Bron: afbeelding gegenereerd met Dall-E (prompt: A realistic digital illustration depicting bank helpdesk fraud and crypto scams via social media influencers)
Fraude door middel van crypto-investeringen
De cybercrimekamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 januari 2025 vijf mannen veroordeeld voor onder andere verschillende vormen van online oplichting, computervredebreuk en witwassen. De rechtbank legde celstraffen op variƫrend van 8 tot 36 maanden. Daarnaast moeten de mannen gezamenlijk meer dan 600.000 euro aan schadevergoedingen betalen. Bovendien is hen een betalingsverplichting van ruim driehonderdduizend euro aan de Staat opgelegd, als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zie ook het persbericht, Celstraffen en schadevergoedingen voor cybercriminaliteit.
De slachtoffers werden gebeld door iemand die zich voordeed als een bankmedewerker en hen wees op een verdachte transactie of een ander probleem met hun rekening. In meerdere gevallen werden de slachtoffers overtuigd om geldbedragen van hun spaarrekening over te boeken naar hun lopende rekening, waarna deze bedragen werden doorgestort naar een zogenaamde ākluisrekeningā of ādepositorekeningā. In werkelijkheid betrof dit een rekening op naam van een katvanger (āmoney muleā).
Deze money mules kwamen via een promotiefilmpje van een āinfluencerā op Snapchat in contact met verschillende Snapchataccounts. In deze zaak was de verdachte verantwoordelijk voor deze accounts. In het promotiefilmpje werd geĆÆnteresseerden gevraagd hun bankrekening beschikbaar te stellen. Wie hierop inging, kwam in gesprek met de gebruiker van de betreffende Snapchataccounts. De potentiĆ«le money mule kreeg vervolgens een āpitchā te zien waarin werd beloofd dat hij of zij 25 tot 40% zou ontvangen van het bedrag dat naar zijn of haar rekening werd overgemaakt. In werkelijkheid kregen velen helemaal niets en verloren zij zelfs hun eigen spaargeld. Vervolgens kreeg een loopjongen of āpinnerā de beschikking over de pinpas en inloggegevens van de money mule. In korte tijd werden grote geldbedragen gepind en goederen aangeschaft.
De verdachte is veroordeeld voor het witwassen van ruim ⬠500.000. De rechtbank past daarbij het volwassenstrafrecht toe op de verdachte. Zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de jeugdreclassering adviseerden toepassing van het sanctierecht voor volwassenen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte gedurende langere tijd een groot aantal strafbare feiten heeft gepleegd. Daarnaast heeft hij, direct na een eerdere veroordeling door de rechtbank Den Haag, opnieuw soortgelijke delicten begaan. Volgens de rechtbank wijst dit op een “pro-criminele levenshouding”. De verdachte lijkt bovendien niet open te staan voor pedagogische beĆÆnvloeding en is al eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. De verdachte wordt daarop veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en moet verschillende schadevergoedingen betalen.
Principiƫle overwegingen n.a.v. het arrest Landeck
De principiƫle overwegingen van het gerechtshof over het onderzoek van een smartphone zonder toestemming van de rechter-commissaris zijn met name interessant, mede in het licht van het Landeck-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) (ECLI:EU:C:2024:830). De verdediging voerde aan dat de smartphone (een iPhone XS) van de verdachte in beslag was genomen en volledig (geautomatiseerd) werd uitgelezen.
Het hof stelt met de verdediging vast dat inderdaad sprake was van een uitvoerig en intensief onderzoek van de telefoon. Dit onderzoek omvatte onder meer:
Het bekijken van fotoās, waaruit onder andere informatie over het gezinsleven van de verdachte naar voren kwam.
Het lezen van notities van de verdachte, waaronder informatie over zijn ernstig zieke moeder.
Het in kaart brengen van e-mailadressen en het koppelen van telefoonnummers aan andere informatie.
Het bekijken van chatgesprekken.
Het vinden van een boardingpass met reisgegevens.
Het analyseren van de internetgeschiedenis.
Het bekijken en integraal opnemen in het dossier van een notitie met de titel āmy lifeā, waarin privacygevoelige informatie stond over het gezinsleven en medische gegevens van de verdachte.
Het hof stelt voorop dat uit de zogeheten Smartphone-arresten (HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, ECLI:NL:HR:2017:588 en ECLI:NL:HR:2017:592) volgt dat voor het verrichten van onderzoek aan gegevens van een in beslag genomen geautomatiseerd werk of digitale gegevensdrager een getrapte bevoegdheidstoedeling geldt. Dit betekent dat:
Een opsporingsambtenaar onderzoek mag verrichten indien op voorhand te voorzien is dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt zal zijn.
De officier van justitie (door of namens deze) onderzoek mag verrichten indien op voorhand te voorzien is dat sprake zal zijn van een meer dan beperkte inbreuk.
De rechter-commissaris (door of namens deze) toestemming moet geven indien op voorhand te voorzien is dat de inbreuk zeer ingrijpend zal zijn.
Waar het hof eerder (in het arrest van 20 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2538) nog overwoog dat dit beoordelingskader in voldoende mate tegemoetkwam aan de door het HvJ EU verlangde waarborgen bij onderzoek aan gegevens, moet, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, de vraag worden beantwoord of dat na het arrest van het HvJ EU in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830) nog steeds het geval is.
Kort gezegd, luidt het antwoord dat in dit geval toestemming van de rechter-commissaris noodzakelijk was voor het onderzoek aan de telefoon. Omdat die toestemming ontbrak, is sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv.
Bij de beoordeling of aan deze schending een rechtsgevolg moet worden verbonden, moet het hof overwegen of: (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel van de schending had ondervonden, (b) dit nadeel was veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt was voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering, in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim, gerechtvaardigd was.
Het hof concludeerde dat als de rechter-commissaris om toestemming was gevraagd, hij deze zonder nadere beperkingen had kunnen verlenen. De verdachte was door het vormverzuim dus niet in een nadeliger positie geraakt. Daarom oordeelde het hof dat bewijsuitsluiting, noch strafvermindering, een gerechtvaardigd rechtsgevolg is. Daarom volstaat het hof met de constatering van het vormverzuim.
Rol van Nederlandse opsporingsinstanties in het Exclu-onderzoek
In een tussentijdse beslissing in hoger beroep (ECLI:NL:GHDHA:2025:274) van 21 januari 2025 verduidelijkt het gerechtshof Den Haag de rol van de Nederlandse opsporingsinstanties in het Exclu-onderzoek. Daarnaast bevat de uitspraak interessante overwegingen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Het hof overweegt ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel het volgende. Beslissingen van rechters van de aangezochte autoriteit (Duitsland) hebben betrekking op de rechtmatigheid van de Duitse tenuitvoerlegging van het door Nederland uitgevaardigde Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB). De Nederlandse strafrechter komt daarover in beginsel geen oordeel toe (HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 6.16.3). Van belang is ook dat volgens de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat Nederlandse opsporingsambtenaren aanwezig mochten zijn bij de uitvoering van een onderzoekshandeling door een buitenlandse autoriteit, of dat zij technische assistentie verleenden, niet betekent dat de betreffende onderzoekshandelingen onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse opsporingsautoriteiten hebben plaatsgevonden (HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 6.18). Evenmin kan uit het feit dat vanuit Nederland onderzoekshandelingen met grensoverschrijdende invloed zijn verricht (zoals het binnendringen in een zich in het buitenland bevindend geautomatiseerd werk), worden afgeleid dat deze handelingen onder Nederlandse verantwoordelijkheid vielen (HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192).
De verdediging heeft betoogd dat Nederland verantwoordelijk is voor de in de onderzoeken 26Samber en 26Lytham verrichte onderzoekshandelingen. Volgens de raadsman heeft Nederland niet slechts EOBās uitgevaardigd, maar ook zelfstandig onderzoekshandelingen in Duitsland uitgevoerd.
Het hof overweegt hierover dat uit de bewoordingen van het EOB, inzake de machtiging ex artikel 126uba Sv van de rechter-commissaris van 26 augustus 2022, volgt dat aan de Duitse autoriteiten is verzocht om Nederlandse opsporingsambtenaren toestemming te verlenen om vanaf Nederlands grondgebied binnen te dringen in een zich in Duitsland bevindende Exclu-berichtenserver. Tevens is verzocht om technische bijstand te mogen verlenen bij de plaatsing en monitoring van het interceptiemiddel. Daarnaast staat in het EOB vermeld dat de ontsleuteling van de Exclu-berichten in Nederland zal plaatsvinden. Het hof constateert op basis van het dossier dat de Nederlandse politie (team DIGIT) de in het Exclu-communicatieprotocol toegepaste versleuteling heeft geanalyseerd en ongedaan heeft gemaakt. Zoals door de advocaat-generaal ter terechtzitting is bevestigd, had Nederland een ‘leidende rol’ over dit onderdeel van de Exclu-operatie. Daaruit blijkt van een vergaande vorm van technische bijstand door Nederland met betrekking tot de voor de ontsleuteling van de Exclu-berichten benodigde onderzoekshandelingen.
De advocaat-generaal heeft uitdrukkelijk erkend dat Nederlandse opsporingsambtenaren in het Exclu-onderzoek zelfstandig opsporingshandelingen hebben verricht. Hij heeft hun rol zelfs als āleidendā bestempeld. Het dossier bevat een grote hoeveelheid stukken, waaronder vorderingen tot machtiging ex artikel 126uba Sv, beslissingen van de rechter-commissaris, bevelen van de officier van justitie, EOBās en processen-verbaal van politie, waarin gedetailleerd wordt omschreven welke onderzoekshandelingen zijn verricht. Het gerechtshof overweegt daarop dat de onderzoekshandelingen onder de verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten hebben plaatsgevonden. Het hof acht het vertrouwensbeginsel ook in deze omstandigheden onverkort van toepassing.
De verdediging heeft verzocht om specificering van het onderzoek dat de Nederlandse autoriteiten op Duits grondgebied hebben uitgevoerd. Het hof is van oordeel dat uit het algemeen proces-verbaal 26Lytham voldoende duidelijk blijkt welke onderzoekshandelingen zijn verricht. Tegen deze achtergrond acht het hof het verzoek van de verdediging onvoldoende specifiek en wijst het af. Wel wordt het verzoek tot verstrekking van alle EOBās in het kader van dit onderzoek toegewezen. Bijna alle andere verzoeken worden verder afgewezen, met uitzondering van een proces-verbaal van het Team High Tech Crime en een observatieverslag. Na de verstrekking van deze stukken zal de strafzaak verder gaan.
Medeplegen van cybercriminaliteit door hosting provider
Op 21 februari 2025 heeft de rechtbank Rotterdam een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2025:2488) voor medeplichtigheid en medeplegen van computervredebreuk via een hostingprovider. Volgens de rechtbank heeft de verdachte met zijn dienstverlening een Mirai-botnetinfrastructuur gefaciliteerd, waarmee cybercriminelen onder meer DDoS-aanvallen konden uitvoeren. Daarnaast zijn via de servers van de verdachte ten minste drie geautomatiseerde werken wederrechtelijk binnengedrongen, al zijn er aanwijzingen dat dit in werkelijkheid op grotere schaal heeft plaatsgevonden.
Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was de verdachte, samen met zijn medeverdachte, aandeelhouder en bestuurder van een hostingbedrijf. De servers van [medeverdachte rechtspersoon] bevonden zich in een datacentrum in Amsterdam en werden verhuurd aan klanten. Op 1 en 18 april 2019 ontving de politie van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) meldingen dat de hostingprovider mogelijk via het aan hen toebehorende IP-block een Mirai-afgeleide DDoS-botnetinfrastructuur faciliteerde, en dat er vanaf dit IP-block meer dan 30.000 DDoS-aanvallen waren uitgevoerd. Het Mirai-computervirus infecteert computers en maakt deze onderdeel van een botnet.
De rechtbank stelt vast dat de hostingprovider sinds 31 januari 2018 verantwoordelijk was voor dit IP-block (bestaande uit 256 IP-adressen). Uit onderzoek blijkt dat tussen 5 juni 2018 en 25 juli 2019 bij URLHaus (een organisatie die abusemeldingen verzamelt en openbaar maakt) 3.772 meldingen over dit IP-block zijn ingediend. Van de 2.740 malware-samples die konden worden veiliggesteld, zijn 2.372 geclassificeerd als Mirai. Verder blijkt dat 61 van de 256 IP-adressen in het IP-block in de periode van 10 februari 2018 tot 11 september 2019 Mirai-gerelateerd waren. The Spamhaus Project (een organisatie vergelijkbaar met URLHaus) classificeerde het IP-block als malafide. Bovendien zijn vanaf verschillende IP-adressen binnen het IP-block Mirai-aanvallen en een ransomware-aanval uitgevoerd, waarbij wederrechtelijk is binnengedrongen in geautomatiseerde werken. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat via de door [medeverdachte rechtspersoon] ter beschikking gestelde servers en IP-adressen een Mirai-botnet is gehost (feit 2) en computervredebreuk is gepleegd (feit 1).
Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de verdachte en zijn medeverdachten medeplichtig waren aan deze strafbare feiten. Voor medeplichtigheid moet niet alleen worden bewezen dat de verdachten opzet hadden op het ter beschikking stellen van de desbetreffende servers en IP-adressen, maar ook dat hun opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) gericht was op de door de daders gepleegde gronddelicten: het hacken en het hosten/verspreiden van het Mirai-botnet.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachten op de hoogte waren van de geldende gedragscode, maar zich hier niet aan hebben gehouden. Uit verklaringen blijkt dat zij wisten dat misbruik werd gemaakt van hun servers. Zo ontving een NAS-server tussen 18 maart en 1 oktober 2019 in totaal 8.012 e-mails, waarvan 138 betrekking hadden op āMiraiā en gerelateerd waren aan het IP-block. Dagelijks kwamen meldingen over Mirai binnen. De rechtbank oordeelt dat de verdachten onvoldoende actie hebben ondernomen om dit misbruik te bestrijden.
Daarnaast blijkt uit onderzoek naar de klanten van [medeverdachte rechtspersoon] dat zij diensten konden afnemen zonder authentieke contactgegevens te verstrekken. Klanten gebruikten bijvoorbeeld e-mailadressen die te relateren zijn aan cybercriminaliteit, betaalden anoniem via bitcoins en gaven niet-bestaande adressen op, zoals ‘420 Hacktown’. Ook blijkt uit de communicatie tussen de verdachten en hun klanten dat malafide klanten bewust werden toegelaten. Zo geven reacties op klanttickets aan dat [medeverdachte rechtspersoon] āDDoSā en āspoofingā toestaat zolang dit geen problemen oplevert, en dat ābotnetsā en ābinsā toegestaan zijn mits ze verborgen blijven. In sommige gevallen werd klanten zelfs uitgelegd hoe āmalware binariesā het beste konden worden verborgen. Toen een pseudokoper van de politie op 12 september 2019 vroeg of er gecontroleerd werd op abuse-rapporten, luidde het antwoord dat dit niet gebeurde.
Gelet op deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachten bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hun servers en IP-adressen gebruikt zouden worden voor het verspreiden van een Mirai-botnet en voor computervredebreuk. De rechtbank acht de verdachte in deze zaak schuldig aan medeplegen en medeplichtigheid aan computervredebreuk door het beschikbaar stellen van de daarvoor benodigde middelen.
De verdachte in de onderhavige had een kleinere rol dan zijn medeverdachte. Hoewel een gevangenisstraf passend wordt geacht, houdt de rechtbank rekening met persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop. Daarom wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden opgelegd, een taakstraf van 180 uur, met een proeftijd van twee jaar. De medeverdachte, die binnen het bedrijf verantwoordelijk was voor sales en klantencontacten en volgens de rechtbank een grotere rol speelde, krijgt een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opgelegd (zie ECLI:NL:RBROT:2025:2492).
Bron: dit is met AI een door WordPress gegenereerde afbeelding met als thema “digitale opsporing”
(JJO: en LOL om het mondkapje)
Geen sprake van een vormverzuim bij toegang tot Whatsappgroep
Op donderdag 7 november 2024 werd in de Johan Cruijff ArenA in Amsterdam een voetbalwedstrijd gespeeld tussen Ajax en Maccabi Tel Aviv FC uit Israƫl. Zowel voorafgaand aan als na afloop van die wedstrijd zijn er rond de ArenA en in de binnenstad van Amsterdam ongeregeldheden ontstaan. Die ongeregeldheden hebben in binnen- en buitenland veel ophef veroorzaakt, zoals is te lezen in deze reconstructie in NRC.
Ook ontstond de vraag of de politie al dan niet mag meekijken met gesprekken in Whatsappgroepen waar je alleen via een link toegang toe krijgt, voordat sprake is van een verdenking en de mededeling dat het ministerie van Justitie en Veiligheid dit beter wil regelen (zie bijvoorbeeld dit artikel in de Volkskrant). Hier heb ik zelf ook in een artikel van NRC commentaar op gegeven en gewezen op onduidelijkheden over verantwoordelijkheden en of hier nu sprake is van inlichtingenonderzoek of een opsporingsonderzoek.
Strafzaak
Ondertussen acht de rechtbank Amsterdam deze werkwijze van de politie rechtmatig (ECLI:NL:RBAMS:2024:8177) en stelt dat er geen vormverzuim heeft plaatsgevonden bij het veiligstellen van berichten uit een Whatsappgroep dat alleen via een link toegankelijk is. Ook staan er interessante overwegingen in over de gepleegde strafbare feiten. Daarom besteed in de rubriek uitgebreid aandacht aan deze uitspraak.
Vormverzuim?
De verdediging stelt dat zich een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan. Voor de deelname van de politie in de WhatsAppgroep āBuurthuis 2ā zou artikel 3 van de Politiewet 2012 onvoldoende grondslag bieden. (Deze Whatsappgroep wordt overigens in de samenvatting bij naam genoemd en door onverklaarbare redenen later in de uitspraak geanonimiseerd.) Volgens de verdediging moet de door de infiltratie verkregen data worden uitgesloten van het bewijs. Verdachte moet daarom integraal worden vrijgesproken.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van een vormverzuim geen sprake is, omdat de verbalisanten op grond van artikel 3 Politiewet bevoegd waren om deel te nemen aan de WhatsAppgroep. Op het moment dat er bij de politie signalen binnenkwamen over de wedstrijd tussen Ajax en Maccabi Tel Aviv, waren er nog geen verdenkingen van strafbare feiten. De verbalisanten hebben aan de groep deelgenomen met het doel om de openbare orde te bewaken. Van infiltratie was geen sprake. De verbalisanten hebben passief meegelezen en zij hebben slechts een beperkt aantal uren toegang gehad tot de WhatsAppgroep. Bovendien was de appgroep een openbare groep met bijna duizend mensen, die gebruik maakten van een nickname. Er werd dan ook geen volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven verkregen. Het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om de verbalisanten als getuigen te horen moet worden afgewezen.
Oordeel rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim en overweegt daartoe als volgt. In dit dossier zijn virtueel agenten ingezet. Dit zijn politiemedewerkers die op het internet informatie verzamelen, terwijl ze niet kenbaar zijn als politieagent. De politiemedewerkers werkten op basis van de algemene taakstelling van artikel 3 Politiewet en hebben daarvoor toestemming gekregen van de informatie-officier van justitie. De officier van justitie heeft tijdens de zitting toegelicht dat deze medewerkers in het kader van de handhaving van de openbare orde hebben gehandeld. De dag ervoor was onrust ontstaan in de stad en de voetbalwedstrijd werd gezien als risicovol in het kader van het handhaven van de openbare orde. Op basis van artikel 3 Politiewet mag, gelet op artikel 8 EVRM, in principe slechts een niet meer dan beperkte inbreuk op de privacy van burgers worden gemaakt.
In de uitleg van de Hoge Raad: er mag niet een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene worden verkregen (de rechtbank verwijst daarbij naar: HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:80)
Anders dan de verdediging heeft betoogd maar niet verder heeft onderbouwd, heeft de deelname van de verbalisanten in de WhatsAppgroep er niet toe geleid dat een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van leven van verdachte is verkregen. De rechtbank overweegt daartoe dat een WhatsAppgroep was met meer dan 900 deelnemers; een brede en betrekkelijk willekeurige kring van deelnemers. De verbalisanten hebben gedurende een korte tijdsperiode deelgenomen aan de groep, namelijk tussen 09:52 uur (7 november 2024) en 11:23 uur (8 november 2024). Van infiltratie als bedoeld in artikel 126h Sv was dan ook geen sprake. Er is daarom slechts sprake van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, zodat artikel 3 van de Politiewet een toereikende wettelijke grondslag bood voor het handelen van de verbalisanten. De rechtbank vindt dat hiermee niet in strijd met artikel 8 en 11 van het EVRM is gehandeld.
De rechtbank benadrukt dat voor de handelwijze van de virtueel agenten een verdenking van een strafbaar feit niet nodig was. De rechtbank komt tot de conclusie dat geen sprake is van een vormverzuim en het verweer wordt verworpen.
Strafbare feiten
In de uitspraak staan nog een aantal andere interessante overwegingen. De verbalisant heeft de berichten in de groep kunnen āmonitorenā en lezen door op een link te klikken en daarmee toegang te krijgen tot een Whatsappsgroep op 7 november 2024. De verbalisant heeft de gesprekken in de groep veiliggesteld. Op het moment van veiligstellen waren 966 deelnemers aan de groep toegevoegd.
De inhoud van de berichten speelde een rol in het bewijs en de verdachten in de strafzaak heeft op zitting verklaard zijn telefoonnummer en gebruikersnaam gekoppeld kunnen worden aan een deel van de berichten. Het gaat dan om berichten zoals de volgende:
In ā[appgroep 1]ā zijn bijvoorbeeld de volgende berichten verstuurd:
Op 7 november 2024:
Tijdstip
Afzender
Bericht
11:26 uur
ā.ā
Ik zie 3 stuks lopen hier met die sjaal ah Spuistraat
11:27 uur
ā [afzender 1] ā
Spuug op ze
11:26 uur
ā [afzender 2] ā
Steen op ze hood
11: 26 uur
[gebruikersnaam]
Knal ze neer
(..)
(..)
03:03 uur
[gebruikersnaam]
Klappen gegeven en ze tellie afgepakt
03:03 uur
[afzender 6]
Bouchansss
03:03 uur
ā.ā
soldaat
(..)
De verdachte in de onderhavige zaak wordt veroordeeld voor art. 141a Sr: āHij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen van geweld tegen personen of goederen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.ā
Artikel 141a Sr is ingevoerd om te kunnen optreden tegen groepen (voetbal)vandalen die elkaar opzoeken voor een gewelddadig treffen, zonder dat daartegen effectief kan worden opgetreden, aangezien dergelijk treffen vaak kort van tevoren wordt afgesproken. Daarmee zou een doeltreffende aanpak van in het bijzonder voetbalvandalisme worden belemmerd. De rechtbank overweegt dat onder de bestanddelen āgelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffenā, in ieder geval verstaan het via digitale communicatie bij elkaar oproepen tot een ontmoeting op een bepaalde plaats en tijd en het opzettelijk voorhanden hebben van voorwerpen. Aannemelijk is dat met de bestanddelen gelegenheid, middelen of inlichtingen aansluiting wordt gezocht bij artikel 48 Sr (medeplichtigheid), zij het dat het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen er niet primair toe strekt om te bewegen tot het plegen van geweld. Het gaat erom dat met het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen iemand op het kwade pad kan worden gebracht. Op grond van de inhoud van de berichten en de context waarin deze berichten zijn verstuurd, zoals hierboven weergegeven, stelt de rechtbank vast dat verdachte in de appgroep opzettelijk inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van geweld tegen personen van Joodse komaf en/of aanhangers van Maccabi Tel Aviv. Verdachte heeft door op de hiervoor beschreven wijze deel te nemen aan de WhatsAppgroep nauw en bewust samengewerkt met andere deelnemers in die groep. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Groepsbelediging
Ook wordt het groepsbelediging (art. 137c lid 1 Sr) door de rechtbank bewezen geacht. De rechtbank stelt op grond van de in paragraaf 5.3.1 genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte in de WhatsAppgroep ā [appgroep 1] ā de berichten āInsha allah zijn er doden gevallen bij de Jodeā, āLaffe kk jodenā en āDeze kans krijg ik miss nooit meer. Om kk joden te slaan jerusalemā heeft verstuurd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze uitlatingen, mede gezien de context waarin deze zijn gedaan, beledigend voor een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst.
Uitlating in het openbaar?
Voor bewezenverklaring van groepsbelediging als bedoeld in artikel 137c Sr moet verder vast komen te staan dat de beledigende uitlatingen in het openbaar zijn gedaan. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:952) volgt dat de volgende omstandigheden van belang zijn bij de vraag of sprake is van openbaarheid:
de omvang van de kring van personen tegenover wie de uitlating is gedaan;
de functie of hoedanigheid van degene tegenover wie de uitlating is gedaan;
het ontbreken van voorafgaande betrokkenheid van degene tegenover wie de uitlating is gedaan bij degene die de uitlating doet;
de mate waarin aan de uitlating door inhoud of vormgeving kenbaar een min of meer vertrouwelijk karakter moet worden ontzegd;
de mate waarin de uitlating geƫigend is om aan de inhoud daarvan bekendheid te geven buiten de kring van personen tot wie de uitlating rechtstreeks is gericht;
de mate waarin de uitlating door de wijze waarop zij is gedaan – mondeling, bij brief, per e-mail, door plaatsing op een voor anderen toegankelijke site of anderszins – vatbaar is voor kennisneming door anderen dan de rechtstreeks geadresseerde, en
de kans dat de inhoud van de uitlating ter kennis komt van anderen dan degenen tot wie de uitlating rechtstreeks is gericht.
