander land. Een Amerikaanse rechtbank besluit dan op basis van ‘balanceertest’ of de gegevens moeten worden afgegeven.

CLOUD-Act: H.R.1625 – 115th Congress, 23 maart 2018

Drugshandel via darknet markets

Posted on 05/03/2018 op Oerlemansblog

In de afgelopen maanden zijn weer verschillende zaken geweest met veroordelingen voor drugshandel via het dark web en het witwassen van de verkregen gelden via Bitcoin. In deze blog zet ik ze nog even op een rijtje. De zaken zijn interessant omdat expliciet het gebruik van het programma ‘Chainanalysis’ voor het analyseren van de oorsprong van bitcoins wordt genoemd en wordt ingegaan op witwastypologieën bij het gebruik van bitcoin door verdachten, zoals het gebruik van bitcoinmixers.

Rechtbank Rotterdam: onderzoek naar oorsprong bitcoins met chainanalysis is OK

In deze zaak van 19 december 2017 handelde de verdachte via localbitcoins.net in bitcoins in ruil voor geld. Nadat het contact tussen verdachte en de bitcoin-eigenaren was gelegd via Twitter of Telegram, werden de bitcoins door de eigenaren overgeschreven, ofwel naar de wallet van verdachte ofwel naar de wallet van de Bitcoin verkoopmaatschappijen Bitonic of Coinvert. Bitonic en Coinvert betaalden de verkoopprijs uit per bank en maakte de bedragen telkens over naar de bankrekeningen van verdachte of van twee van zijn ex-vriendinnen. In totaal is er in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 447.882,65 naar deze bankrekeningen overgemaakt.

De stortingen van de bitcoingelden op de bankrekeningen van verdachte en de medeverdachte hebben ertoe geleid dat SNS Bank drie meldingen van verdachte transacties heeft gemaakt bij FIU Nederland. Naar aanleiding van deze melding is onderzoek gedaan naar de door verdachte omgewisselde Bitcoinadressen. Uit dat onderzoek, dat is uitgevoerd met behulp van het programma ‘Chainanalysis’, blijkt dat meer dan de helft van de bitcoins binnen één of twee tussenstappen is terug te voeren naar darkweb markten. De rechtbank gaat uit van de juistheid van die resultaten en constateert dat een deel van de door verdachte verhandelde bitcoins gelieerd zijn aan darkweb markten.

De rechtbank gaat niet mee met de officier van justitie dat er sprake is van witwassen als gronddelict. De rechtbank deelt wel het standpunt van de officier van justitie dat darkweb markten in de regel worden gebruikt voor criminele doeleinden en dat daarbij bitcoins worden gebruikt als betaalmiddelen. Uit het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte wist, of daar ernstig rekening mee moest houden, dat de bitcoins die hij verhandelde afkomstig waren van darkweb markten en dus dat het criminele bitcoins waren. Wel is er volgens de rechtbank sprake van een vermoeden was dat de bitcoins afkomstig waren uit enig misdrijf en er aldus een vermoeden van witwassen bestaat. De verdachte wordt veroordeeld voor twintig maanden gevangenisstraf.

Veroordeling van drugshandel via AlphaBay en gebruik van bitcoinsmixers

Op 24 januari 2018 is door de rechtbank Midden-Nederland een 24-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor internationale drugshandel met gebruik van Darknet markets en witwassen. Alphabay is lange tijd het meest populaire darknet market voor drugshandel geweest.

Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte door opsporingsambtenaren in de gaten is gehouden. Deze activiteiten van de verdachte wegen mee als bewijs. Zo wordt opgemerkt: “Door het profiel ‘[gebruikersnaam]’ waren in totaal 31 advertenties geplaatst. De titels van deze advertenties bevatten onder meer de volgende teksten: “50g MDMA Very High Quality”, “50x 100 Dollar Bills Green Very High Quality”.

In de uitspraak wordt opgemerkt dat de verdachte een stichting had opgericht voor de uitbetalingen van cash geld in ruil voor bitcoins. In de uitspraak staat:

“Op 16 januari 2016 werden bij het bedrijf Bitonic alle transacties gevorderd die betrekking hadden op de negen betrokken bankrekeningen op naam van Stichting [stichting]. Uit de uitgeleverde informatie bleek dat over de periode van 26 maart 2015 tot en met 14 november 2016 voor € 501.165,38 aan bitcoins waren verzilverd. Alle negen rekeningen bleken, hoewel bij Bitonic voorzien van verschillende namen, volgens de verstrekking van de ING-bank op naam te staan van rekeninghouder Stichting

[stichting]

”.

