Europol rapport ‘Drugs and the darknet’

Europol heeft in november 2017 het rapport ‘Drugs and the darknet’ uitgebracht. Het rapport biedt veel informatie en belangrijke inzichten in online drugshandel, dat zich voornamelijk afspeelt via internetmarktplaatsen die via Tor bereikbaar zijn.

Hierbij moet meteen worden opgemerkt dat het aandeel van online drugshandel in de totale omvang van drugshandel wereldwijd vooralsnog klein is. Wel stelt Europol dat het de verwachting is dat online drugshandel een verdere groei zal doormaken. Dat kan worden verklaard door de manier waarop het darkweb deze vorm van criminaliteit faciliteert, met name door de anonimiteit die het Tor netwerk biedt, de mogelijkheden om versleuteld te communiceren, de mogelijkheden om te betalen in cryptocurrencies zoals Bitcoin (en in toenemende mate Monero en ZCash).

In het rapport wordt met veel openheid uitgelegd hoe online drugsmarkten werken en welke drugsmarkten actief zijn geweest. Daarbij wordt bijvoorbeeld uitgebreid ingegaan op de drugsmarkt AlphaBay, dat op enig moment naar schatting 28% van gehele omzet op online drugshandel voor zijn rekening nam. Grote operaties waarbij darknet markets offline zijn gehaald, hebben volgens Europol de drugsmarkten verstoord. Tegelijkertijd is duidelijk dat de drugshandelaren en kopers tegenmaatregelen nemen, zoals het aanbrengen van versleuteling op de marktplaatsen en het vereiste verschillende sleutels in te voeren voor het autoriseren van bitcointransacties. In het rapport wordt opgemerkt dat de politiedienst een goed beeld heeft van de Westerse drugsmarkten, maar vooralsnog (te) weinig zich heeft op online drugsmarkten met een niet-Engelse voertaal, zoals Russisch.

Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben het grootste aandeel met betrekking tot het aanbod van drugs binnen de Europese Unie via darknet markets. Nederlandse verkopers zijn bekend om hun aanbod van MDMA, dat vaak van goede kwaliteit is.

Europol geeft aan dat het dataretentie-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie grote problemen veroorzaakt in cybercrime onderzoeken naar online drugshandel, omdat de gegevens bij internet access providers niet verplicht beschikbaar worden gemaakt voor opsporingsinstanties. Ook levert de toepassing van ‘carrier-grade NAT’ technologie bij mobiele internet dienstverleners grote problemen op, omdat sommige aanbieders hun eigen klanten op hun netwerk niet meer kunnen identificeren door de gebruikte poorten niet te loggen en aangezochte IP-adressen niet vast te leggen. Carrier-grade NAT is een technologie waarbij verschillende internetgebruikers gebruik kunnen maken van hetzelfde IP-adres. De techniek wordt gebruikt door 95% van de mobiele telecomaanbieders en bijna 50% van de internet service providers wereldwijd.

De toename in het gebruik van encryptie (bijvoorbeeld door het gebruik van het PGP-sleutels) en het gebruik van anonimiseringsdiensten voor bitcoins (met zogenaamde ‘bitcoin-mixing diensten’ of ‘tumblers’) daagt ook de opsporing uit. In het rapport wordt tevens (wederom) aangegeven dat de jurisdictieproblemen in opsporingsonderzoeken naar cybercrime groot zijn. De problemen doen zich voor vanwege verschillende strafbaarstellingen, verschillende voorwaarden voor de inzet van bevoegdheden, problemen met betrekking tot de lokalisering van computers op het darkweb en een gebrek aan eenduidigheid over het uitvoeren van digitaal forensisch onderzoek.

Het ‘European Investigation Order’, dat een nieuw instrument biedt voor een meer directe vorm van rechtshulp binnen de EU, biedt volgens Europol onvoldoende mogelijkheden om effectief bewijs over de grenzen te verzamelen. Vanwege de vereiste specialistische kennis die is vereist en grensoverschrijdende aard van de criminaliteit heeft Europol een speciaal ‘darknet team’ opgericht. Zij raadt aan dat andere Lidstaten ook dergelijke teams oprichten.

In het rapport wordt ten slotte opgemerkt dat de Europese Commissie in het begin 2018 een voorstel zal doen voor een ‘nieuw juridisch instrument’ om elektronisch bewijs te vergaren

Wet gegevensverwerking en meldplicht cybersecurity

Wet gegevensverwerking en meldplicht cybersecurity aangenomen

Op 11 juli 2017 heeft de Eerste Kamer de Wet gegevensverwerking en meldplicht cybersecurity aangenomen. De wet is op 1 oktober 2017 in werking getreden (Stb. 2017, 316). De wet biedt een wettelijke grondslag voor de verwerking en uitwisseling van gegevens van publieke en private partijen met het Nationaal Cybercrime Security Centrum.

Meldplicht vitale infrastructuren

Daarnaast is in de wet een meldplicht opgenomen voor ernstige digitale veiligheidsincidenten die de samenleving kunnen ontwrichten. De meldplicht geldt voor aanbieders van vitale infrastructuren. In de nadere memorie van antwoord werden organisaties binnen de volgende sectoren genoemd: (1) drinkwater; (2) energie; (3) nucleair; (4) financieel; (5) elektronische communicatienetwerken- en diensten; (6) mainport Rotterdam; (7) mainport Schiphol; en (8) keren en beheren (waterkeringen). Deze lijst wordt later nog aangevuld met organisaties die horen bij de sector ‘digitale overheid’.