De rechtbank overweegt dat verdachte de uitlatingen heeft gedaan in de WhatsAppgroep āBuurthuis 2ā. Dit betrof een WhatsAppgroep waar men makkelijk aan kon deelnemen: door simpelweg op een link te klikken werd toegang tot de groep verleend en deze link werd kennelijk rondgestuurd in andere WhatsAppgroepen. De Whatsappgroep bestond op het moment van veiligstellen uit 966 deelnemers. Verdachte heeft zich in deze groep tegenover willekeurige personen geuit die hij niet kende. Deze uitlatingen zijn choquerend en van vertrouwelijkheid was geen sprake.
Gezien het aantal deelnemers in de Whatsappgroep was de kans dat de uitlatingen ter kennis kwamen van anderen dan de personen in de groep, aanzienlijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de uitlatingen van verdachte in het openbaar zijn gedaan.
De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien weken (en zijn iPhone wordt verbeurd verklaard).
Ontmanteling Matrix cryptocommunicatiedienst en strafzaken
Op 3 december 2024 hebben de Nederlandse en Franse autoriteiten de cryptocommunicatiedienst āMATRIXā tijdens āOperation Passion Flowerā ontmanteld (zie ook deze blog). Deze dienst wordt door de politie gezien als de als de opvolger van voorgangers als ANOM, Sky ECC en EncroChat. In het persbericht staat dat ruim 2,3 miljoen berichten zijn onderschept. Deze berichten worden gebruikt in strafzaken.
Moord op Peter R. de Vries
Eerder kwam de politie de cryptocommunicatiedienst ook al tegen in opsporingsonderzoeken. Zo speelde cryptocommunicatiedienst speelde bijvoorbeeld een rol in de moord op Peter R. De Vries. In haar uitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2024:3272) van 12 juni 2024 overweegt de rechtbank Amsterdam bijvoorbeeld dat in de auto van de verdachte een Google Pixel telefoon werd aangetroffen, met de āMatrix chatapplicatieā en het NFI die telefoon heeft ontsleuteld.
De telefoons werden aan de verdachten gekoppeld en speelden een belangrijke rol in de lokalisering van de verdachten dat zeer uitvoering in de uitspraak wordt beschreven. Daarbij zijn ook verkeersgegevens en zendmastgegevens van de telefoons van verdachten opgevraagd. De inhoud van de berichten en fotoās die zijn verstuurd, in combinatie met verkeersgegevens en ander bewijs, droegen ook bij aan het bewijs tegen de verdachten. Zo beschrijft de rechtbank de inhoud van een bericht over āhet wapen naar huis brengen en de auto achterlatenā en dat de verdachte om 18:58 uur het bericht stuurt hij dat een medeverdachte āniet met het wapen mag spelenā.
De rechtbank Overijssel overweegt in een andere uitspraak van 16 juli 2024 (ECLI:NL:RBOVE:2024:3798) over een moord in de Dominicaanse Republiek dat de verdachte van (het medeplegen van poging van de) de moord in verbinding met de opdrachtgevers via Google Pixel telefoons, met daarop klaarblijkelijk MATRIX-applicaties. Ook de overige leden van de criminele organisatie kregen deze telefoons door de organisatie verstrekt. De verdachte zorgde ervoor dat zijn āsoldatenā ook zoān telefoon kregen. Ze communiceerden met elkaar door te chatten via MATRIX-accounts.
De verdachte werd onder andere geĆÆdentificeerd door informatie verkregen uit een doorzoeking van zijn woning. Hierbij werd een Google Pixel-telefoon in beslag genomen, waarmee werd gecommuniceerd via MATRIX-apps. Uit deze telefoon bleek dat de verdachte betrokken was bij diverse strafbare feiten, zoals het voorbereiden en (mede)plegen van een aanslag, evenals het bezit en de overdracht van wapens.
Foto’s gemaakt met de telefoon van de verdachte en een medeverdachte toonden bijvoorbeeld verschillende wapens, waarvan een aantal later daadwerkelijk werd aangetroffen op locaties die aan de verdachte en zijn medeverdachten verbonden waren. Uit de communicatie blijkt dat hij medeverdachten instrueerde en logistieke ondersteuning bood, zoals het regelen van tickets naar de Dominicaanse Republiek en het verstrekken van middelen zoals wapens.
De rechtbank overweegt dat als een opdracht is uitgevoerd dat moet worden bewezen door het tonen van fotoās, videoās of berichtgeving waarin het strafbare feit door de media wordt beschreven. Dit werd via de āmakelaarā aan de opdrachtgever gestuurd. Het lijkt erop dat alles voor de opdrachtgever werd vastgelegd ter controle van de makelaar en de soldaten. De verdachte heeft dit laatste ter zitting bevestigd.
Veroordeling n.a.v. de iSpoof operatie
Op 8 oktober 2024 veroordeelde de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2024:5743) een verdachte voor bankhelpdeskfraude met behulp van de iSpoof applicatie. iSpoof is een spoofingdienst waarmee gebruikers eenvoudig hun eigen telefoonnummers verbergen en zogenaamd bellen namens een ander (zie ook deze blog over de operatie).
Om gebruik te kunnen maken van spoofing moet betaald worden aan iSpoof en worden de gesprekken via een bepaalde server gevoerd. De politie heeft de gesprekken die via deze applicatie werden gevoerd afgetapt. Deze gesprekken zijn vervolgens beluisterd en deze worden gebruikt in strafzaken, waaronder in de onderhavige zaak.
De rechtbank overweegt dat in dit geval het weergegeven telefoonnummer dat de persoon die gebeld wordt ziet, het zogenaamde Caller-ID, is geconfigureerd met behulp van een applicatie. Het is dus niet het werkelijke nummer van de beller, maar een gespooft nummer. De gespoofte nummers die de slachtoffers in deze zaak zagen lijken sterk op nummers die door banken worden gebruikt en werden daarom ook vertrouwd door de aangevers.
Modus-operandi bankhelpdeskfraude
De modus-operandi van de verdachte en anderen in de periode half februari 2023 tot half maart 2023 worden door de rechtbank in de volgende zes stappen omschreven:
De social engineer creƫert al snel een penibele situatie door het slachtoffer voor te houden dat een groot bedrag van de bankrekening was geprobeerd te halen, dat de bank dit had weten te voorkomen en de bankpassen omgeruild moeten worden omdat die besmet zijn. Haast is geboden;
De social engineer biedt een helpende hand en geeft aan dat het programma Anydesk (een externe desktopapplicatie) dient te worden gedownload om de rekening en de systemen van het slachtoffer op virussen te kunnen controleren. Hoewel de social engineer aangeeft dat dit een anti-virusscanner is, is dit in werkelijkheid een remote control applicatie waarmee de social engineer op afstand kan meekijken met wat het slachtoffer op zijn/haar scherm ziet en doet;
De social engineer bemachtigd de pincodes en eventuele andere inloggegevens van de betaalpas(sen) en/of creditcard(s) van het slachtoffer door hem/haar de pincodes hetzij in te laten spreken, hetzij in te laten voeren op het scherm;
De komst aan huis van een collega van de bank wordt aangekondigd. Deze meldt zich ook daadwerkelijk kort daarna aan de deur en identificeert met een alias en een controlenummer. Dit nummer heeft de social engineer aan het slachtoffer doorgegeven. Deze zogenaamde collega van de social engineer wordt (veelal) door de slachtoffers binnen gelaten. Aldaar worden de bankpassen doorgeknipt, waarbij de chip in stand gelaten wordt, waarna deze collega ā met de passen ā weer vertrekt. In enkele gevallen is ook een telefoon en/of tablet meegegeven voor controle op virussen. Doorgaans wordt in de uren na dit bezoek geld afgeschreven van de bankrekeningen van de slachtoffers. Naar later blijkt door pintransacties en aankopen.
De rechtbank concludeert dat de verdachte heeft zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude. Door middel van het handelen van de verdachte en de medeverdachten zijn op slinkse wijze de bankpas(sen) en/of creditcard(s), pincode(s), telefoons en tablets van de slachtoffers bemachtigd om daarmee geld van de bankrekeningen op te nemen.
Straf
De verdachte wordt door de rechtbank schuldig bevonden aan het medeplegen van oplichting en witwassen, diefstal, valsheid in geschrifte en medeplegen van computervredebreuk. Zij krijgt 240 dagen jeugddetentie opgelegd, waarvan 235 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met oplegging van bijzondere voorwaarden (o.a. contactverbod met medeverdachte en behandeling bij De Waag) en een onvoorwaardelijke taakstraf van 200 uur in de vorm van een werkstraf. Ook moet de verdachte diverse schadevergoedingen aan benadeelde partijen betalen. De rechtbank heeft in de strafoplegging rekening gehouden met de positieve wending die de verdachte in haar leven heeft gemaakt en daar zelf een grote rol in heeft gespeeld.
Veroordeling voor het witwassen van meer van 10 miljoen euro n.a.v. de Exclu operatie
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 28 november 2024 een uitspraak (ECLI:NL:RBZWB:2024:8122) gedaan op basis van bewijs dat is verzameld tijdens de Exclu-operatie in 2022. Deze uitspraak is interessant vanwege de overwegingen omtrent de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek, het delict witwassen en het gebruik van cryptovaluta.
Het onderzoek āGrand Canyonā was een deelonderzoek van onderzoek 26Lytham, dat tot doel had de identiteit te achterhalen van NN-gebruikers van het Exclu-platform. Berichtenverkeer tussen gebruikers van Exclu is onderschept en ontsleuteld. Omdat de server van Exclu zich op dat moment in Duitsland bevond, heeft voor de interceptie van de berichtenstroom en het verkrijgen van de sleutels een hack plaatsgevonden op de server. De Duitse politiĆ«le autoriteiten zijn daartoe overgaan, nadat Nederland hiertoe een verzoek heeft gedaan.
Rechtmatigheid onderzoek
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek rechtmatig was. De Nederlandse rechter-commissaris gaf machtigingen voor het aftappen en hacken, waarbij werd voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zo werden vooraf vastgestelde zoeksleutels gebruikt die wezen op zware georganiseerde criminaliteit. De rechter-commissaris heeft de geselecteerde informatie eerst gecontroleerd (op inhoud, omvang en relatie tot strafbare feiten) voordat verdere verspreiding onder het onderzoeksteam heeft kunnen plaatsvinden en de verlengingen van de machtigingen werden periodiek getoetst. Volgens de rechtbank kon de informatie niet op een andere, minder ingrijpende, wijze kon worden verkregen en gebruikt dan de gehanteerde manier.
Equality of arms
Bij de beoordeling van het beginsel āequality of armsā stelde de rechtbank vast dat het procesdossier alle relevante stukken bevatte. De verdediging had toegang tot de dataset van het aan verdachte gekoppelde Exclu-account en beschikte de verdediging over de dataset van de aan het verdachte gekoppelde Exclu-account en kon zij het dossier controleren. Ook is de raadsman de toegang verschaft tot de gehele dataset van Exclu op het politiebureau. De rechtbank is van oordeel dat onderzoeksresultaten tijdig met de verdediging zijn gedeeld en zij daardoor voldoende mogelijkheden heeft gehad om het bewijs te bestuderen en te verifiĆ«ren.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank neemt in de onderhavige zaak meerdere bewijstukken in overweging. De rechtbank gebruikt voor het bewijs meerdere chatberichten die de verdachten op verschillende tijdstippen aan verschillende accounts hebben gestuurd en de reacties hierop. Naast de chatgesprekken zelf zijn er ook fotoās gestuurd. Het betreft bovendien niet alleen gesprekken via het Exclu-platform, maar ook via andere berichtenapps, zoals Whatsapp en Signal. Daarnaast bevinden zich in het dossier stukken over het forensisch onderzoek en overige bevindingen door verbalisanten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van meerdere bewijsmiddelen uit meerdere bronnen en wordt in zoverre aan het bewijsminimum voldaan.
Op basis van de in de chatberichten gebruikte termen, de bijgevoegde fotoās waarop de drugs en (pre-)precursoren pontificaal zijn afgebeeld, het besproken (productie)proces en de (door de verdachte) vermelde bedragen, is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de berichten daadwerkelijk over verdovende middelen en de daarvoor benodigde grondstoffen zijn gegaan.
Witwassen met cryptocurrencies
De verdachte wordt ook schuldig bevonden aan witwassen. Aan de verdachte worden twee cryptovaluta-accounts toegeschreven. De politie heeft alle transacties bestudeerd in de periode van 12 maart 2020 tot en met 3 februari 2023. Uit de berekening blijkt dat op het Binance-account en gezamenlijk in totaal in cryptovaluta is ontvangen: – 10.073.734,94388 USDT;
– 15,95958 BTC;
– 2.335,43416 XMR;
– 9,58803 ETH.
Deze cryptovaluta hebben een geschatte tegenwaarde vertegenwoordigd van ⬠9.961.937,- op het moment dat de cryptovaluta zijn ontvangen.
Er is onderzoek gedaan naar de financiƫle situatie van de familieleden van verdachte, alsmede naar de inkomens- en vermogenspositie van verdachte zelf. Verdachte en zijn familie hebben geen (bekend) toereikend legaal inkomen dat het voorhanden hebben van voormeld contant geldbedrag en de ontvangsten en betalingen via cryptocurrency zouden kunnen rechtvaardigen.