Door de politie is ook onderzoek gedaan naar de bitcoinadressen die door verdachte werden gebruikt. Door middel van analyse met behulp van het programma Chainanalysis blijkt dat er veel betalingen en ontvangsten van en/of naar deze adressen via zogenaamde mixers liepen. Een mixer wordt aangeboden door diverse partijen. Deze stellen een bitcoinadres ter beschikking waar men bitcoins op kan storten. De mixer betaalt vervolgens deze bitcoins terug aan de klant na aftrek van een kleine ‘fee’. De bitcoins worden op een groot aantal verschillende bitcoinadressen gestort. In totaal werden 430 bitcoinadressen ingevoerd in Chainanalysis. Naast het gebruik van mixerdiensten bleek dat er een aantal transacties gelinkt was aan darknet markets. Daarmee is sprake van een aantal witwastypologieën. Niet alleen (1) staan de transacties niet in verhouding tot de inkomsten van verdachte, maar er is ook (2) geen legale economische verklaring voor de gewisselde valutasoorten, (3) er zijn grote geldbedragen contant opgenomen en zonder noodzaak voorhanden gehouden en (4) er is gebruik gemaakt van bitcoinmixers.

Ook is een 26-jarige vrouw nog veroordeeld voor schuldwitwassen. Zij heeft ruim 130.000 euro crimineel geld in haar bezit gehad en uitgegeven. De rechtbank oordeelt dat zij had moeten weten dat dit geld een criminele herkomst had.

Veroordelingen voor phishing

Posted on 26/02/2018 op Oerlemansblog

Enkele recente uitspraken over phishing en computervredebreuk laten zien dat phishing-zaken complexer worden. Het betreft bovendien een combinatie van oplichting met computervredebreuk. De zaken zijn interessant om te lezen en verder te onderzoeken, omdat er interessante details in staan over de digitale bewijsvoering en de manier waarop de delicten zijn uitgevoerd.

Veroordeling door het Hof Amsterdam

Door het Hof Amsterdam is in november 2017 een verdachte veroordeeld voor het versturen van 132.260 phishing e-mails en het hacken van negen websites. Daarbij werd gebuikt gemaakt van de programma’s  ‘Gre3nox’ en ‘Havij’. Gre3nox wordt gebruikt om kwetsbaarheden in websites op te sporen en Havij om databases van websites te hacken door middel van SQL-injecties.

De verdachte richtte zich in zijn mails op gebruikers van de creditcardmaatschappij ICS, waarbij de inlogpagina van de dienstverlener werd nagemaakt om inloggegevens af te vangen. Gezien de op de laptop en de SD-kaart aangetroffen bestanden met betrekking tot phishingwebsites en de in de internetcache aangetroffen gegevens, vond het Hof het aannemelijk dat deze phishing e-mailberichten van de verdachte afkomstig waren.

Opvallend is overigens de vermelding dat de verdachte gebruik maakte van het internet van zijn buurvrouw, waardoor de politie op een dwaalspoor werd gezet.  De verdachte is veroordeeld voor 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 15 maanden voorwaardelijk.

Veroordeling door de rechtbank Den Haag

Op 22 december 2017 zijn door de Rechtbank Den Haag verschillende verdachte veroordeeld voor computervredebreuk, diefstal en grootschalige oplichting van consumenten door elektronica aan te bieden via namaakwebshops. Op basis van anonieme tips en andere informatie zijn de verdachten op 18 mei 2015 door de politie aangemerkt als mogelijke plegers van dergelijke vormen van internetoplichting.