Inhoud meldplicht

Op grond artikel 6 van de wet moet de vitale aanbieder de minister onverwijld in kennis stellen van ‘een inbreuk op de veiligheid of een verlies van integriteit van zijn informatiesysteem waardoor de beschikbaarheid of betrouwbaarheid van een product of dienst in belangrijke mate wordt of kan worden onderbroken’. Deze kennisgeving omvat in ieder geval: (a) de aard en omvang van de inbreuk of het verlies; (b) het vermoedelijke tijdstip van de aanvang van de inbreuk of het verlies; (c) de mogelijke gevolgen van de inbreuk of het verlies; (d) een prognose van de hersteltijd; (e) zo mogelijk, de door de vitale aanbieder genomen of te nemen maatregelen om de gevolgen van de inbreuk of het verlies te beperken of herhaling hiervan te voorkomen; en (f) de contactgegevens van de functionaris die verantwoordelijk is voor het doen van de kennisgeving.

De ratio van de meldplicht is dat het NCSC op deze manier op de hoogte raakt van ernstige incidenten en hulp kan verlenen (ook aan andere organisaties binnen dezelfde branche). Bijzonder is het uitgangspunt bij deze meldplicht dat in principe geen handhaving hier op zal plaatsvinden, omdat hulpverlening volgens de wetgever centraal moet staan. Het NCSC kan de informatie verstrekken aan computercrisisteams en de AIVD en MIVD.

(d)dos-er van ‘grootste aanval ooit’ veroordeeld

Op 14 november 2016 is een verdachte door de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2016:8664) veroordeeld voor zijn ‘substantiële bijdrage aan de grootschalige DDos-aanval’ op de servers van Spamhaus.

Spamhaus is een non-profitorganisatie die zich bezighoudt met de bestrijding van spam. De aanval werd door de media destijds bestempeld als de ‘grootste ddos-aanval ooit’. Webwereld legde uit dat de datatsunami 300 miljard bits per seconden (300 Gigabit/s) bereikt werd door het gebruik van een zogenaamde ‘DNS-amplificatieaanval’. Daarmee worden valse DNS-aanvragen naar duizenden DNS-servers op het internet verstuurd, die afkomstig leken van Spamhaus. Hun antwoord werd automatisch naar de servers van Spamhaus teruggestuurd, waardoor de servers vijf dagen lang overbelast waren.

Uit Skype chatgesprekken is gebleken dat de verdachte opdrachten heeft gegeven en noodzakelijke informatie (zoals IP-adressen) heeft verstrekt aan degenen die de aanvallen daadwerkelijk uitvoerden. Daarnaast blijkt uit de gesprekken dat de verdachte onderdeel uitmaakte van de organisatie die de aanval uitvoerde en zeggenschap had over wat er gebeurde. Een medeverdachte die de aanvallen daadwerkelijk uitvoerde, zag de verdachte zelfs als één van de leiders van de groep.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een (intellectuele) bijdrage aan de verwezenlijking van de ddos-aanvallen heeft geleverd. De verdachte wordt om die reden door de rechtbank aangemerkt als medepleger. Vrijspraak volgt wel van de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie. De ‘IP-hijack’ van een mailserver bij Spamhaus waardoor intern binnen de organisatie spam werd verstuurd, was daarnaast niet juist ten laste gelegd.

De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 310 dagen met 2 jaar proeftijd.

Internet organised threat assessment 2017

Op 28 september 2017 heeft Europol zijn ‘Internet Organised Crime Threat Assessment 2017’ rapport uitgebracht. Het rapport geeft ieder jaar een bijzondere inkijk in de laatste ontwikkelingen op het gebied van ‘internet organised crime’. De belangrijkste conclusies uit het rapport worden hieronder kort besproken.

Ransomware

Ransomware vormt volgens Europol de belangrijkste malware dreiging, gelet op de slachtoffers en de schade die het met zich meebrengt. Met ransomware wordt relatief eenvoudig geld verdiend. Door het gebruik van cryptocurrencies, zoals Bitcoin, zijn de verdiensten bovendien relatief eenvoudig wit te wassen. Naast Bitcoin worden ook Monero, Etherium en ZCash in toenemende mate door cybercriminelen gebruikt. ‘Kirk’ is de eerste ransomware waarbij Monero werd gebruikt voor het losgeld (in plaats van Bitcoin).

Niet alleen individuen worden door cybercriminelen met ransomware aangevallen, maar ook ziekenhuizen, de politie en overheidsinstellingen. MKB-bedrijven worden steeds vaker aangevallen, mede vanwege hun beperkte budget om voldoende beveiligingsmaatregelen te nemen. Europol spreekt van een ‘explosie’ van ransomware dat op de markt komt, waarbij sommige rapporten spreken van een toename van 750% in 2016 ten opzichte van 2015.

Information stealers’ vormen de op een na grootste bedreiging met betrekking tot malware. Het kost cybercriminelen aanzienlijk meer moeite de benodigde informatie (zoals financiële gegevens) te stelen en het is voor criminelen lastiger met deze malware geld te verdienen vergeleken met ransomware. In het rapport wordt terecht opgemerkt dat Europol een vertekend beeld krijgt van de malwaredreiging, omdat mensen vaak de gevolgen van het gebruik van malware rapporteren. De IT beveiligingsindustrie geeft daarom noodzakelijke input voor het rapport. Binnen deze industrie bestaat een meer volledig beeld van de dreiging.