De rechtbank is op basis van het vorenstaande van oordeel dat de aangedragen feiten en omstandigheden zodanig van aard zijn dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. De financiële situatie van verdachte (en zijn familie) kunnen niet verklaren dat er de beschikking is over een contant vermogen van ⬠617.170,- en een bedrag aan cryptovaluta van ⬠9.961.937,-. Onder deze omstandigheden mag van verdachte een verklaring worden verlangd over de herkomst van deze geldbedragen.
De rechtbank legt voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen ex. artikel 10a van de Opiumwet en gewoontewitwassen een gevangenisstraf op van vijf jaar en een geldboete van ⬠50.000,-.
Vrijspraak voor gewoontewitwassen door reseller EncroChat-telefoons
Op 12 november 2024 heeft de Rechtbank een verdachte vrijgesproken (ECLI:NL:RBROT:2024:11353) van gewoontewitwassen van geld dat is verdiend met de handel in Encrochat-telefoons.
Dat bewijs is volgens de officier van justitie enerzijds gebaseerd op het feit van algemene bekendheid dat de klanten van de verdachte criminelen zijn die hun geld met misdaad verdienen. Voor zover er telefoons zijn gekocht met geld dat niet uit misdaad afkomstig is, gaat dit om zulke kleine hoeveelheden dat dit door vermenging met misdaadgeld ook wordt witgewassen. Anderzijds of misschien in het verlengde daarvan kan witwassen volgens de officier van justitie worden bewezen omdat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Daarvan is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sprake als de feiten en omstandigheden waaronder de telefoons werden verkocht een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is, terwijl de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Die feiten en omstandigheden zijn hier aanwezig. De verdachte heeft ook geen concrete, verifieerbare en min of meer aannemelijke verklaring over een legale herkomst gegeven, waardoor de politie daar ook geen onderzoek naar heeft kunnen doen. De rechtbanken Den Haag en Rotterdam hebben eerder in min of meer vergelijkbare zaken op grond van overeenkomstige redeneringen witwassen bewezen verklaard, waarbij de officier van justitie in het bijzonder heeft gewezen op de Ennetcomzaak (rechtbank Rotterdam, 21 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9085), die ging over Ennetcom, een vergelijkbare aanbieder als Encrochat.
De rechtbank oordeelt echter anders. De rechtbank merkt op dat het tenlastegelegde bedrag is verdiend met de verkoop van de cryptotelefoons. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om geld dat de verdachte zelf met een eigen handel in Encrochat-telefoons zou hebben witgewassen.
Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, is niet wettig en overtuigend bewezen dat de kopers van de telefoons hebben betaald met geld dat van misdaad afkomstig is. Wel heeft de rechtbank bewezen geacht dat de medeverdachte een groot deel van het in de tenlastelegging genoemde geld heeft witgewassen en daarvan een gewoonte gemaakt door structureel geen aangifte te doen van en belasting af te dragen over omzet en verdiensten met de Encrochat-telefoons. Er is alleen geen bewijs dat de verdachte de belastingmisdrijven die als verwervingsdelict ten grondslag liggen aan het gewoontewitwassen heeft medegepleegd. Er is ook geen bewijs dat de verdachte het geld dat de medeverdachte zelf heeft verworven door geen belasting af te dragen tezamen en in vereniging met de medeverdachte voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet of daarvan gebruik heeft gemaakt.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
Veroordeling voor simswapping en āandere cyberfeitenā
Op 25 november 2024 veroordeelde (ECLI:NL:RBNNE:2024:4600) de rechtbank Noord-Nederland een verdachte voor onder andere simswapping en āandere cyberfeitenā. De politie beschrijft simswapping als het overnemen van de simkaart van mobiele telefoon. Slachtoffers hebben dan geen toegang meer tot het netwerk en iemand kan zich daarmee voordoen als iemand anders. Het slachtoffers is ook vaak de toegang kwijt tot de accounts waarvoor met sms een tweestapsverificatie is ingesteld. De uitspraak zelf vind ik niet zo helder. Dit nieuwsbericht is bijvoorbeeld duidelijker. De samenvatting van de zaak op basis van deze twee bronnen is als volgt.
De verdachte heeft in deze zaak onrechtmatig ingelogd op het netwerk van een dealer van T-Mobile. Op deze manier konden via het klantensysteem van T-Mobile zogenaamde simswaps worden uitgevoerd met als doel om telefoonnummers van klanten van T-Mobile over te nemen om daarmee te frauderen.
Daarnaast heeft de verdachte in de āMy T-Mobile-accountsā van particulieren ingebroken. Ook hierna konden simswaps worden uitgevoerd met als doel om telefoonnummers van klanten van T-Mobile over te nemen en vervolgens met deze telefoonnummers te frauderen. Dat heeft verdachte ook gedaan en onder andere – grote hoeveelheden cryptovaluta (zoals Bitcoin en Ethereum) heeft weggenomen.
Tot slot heeft verdachte zich beziggehouden met het versturen van phishing smsjes en een āsms-bomā naar 25.000 nummers uit naam van de Belastingdienst en de Rabobank, waarna soms ook telefonisch contact plaatsvond. In die gevallen heeft verdachte zich samen met een ander voorgedaan als medewerker van de Belastingdienst, waarna slachtoffers grote bedragen afhandig werden gemaakt. De verdachte verstuurde bijvoorbeeld in een phishing-sms dat zij een belastingschuld hadden en dat er beslag gelegd zou worden als zij niet op een betaallink klikten. Hierbij deed de verdachte zich voor als de medewerker van een bedrijf.
De rechtbank vindt het extra kwalijk dat de verdachte reeds eerder voor soortgelijke cyberfeiten is veroordeeld en in een proeftijd liep. Dit heeft hem er niet van weerhouden om direct na zijn vrijlating uit de gevangenis in maart 2023 door te gaan met computervredebreuk, phishing, diefstal en oplichting. Net als de officier van justitie en de reclassering ziet de rechtbank een groot recidivegevaar. De rechtbank houdt hiermee in de straf rekening mee en veroordeeld de verdachte tot 42 maanden gevangenisstraf en een geldboete van ongeveer 8000 euro.
Veroordeling voor phishing creditcardgegevens
Op 9 september 2024 veroordeelde (ECLI:NL:RBNHO:2024:11020) de rechtbank Noord-Holland een verdachte voor oplichting en computervredebreuk. In de zaak komt de modus-operandi van de dader en het proces van digitale opsporing helder naar voren.
In de zaak komt de modus-operandi van de dader en het proces van digitale opsporing helder naar voren. De uitspraak is pas later gepubliceerd.
In deze zaak gaat het over phishing van creditcardgegevens. In de woorden van de rechtbank is phishing een vorm van oplichting via het internet waarbij het slachtoffer wordt verleid om bepaalde, veelal financiĆ«le, gegevens te delen. De link in de phishing e-mail leidde in dit geval naar een zogenaamd āphishing panelā. Dat is een website die is vormgegeven alsof het de website van de creditcard uitgever is. Op die website wordt de bezoeker gevraagd om gegevens in te voeren zoals rekeningnummer, pasnummer, geboortedatum, creditcardnummer en cvc-code.
De beheerder van het phishing panel kan met de ingevoerde gegevens, nadat de creditcard uitgever de zogenaamde 2FA-code (een twee factor authenticatiecode) heeft verstrekt, vervolgens de controle krijgen over de creditcards en daarmee betalingen te doen. Het doel hiervan is zoveel mogelijk (creditcard) gegevens van mensen te achterhalen om vervolgens deze gegevens te kunnen misbruiken voor eigen financieel gewin.
In de onderhavige zaak werden de aangevers verleidt zich via een hyperlink te identificeren om hun creditcard te kunnen deblokkeren. Nadat aangevers hun (persoons)gegevens hadden ingevoerd op de phishing website, werden deze gegevens direct, door middel van een bot, doorgestuurd naar onder meer de Telegramkanalen. Op het moment dat de gephishte gegevens werden ontvangen, werden via de betreffende Telegram-app pushmeldingen gestuurd naar de telefoon van de phisher, zodat die direct aan de slag kon met deze gegevens. De phisher kon vervolgens de rekeningen van aangevers koppelen aan de ICS-app op zijn eigen apparaat, waarna hij online aankopen kon betalen met de creditcards van de aangevers. Op die manier zijn er meerdere bedragen afgeschreven van de rekeningen van aangevers.
In het onderzoek zijn door de politie (persoons)gegevens van meerdere cardhouders van ICS aangetroffen. Deze cardhouders bleken vergelijkbare phishing e-mails te hebben ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft ICS, namens haar klanten, eveneens aangifte gedaan.
Uit het onderzoek naar de phishing websites blijkt dat gebruik is gemaakt van twee verschillende phishing websites. Deze phishing websites worden gehost door een Nederlandse hosting partij, genaamd Serverion B.V. Uit informatie van Serverion volgt dat de betalingen voor het hosten van de phishing websites zijn gedaan met bitcoins. De bitcoin wallet waarmee de betalingen zijn gedaan is in rechtstreeks verband te brengen met een wallet bij Binance, die op naam van de verdachte staat en waaraan het telefoonnummer van de verdachte is gekoppeld. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij de gebruiker is van het e-mailadres.
Verder bleek uit nader onderzoek dat de back-end van de phishing websites stelselmatig werd bezocht door het IP-adres. Dit IP-adres blijkt te zijn gekoppeld aan het woonadres van de verdachte. Ook het telefoonnummer van de verdachte straalt zendmasten aan in de buurt van dat woonadres van de verdachte op de momenten dat de phishing websites vanaf dat dat IP-adres worden benaderd. Uit onderzoek blijkt verder dat dit IP-adres de phishing websites niet meer heeft benaderd na de aanhouding van de verdachte op 30 januari 2024. Bij de verdachte zijn meerdere telefoons in beslag genomen. De verdachte heeft verklaard hiervan de gebruiker te zijn. Uit onderzoek naar deze toestellen is gebleken dat hierop de aanmaak van onder meer de Telegram bots zijn terug te vinden. De verdachte heeft verklaard dat hij toegang had tot deze groepen en dat hij ook een aantal maal de gephiste gegevens heeft gebruikt om aankopen mee te doen.
De rechtbank overweegt dat de verdachte e-mails heeft verstuurd aan vele e-mailadressen, waarin stond dat de ontvangers zich online moesten identificeren om hun creditcard te kunnen deblokkeren. Met de gephishte gegevens heeft de verdachte zichzelf via de ICS-app toegang verschaft tot de creditcards van de slachtoffers, en daarmee vervolgens online aankopen gedaan. De verdachte heeft technische hulpmiddelen voorhanden gehad om daarmee computerfraudedelicten te plegen. De verdachte is bovendien het systeem van ICS wederrechtelijk binnengedrongen nadat hij de (persoons)gegevens van de slachtoffers middels phishing had ontvangen. Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen, te weten een gasvuurwapen in de vorm van een revolver, voorhanden gehad.
Gelet op de ernst van de feiten heeft de rechtbank bij de strafoplegging ook oog voor het afschrikwekkende effect dat daarvan uit moet gaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden volstaan met een andere straf dan met een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Ten slotte moet hij een schadevergoeding van ⬠36.722,70 aan International Card Services B.V. betalen.
Op 24 november 2022 publiceerde de Nationale Politie een persbericht over het ontmantelen van Ā iSpoof. Het Cybercrimeteam Midden-Nederland heeft in nauwe samenwerking met de London Metropolitan Police Service een onderzoek gedaan ā āOperation Elaborateā – naar de internationale spoofingdienst iSpoof.
Wat is iSpoof?
iSpoof is een spoofingdienst waarmee gebruikers eenvoudig hun eigen telefoonnummers verbergen en zogenaamd bellen namens een ander. In dit geval gaat het om het vervalsen van telefoonnummers. Dat betekent dat het weergegeven telefoonnummer dat de persoon die gebeld wordt ziet, het zogenaamde Caller-ID, is geconfigureerd met behulp van een applicatie. Het is dus niet het werkelijke nummer van de beller, maar een gespooft nummer.
Op de website āActionFraudā vermeld de Britse politie:
The Metās Cyber Crime Unit began investigating iSpoof in June 2021 under the name of Operation Elaborate. It was created in December 2020 and had 59,000 user accounts.
Investigators infiltrated the site and began gathering information alongside international partners.
The website server contained a treasure trove of information in 70 million rows of data. Bitcoin records were also traced.
De uitbater van iSpoof is op zondag 6 november 2022 door de Londonās Metropolitan Police Service gearresteerd. Diezelfde week is de dienst iSpoof offline gehaald. Op 8 november 2022 werden de website en de server in beslag genomen en offline gehaald door de Amerikaanse en OekraĆÆense autoriteiten. De FBI heeft daarbij beslag gelegd op de domeinnaam ispoof.cc.