De verdachten hebben met gephishte gegevens ingelogd op Admarkt- en reguliere Marktplaatsaccounts en daarop andere advertenties geplaatst die verwezen naar namaakwebshops. Deze namaakwebshops waren afgeleid van webshops van bedrijven zoals BCC, Dixons, Simyo en Topprice. De namaakwebshops waren niet of nauwelijks van de echte webshops te onderscheiden. Soms waren adressen, telefoonnummers, BTW- en KvK-nummers van het reguliere bedrijf overgenomen en altijd bestond er een contactmogelijkheid via e-mail of door middel van een chatfunctionaliteit. De producten werden op professionele wijze gepresenteerd. Consumenten hadden nadat zij via een betrouwbaar ogende advertentie op Marktplaats werden doorgelinkt naar de namaakwebshop, dan ook niet door dat zij op een frauduleuze website waren beland.

De koopprijs van producten werd door consumenten betaald op een door verdachte opgegeven rekeningnummer, meestal via iDEAL of een andere betaaldienstverlener. De bestelde producten werden daarna niet geleverd en verdachte heeft ook nooit de intentie gehad die te leveren. Met twee anderen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de hack van Scrypt.cc, met grote schade tot gevolg.

Het beroep van de raadsman van de verdachte op het ‘Smartphone-arrest’ van de Hoge Raad  slaagde in dit geval, omdat zich een ernstige privacy-inmenging heeft voorgedaan door het diepgravende onderzoek waarbij het hele privéleven van de verdachte bloot komt te liggen. Daarvoor is een machtiging van een rechter-commissaris noodzakelijk die niet aanwezig was. De Rechtbank Den Haag verbindt echter geen sanctie aan het vormverzuim.

Ook met betrekking tot gebezigde bewijsmiddelen is de zeer uitgebreide uitspraak van de Rechtbank Den Haag interessant. Den daarbij aan de vermelding van bijzondere opsporingsmiddelen, zoals een internettap, het vorderen van gebruikers- en verkeersgegevens bij Google, betalingen met het uitwisselingskantoor van cryptocurrencies ‘AnyCoin’ en informatie over de online betalingsdienst Skrill (die enige anonimiteit aan gebruikers biedt). Leesvoer voor zowel advocaten als cybercrimebestrijders lijkt mij!

Richtlijn voor strafvordering cybercrime

Op 1 februari 2018 is de ‘Richtlijn voor strafvordering cybercrime’ gepubliceerd (Stcrt. 2018, 3271). Deze richtlijn cybercrime biedt handvaten voor de op zitting te eisen straffen.

De richtlijn ziet op de verschillende verschijningsvormen van cybercrime (o.a. computervredebreuk (artikel 138ab Sr), de DDoS aanval (artikel 138b Sr), ransomware (artikel 139d Sr), malware (artikel 350a Sr) en defacing (artikel 138ab Sr) en bevat criteria aan de hand waarvan in individuele zaken een strafeis geformuleerd kan worden.

De richtlijn onderscheidt daarnaast de volgende categorieën:

  • Cybercrime in de relatiesfeer (ex-partners, ex-werknemers, etc.)
  • Cybercrime met als oogmerk diefstal van vermogen (diefstal internetbankieren, art. 139d Sr, crypto/ransomware)
  • Cybercrime met als oogmerk het overnemen van gegevens ((bedrijfs)spionage, tentamenfraude, etc)
  • Cybercrime met een ideologisch (niet zijnde terroristisch) oogmerk (DDos, art. 350a Sr, defacing)

In de richtlijn worden hoofdzakelijk taakstraffen met een voorwaardelijke gevangenisstraf voorgeschreven. Er is een tabel voor cybercrime eenmaal gepleegd en een tabel voor meermalen gepleegd. Het is overigens opvallend dat geen richting wordt gegeven met betrekking tot de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheid op internet, waar in de praktijk veel onduidelijkheid over staat.

De richtlijn lijkt hard nodig te zijn nu tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid naar voren kwam dat het oplossingspercentage 6% en het ophelderingspercentage slechts 8% bedraagt (peilmaand oktober 2017. Het oplossingspercentage wil zeggen het aantal verdachten dat wordt doorgeleid naar het Openbaar Ministerie, afgezet tegen de geregistreerde criminaliteit. Het ophelderingspercentage wil zeggen het aantal misdrijven waarbij de politie een verdachte aan een zaak heeft gerelateerd, afgezet tegen het aantal geregistreerde misdrijven.