Internet of things

Europol signaleert ook de dat zwakke beveiliging van ‘Internet of Things’-apparaten cyberaanvallen in de hand werkt. Het Mirai-botnet, dat werd gevormd door lekke en misbruikte IoT-apparaten, heeft in 2016 met een zeer sterke (d)DoS-aanval de Amerikaanse DNS-provider Dyn platgelegd, waardoor populaire diensten als Twitter, SoundCloud, Spotify, Netflix, Reddit en PayPal ongeveer 2 uur onbereikbaar waren. Denial-of-service aanvallen zijn eenvoudig uit te voeren. Een botnet die in staat is een denial-of-service aanval van 5 minuten op een webshop uit te voeren, kan slechts voor 5 dollar op websites worden gehuurd.

Kinderporno

Kinderporno op internet blijft een groot probleem. Het aanbod, de verspreiding en vervaardiging van het materiaal lijkt niet af te nemen. Daarnaast worden enorme hoeveelheden kinderporno in beslag genomen. Volgens Europol zijn hoeveelheden 1-3 Terabyte niet ongebruikelijk met 1 tot 10 miljoen afbeeldingen met kinderpornografie. Peer-to-peer programma’s, zoals GigaTribe, worden nog steeds door kinderpornogebruikers misbruikt voor de verspreiding en het binnenhalen van kinderporno. Europol signaleert dat ook populaire apps en sociale mediadiensten in toenemende mate worden misbruikt voor de distributie van kinderporno. Het is ook helder dat websites op het darkweb worden gebruikt voor toegang en verspreiding van kinderpornografie. Het rapport haalt aan hoe de hack op het hosting bedrijf ‘Freedom Hosting II’ 10.000 darknet websites blootlegde, waarvan 50% kinderpornografische afbeeldingen bevatte. Deze websites zijn overigens vaak gespecialiseerd in kinderporno, omdat online marktplaatsen geen kinderporno accepteren. Zowel op het ‘Surface web’ als op het ‘dark web’ zijn er pay-per-view-diensten beschikbaar waarop kinderpornografisch materiaal wordt aangeboden. Volgens Europol maken veel Westelingen gebruik van de diensten, waarbij vooral minderjarigen uit de Zuidoost-Azië en Afrika worden misbruikt. De opsporing van deze misdrijven wordt bemoeilijkt door het gebruik van gratis WiFi-diensten die bijvoorbeeld in de Filipijnen aan arme wijken worden aangeboden. Het is daardoor lastig op basis van het IP-adres de slachtoffers te identificeren.

Cobalt

Het gebruik chipbetaalkaarten met de EMV-standaard is nog niet alle staten gemeengoed geworden. Betaalkaarten en betaalautomaten die niet van de standaard gebruik maken, worden op grote schaal misbruikt om fraude en andere delicten zoals de aankoop van drugs mee te plegen. In het rapport worden spectaculaire hacks beschreven waarbij pinautomaten of het systeem dat de pinbetalingen faciliteert worden gehackt, waarna de pinautomaten automatisch geld uitspuwen of geld tot een veel hoger bedrag (tot 200.000 euro) kan worden opgenomen. Verwezen worden naar de ‘Carnabak’-groep die in 2014-2015 op deze manier 1 miljard dollar buit heef gemaakt. Meer recent is volgens Europol de ‘Cobalt’-groep actief geweest met het infecteren van pinautomaten met malware om frauduleuze pinopnamen te doen binnen de Europese Unie, waaronder Nederland.

Darknet markets

In het rapport wordt veel aandacht besteed aan de groei van ‘darknet markets’. De online handelsplatformen op het darkweb zijn toegankelijk via Tor, I2P en Freenet, waarbij de illegale activiteiten zich nog voornamelijk via Tor afspelen. In juni 2017 had het Tor netwerk 2.2 miljoen actieve gebruikers en bevatte het bijna 60.000 unieke .onion domeinnamen. De gebruikmaking van deze diensten zijn nog niet de standaard geworden voor de distributie van illegale goederen. Maar de darknet markets groeien snel met een eigen klantenkring in de gebieden van illegale drugshandel, wapenhandel en kinderporno. Daarnaast worden ook veel persoonsgegevens, in het bijzonder gegevens over betaalkaarten en login gegevens voor online bankieren, op het dark web aangeboden.

Volgens Europol maken de volgende drie factoren het gebruik van Tor voor criminelen aantrekkelijk: (1) een bepaalde mate van anonimiteit, (2) een diverse markt aan kopers die minder lijflijk risico lopen en kunnen betalen met cryptocurrencies en (3) een goede kwaliteit van producten die worden verkocht door aanbieders die worden beoordeeld op basis van reviews. 

Maatregelen

Voor het tweede jaar achtereen geeft Europol in het rapport ook de boodschap af encryptie de opsporing voor cybercrime belemmert. Het maakt het aftappen van telecommunicatieverkeer minder effectief en belemmert digitaal forensisch onderzoek. Daarnaast is het helder dat de onrechtmatig verklaring van de dataretentierichtlijn op 8 april 2014 door het Hof van Justitie van de EU een ‘aanzienlijke negatieve invloed’ heeft op de mogelijkheden van opsporingsautoriteiten om bewijsmateriaal veilig te stellen. In sommige lidstaten is nog steeds dataretentieregelgeving voor telecommunicatiedienstverleners (waaronder ISP’s) van kracht, maar in veel andere EU lidstaten niet meer. Deze fragmentatie belemmert de internationale opsporing van cybercrime. Europol doet geen voorstellen tot maatregelen op dit gebied, wellicht omdat het te politiek gevoelig is, maar benadrukt de problematiek die het met zich meebrengt.