De politie vermeld dat door middel van een tap op de servers in Almere de Nederlandse politie inzicht kreeg in hoe gebruikers van iSpoof.cc te werk gaan. Daaruit werd duidelijk dat gebruikers wereldwijd per maand circa een miljoen gesprekken, of pogingen daartoe, voerden. In Nederland gaat het om vermoedelijk duizenden telefoontjes per maand.Ā
Uit een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 12 januari 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:51) blijkt dat op de server van iSpoof een tap actief stond in de periode van 4 juni 2022 tot en met 5 september 2022. Uit die tap werd volgens de politie duidelijk dat gebruikers wereldwijd per maand circa een miljoen gesprekken, of pogingen daartoe, voeren.
Resulaten
De Nederlandse politie deelde haar informatie over criminele gebruikers met Europol en andere landen. Volgens Europol waren er naar aanleiding van de operatie in november 2022 alĀ 142 arrestatiesĀ verricht. De Britse Metropolitan Police stelt dat in 12 maanden (tot augustus 2022) ongeveer 10 miljoen telefoongesprekken zijn gevoerd.
Naar schatting van Europol hebben criminelen met iSpoof.cc in 16 maanden tijd meer dan 3,7 miljoen euro verdiend. De criminelen betaalden de dienst veelal in bitcoin. Volgens het artikel ‘Grootste fraudezaak in Britse geschiedenisā in de Volkskrant zijn 200 duizend mensen op deze wijze opgelicht. Gemiddeld verloren slachtoffers die aangifte deden 10.000 pond. De geschatte schade is volgens de Britse autoriteiten meer dan 100 miljoen GBP (circa 115 miljoen EUR).
De politieorganisaties hebben ook de āpromotievideoā van iSpoof āgespooftā om te benadrukken welke sporen klanten achterlaten en wat dit voor hen kan betekenen.
Vervolgingen in Nederland n.a.v. de Operation Elaborate
De rechtbank Noord-Nederland veroordeelde (ECLI:NL:RBNNE:2024:51) bijvoorbeeld op 12 januari 2024 een verdachte voor grootschalige bankhelpdeskfraude, waarbij tientallen personen zijn gedupeerd met een totaal schadebedrag van circa ⬠800.000,-.
Voor de bewijsvoering worden bijvoorbeeld metadata en inhoudelijke gesprekken uit de tap gebruikt, en daarnaast transactie- en gebruikersdata uit de servers. Mogelijk volgen er nog andere uitspraken naar aanleiding van deze bijzondere politieoperatie.
Op 14 mei 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant heeft een 31-jarige Rus (woonachtig in Amstelveen), veroordeeld (ECLI:NL:RBOBR:2024:2069) tot een gevangenisstraf van vijf jaar en vier maanden. De verdachte ontwikkelde samen met twee anderen āTornado Cashā.
Tornado Cash hanteert zogenaamde pools, een soort verzamelbakjes, aldus de rechtbank, die stortingen van cryptovaluta vanaf het ene walletadres accepteren en opnames via een ander walletadres mogelijk maken. Tornado Cash verbreekt op deze manier het transactiespoor op de blockchain. Hierdoor verhult of verbergt Tornado Cash wat de oorspronkelijke herkomst van de opgenomen cryptovaluta is, wie de daadwerkelijke eigenaar is en waar de cryptovaluta naartoe wordt verplaatst. Doordat Tornado Cash het mogelijk maakt volledig anoniem stortingen in en opnames uit Tornado Cash te doen, wordt eveneens verborgen of verhuld wie de feitelijke beschikkingsmacht over de cryptovaluta heeft, oftewel wie de cryptovaluta voorhanden heeft. Het praktisch onmogelijk om Tornado Cash offline te halen.
In de uitspraak wordt de werking van het systeem ook verder in detail uitgelegd. Zo heeft een gebruiker van Tornado Cash bij het doen van een opname uit Tornado Cash de keus om die opname zelf te doen, via een eigen gekozen walletadres, of om die opname door een zogenaamde ārelayerā te laten doen. Relayers zijn extern beheerde systemen, servers, die uit naam van een gebruiker een transactie uitvoeren nadat zij daartoe een instructie hebben gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verdachte niet worden beschouwd als een tussenpersoon zoals bedoeld in art. 54a Sr of een dienstverlener in de zin van art. 138g Sr.
1,2 miljard witgewassen
Volgens de rechtbank is er met Tornado Cash 535.809 ETH (Ether) witgewassen met een waarde van ongeveer 1.217.343.820 USD (1,2 miljard Amerikaanse dollar) (!!). Ether worden daarbij als voorwerpen gezien, zoals bedoeld in art. 420bis. Net als Bitcoins zijn Ether cryptovaluta, digitale geldeenheden, die een reële waarde in het economische verkeer vertegenwoordigen, die voor menselijke beheersing vatbaar zijn en die overdraagbaar zijn. De rechtbank overweegt dat deze cryptovaluta afkomstig zijn van 36 verschillende digitale diefstallen.
Het dieptepunt is de Axie Infinity hack, gepleegd door de Lazarus Group, waarbij 625 miljoen Amerikaanse dollar aan cryptovaluta is gestolen. Daarvan is volgens de rechtbank bijna 450 miljoen dollar in Tornado Cash gestort en witgewassen. Hieruit volgt dat de tenlastegelegde Ether afkomstig zijn van diefstal met een valse sleutel (artikel 311 Sr), al dan niet in samenhang met andere misdrijven. De tenlastegelegde Ether zijn daarmee afkomstig van concreet aanwijsbare misdrijven.
De rechtbank concludeert dat Tornado Cash witwashandelingen heeft uitgevoerd, namelijk het verhullen of verbergen van de herkomst en de verplaatsing van uit misdrijf afkomstige cryptovaluta, Ether, wie de rechthebbenden daarvan waren en wie deze daadwerkelijk voorhanden hebben (gehad). De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte geen enkele invloed (meer) had op de autonoom werkende smart contracts van Tornado Cash. De verdediging plaatst de verdachte daarmee āals een willoze en onmachtige derde op afstand van de niet te stoppen witwashandelingen van Tornado Cashā.
Verdachte verantwoordelijk voor Tornado Cash en veroordeeld voor medeplegen witwassen
De rechtbank overweegt dat Tornado Cash functioneert zoals het door de verdachte en zijn medeoprichters is ontworpen en valt qua werking volledig onder hun verantwoordelijkheid. Als de verdachte mogelijkheden had willen hebben om op te kunnen treden tegen eventueel misbruik, dan had hij die moeten inbouwen. Dit deed hij echter niet. Tornado Cash werpt geen enkele drempel op voor de gebruiker die over crimineel vermogen beschikt en dit vermogen wil witwassen. De verdachte is daarom schuldig aan (gewoonte)witwassen.
De verdachte wordt zelfs schuldig bevonden aan het medeplegen van witwassen. Volgens de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Die samenwerking heeft de gehele tenlastegelegde periode geduurd. Dat maakt dat verdachte en zijn mededaders gedurende de gehele tenlastegelegde periode als medeplegers van de tenlastegelegde witwashandelingen kunnen worden aangemerkt
De rechtbank stelt vast de verdachte wetenschap had van het feit dat in Tornado Cash grote hoeveelheden uit misdrijf afkomstige Ether werden gestort. Met andere woorden, hij was zich bewust van de aanmerkelijke kans daarop. Die aanmerkelijke kans strekte zich ook uit over de specifiek in de tenlastelegging genoemde Ether die afkomstig waren uit hacks. Volgens de rechtbank is het algemeen bekend dat een ācryptomixerā of vergelijkbare diensten zoals Tornado Cash, gebruikt worden bij het witwassen van cryptovaluta. Daarbij was de verdachte actief in verschillende chatgroepen waarin werd gesproken over hacks waarbij Ether was gestolen en over het feit dat cryptovaluta met een criminele herkomst in Tornado Cash werden gestort.Ā
Dit weerhield de verdachte er niet van om Tornado Cash te ontwikkelen en zonder begrenzing (bijvoorbeeld door het inbouwen van maatregelen) aan te bieden aan het publiek. Integendeel, hij ging tot zijn aanhouding door met het verder ontwikkelen en de uitrol van Tornado Cash, waarbij vrijwel elke vervolgstap de verhullende werking en de anonimiteit van de gebruikers versterkte. De verdachte nam het eenvoudige, onbegrensde, voorzienbare en evidente gebruik door criminelen op de koop toe.Ā
To be continued..
De rechtbank vindt net als de officier van justitie een celstraf van 5 jaar en 4 maanden op zijn plaats. Daarnaast wordt een inbeslaggenomen Porsche en ongeveer 1,9 miljoen euro aan cryptovaluta verbeurdverklaard. Voor deze uitspraak is hoger beroep ingesteld.
Na een eerste lezing blijf ik het een ingewikkelde zaak vinden. Het is technisch lastig te begrijpen en ik moet ook verder nadenken over de juridische overwegingen omtrent Tornado Cash als tussenpersoon en de veroordeling voor medeplegen. We wachten eerst eens maar de zaak in hoger beroep af.
2. Veroordeling uitlokken tot hacken in CoronIT systeem
Op 27 mei 2024 is een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBMNE:2024:3434) voor uitlokking van computervredebreuk (art. 47 lid 1 onderdeel 2 jo art. 138ab Sr) en het overnemen van niet-openbare gegevens uit een geautomatiseerd werk (art. 47 lid 1 onderdeel 2 jo art. 138c Sr). Zie eerder ook deze veroordeling in het jurisprudentieoverzicht van juni 2022.
500 euro voor set persoonsgegevens
De verdachte heeft zich hieraan schuldig door een ander een geldbedrag te beloven om screenshots te sturen van persoonsgegevens (telefoonnummers) die in het computersysteem van de GGD stonden. Persoon āAā heeft ook daadwerkelijk tientallen screenshots met gegevens naar verdachte verstuurd. Het ging daarbij om weten 67 identificerende persoonsgegevens zoals naam, geboortedatum, burgerservicenummer (BSN), adres en telefoonnummer. Haar werd 500,00 euro geboden voor de gegevens.
Identificatie verdachte
Namens de GGD GHOR Nederland is aangifte gedaan, omdat een medewerker via Snapchat werd benaderd om persoonsgegevens uit het computersysteem van de GGD GHOR te delen. Zowel het Snapchataccount als het telefoonnummer waren herleidbaar tot verdachte. De gebruikersnaam van het snapchataccount was te koppelen aan een facebookaccount waarop een advertentie geplaatst werd voor een woningruil. Verdachte stond op dat moment op het adres van deze woning ingeschreven en er werd voor de advertentie gebruik gemaakt van het telefoonnummer van de moeder van verdachte. Tijdens de doorzoeking bij verdachte is een iPhone 6s gevonden in de bank waar hij kort daarvoor had gezeten. Aan deze iPhone 6s was in de periode dat de uitlokking werd gepleegd het telefoonnummer van de verdachte gekoppeld. Het Telegramaccount was ook actief op dit toestel en het toestel straalde in de relevante periode telecommasten aan in de buurt van het woonadres van verdachte. De rechtbank concludeert hieruit dat het verdachte was die in de tenlastegelegde periode gebruik maakte van het telefoonnummer en van het Snapchataccount, en dus degene is geweest die [A] heeft benaderd.
Computervredebreuk en overnemen niet-openbare gegevens
Met de strafbaarstelling in artikelĀ 138abĀ van het Wetboek van Strafrecht is aansluiting gezocht bij de bestaande strafbaarstelling betreffende de huisvredebreuk. Een wachtwoord kan daarbij worden aangemerkt als een sleutel die de gebruiker toegang geeft tot het systeem of tot een deel daarvan. Wanneer de autorisatie die verleend is voor de toegang tot specifieke onderdelen van het geautomatiseerde werk wordt overschreden, kan het wachtwoord (een sleutel), door het onbevoegd gebruik maken daarvan, een valse sleutel worden.
Ook heeft verdachte zich daarmee schuldig gemaakt aan uitlokking van het opzettelijk en wederrechtelijk voor zichzelf of een ander overnemen van niet-openbare gegevens als bedoeld in artikel 138c Wetboek van Strafrecht. Een dergelijk handelen is gericht tegen de onmiskenbare wil van de beheerder van het systeem en in strijd met het doel daarvan en tast de integriteit van het systeem aan. De uitlokking ziet enkel op het verkrijgen van telefoonnummers uit patiƫntendossiers uit CoronIT. Dit impliceert volgens de rechtbank dat verdachte heeft uitgelokt tot het plegen van zowel computervredebreuk als het overnemen van niet openbare gegevens. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop.
De verdachte veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uur en een proeftijd van twee jaar.
3. Veroordeling bankhelpdeskfraude
Op 16 mei 2024 veroordeelde (ECLI:NL:RBNNE:2024:1893) de rechtbank Noord-Nederland een verdachte voor 34 maanden gevangenisstraf vanwege bankhelpdeskfraude, in de vorm van het (mede)plegen van oplichting (art. 326 Sr), diefstal met valse sleutels (art. 311) en het voorhanden hebben van leads (art. 139g Sr), en voor online handelsfraude (art. 326e Sr).