Publicatie ENISA rapport over cybercrime

Op 15 januari 2018 heeft het Europese cybersecurityagentschap ENISA een interessant rapport  gepubliceerd over cybersecuritydreigingen. In het rapport worden de bevindingen van een grote hoeveelheid andere rapporten van cybersecuritybedrijven geanalyseerd en de resultaten daarvan gepresenteerd. Het rapport biedt ook enige technische diepgang.

In het rapport wordt er op gewezen dat in 2017 cybercriminelen de grootste bedreiging op het gebied van cybersecurity vormen. Twee derde van de aanvallen zijn van deze actor afkomstig. Hierbij wordt opgemerkt dat in plaats dat zij zeer massale meer ongerichte malware-aanvallen uitvoeren, cybercriminelen nu vaker op zoek gaan naar (financieel) aantrekkelijke doelwitten en daar gerichte aanvallen op uitvoeren. Cybercriminelen verdienen daarnaast volgens ENISA veel geld met advertentiefraude (clicks genereren en daarmee geld verdienen) en het leveren van diensten voor andere cybercriminelen (cybercrime-as-a-service). Volgens ENISA is er een toenemende interactie tussen cybercriminelen en statelijke actoren bij het uitvoeren van aanvallen. De ‘insider-dreiging’ (medewerkers van bedrijven of instellingen) worden als tweede grootste bedreiging geïdentificeerd. ENISA zegt dat het motief bij deze interne actoren in de regel financieel van aard is.

Statelijke actoren worden als derde grootste bedreiging gesignaleerd. Staten maken van computers en internet gebruik voor bijvoorbeeld economische spionage en om aan (politieke) beïnvloeding te doen. ENISA wijst er op dat steeds meer staten investeren in de “cybercapaciteiten” van overheidsinstanties en dit leidt tot een grotere cybersecuritybedreiging leidt. Ook wordt ondersteuning gevonden voor de claim dat deze statelijke actoren vaker dan andere actoren gebruik maken van zero day-kwetsbaarheden bij hun aanvallen. Het lekken van deze zero days kan op zijn beurt grote gevolgen hebben, zoals de WannaCry-aanval laat zien.

De meest in het oog springende resultaten met betrekking tot cybercrime zou ik als volgt samenvatten:

  1. Toename in ernst en complexiteit van aanvallen

In het algemeen wordt er op gewezen dat cybercrime in enge zin – kort gezegd (1) computervredebreuk (hacken), (2) de verspreiding van malware en (3) ddos-aanvallen – in ernst en complexiteit stijgt. Interessant is bijvoorbeeld de stijging in ‘clickless’ malware, waarbij geen interactie (zoals een klik op een knop of bestand) is vereist ten behoeve van de installatie van malware en de verdere verspreiding ervan. In het rapport wordt ook gewezen op het gebruik van kwetsbaarheden in webbrowsers (incl. plugins) en kwaadaardige linkjes via phishingmails als populaire infectiemethode.

In het rapport uiteraard ook gewezen op de stevige stijging van malware-incidenten en zeer zware ddos-aanvallen die zijn uitgevoerd met behulp van het Mirai-botnet (dat misbruik maakt van kwetsbare IoT-apparaten). De dos-aanval op DNS-provider Dyn leidde tot grote en merkbare schade door het tijdelijk uitvallen van populaire diensten zoals Netflix.

ENISA komt tot de zorglijke conclusie het opsporen van de daders achter aanvallen (zoals criminelen en statelijke actoren) “welhaast onmogelijk” is en de acties en motieven van de aanvallen achteraf vaak onduidelijk blijven. Dat maakt het op zijn beurt volgens het agentschap bijzonder moeilijk de actoren achter cyberaanvallen en werkwijze te profileren.

De Nederlandse politie krijgt nog een “eervolle vermelding”  (afhankelijk hoe je het bekijkt) van een ‘sophisticated, yet risky way to prosecute cyber-criminal offences’ in het kader van het overnemen van de Hansa-marktplaats op het darkweb.

  1. Ransomware

Ransomware wordt een ‘prominent threat’ genoemd. In het rapport wordt mooi weergegeven wat de tijdlijn is geweest met betrekking tot de WannaCry-aanval die in Nederland tot uitval van (onder andere) de Tweede Maasvlakte heeft geleid.