Internet organised threat assessment report 2016

In oktober 2016 is het meeste recente rapport van het ‘Internet Organised Crime Threat Assessment’ (IOCTA) door Europol gepubliceerd. In het rapport wordt een overzicht van trends binnen cybercrime verschaft en wordt door Europol aangegeven welke maatregelen moeten worden genomen om cybercrime te bestrijden. Beide aspecten worden hieronder kort toegelicht.

Ransomware

De opkomst van ransomware is de belangrijkste trend. Deze vorm van cybercrime overschaduwt volgens het rapport andere vormen van cybercrime waar men in het verleden veel last van had, zoals banking malware. Met betrekking tot betalingen tussen criminelen wordt het in rapport opgemerkt dat bitcoin hoofdzakelijk als (virtueel) betaalmiddel wordt gebruikt. Het gebruik van het virtuele betalingsmiddel is ook de standaard geworden bij afpersingen, die plaatsvinden met behulp van ransomware- of denial-of-service-aanvallen. In dit kader is het ook van belang dat het WODC in december 2016 een rapport heeft gepubliceerd over ransomware, banking malware en het witwassen met digitale betalingsmiddelen. Het witwasproces dat plaatsvindt bij gebruikmaking van bitcoins en de betrokken actoren worden uitvoerig in het rapport besproken.

Daarnaast is ook zogenaamde ‘CEO fraude’ sterk in opkomst. Bij deze vorm van fraude zijn bedrijven het doelwit van een georganiseerde groep van oplichters. Nadat op afstand toegang is verschaft tot de systemen van een bedrijf wordt een e-mail in naam van de baas van een bedrijf verstuurd naar een werknemer van de afdeling van financiële administratie, waarbij deze werknemer ertoe wordt bewogen een groot bedrag over te maken naar een door de criminelen opgeven rekening.

Ten slotte waarschuwt Europol voor de steeds sterker worden ddos-aanvallen die worden uitgevoerd. De aanvallen fungeren soms als rookgordijn om gegevens uit gehackte systemen te exfiltreren. Steeds vaker worden daarbij ook medische gegevens en intellectuele eigendomsrechten van bedrijven en instellingen gestolen.

Witwassen

In het IOCTA-rapport wordt verder opgemerkt dat cybercriminelen van veel verschillende elektronische communicatiemiddelen gebruikmaken. Deze verschillen van eenvoudig te gebruiken e-mail tot versleutelde gesprekken via chatdiensten, zoals Jabber. Ook blijken forums op het darkweb een belangrijk communicatiemiddel voor criminelen.

Een groeiend aantal forums en peer-to-peernetwerken wordt ook gebruikt om materiaal met betrekking tot kindermisbruik uit te wisselen. Zelfvervaardigd materiaal en materiaal dat afkomstig is van live-webcamseks met minderjarigen, dragen sterk bij aan de beschikbare hoeveelheid materiaal op internet. Versleutelde online mediadiensten en het gebruik van nagenoeg anonieme betalingsnetwerken faciliteren volgens Europol de livestreaming van filmpjes van kindermisbruik. Net als vorig jaar wordt door Europol gesignaleerd dat het gebruik van versleuteling van communicatie (gegevens in transport) en het gebruik van versleuteling van gegevens op een computer (in opslag) een grote uitdaging voor opsporingsdiensten vormen. Het gebruik van standaard versleuteling op mobiele telefoons versterkt dit probleem, aldus Europol.

Maatregelen

In het IOCTA-rapport worden de volgende juridische maatregelen gesuggereerd. Europol raadt aan om undercoveroperaties binnen de EU te harmoniseren. Opsporingsinstanties blijken in de praktijk moeilijkheden te ondervinden in het legitiem inzetten van undercoverbevoegdheden op het darkweb. Ook wordt aangeraden het vastleggen van elektronisch bewijs binnen de EU te harmoniseren. Het gaat daarbij om het vergaren van bewijs van internetserviceproviders, het gladstrijken van procedures met betrekking tot rechtshulp en een mogelijk nieuwe kijk op ‘jurisdictie in cyberspace’.

Europol iOCTA report 2017

Posted on 06/10/2017 op Oerlemansblog

Europol brengt elk jaar het ‘internet organised threat assessment’ (iocta) rapport uit. Het rapport komt tot stand aan de hand van vragenlijsten aan politieorganisaties binnen de EU en door input van bedrijven. Het biedt een interessant en gedetailleerde inzicht in de actuele stand van cybercrime. Ook dit jaar sprak het rapport mij aan en daarom heb ik een samenvatting gemaakt van de belangrijkste bevindingen. Deze samenvatting wil ik de geïnteresseerde lezer natuurlijk niet onthouden.

Ransomware

Ransomware vormt volgens Europol de belangrijkste malware dreiging, gelet op de slachtoffers en de schade die het met zich meebrengt. Met ransomware wordt relatief eenvoudig geld verdiend. Door het gebruik van cryptocurrencies, zoals Bitcoin, zijn de verdiensten bovendien relatief eenvoudig wit te wassen. Naast Bitcoin worden ook Monero, Etherium en ZCash in toenemende mate door cybercriminelen gebruikt. ‘Kirk’ is de eerste ransomware, waarbij Monero werd gebruikt voor het losgeld (in plaats van Bitcoin).