Werkwijze
De verdachte en medeverdachten hebben zich in telefoongesprekken met de slachtoffers voorgedaan als een bankmedewerker van de Rabobank en gezegd dat criminelen (in het buitenland) bezig waren geld van hun rekening te halen. Vervolgens hebben ze de slachtoffers overgehaald om hun geld over te boeken naar zogenaamd āveiligeā bankrekeningen. Vanaf deze bankrekeningen hebben de verdachte en medeverdachten het geld doorgestort naar verschillende platformen voor de handel in cryptovaluta (Coinbase en Litebit).
In de uitspraak staat gedetailleerd beschreven hoe de verdachten de slachtoffers ook zelf een cryptocurrency app lieten downloaden of account bij een cryptocurreny uitwisselingskantoor lieten openen om het geld over te laten maken. Vervolgens is het geld onder de daders verdeeld. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan vijf gevallen van Marktplaatsfraude.
Toepassing Smartphone-arrest bij verweer
Interessant is nog de overweging van de rechtbank over het onderzoek op de iPhone van de verdachte. In het onderhavige geval stelt de rechtbank vast dat er in de telefoons gericht onderzoek is gedaan naar specifieke zaaksinformatie, zoals leads, cryptovaluta, fotoās van bankpassen en identiteitsbewijzen en afbeeldingen en videoās die mogelijk verband houden met het plegen van vermogensfraude.
Op 28 mei 2024 heeft de rechtbank Rotterdam een bijzondere uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2024:4916) gedaan in een (mega)zaak waar uitgebreid en helder wordt in gegaan op verweren over bewijs dat afkomstig is van SkyECC telefoons.
Verweer 1: Andere gebruiker Sky-ID?
De verdediging stelt zich ten eerste op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de (enige) gebruiker is geweest van het Sky-ID [Sky-ID 1]. De zendmastgegevens leveren daarvoor geen sluitend bewijs op. Ook zijn er geen concrete aanwijzingen, zoals selfies, het noemen van verjaardagen, of andere specifieke berichten die duiden op het gebruik van het Sky-ID door de verdachte. De rechtbank overweegt vervolgens uitvoerig waarom dit wel gekoppeld kan worden. Uit een vergelijking van de metadata en de historische gegevens blijkt bijvoorbeeld dat het Sky-ID met het daarbij behorende IMEI-nummer [nummer 1] in de periode tussen december 2019 en januari 2021 het vaakst de zendmast aan de Rietdekkerweg te Rotterdam aanstraalt. Deze zendmast is gelegen in de wijk [naam wijk], waarin ook de woning van de verdachte aan het [adres 1] is gelegen. Ook kon de inhoud uit berichten geverifieerd worden met andere sporen die tijdens de doorzoeking zijn aangetroffen geverifieerd worden.
Verweer 2: Niet voldaan aan bewijsminimum (zelfde bron)?
Bovendien is er in de onderhavige zaak, zoals blijkt uit de verdere inhoud van dit vonnis, op belangrijke onderdelen sprake van andere bewijsmiddelen die de inhoud van de chatberichten ondersteunen. Zo zijn er in twee zaaksdossiers daadwerkelijk verdovende middelen aangetroffen en onderzocht. Ook zijn er afbeeldingen verstuurd die de inhoud van de tekstberichten ondersteunen.
Verweer 3: Niet betrouwbaar vanwege ontbrekende berichten?
De verdediging stelt vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de chatberichten die in deze zaak het belangrijkste bewijs vormen en verwijst daarvoor naar een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Uit dit rapport blijkt dat 2,5% van de berichten niet wordt gezien door de software en dat van de āveiliggesteldeā berichten meer dan een kwart van de inhoud ontbreekt/onleesbaar is. Hierdoor ontstaat een gemankeerd beeld en is terughoudendheid geboden. Dit leidt er volgens de verdediging namelijkĀ toe dat de context van de chats niet kan worden geduid.
Bewijs voor invoer van cocaĆÆne o.b.v. chatberichten en andere bewijsmiddelen
Op basis van versleutelde berichten die zijn verstuurd met de chatapplicatie SkyECC, in combinatie met observaties, onderzoek naar historische telecomgegevens en camerabeelden is de verdenking ontstaan dat de verdachte betrokken is geweest bij de voorbereiding van de invoer in Nederland van de partij verdovende middelen. Uit de (groeps)gesprekken, waaraan de verdachte actief heeft deelgenomen, blijkt dat hij ervan op de hoogte was dat de voorbereidingen die door hem en zijn medeverdachten werden getroffen betrekking hadden op een āklusā die een grote waarde vertegenwoordigde. Uit die gesprekken bleek immers dat bij het bemachtigen van de inhoud van de container sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen een groot aantal betrokkenen, dat een uitgebreid plan werd gemaakt voor het uithalen van de lading, compleet met verschillende scenarioās en dat het gebruik van geweld, zo nodig met gebruik van vuurwapens, niet zou worden geschuwd. De rechtbank leidt uit de chatberichten, in onderlinge samenhang bezien, af dat, ook wanneer deze behoedzaamheid wordt betracht, onmiskenbaar over de invoer van cocaĆÆne wordt gesproken.
Bewijs voor georganiseerd en crimineel samenwerkingsverband
Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat van een georganiseerd en crimineel samenwerkingsverband sprake is geweest. Via SkyECC wordt er gedurende een aantal weken tussen de betrokkenen in diverse samenstellingen gecommuniceerd over routeinformatie, de status van de betreffende container en de transporteur die de container met een pincode moet ophalen van het haventerrein en hiervoor diverse handelingen moet verrichten, zoals het huren van een oplegger en het voormelden in Portbase. Ook wordt er gesproken over het betalen van betrokkenen en back-up-plannen (plannen b en c) voor het geval het plan van het ophalen van de container met de pincode (plan a) niet zal lukken. Voorts hebben er in dit kader diverse ontmoetingen plaatsgevonden tussen een aantal van de betrokkenen om de werkwijze met elkaar door te nemen. Nadat bekend is geworden dat de transporteur zich moet melden bij de politie wordt er gecommuniceerd over het wissen van zijn telefoon en tablet en het bieden van steun door het dragen van de advocaatkosten. Dit alles duidt op een mate van organisatie, structuur en samenwerking gericht op het plegen van Opiumwetmisdrijven. Kort gezegd heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van twee verschillende cocaĆÆnetransporten van in totaal meer dan 2.600 kilogram. Ook heeft hij voorbereidingshandelingen verricht gericht op de invoer van een partij van 665 kilogram cocaĆÆne. De verdacht wordt veroordeeld tot 8,5 jaar gevangenisstraf.
Uitzondering voor overschrijding van redelijke termijn
Als laatste zegt de rechtbank nog iets interessants over de redelijke termijn. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen vierentwintig maanden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden, welke zijn gelegen in het aantal verdachten (14 in totaal), de omvang van het politiedossier en de juridische complexiteit en onderzoekswensen in verband met de SkyECC problematiek. De rechtbank acht vanwege al deze bijzondere omstandigheden een redelijke termijn van drie jaren voor de behandeling van de zaken van alle verdachten in Bolero in dit geval gerechtvaardigd.
Hoge Raad wijst nieuw arrest over computervredebreuk
Op 18 april 2023 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2023:610) in een zaak over computervredebreuk (artikel 138ab Sr) en medeplegen voor het bekend maken gegevens die door misdrijf zijn verkregen vanaf de server van het bedrijf (artikel 273 Sr).
Het Hof Den Haag overwoog in haar arrest (ECLI:NL:GHDHA:2021:570) dat de verdachte ongeveer vijftien jaar werkzaam is geweest als boekhouder/financial controller voor het bedrijf dat slachtoffer is geworden van computervredebreuk. Hij beschikte over inloggegevens om toegang te kunnen krijgen tot de server van het bedrijf. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij meerdere malen met zijn eigen inloggegevens heeft ingelogd op de server van het bedrijf en bestanden heeft gedownload met als het doel deze gegevens zou gaan inbrengen in het hoger beroep van diens gerechtelijke ontslagprocedure.
Het Hof overweegt dat niet ter discussie staat dat het downloaden van bedrijfsgegevens om deze vervolgens in te kunnen (doen) brengen in een gerechtelijke procedure van een derde tegen op geen enkele wijze behoort tot de tussen het bedrijf en de verdachte overeengekomen werkzaamheden en dat daartoe geen toestemming is verleend. De verdachte heeft evenmin het bedrijf om die toestemming gevraagd, laat staan geĆÆnformeerd omtrent zijn voornemen dit te gaan doen.
Dat maakt dat het hof van oordeel is dat op de momenten dat de verdachte inlogde op de server van het bedrijf hij de hem ter beschikking staande inloggegevens gebruikte voor een ander doel dan waarvoor deze hem ter beschikking waren gesteld, zodat deze op dat moment als valse sleutel kwalificeerden. Op die momenten was derhalve sprake van binnendringen in de zin van artikel 138ab, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuist rechtsopvatting.
Met betrekking tot het verweer of sprake is van een noodtoestand stelt het hof voorop dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden een beroep op noodtoestand kan worden gehonoreerd. De te nemen drempel is bijzonder hoog: āuitzonderlijke gevallen kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevalerenā (met verwijzing naar HR 23 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5967). Het hof is van oordeel dat toepassing van deze strenge maatstaf maakt dat het beroep op noodtoestand niet kan worden gehonoreerd. Het op verzoek bijstaan van een collega in een ontslagprocedure heeft niet te gelden als een zodanig zwaarwegend belang dat dit het overtreden van de strafwet zou rechtvaardigen. Ook dit acht de Hoge Raad geen onbegrijpelijk oordeel.
Veroordeling voor oplichting en phishingpanels
Op 3 april 2023 heeft de rechtbank Den Haag een interessante uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2023:4676) gedaan over een phishing-zaak. De zaak bespreek ik hier uitgebreid, omdat de overwegingen interessante feiten bevatten over de modus operandi bij deze vorm van cybercriminaliteit en over het opsporingsproces.
De verdachte werd het volgende ten laste gelegd:
medeplegen van het verwerven en voorhanden hebben van betaalfraudepanels, zijnde technische hulpmiddelen bedoeld om onder meer computervredebreuk mee te plegen;
medeplegen van oplichting van in elk geval 1.183 personen, erin bestaande dat de slachtoffers zijn bewogen onder meer hun inloggegevens voor internetbankieren ter beschikking te stellen nadat zij naar een phishing website waren geleid;
medeplegen van computervredebreuk;
diefstal met valse sleutel, in vereniging gepleegd, van in elk geval 13 personen, door met de inloggegevens van de slachtoffers in te loggen op hun internetbankieromgeving en vervolgens bedragen van hun bankrekeningen weg te nemen;
medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van in ieder geval ⬠420.000,-;
medeplegen het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid gegevens (āentriesā), bedoeld om onder meer computervredebreuk mee te plegen;
deelname aan een criminele organisatie, gericht op het plegen van voormelde strafbare feiten.
Deze zaak gaat het over zogeheten betaalfraudepanels, ook wel āphishingpanelsā genoemd. Phisingpanels zijn software waarmee het mogelijk is om websites te maken die nagenoeg gelijk zijn aan de inlogpaginaās van de internetbankieromgeving van banken. Voor de beheerder van het panel is het mogelijk om met op die websites ingevoerde gegevens, zoals bijvoorbeeld bankrekeningnummer, pasnummer en autorisatiecodes, de controle te krijgen over bankrekeningen en daarmee betalingen te doen. Met de term phishing wordt geduid op een vorm van fraude waarbij een slachtoffer wordt verleid om bepaalde gegevens te delen, vaak door op een link te klikken die het slachtoffer via mail, sms of WhatsApp heeft ontvangen. De werkwijze van de verdachten was als volgt. Hun werkwijze was als volgt. De verdachte en zijn mededaders leidden hun slachtoffers via sms-berichten of advertenties op Google naar nepwebsites, die leken op de inlogpaginaās van hun bank. Nadat de slachtoffers daar hun inloggegevens hadden ingevoerd, logden de verdachte en zijn mededaders daarmee heimelijk in op de internetbankieromgeving van de slachtoffers. Vervolgens werden de slachtoffers via de nepwebsite bewogen ook hun aanmeldcode in te voeren, waarna de verdachte en zijn mededaders geldbedragen van de bankrekeningen van de slachtoffers konden wegnemen. Dit deden zij door geldbedragen van de bankrekeningen van de slachtoffers om te zetten in cryptovaluta of over te maken naar bankrekeningen van derden (zogenoemde geldezels).