Ten slotte werd een interessant nieuwe trend genoemd waarbij gespecialiseerde ransomware zich richt op medische apparaten. Als deze onbruikbaar worden kan dit natuurlijk ook (meestal indirect) de gezondheid van mensen in gevaar brengen. Dit past in de genoemde trend in het rapport waarbij meer gerichte ransomware aanvallen plaatsvinden om geld af te persen van bedrijven of overheidsinstellingen.

ENISA rapport over cybersecurity dreigingen

Posted on 04/02/2018 op Oerlemansblog

Op 15 januari 2018 heeft het Europese cybersecurityagentschap ENISA een interessant rapport gepubliceerd over cybersecuritydreigingen. In het rapport worden de bevindingen van een grote hoeveelheid andere rapporten van cybersecuritybedrijven geanalyseerd en de resultaten daarvan gepresenteerd. Het rapport biedt ook enige technische diepgang. In deze blog post deel ik de zaken die mij uit het rapport opvielen.

Algemeen

In het rapport wordt er op gewezen dat in 2017 cybercriminelen de grootste bedreiging op het gebied van cybersecurity vormen. Twee derde van de aanvallen zijn van deze actor afkomstig. Hierbij wordt opgemerkt dat in plaats dat zij zeer massale meer ongerichte malware-aanvallen uitvoeren, cybercriminelen nu vaker op zoek gaan naar (financieel) aantrekkelijke doelwitten en daar hier gerichte aanvallen op uitvoeren. Cybercriminelen verdienen daarnaast volgens ENISA veel geld met advertentiefraude (clicks genereren en daarmee geld verdienen) en het leveren van diensten voor andere cybercriminelen (cybercrime-as-a-service). Volgens ENISA is er een toenemende interactie tussen cybercriminelen en statelijke actoren bij het uitvoeren van aanvallen.

De ‘insider-dreiging’ (medewerkers van bedrijven of instellingen) worden als tweede grootste bedreiging geïdentificeerd. ENISA zegt dat het motief bij deze interne actoren in de regel financieel van aard is.

Statelijke actoren worden als derde grootste bedreiging gesignaleerd. Staten maken van computers en internet gebruik voor bijvoorbeeld economische spionage en om aan (politieke) beïnvloeding te doen. ENISA wijst er op dat steeds meer staten investeren in de “cybercapaciteiten” van overheidsinstanties en dit leidt tot een grotere cybersecurity leidt. Ook wordt ondersteuning gevonden voor de claim dat deze statelijke actoren vaker dan andere actoren gebruik maken van zero day-kwetsbaarheden bij hun aanvallen. Het lekken van deze zero days kan op zijn beurt grote gevolgen hebben, zoals de WannaCry-aanval laat zien.

Op p. 98 van het rapport is een mooi overzicht van de betrokken actoren en hun manier van werken te vinden.

Cybercrime-specifiek

De meest in het oog springende resultaten met betrekking tot cybercrime zou ik als volgt samenvatten:

  1. Toename in ernst en complexiteit van aanvallen

In het algemeen wordt er op gewezen dat cybercrime in enge zin – kort gezegd (1) computervredebreuk (hacken), (2) de verspreiding van malware en (3) ddos-aanvallen – in ernst en complexiteit stijgt. Interessant is bijvoorbeeld de stijging in ‘clickless’ malware, waarbij geen interactie (zoals een klik op een knop of bestand) is vereist ten behoeve van de installatie van malware en de verdere verspreiding ervan. In het rapport wordt ook gewezen op het gebruik van kwetsbaarheden in webbrowsers (incl. plugins) en kwaadaardige linkjes via phishingmails als populaire infectiemethode.

In het rapport uiteraard ook gewezen op de stevige stijging van malware-incidenten en zeer zware ddos-aanvallen die zijn uitgevoerd met behulp van het Mirai-botnet (dat misbruik maakt van kwetsbare IoT-apparaten). De dos-aanval op DNS-provider Dyn leidde tot grote en merkbare schade door het tijdelijk uitvallen van populaire diensten zoals Netflix.

ENISA komt tot de zorglijke conclusie het opsporen van de daders achter aanvallen (zoals criminelen en statelijke actoren) “welhaast onmogelijk” is en de acties en motieven van de aanvallen achteraf vaak onduidelijk blijven. Dat maakt het op zijn beurt volgens het agentschap bijzonder moeilijk de actoren achter cyberaanvallen en werkwijze te profileren.