Niet alleen individuen worden door cybercriminelen met ransomware aangevallen, maar ook ziekenhuizen, de politie en overheidsinstellingen. MKB-bedrijven worden steeds vaker aangevallen, mede vanwege hun beperkte budget om voldoende beveiligingsmaatregelen te nemen. Europol spreekt van een “explosie van ransomware” dat op de markt komt, waarbij sommige rapporten spreken van een toename van 750% in 2016 ten opzichte van 2015.

Information stealers

Information stealers’ vormen de op een na grootste bedreiging met betrekking tot malware. Het kost cybercriminelen aanzienlijk meer moeite de benodigde informatie te stelen (zoals financiële gegevens) en het is voor criminelen lastiger met deze malware geld te verdienen vergeleken met ransomware. In het rapport wordt terecht opgemerkt dat Europol een vertekend beeld krijgt van de malwaredreiging, omdat mensen vaak de gevolgen van het gebruik van malware rapporteren. De IT beveiligingsindustrie geeft daarom noodzakelijke input voor het rapport. Binnen deze industrie bestaat een meer volledig beeld van de dreiging.

Slechte beveiliging IoT-apparaten

Europol signaleert ook de dat zwakke beveiliging van Internet of Things-apparaten cyberaanvallen in de hand werkt. Het Mirai-botnet, dat werd gevormd door lekke en misbruikte IoT-apparaten, heeft in 2016 met een zeer sterke (d)DoS-aanval de Amerikaanse DNS-provider Dyn platgelegd, waardoor populaire diensten als Twitter, SoundCloud, Spotify, Netflix, Reddit en PayPal ongeveer 2 uur onbereikbaar waren. Denail-of-service aanvallen zijn eenvoudig uit te voeren. Een botnet die in staat is een denial-of-service aanval van 5 minuten op een webshop uit te voeren, kan slechts voor 5 dollar op websites worden gehuurd.

Kinderpornografie op internet

Kinderpornografie op internet blijft een groot probleem. Het aanbod, de verspreiding en vervaardiging van het materiaal lijkt niet af te nemen. Daarnaast worden enorme hoeveelheden kinderporno in beslag genomen. Volgens Europol zijn hoeveelheden 1-3 Terabyte niet ongebruikelijk met 1 tot 10 miljoen afbeeldingen met kinderpornografie. Peer-to-peer programma’s, zoals GigaTribe, worden nog steeds door kinderpornogebruikers misbruikt voor de verspreiding en het binnenhalen van kinderporno. Europol signaleert dat ook populaire apps en sociale mediadiensten in toenemende mate worden misbruikt.

Het is ook helder dat websites op het darkweb worden gebruikt voor toegang en verspreiding tot kinderporno. Het rapport haalt aan hoe de hack op het hosting bedrijf ‘Freedom Hosting II’ 10.000 darknet websites blootlegde, waarvan 50% kinderpornografische afbeeldingen bevatte. Deze websites zijn overigens vaak gespecialiseerd in kinderporno, omdat online marktplaatsen geen kinderporno accepteren. Zowel op het ‘Surface web’ als op het ‘dark web’ zijn er pay-per-view-diensten beschikbaar waarop kinderpornografische materiaal wordt aangeboden. Volgens Europol maken veel Westelingen gebruik van de diensten, waarbij vooral minderjarigen uit de Zuidoost-Azië en Afrika worden misbruikt. De opsporing van deze misdrijven wordt bemoeilijkt door het gebruik van gratis WiFi-diensten die bijvoorbeeld in de Filipijnen aan arme wijken worden aangeboden. Het is daardoor lastig op basis van het IP-adres de slachtoffers te identificeren.

Fraude met betaalkaarten

Het gebruik chipbetaalkaarten met de EMV-standaard is nog niet alle staten gemeengoed geworden. Betaalkaarten en betaalautomaten die niet van standaard gebruik maken, worden op grote schaal misbruik om fraude en andere delicten zoals de aankoop van drugs mee te plegen. In het rapport worden spectaculaire hacks beschreven waarbij pinautomaten of het systeem dat de pinbetalingen faciliteert worden gehackt, waarna de pinautomaten automatisch geld uitspuwen of geld tot een veel hoger bedrag (tot 200.000 euro) kan worden opgenomen. Verwezen worden naar de ‘Carnabak’-groep die in 2014-2015 op deze manier 1 miljard dollar buit heef gemaakt. Meer recent is volgens Europol de ‘Cobalt’-groep actief geweest met het infecteren van pinautomaten met malware om frauduleuze pinopnamen te doen binnen de Europese Unie, waaronder Nederland.

Groei darknet markets

In het rapport wordt veel aandacht besteed aan de groei van ‘darknet markets’. De online handelsplatformen op het darkweb zijn toegankelijk via Tor, I2P en Freenet, waarbij de illegale activiteiten zich nog voornamelijk via Tor afspelen. In juni 2017 had het Tor netwerk 2.2 miljoen actieve gebruikers en bevatte het bijna 60.000 unieke .onion domeinnamen. De gebruikmaking van deze diensten zijn nog niet de standaard geworden voor de distributie van illegale goederen. Maar de darknet markets groeien snel met een eigen klantenkring in de gebieden van illegale drugshandel, wapenhandel en kinderporno. Daarnaast worden ook veel persoonsgegevens, in het bijzondere gegevens over betaalkaarten en login gegevens voor online bankieren, op het dark web aangeboden. Volgens Europol maken de volgende drie factoren het gebruik van Tor voor criminelen aantrekkelijk: (1) een bepaalde mate van anonimiteit, (2) een diverse markt aan kopers die minder lijflijk risico lopen en kunnen betalen met cryptocurrencies en (3) een goede kwaliteit van producten die worden verkocht door aanbieders die worden beoordeeld op basis van reviews.