Aanleiding onderzoek
Het onderzoek naar de verdachte vloeit voort uit het onderzoek āSauerā dat was gericht op [verdachte 2], die gebruik maakte van de gebruikersnaam āHaikuā. [verdachte 2] werd onder meer verdacht van het ontwerpen van betaalfraudepanels. Op zijn computer zijn twee Telegram-conversaties aangetroffen. Een gesprek met āGuru 3.147ā en een groepsgesprek genaamd āAndere Saus 2.0ā waaraan die Haiku deelnam met twee andere personen: āGuru 3.147ā en āLazyLinksā. In de chat tussen Haiku en Guru werd veelvuldig gesproken over een betaalfraudepanel, dat door Haiku zou worden ontworpen en door Guru zou worden aangeschaft. In de groepschat Andere Saus 2.0 werd gesproken over het plegen van fraude met behulp van een betaalfraudepanel door Haiku, Guru en LazyLinks. Gezien het vermoeden dat ook Guru en LazyLinks zich bezighielden met grootschalige digitale fraude, heeft de politie onderzoek gedaan naar de personen die achter deze gebruikersnamen schuil gingen. Dit mondde uit in het onderzoek āWeezingā. Door informatie uit de Telegram-conversaties te koppelen aan onder meer open bronnen, kwam [verdachte 3] in beeld als Guru 3.147 (ook wel āDmpGā of āBonkaraā).Ā Op dezelfde wijze kwam de verdachte in beeld als āLazyLinksā (ook wel āLazyā of ā.ā).Ā Op een onder [verdachte 3] in beslag genomen telefoon werden weer andere Telegram-conversaties aangetroffen, met ene āAno 020ā (ook wel āJerry V2.0ā). Hierachter bleek [verdachte 4] schuil te gaan.
Netwerkzoeking en veiligstellen van bewijs
Na de aanhouding van [verdachte 2] heeft de politie op 24 december 2020 ingelogd op het panel op https://wemoeteneten.online en daar een lijst met āentriesā veiliggesteld, die de periode bestrijkt van 20 september 2020 tot en met 24 december 2020.6 Later, na de aanhouding van [verdachte 3] op 13 juli 2021, heeft de politie vanaf zijn telefoon bestanden met loggegevens van het panel veiliggesteld. Deze logbestanden bestrijken de periode van 20 september 2020 tot en met 2 juli 2021.
Uit onderzoek van de entries en de logbestanden is gebleken dat zowel [verdachte 2] (Haiku), [verdachte 3] (Guru), [verdachte 4] (Ano020) als de verdachte (LazyLinks) op enig moment toegang had tot het panel en daarvan gebruik heeft gemaakt.
Verklaring werkwijze door verdachte
Nadat de verdachte zich eerst op zijn zwijgrecht heeft beroepen, heeft hij op 1 april 2022 in een politieverhoor erkend dat hij de persoon is die schuil gaat achter de aliassen zoals āLazyLinksā, āLazyā.Ā De verdachte heeft verder een grotendeels bekennende verklaring afgelegd. Uit onderzoek door de politie naar de werking van het betaalfraudepanel komt het volgende naar voren. Het panel betreft een webapplicatie waarmee het mogelijk is om sms-berichten te versturen, vermoedelijk met het doel personen via een link naar de nagemaakte Itsme-pagina te leiden. Wie zoān link opent krijgt een webpagina te zien die de indruk wekt dat dit een service van Itsme.be betreft. Op deze pagina wordt gevraagd om een bank te selecteren. Wie voor Axa, Argenta, Belfius, BNP, ING of KBC kiest krijgt daarna een webpagina te zien waarbij een debetkaartnummer wordt gevraagd en de vervaldatum. Op de pagina wordt het logo van de bank gebruikt en het logo van Itsme, waardoor het lijkt alsof de bezoeker wordt doorgestuurd naar de bankwebsite vanuit Itsme. De gegevens die op deze webpagina worden ingevoerd komen terecht bij de gebruiker van het betaalfraudepanel. De gebruiker van het betaalfraudepanel kan vervolgens met deze gegevens proberen in te loggen op de echte bankwebsite. Bij het inloggen wordt om een verificatiecode oftewel aanmeldcode, gevraagd. De gebruiker van het panel vraagt vervolgens aan de bezoeker van de nagemaakte Itsme-pagina om de aanmeldcode te genereren via diens kaartlezer. Op deze manier kan de gebruiker van het betaalfraudepanel inloggen op het bankaccount van de bezoeker van de nagemaakte Itsme-pagina.
[verdachte 3] heeft aan de politie verklaard dat hij via Telegram lijsten met telefoonnummers van voornamelijk klanten van Belgische banken had gekocht. Naar die telefoonnummers stuurde hij een sms-bericht waarin stond dat het beoogde slachtoffer zijn of haar Itsme-account opnieuw moest activeren, met daarbij een frauduleuze link. Later is [verdachte 3] op Telegram in contact gekomen met een persoon met de gebruikersnaam āEXPā, die ervoor kon zorgen dat een link naar de nepwebsite voor een bepaalde periode als advertentie bovenaan de Google zoekresultaten zou verschijnen, wanneer bepaalde trefwoorden in Google werden ingevoerd, zoals āArgentaā of āBpostbank aanmelden.
Uit de Telegram-groepschat āAndere Saus 2.0ā, waaraan de verdachte, [verdachte 3] en [verdachte 2] deelnamen, blijkt dat zij beurten verdeelden wanneer een potentieel slachtoffer op een frauduleuze link had geklikt. Wanneer op de hiervoor omschreven wijze toegang was verkregen tot de internetbankieromgeving van een slachtoffer, werd geprobeerd geld van de bankrekening van het slachtoffer over te maken naar de bankrekening van derden. Deze derden, zogenoemde geldezels, waren personen die [verdachte 3] had gevonden via tussen personen die hij kende van Telegram, schuilgaande onder de gebruikersnamen āPhantomā en ā3AKABOUZā. Ook werd geprobeerd om met banktegoeden van slachtoffers cryptovaluta te kopen bij Bitvavo of Litebit, die ten bate kwam van de cryptowallet van een geldezel. Phantom en 3AKABOUZ kregen voor het aanleveren van de geldezels een vergoeding van 50% van de opbrengst van de fraude. De resterende 50% werd verdeeld tussen [verdachte 3], de verdachte en de derde persoon ( [verdachte 4] dan wel [verdachte 2] ). Zij kregen dus een zesde deel van de totale opbrengst. Dit werd uitbetaald als cryptovaluta in hun eigen wallet. [OJ(J3]
Gedeeltelijke vrijspraak en bewezenverklaring
De rechtbank overweegt dat uit die chatberichten blijkt weliswaar van enige betrokkenheid van de verdachte, maar de rechtbank kan op basis van die chatberichten alleen niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte dat eerste betaalfraudepanel ook daadwerkelijk heeft verworven of voorhanden gehad. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken met betrekking tot deze periode en de betrokkenheid van verdachte bij het eerste betaalfraudepanel. Wel acht de rechtbank bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen een betaalfraudepanel heeft verworven en voorhanden gehad.
Door het bedienen van het betaalfraudepaneel en versturen sms-berichten met frauduleuze links heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting. Ook acht de rechtbank het rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging met behulp van een valse sleutel van geldbedragen tot een totaal ⬠48.050,64.
Met de door middel van oplichting verkregen gegevens is door de verdachte en zijn mededader(s) ingelogd op de internetbankieromgeving van de hierboven genoemde slachtoffers, alvorens de genoemde geldbedragen te stelen. Daarmee is binnengedrongen in een (deel van een) geautomatiseerd werk, namelijk de servers van de beveiligde internetbankieromgeving van de bank. Nu de verdachte en zijn mededader(s) dat hebben gedaan met inloggegevens tot het gebruik waarvan zijn niet bevoegd waren, en door zich voor te doen als geautoriseerde klanten van de bank, is sprake van een valse sleutel en een valse hoedanigheid.
Witwassen en cryptocurrencies
De verdachte heeft verklaard dat deze geldbedragen van de bankrekeningen van slachtoffers werden overgemaakt naar de bankrekeningen van derden, dan wel dat daarmee cryptovaluta werden gekocht ten bate van de cryptowallets van derden, alvorens de verdachte en de anderen delen van de opbrengst zelf in de vorm van cryptovaluta in hun wallet binnenkregen. De verdachte wist dat dit geld uit misdrijf afkomstig was, immers heeft hij die misdrijven zelf (mede)gepleegd. Door de geldbedragen over te maken naar andere bankrekeningen en daarna als cryptovaluta aan zichzelf en zijn mededaders te laten uitbetalen, of deze direct om te zetten in cryptovaluta en een deel naar zijn wallet en de wallets van zijn mededaders over te boeken, heeft hij de herkomst van deze geldbedragen verhuld. Daarmee heeft de verdachte zich (ook) tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van in totaal ⬠48.050,64. Het dossier biedt aanknopingspunten dat veel geldbedragen zijn buitgemaakt. Echter, anders dan bij [verdachte 3] en [verdachte 4], is bij de verdachte geen nader onderzoek gedaan naar zijn eigen bankrekeningen of cryptowallets, waaruit zou kunnen blijken dat hij over (aanzienlijke) vermogensbestanddelen beschikt. Gelet op dit alles kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid en nauwkeurigheid vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van meer dan ⬠48.050,64.
De rechtbank oordeelt ook de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De rechtbank oordeelt dat de in de tenlastelegging genoemde āPhantomā, āExpā en ā3AKABOUZā wel een bijdrage hebben geleverd aan het plegen van de misdrijven waarop de organisatie was gericht, maar dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat zij hebben deelgenomen aan deze organisatie.
Straf
Op vrijwillige basis is de verdachte begonnen met een psychologisch behandeltraject bij behandelcentrum Fier. Daar is hij gediagnostiseerd met PTSS, een paniekstoornis, een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in cannabisgebruik en problemen verband houdend met justitiƫle maatregelen. Gezien de door behandelcentrum Fier vastgestelde DSM-5 diagnose staat de reclassering negatief tegenover de oplegging van een gevangenisstraf. Voor een taakstraf ziet de reclassering geen contra-indicaties. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om af te wijken van het genoemde uitgangspunt van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een jaar. De rechtbank legt ook een taakstraf van 360 uur op en de verdachte moet een schadevergoeding betalen.
Veroordelingen voor bankhelpdeksfraude
Op 28 maart 2023 veroordeelde de rechtbank Limburg enkele verdachten voor bankhelpdeskfraude (ECLI:NL:RBNNE:2023:476). Bankhelpdeskfraude is een vorm van oplichting waarbij de daders zich voordoen als bankmedewerkers.
De aangiften van een slachtoffer uit Brunssum en Valkenburg vormden het startpunt van een opsporingsonderzoek dat zich richtte op zogeheten bankhelpdeskfraude. Al snel bleken er op diverse plaatsen in Nederland soortgelijke feiten gepleegd te zijn en werd het onderzoek van de politie uitgebreid. De verdachte en medeverdachte zijn in dit onderzoek als mogelijke daders naar voren gekomen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de verdachte als (mede)dader betrokken is geweest bij in totaal 19 zaken van bankhelpdeskfraude.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat in een periode van enkele maanden op verschillende plekken in Nederland soortgelijke gevallen van zogenoemde bankhelpdeskfraude hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft bekend dat hij bij vijf van deze gevallen van bankhelpdeskfraude betrokken is geweest. Dit zijn de feiten waarbij hij ook op camerabeelden is herkend. De verdachte ontkent zijn betrokkenheid bij de andere feiten. Na uitgebreide bewijsoverwegingen acht de rechtbank de verdachte schuldig aan oplichting.
De verdachte en/of een van zijn mededaders heeft telefonisch contact gezocht met de beoogde slachtoffers. Aan de slachtoffers werd telkens voorgehouden dat de bank had ontdekt dat er mogelijk fraude werd gepleegd met de bankrekening van de slachtoffers en aan hen werd de helpende hand geboden. Zo hebben verdachte en zijn mededaders het vertrouwen van de slachtoffers gewonnen. Door leugens en verzinsels hebben de daders de slachtoffers ertoe gezet om hun bankpassen en bijbehorende pincodes af te staan. Met de aldus verkregen bankpassen en pincodes werd er vervolgens in rap tempo geld gepind en goederen aangeschaft. Tegen de tijd dat de slachtoffers erachter kwamen dat er iets niet in orde was, was het leed al geschied.
De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij, samen met anderen, op zulke doortrapte en slinkse wijze geld afhandig heeft gemaakt van vele slachtoffers. Slachtoffers die overigens niet willekeurig werden uitgekozen. Integendeel. Zij werden gekozen op basis van overlijdensadvertenties. Het ging dan om mensen op hoge leeftijd, die kort daarvoor hun partner verloren waren. Hun (verdere) gegevens werden erbij gezocht en benaderd.
Gelet op de ernst van de feiten die de verdachte heeft gepleegd, het aantal slachtoffers en de slinkse wijze van handelen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf die de duur van het reeds ondergane voorarrest overschrijdt.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk en tot het betalen van een schadevergoeding.
Ook de rechtbank Noord-Holland veroordeelde (ECLI:NL:RBNNE:2023:476) op 7 februari 2023 een verdachte voor oplichting. In deze zaak over bankhelpdeskfraude volgt uit de aangiftes dat de slachtoffers waren door een zogenaamde bankmedewerker, met de mededeling dat er een probleem was met hun bankrekening. Zo zou er geld zijn afgeschreven door iemand anders of zou dit zijn geprobeerd.