De Nederlandse politie krijgt nog een “eervolle vermelding”  (afhankelijk hoe je het bekijkt) van een ‘sophisticated, yet risky way to prosecute cyber-criminal offences’ in het kader van het overnemen van de Hansa-marktplaats op het darkweb.

  1. Ransomware

Ransomware wordt een ‘prominent threat’ genoemd. In het rapport wordt mooi weergegeven wat de tijdlijn is geweest met betrekking tot de WannaCry-aanval die in Nederland tot uitval van (onder andere) de Tweede Maasvlakte heeft geleid. Het verwonderd mij overigens dat de regering in een Kamerbrief laat weten dat deze aanval niet ‘maatschappelijk ontwrichtend’ is geweest. Welke aanvallen zijn dat dan wel, vraag ik mij af. En wat voor een rol speelt het NCSC hierbij nu precies? Is deze enigszins effectief?

Ten slotte werd een interessant nieuwe trend genoemd waarbij gespecialiseerde ransomware zich richt op medische apparaten. Als deze onbruikbaar worden kan dit natuurlijk ook (meestal indirect) de gezondheid van mensen in gevaar brengen. Dit past in de genoemde trend in het rapport waarbij meer gerichte ransomware aanvallen plaatsvinden om geld af te persen van bedrijven of overheidsinstellingen.

Drugshandel, witwassen en darknet markets

In de afgelopen maanden zijn weer verschillende zaken geweest met veroordelingen voor drugshandel via het dark web en/of het witwassen van de verkregen gelden via Bitcoin.

Allereerst is de uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2017:10225) van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2017 interessant. In deze zaak handelde de verdachte via localbitcoins.net in bitcoins in ruil voor geld. Nadat het contact tussen verdachte en de bitcoin-eigenaren was gelegd via Twitter of Telegram, werden de bitcoins door de eigenaren overgeschreven, ofwel naar de wallet van verdachte ofwel naar de wallet van de Bitcoin verkoopmaatschappijen Bitonic of Coinvert. Bitonic en Coinvert betaalden de verkoopprijs uit per bank en maakte de bedragen telkens over naar de bankrekeningen van verdachte of van twee van zijn ex-vriendinnen. In totaal is er in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 447.882,65 naar deze bankrekeningen overgemaakt.

De stortingen van de bitcoingelden op de bankrekeningen van verdachte en [naam medeverdachte] hebben ertoe geleid dat SNS Bank drie meldingen van verdachte transacties heeft gemaakt bij FIU‑Nederland. Naar aanleiding van deze melding is onderzoek gedaan naar de door verdachte omgewisselde Bitcoinadressen. Uit dat onderzoek, dat is uitgevoerd met behulp van het programma ‘Chainalysis’, blijkt dat meer dan de helft van de bitcoins binnen één of twee tussenstappen is terug te voeren naar darkweb markten. De rechtbank gaat uit van de juistheid van die resultaten en constateert dat een deel van de door verdachte verhandelde bitcoins gelieerd zijn aan darkweb markten.

De rechtbank gaat niet mee met de officier van justitie dat er sprake is van witwassen als gronddelict. De rechtbank deelt wel het standpunt van de officier van justitie dat darkweb markten in de regel worden gebruikt voor criminele doeleinden en dat daarbij bitcoins worden gebruikt als betaalmiddelen.Uit het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte wist, of daar ernstig rekening mee moest houden, dat de bitcoins die hij verhandelde afkomstig waren van darkweb markten en dus dat het criminele bitcoins waren. Wel is er volgens de rechtbank sprake van een vermoeden was dat de bitcoins afkomstig waren uit enig misdrijf en er aldus een vermoeden van witwassen bestaat. De verdachte wordt veroordeeld voor twintig maanden gevangenisstraf.

Op 24 januari 2018 is door de rechtbank Midden-Nederland een 24-jarige man veroordeeld (ECLI:NL:RBMNE:2018:234) tot een gevangenisstraf van zes jaar voor internationale drugshandel met gebruik van Darknet-markets (Alphabay) en witwassen. Alphabay is lange tijd het meest populaire darknet market voor drugshandel geweest. 

Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte door opsporingsambtenaren in de gaten is gehouden. Deze activiteiten van de verdachte wegen mee als bewijs. Zo wordt opgemerkt: Door het profiel ‘[gebruikersnaam]’ waren in totaal 31 advertenties geplaatst.De titels van deze advertenties bevatten onder meer de volgende teksten: “50g MDMA Very High Quality”, “50x 100 Dollar Bills Green Very High Quality”.

In de uitspraak wordt opgemerkt dat de verdachte een stichting had opgericht voor de uitbetalingen van cash geld in ruil voor bitcoins. In de uitspraak staat:

“Op 16 januari 2016 werden bij het bedrijf Bitonic alle transacties gevorderd die betrekking hadden op de negen betrokken bankrekeningen op naam van Stichting [stichting]. Uit de uitgeleverde informatie bleek dat over de periode van 26 maart 2015 tot en met 14 november 2016 voor € 501.165,38 aan bitcoins waren verzilverd. Alle negen rekeningen bleken, hoewel bij Bitonic voorzien van verschillende namen, volgens de verstrekking van de ING-bank op naam te staan van rekeninghouder Stichting [stichting]”.

Door de politie is ook onderzoek gedaan naar de bitcoinadressen die door verdachte werden gebruikt. Door middel van analyse met behulp van het programma Chainalysis blijkt dat er veel betalingen en ontvangsten van en/of naar deze adressen via zogenaamde mixers liepen. Een mixer wordt aangeboden door diverse partijen. Deze stellen een bitcoinadres ter beschikking waar men bitcoins op kan storten. De mixer betaalt vervolgens deze bitcoins terug aan de klant na aftrek van een kleine ‘fee’. De bitcoins worden op een groot aantal verschillende bitcoinadressen gestort. In totaal werden 430 bitcoinadressen ingevoerd in Chainalysis. Naast het gebruik van mixerdiensten bleek dat er een aantal transacties gelinkt was aan Darknet Markets. Daarmee is sprake van een aantal witwastypologieën. Niet alleen staan de transacties niet in verhouding tot de inkomsten van verdachte, maar er is ook geen legale economische verklaring voor de gewisselde valutasoorten, er zijn grote geldbedragen contant opgenomen en zonder noodzaak voorhanden gehouden en er is gebruik gemaakt van bitcoinmixers.

Ook een andere verdachte wordt in deze zaak veroordeeld, bijvoorbeeld een 26-jarige vrouw voor schuldwitwassen. Zij heeft ruim 130.000 euro crimineel geld in haar bezit gehad en uitgegeven. De rechtbank oordeelt dat zij had moeten weten dat dit geld een criminele herkomst had.

Enkele veroordelingen voor phishing

Het Hof Amsterdam en de rechtbank Den Haag hebben in november en december enkele verdachten veroordeeld voor grootschalige phishing. Door het Hof Amsterdam is een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2017:4753) voor het versturen van 132.260 phishing e-mails en het hacken van 9 websites. Daarbij werd gebuikt gemaakt van de programma’s  ‘Gre3nox’, welk programma gebruikt wordt om kwetsbaarheden in websites op te sporen en ‘Havij’, welk programma gebruikt wordt om databases van websites te hacken door middel van SQL-injecties.

De verdachte richtte zich in zijn mails op gebruikers van de creditcardmaatschappij ICS, waarbij de inlogpagina van de dienstverlener werd nagemaakt om inloggegevens af te vangen. Gezien de op de laptop en de SD-kaart aangetroffen bestanden met betrekking tot phishingwebsites en de in de internetcache aangetroffen gegevens, vond het Hof het aannemelijk dat deze phishing e-mailberichten van de verdachte afkomstig waren. Opvallend is overigens de vermelding dat de verdachte gebruik maakte van het internet van zijn buurvrouw, waardoor de politie op een dwaalspoor werd gezet.  De verdachte is veroordeeld voor 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 15 maanden voorwaardelijk.

Op 22 december 2017 zijn door de Rechtbank Den Haag verschillende verdachte veroordeeld voor computervredebreuk, diefstal en grootschalige oplichting van consumenten door elektronica aan te bieden via namaakwebshops. Op basis van anonieme tips en andere informatie zijn de verdachten op 18 mei 2015 door de politie aangemerkt als mogelijke plegers van dergelijke vormen van internetoplichting.