Encryptie en dataretentie belemmering de opsporing

Voor het tweede jaar achtereen geeft Europol in het rapport ook de boodschap af encryptie de opsporing voor cybercrime belemmert. Het maakt het aftappen van telecommunicatieverkeer minder effectief en belemmert digitaal forensisch onderzoek. Daarnaast is helder dat de onrechtmatig verklaring van de dataretentierichtlijn op 8 april 2014 door het Hof van Justitie van de EU een ‘aanzienlijke negatieve invloed’ heeft op de mogelijkheden van opsporingsautoriteiten om bewijsmateriaal veilig te stellen. In sommige lidstaten is nog steeds dataretentieregelgeving voor telecommunicatiedienstverleners (waaronder ISP’s) van kracht, maar veel andere EU lidstaten niet. Deze fragmentatie belemmert de internationale opsporing van cybercrime. Europol doet geen voorstellen tot maatregelen op dit gebied, wellicht omdat het te politiek gevoelig is, maar benadrukt de problematiek die het met zich meebrengt.

Kabinetsreactie uitbraak Not-Petya

Op 20 september heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een brief gestuurd naar de Tweede Kamer over de “cyberaanvallen” met de cryptoware ‘Not-Petya’ en ‘Wannacry’. In de brief wordt beschreven hoe op dinsdag 27 juni 2017 wereldwijd organisaties werden getroffen door cryptoware. De initiële besmetting lijkt plaats te hebben gevonden via een update van de boekhoudsoftware van een Oekraïens softwarebedrijf en verspreiding via een Oekraïense nieuwswebsite.

Geen maatschappelijke ontwrichting

Naar aanleiding van de aanval is de Nederlands APM Terminals op de Tweede Maasvlakte enkele dagen gesloten. Toch wordt in de brief opgemerkt dat ‘hoewel er in de media veel aandacht was voor de aanval, dit niet heeft geresulteerd in concrete maatschappelijke ontwrichting binnen Nederland’. Wel heeft het een ‘serieuze impact’ gehad en waren volgens het NCSC vier Nederlandse bedrijven besmet. Volgens de staatssecretaris heeft het NCSC adequaat gewaarschuwd en geadviseerd over te treffen maatregelen naar aanleiding van de malware.

In de nader gewijzigde motie van de leden Hijink (SP) en Tellegen (VVD) van 13 juni jl. (Kamerstukken II 2016/17, 26643, nr. 474) is de regering reeds verzocht om in overleg te treden met maatschappelijke organisaties over de oprichting en vormgeving van een ‘Digital Trust Centre’ teneinde bedrijven en maatschappelijke organisaties te informeren, adviseren en concrete hulp en ondersteuning te bieden voor het verbeteren van cybersecurity. Dit centrum wordt vormgegeven. Door het kabinet wordt voor 2018 een budget van 26 miljoen euro vrijgemaakt. Het geld wordt besteed aan de oprichting van het Digital Trust Centre en aan de ‘verdere verhoging van de digitale weerbaarheid’ in Nederland.

Cyber Security Beeld Nederland 2017

Het cybersecuritybeeld biedt inzicht in de belangen, dreigingen, weerbaarheid en ontwikkelingen op het gebied van cybersecurity in de periode van mei 2016 tot en met april 2017.

Beroepscriminelen en statelijke actoren

Net als voorgaande jaren wordt in het beeld benadrukt dat beroepscriminelen en statelijke actoren de grootste bedreigingen vormen voor cybersecurity. Beroepscriminelen richten zich in toenemende mate op grote bedrijven voor financieel gewin. Ook is de trend zichtbaar dat steeds meer bedrijven en instellingen het slachtoffer worden van ransomware, waarbij het losgeld vaak in Bitcoin wordt geëist. De aanvallen door de WannaCry en Petya ransomware hebben in juni nog tot miljoenen euro’s aan schade geleid door de stillegging van de Tweede Maasvlakte. Daar is de gehele logistiek geautomatiseerd en deze apparaten raakten geïnfecteerd met de malware. Jihadisten zijn overigens binnnen de rapportageperiode nog niet in staat gebleken tot het uitvoeren van geavanceerde digitale aanvallen. Wel is de intentie daartoe aanwezig en worden hackers gezocht die zich bij het kalifaat willen aansluiten.