Aangevers zouden de ābankmedewerkerā vervolgens moeten helpen om dit probleem op te lossen, waarvoor ze een Remote Acces Tool (RAT) zoals āAnydeskā moesten installeren zodat de ābankmedewerkerā kon meekijken in de internetbankierenomgeving. Uiteindelijk werd er geld overgemaakt door aangever of door de ābankmedewerkerā naar een andere rekening, terwijl aangevers hierover niet meer konden beschikken.
Uit de camerabeelden en telefoongegevens die vervolgens zijn verkregen, is gebleken dat verdachte thuis was op het moment dat er telefoongesprekken werden gevoerd. Op een datum is waargenomen dat deze gesprekken stopten toen verdachte zijn woning kort verliet en dat de gesprekken vervolgens werden hervat toen verdachte weer thuis was. Er zijn geen andere personen gezien op de camerabeelden.
Ook beschikte verdachte over PayPal-accounts die zijn gelinkt aan fraude. Op een van de telefoons van verdachte die zijn onderzocht zijn ook aanwijzingen gevonden die duiden op betrokkenheid bij bankhelpdeskfraude. Er zijn lijsten aangetroffen met duizenden telefoonnummers, zogeheten āleadsā, die veelal worden gebruikt door (cyber)criminelen om mensen op te lichten. Op diezelfde telefoon zijn ook actieve groepschats op de applicatie Telegram gevonden, waarin werd gehandeld in merkkleding, creditcards, pinpassen en phishing-panels. Deze aangeboden goederen zijn doorgaans van misdrijf afkomstig of kunnen gebruikt worden bij het plegen van misdrijven.
De rechtbank overweegt dat de verdachte zich met anderen gedurende vier maanden schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude, waarbij tientallen personen zijn gedupeerd met een totaal schadebedrag van ongeveer ⬠300.000. De rechtbank veroordeeld de verdachte voor 54 maanden gevangenisstraf. Ook moet de verdachte onder andere een schadevergoeding betalen aan de Rabobank van ⬠257.371,33.
Veroordeling voor ponzifraude met cryptoās
Op 20 maart 2023 veroordeelde de rechtbank Overijssel een verdachte voor een zogenoemde āponzifraudeā (ECLI:NL:RBOVE:2023:991). In deze strafzaak staat het strafrechtelijk onderzoek āGeppettoā centraal. Dit onderzoek is aangevangen naar aanleiding van artikelen in landelijke kranten en, aanvankelijk, zestien aangiften van oplichting tegen verdachte en/of de eerder genoemde rechtspersonen. Kopers van miners zouden zijn opgelicht.
Door het bedrijf (ābedrijf 1ā) werden Bitcoinminers aangeboden. Deze miners konden worden aangekocht, waarbij aan de koper een koopovereenkomst werd toegestuurd waarin het serienummer van de aangeschafte miner stond vermeld. De koper zou volgens die koopovereenkomst te allen tijde eigenaar blijven van de miner. Daarnaast kon de koper een servicecontract voor de miner afsluiten bij het een ander bedrijf (ābedrijf 2ā). De aangeschafte miner zou vervolgens in een miningfarm worden geplaatst.
De opbrengst zou vervolgens per miner ongeveer 0,3 Bitcoin tot 0,4 Bitcoin per maand bedragen. De Bitcoinkoers heeft op zijn top in december 2017 een waarde van circa $ 20.000,– per Bitcoin behaald. Dit brengt met zich dat het rendement van een computer bijna $ 6.000,– per maand zou zijn geweest. Uit de aangiften volgt dat er geen of te lage rendementsuitkeringen zijn gedaan.
Uiteindelijk is er niets meer aan de eigenaren van de miners uitgekeerd. De FIOD heeft geconcludeerd dat er nooit een miningfarm met miners heeft bestaan. Voor zover er ārendementsuitkeringenā zijn gedaan, zouden deze gefinancierd zijn uit de betalingen voor de aankoop van miners door latere klanten. Daarnaast heeft verdachte zich volgens het Openbaar Ministerie schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.
De rechtbank overweegt dat de verdachte voornamelijk zelf, namens de betrokken rechtspersonen, een voorstelling van zaken heeft gegeven die niet in overeenstemming was met de werkelijkheid. Die rooskleurige voorstelling van zaken heeft een niet te ontkennen aantrekkingskracht gehad op aangevers. Zij zijn, op basis van die voorstelling, bewogen om in zee te gaan met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en dachten eigen miners te hebben aangeschaft met het geld dat zij hadden overgemaakt.
De verdachte hield – onder andere – klanten voor dat hij miners op voorraad had, maar dit was bij zijn eerste klant al niet het geval. Er kwamen daarna nog veel meer klanten die miners bestelden, maar het antwoord op de vraag hoe verdachte de vraag aan miners dan wilde gaan opvangen luidde bij de FIOD: ādaar was eigenlijk geen plan voorā. Hoewel verdachte aan personen vertelde dat er een miningfarm was, was dit geenszins het geval. De rechtbank stelt op basis op basis van uitgebreide overwegingen dat de verdachte mondeling en schriftelijk bedrieglijke mededelingen heeft gedaan over het investeren in miners, de hoeveelheid miners die op voorraad waren, de opbrengsten van het minen, de dienstverleningskosten, het bestaan van een miningfarm die om verzekeringstechnische redenen geheim moest blijven en het beheer van de miners door specialisten. Ook stelt de rechtbank vast dat aan meerdere personen betalingen zijn gedaan onder vermelding van ārendementā, terwijl het in werkelijkheid niet om rendementen ging die afkomstig waren uit het minen van Bitcoins maar om opbrengsten uit de latere inleg door participanten die geloofden dat zij miners hadden gekocht die hen op een later moment ook rendement zouden opleveren.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] gepleegde oplichting. Omdat enkel verdachte de feitelijke beschikkingsmacht had over de door deze bedrijven ontvangen geldbedragen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 12 januari 2017 tot en met 21 november 2018 in Nederland een geldbedrag van in totaal ⬠2.533.231,68 heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl dit onmiddellijk uit enig eigen misdrijf afkomstig was. Het geldbedrag betreft immers de totale opbrengst van de onder feit 1 bewezen verklaarde ponzifraude. Omdat de rechtbank niet ten aanzien van het gehele geldbedrag kan vaststellen dat sprake is geweest van verhullingshandelingen, acht de rechtbank ten aanzien van het totaalgeldbedrag van ⬠2.533.231,68 in ieder geval eenvoudig witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis.1 Sr wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank overweegt dat āhoewel van een investeerder in miners de hoogst mogelijke voorzichtigheid mag worden verlangd en mag worden verwacht dat deze weet dat het investeren in miners risicoās met zich brengtā, de verdachte enkel en alleen uit eigen financieel gewin op een gewiekste en bedrieglijke wijze grof misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het publiek heeft in het maatschappelijk en economisch verkeer. Naast de gevangenisstraf van 40 maanden moet de man ook een schadevergoeding betalen van in totaal bijna 2 miljoen euro.
Witwassen van bitcoins en Monero ter waarde van 12 miljoen euro
Voor beoordeling van het delict witwassen in de zin van artikel 420bis en 420ter Sr past de rechtbank de zogenoemde 6-stappen toets toe en overweegt als volgt.
Stap 1: Geen direct bewijs voor een gronddelict:
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs is voor een concreet gronddelict dat de bron vormt voor de in de tenlastelegging opgenomen vermogensbestanddelen.
Stap 2: Vermoeden van witwassen:
In het dossier bevinden zich FIU-meldingen over ongebruikelijke transacties in de vorm van girale overboekingen van in totaal ⬠170.000,- met onbekende bron, een TCI-melding dat de verdachte in de cocaĆÆnehandel zit en zorg draagt voor de logistieke ondersteuning en een āklikbriefā aan de FIOD. Deze brief bevatte een anonieme tip dat de verdachte zwart contant geld heeft dat hij omzet in bitcoins. Verder bevat het dossier informatie uit de systemen van de Belastingdienst waarin staat dat de verdachte in box 3 een vermogen aan cryptomunten heeft opgegeven van ⬠290.000,- in 2017 en ⬠6.620.000,- in 2018. Zijn bruto looninkomsten bedroegen volgens de aangifte over de jaren 2016 tot en met 2018 respectievelijk: ⬠62.862, ⬠55.067,- en ⬠27.522,-. Bij de verdachte is een bedrag van ruim ⬠80.000 aan contanten gevonden. Op de zeven bankrekeningen op naam van de verdachte komt ruim ⬠800.000 afkomstig van crypto transacties binnen, terwijl dit op de twee zakelijke rekeningen ruim ⬠45.000 euro is.
Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het vermogen en de bezittingen die op de tenlastelegging zijn opgenomen.
Stappen 3, 4 en 5: De verklaring van de verdachte en het onderzoek daarnaar:
De hiervoor genoemde looninkomsten zoals bij de Belastingdienst door de verdachte aangegeven over 2016 tot en met 2018 (en ook 2019 en 2020) zijn niet daadwerkelijk uit een dienstverband bij [bedrijf01] B.V. verkregen. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij samen met de medeverdachte [medeverdachte01] een schijnconstructie van een fictief dienstverband heeft opgezet teneinde een hypotheek verstrekt te krijgen voor de aanschaf van een woning. Aan de verdachte werd per bank een fictief loon betaald, dat hij eerder contant aan de medeverdachte had (doen) afge(ge)ven. De verdachte heeft verklaard dat hij zelf contant geld bracht of liet brengen aan [medeverdachte01] en dat (ook) dit geld afkomstig was uit de verkoop van PGP-telefoons.
De verklaring van de verdachte dat zijn vermogen deels afkomstig is van de opbrengsten van de legale handel in PGP-telefoons en deels uit vermogen dat hij heeft vergaard door de handel in cryptomunten en de sterk toegenomen waarde daarvan, is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk en licht dat nader toe.
De verdachte betwist verder dat 295 bitcoins die zichtbaar zijn in een Ledger Live wallet database die is aangetroffen op de Macbook die in beslag is genomen in de door de verdachte gehuurde woning in Spanje, van hem zijn. Hij stelt anderen op 12 december 2017 geholpen te hebben deze bitcoins via de Macbook over te maken naar een persoonlijke hardware wallet en dat de bitcoins zo in de database zijn gekomen. Deze verklaring valt niet te rijmen met de bevindingen ten aanzien van deze bitcoins. Daaruit blijkt dat de bitcoins op 12 december 2017 in de aangetroffen accounts worden gestort en er voor 13 maart 2018 geen uitgaande transacties plaatsvinden. Op 3 november 2020, de dag van de doorzoeking, bedroeg het saldo 127 bitcoins. Uit een analyse van de bitcoin transacties die vooraf zijn gegaan aan de transacties op 12 december 2017 blijkt dat een deel van de bitcoins afkomstig is van zogenaamde Darkmarkets en via adressen die aan verdachte te linken zijn uiteindelijk op 12 december 2017 in de Ledger wallet komen. Ook ten aanzien van deze bitcoins heeft verdachte geen legale bron aannemelijk gemaakt.
Stap 6: Conclusie:
De resultaten van het door het OM verrichte nadere onderzoek zijn van dien aard dat mede op basis daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat de ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Straf
De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden en gaat over tot verbeurdverklaring van diverse cryptomunten ter waarde van 750.000 euro. Met betrekking tot de vordering van de officier van justitie voor de uitlevering en verbeurdverklaring van de bitcoins en moneroās overweegt de rechtbank het volgende.
Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte in Spanje op 3 november 2020 is een zwarte laptop (Macbook) in beslag genomen. Deze laptop werd door de verdachte gebruikt en behoort hem toe. Op de deze laptop werd een Ledger Live wallet/database aangetroffen met ingaande en uitgaande transacties. Op 12 december 2017 werden 295 bitcoins op de wallet ontvangen. Het saldo van de wallet bedroeg 127 bitcoins op 3 november 2020, de dag van de doorzoeking. Deze 127 bitcoins zijn via meerdere transacties overgemaakt in de periode van 1 februari 2021 tot en met 3 juli 2021.
Op de laptop was ook een recovery code aanwezig van een zogeheten āMonero Freewalletā. Op 15 januari 2021 was een positief saldo op de wallet aanwezig was van totaal 546 monero met een waarde van ongeveer $90.000,-. De verdachte kon op de dag van de doorzoeking over deze cryptocurrency beschikken zodat deze hem in strafrechtelijke zin toebehoren. Deze 127 bitcoins en 546 monero zullen worden verbeurd verklaard, nu ook dit voorwerpen zijn waarmee het strafbare feit onder 1 is begaan.
De verdachte wordt de keuze gelaten om het OM binnen 2 weken na het onherroepelijk worden van dit vonnis de volledige beschikkingsmacht over de bitcoins en monero te verschaffen, dan wel binnen 2 weken na het onherroepelijk worden van dit vonnis de geschatte waarde te betalen. De rechtbank stelt de waarde van de 127 bitcoins en 546 monero vast tegen de koerswaarde daarvan op de datum van de uitspraak, subsidiair te vervangen door 12 maanden vervangende hechtenis bij niet voldoen hieraan.