De verdachten hebben met gephishte gegevens ingelogd op Admarkt- en reguliere Marktplaatsaccounts en daarop andere advertenties geplaatst, die verwezen naar namaakwebshops. Deze namaakwebshops waren afgeleid van webshops van bedrijven zoals BCC, Dixons, Simyo en Topprice. De namaakwebshops waren niet of nauwelijks van de echte webshops te onderscheiden. Soms waren adressen, telefoonnummers, BTW- en KvK-nummers van het reguliere bedrijf overgenomen en altijd bestond er een contactmogelijkheid via e-mail of door middel van een chatfunctionaliteit. De producten werden op professionele wijze gepresenteerd. Consumenten hadden nadat zij via een betrouwbaar ogende advertentie op Marktplaats werden doorgelinkt naar de namaakwebshop, dan ook niet door dat zij op een frauduleuze website waren beland.

De koopprijs van producten werd door consumenten betaald op een door verdachte opgegeven rekeningnummer, meestal via iDEAL of een andere betaaldienstverlener. De bestelde producten werden daarna niet geleverd en verdachte heeft ook nooit de intentie gehad die te leveren. Met twee anderen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de hack van Scrypt.cc, met grote schade tot gevolg.

Het beroep van de raadsman van de verdachte op het ‘Smartphone-arrest’ van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:588) slaagde in dit geval, omdat zich een ernstige privacy-inmenging heeft voorgedaan door het diepgravende onderzoek waarbij het hele privéleven van de verdachte bloot komt te liggen. Daarvoor is een machtiging van een rechter-commissaris noodzakelijk. De Rechtbank verbindt echter geen sanctie aan het vormverzuim.

Ook met betrekking tot gebezigde bewijsmiddelen is de zeer uitgebreide uitspraak van de Rechtbank Den Haag interessant, vanwege de vermelding van bjzondere opsporingsmiddelen, zoals een internettap, het vorderen van gebruikers- en verkeersgegevens bij Google, betalingen met het uitwisselingskantoor van cryptocurrencies ‘AnyCoin’ en informatie over de online betalingsdienst Skrill (die enige anonimiteit aan gebruikers biedt). De medeverdachten zijn veroordeeld voor het medeplegen van feiten, zoals het verkrijgen van inloggegevens door middel van phishing en het fungeren als katvanger door betaalrekeningen beschikbaar te stellen.

Leidraad sexting

Sinds 1 november 2017 is de leidraad sexting (.pdf) gepubliceerd. De leidraad is noemenswaardig, omdat de politie en het Openbaar Ministerie steeds vaker worden geconfronteerd met sextingzaken. Sexting is eenvoudig gesteld het vervaardigen en verspreiden van seksueel getint materiaal.

Als bij sexting een minderjarige betrokken is, is sprake van het vervaardigen, verspreiden of bezitten van kinderpornografie (art. 240b Sr). Er is echter een grote variatie in de ernst van deze sextingzaken, die onder andere gerelateerd is aan de mate van vrijwilligheid waarmee het beeldmateriaal tot stand is gekomen, de aard van het beeldmateriaal, de wijze en mate van verspreiding en de relatie tussen de betrokkenen. Daardoor valt de gedraging juridisch vaak tevens onder andere strafbaarstellingen. De leidraad maakt inzichtelijk op basis van welke criteria bepaald kan worden wat de mate en wijze van onderzoek en vervolgens de afdoening van deze zaken door politie en OM kan zijn.

In de leidraad staat onder andere dat een strafrechtelijke vervolging niet opportuun is in het geval alles op basis van vrijwilligheid tussen twee minderjarigen gebeurt. Strafrechtelijke vervolging ligt daarentegen meer voor de hand als er sprake is van bedreiging, afpersing, misleiding of intimidatie.  De gedraging kan dan eventueel worden gekwalificeerd als belediging (artikel 266 Sr) of smaad (artikel 261 Sr).

Bij een minderjarige verdachte dienen ook de gevolgen van een vervolging te worden meegewogen bij het nemen van een vervolgingsbeslissing, zoals  een aantekening als zedendelinquent op de justitiële documentatie. Als gevolg daarvan kan een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) in de toekomst worden geweigerd. In minder ernstige gevallen kan ook worden volstaan met de nieuwe HALT interventie ‘Sexting: Respect Online’.