Cyberspionage

In het beeld wordt aangegeven dat bedrijven binnen de sectoren ICT, maritieme technologie, biotechnologie en lucht- en ruimtevaart, het slachtoffer zijn geweest van economische spionage. Deze activiteiten varieerden van enkel voorbereidingshandelingen tot het daadwerkelijk exfiltreren van vertrouwelijke bedrijfsgegevens. Naast digitale economische en politieke spionage en sabotage, zetten staten digitale middelen in voor de beïnvloeding van democratische processen. Daarbij kan gedachten worden aan de digitale aanvallen op de Amerikaanse Democratische Partij en tijdens de campagne van de Franse president Macron. Ook wordt zichtbaar dat veel organisaties afhankelijk zijn van een beperkt aantal aanbieders van digitale infrastructuurdiensten waardoor de maatschappelijk impact bij verstoring groot kan zijn. Datalekken zijn in de onderzoekersperiode toegenomen qua omvang en frequentie. Bovendien hebben kwetsbare apparten in het ‘internet der dingen’ geleid tot verstorende aanvallen die de noodzaak tot het versterken van de digitale weerbaarheid onderschrijven. Daarbij kan gedacht worden aan het ‘Mirai-botnet’, waarmee zeer krachtige denial-of-service aanvallen zijn uitgevoerd die tot uitval leiden van diensten als Twitter en Netflix.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie waarschuwt dat ‘de digitale weerbaarheid van individuen en organisaties achter blijft bij de dreiging’. In zijn reactie op het rapport geeft hij aan dat hij de Cyber Security Raad heeft gevraagd advies te geven met betrekking tot de kansen en dreigingen van het Internet of Things. Hiermee kan worden verkend welke nationale en internationale mogelijkheden er bestaan om in gezamenlijkheid verder te werken aan de digitale veiligheid van producten en diensten. Ook vraagt hij de Cyber Security Raad, in het licht van de motie Hijink-Tellegen, advies te geven over de informatie-uitwisseling met betrekking tot cybersecurity en cybercrime. In het bijzonder vraagt hij in te gaan hoe gekomen kan worden tot een landelijk dekkend stelsel van informatieknooppunten, het bevorderen van informatie-uitwisseling en het delen van advies.

Hacking without a legal basis

Posted on 30/10/2014 on Oerlemansblog

In May 2014, the Dutch Public Prosecution Office announced that the Dutch police participated in a global action against ‘Blackshades’ malware. Blackshades enables individuals to remotely take over computers and copy information (among other functionalities). The Dutch press release stated that:

“Team High Tech Crime of the Dutch police saw an opportunity to enter the Blackshades server and secure a large amount of information. The location of the server is unknown”.

This statement implies that Dutch law enforcement authorities entered the server remotely to copy data. Said in other words, Dutch law enforcement authorities hacked a server without knowing the location of the server to secure information. Indeed, recent answers to parliamentary questions confirmed the computer was ‘remotely accessed’(hacked) by law enforcement authorities during the operation in May. In addition, the Dutch Minister of Security of Justice stated in the letter to the Dutch Parliament that art. 125i of the Dutch Code of Criminal Procedural (DCCP) provides for a legal basis to access computer remotely (by hacking) and copy information.

The problem with this letter is that there is arguably no legal basis for hacking in Dutch criminal procedural law. The statement of the Minister of Safety and Justice is in my view worrisome, because a special investigation power is interpreted very broadly by the minister to suit the needs of law enforcement authorities. This undermines a fundamental principle of our criminal law system.

Art. 125i DCCP does not provide a legal basis for hacking

Art. 125i DCCP provides for an ill-understood investigation power that allows law enforcement authorities to search a place in order to secure information stored on computers. The article specifically refers to existing investigation powers for search and seizure at a particular place by law enforcement authorities. Therefore, art. 125i DCCP should always be read in conjunction with the power to search a place, seize a computer and subsequently search data on a computer. In the letter, the minister seems to ignore these explicitly referred to powers of search and seizure at a particular place.

For example, a public prosecutor can seize a computer located at hosting provider and search the data stored on a computer in an effort to secure the sought after data upon the legal basis of art. 125i DCCP jo art. 96c DCCP. These powers for search and seizure are simply different from hacking as an investigation method. The most notable difference between hacking and the search and seizure of computers is that hacking takes place remotely in secret, whereas the search and seizure of computers takes place at a particular place in the presence of witnesses.

There are good reasons to think that the Dutch legal framework to analyse data on computers is outdated. Additionally, there are good reasons why law enforcement authorities feel the need to be able to access computers remotely to acquire information relevant to a criminal investigation. But a key principle and essential to the rule of law is that law enforcement authorities are bound by the law. In my view, as I argued extensively in 2011 and 2013 (in Dutch), Dutch criminal procedural law does not provide for the investigation power to hack computers by law enforcement authorities.

Criminal procedural legality principle

In Dutch criminal procedural law, investigation methods that infringe in the right to privacy in more than a minor way or threaten the integrity of a criminal investigation require detailed regulations. This ‘criminal procedural legality principle’ with regard to the regulation of investigation methods ensures that governmental powers are controlled by the law and prevent arbitrary interferences by the government in the private lives of citizens. The principle also ensures that governmental powers to investigate crime are foreseeable to citizens. In essence, this legality principle harnesses governmental power which is essential to the rule of law.

Therefore, I find it curious our Minister of Security and Justice endorses a broad and highly debatable interpretation of the law to enable law enforcement authorities to hack computers, especially considering that a new legislative proposal is under way which aims to regulate hacking as an investigation power. This ‘Computer Crime Act III’ will be send to the Dutch Parliament in early 2015.

A democratic legislative process is required to provide Dutch law enforcement authorities with the powers that a majority of the elected representatives of the Dutch people find appropriate. Perhaps hacking computers under stringent conditions to allow for evidence gathering activities is desirable as a new investigation power. But in the meantime, the criminal procedural legality principle as a key principle in Dutch criminal procedural law should not be ignored.

This is a cross post from LeidenLawBlog.nl

Is data retention useless?

Posted on 03/03/2014 on Oerlemansblog

“Data retention of web data is useless” were the headlines of some news outlets in the Netherlands a few weeks ago. In my view the journalists jumped to conclusions after quickly reading the evaluation report (.pdf) of the Research and Documentation Centre of the Dutch Ministry of Safety and Justice with regard to data retention (English summary is available on p. 151-159). I think some more nuance is needed and it may be interesting to compare the report to my own research results with regard to data retention after several successful data access requests.

Retention of telephony data

The authors of the report explain that telephony data is nowadays used in almost every criminal investigation. Location data and call detail records are particularly useful according to interviewed investigators and based on case law.

Two researchers tried to obtain their own telecommunications data with a data access request, but were unable to obtain location data. My own data access request proved more successful as described is a previous blog post. I recognize the researchers experience it was too difficult to obtain the data and stress there are questions surrounding our governments plans to leave out notification requirements after certain types of data have been collected by law enforcement officials.

Retention of internet data

The retention of internet related data regards internet access, e-mail provided by ISPs and managed VoIP-telephony. The full list of data that must be retained for 6 months is available here at section “B”. Thus, search queries and visited websites are not retained by telecommunication companies, as well as the ‘contents’ of e-mail messages and other messages or conversations held using the Internet.

My own data request at broadband internet access provider revealed that in a period of three days was only one IP-address and the subscriber data was retained. Since I do no use the e-mail client provided by my ISP, there is no e-mail data available. The report tellingly quoted a law enforcement official that stated that practically “only 55-years-olds and above” still privately use e-mail of their internet access providers. Webbased telecommunication services are not obligated to retain data. The available data can only be obtained using legal aid requests. Researchers point out there are significantly less data requests in the Netherlands at these foreign providers than in other EU countries, but they cannot explain why.

Identifying internet users

An important question is how internet related data retention data is used in criminal investigations. The authors of the report explain that the retention of internet data is primarily used in cybercrime investigations (investigations in which the Internet plays a facilitating role in the commission of the crime). The retention of the assigned IP-address to the router of a broadband internet connection may enable law enforcement officials to (eventually) identify suspects. In cybercrime investigations, in some cases a logged IP-address of a device used to perpetrate a crime is the only lead available. Tracing back the IP-address may to an ISP, depending on what service is used to access the Internet and whether anonymizing services are used.

Since suspects may just as well live in a different country than the Netherlands when committing a cybercrime, the trace often leads to a foreign ISP. According to the author of the report, investigators therefore largely depend legal aid requests to collect the available data. When data retention regulations are in place, the data is at least available for a period of time. However, not all EU Member States implemented the EU Data retention directive and local regulations always differ which can be frustrating for law enforcement officials.

Most significantly, the researchers suggest it may be very difficult to identify mobile internet users solely upon the basis of an IP-address (p. 102-106). My own data access request at my telephone provider revealed that the assigned IP-addresses by the telephone company was often the same. It is likely that many people at the same time make use of the same IP-address using Network Address Translation (NAT) technologies, after which the internet traffic is distributed further through the companies infrastructure. All these people then make use of the same IP-address. When there is no additional information retained about the devices it may be difficult to identify individual users who were all assigned the same IP-address. I cannot determine upon the basis of the available information whether telecommunication providers are able to trace back individual users upon the basis of an IP-address, but if I’m reading it correctly the research report suggests they cannot. That seems as a rather significant conclusion to me.

Interestingly, the interviewed law enforcement officials unanimously agree the retention period of 6 months for internet related data is too short. Taking in consideration the amount of time criminal investigations can take I understand these statements from an investigation perspective. But the Dutch parliamentary shortened the retention of internet data from 1 year to 6 months in 2011 citing privacy concerns. The researchers report also explain how many of the interviewed law enforcement officials were unaware internet related data was retained. Internet related retention data is primarily used in cybercrime investigations. The researchers point out there is still a knowledge deficit among law enforcement officials on how to the use internet related data in criminal investigations regarding crimes of all types.

Conclusion

Contrary to what some news articles suggest, the collection of data at telecommunication providers – of which the availability is ensured by data retention legislation – is almost standard practice in criminal investigations. It is deemed as ‘very useful’ by investigators and case law suggests the data is relatively often used as evidence in criminal cases.

Data retention of internet related communications prove to be particularly useful in many cybercrime investigations, because the retention of assigned IP-addresses to broadband Internet customers may enable law enforcement officials to identify internet users. When a different internet connection than a household internet connection is used, it may be difficult to identify internet users. Perhaps internet users can even stay anonymous by using a mobile internet connection. This seems strange, because data retention legislation is specifically created to identify people and aid in criminal investigations. Indeed, the obligatory retention of mobile internet related data seems rather useless in case the information cannot be used to identify people. However, the location data that is retained every time data is transmitted through a telecommunications network still often aids in criminal investigations.

Before the legislator considers to expand data retention regulations, it may be worth considering whether there is other information available at third parties that can be collected to identify internet users. People also often have to login to make use of the internet access service which may provide for leads and there may be camera footage available for example. The regulations for the retention of internet data must be reviewed on its own merits, because it is simply not the same as telephony data. The future will tell us how the legislators respond to the research findings of the report. The Dutch minister of Security and Justice already announced he will review in the coming months whether expanding the list of data retention is desirable.