Enkele veroordelingen voor phishing

Het Hof Amsterdam en de rechtbank Den Haag hebben in november en december enkele verdachten veroordeeld voor grootschalige phishing. Door het Hof Amsterdam is een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2017:4753) voor het versturen van 132.260 phishing e-mails en het hacken van 9 websites. Daarbij werd gebuikt gemaakt van de programma’s  ‘Gre3nox’, welk programma gebruikt wordt om kwetsbaarheden in websites op te sporen en ‘Havij’, welk programma gebruikt wordt om databases van websites te hacken door middel van SQL-injecties.

De verdachte richtte zich in zijn mails op gebruikers van de creditcardmaatschappij ICS, waarbij de inlogpagina van de dienstverlener werd nagemaakt om inloggegevens af te vangen. Gezien de op de laptop en de SD-kaart aangetroffen bestanden met betrekking tot phishingwebsites en de in de internetcache aangetroffen gegevens, vond het Hof het aannemelijk dat deze phishing e-mailberichten van de verdachte afkomstig waren. Opvallend is overigens de vermelding dat de verdachte gebruik maakte van het internet van zijn buurvrouw, waardoor de politie op een dwaalspoor werd gezet.  De verdachte is veroordeeld voor 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 15 maanden voorwaardelijk.

Op 22 december 2017 zijn door de Rechtbank Den Haag verschillende verdachte veroordeeld voor computervredebreuk, diefstal en grootschalige oplichting van consumenten door elektronica aan te bieden via namaakwebshops. Op basis van anonieme tips en andere informatie zijn de verdachten op 18 mei 2015 door de politie aangemerkt als mogelijke plegers van dergelijke vormen van internetoplichting.

De verdachten hebben met gephishte gegevens ingelogd op Admarkt- en reguliere Marktplaatsaccounts en daarop andere advertenties geplaatst, die verwezen naar namaakwebshops. Deze namaakwebshops waren afgeleid van webshops van bedrijven zoals BCC, Dixons, Simyo en Topprice. De namaakwebshops waren niet of nauwelijks van de echte webshops te onderscheiden. Soms waren adressen, telefoonnummers, BTW- en KvK-nummers van het reguliere bedrijf overgenomen en altijd bestond er een contactmogelijkheid via e-mail of door middel van een chatfunctionaliteit. De producten werden op professionele wijze gepresenteerd. Consumenten hadden nadat zij via een betrouwbaar ogende advertentie op Marktplaats werden doorgelinkt naar de namaakwebshop, dan ook niet door dat zij op een frauduleuze website waren beland.

De koopprijs van producten werd door consumenten betaald op een door verdachte opgegeven rekeningnummer, meestal via iDEAL of een andere betaaldienstverlener. De bestelde producten werden daarna niet geleverd en verdachte heeft ook nooit de intentie gehad die te leveren. Met twee anderen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de hack van Scrypt.cc, met grote schade tot gevolg.

Het beroep van de raadsman van de verdachte op het ‘Smartphone-arrest’ van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:588) slaagde in dit geval, omdat zich een ernstige privacy-inmenging heeft voorgedaan door het diepgravende onderzoek waarbij het hele privéleven van de verdachte bloot komt te liggen. Daarvoor is een machtiging van een rechter-commissaris noodzakelijk. De Rechtbank verbindt echter geen sanctie aan het vormverzuim.

Ook met betrekking tot gebezigde bewijsmiddelen is de zeer uitgebreide uitspraak van de Rechtbank Den Haag interessant, vanwege de vermelding van bjzondere opsporingsmiddelen, zoals een internettap, het vorderen van gebruikers- en verkeersgegevens bij Google, betalingen met het uitwisselingskantoor van cryptocurrencies ‘AnyCoin’ en informatie over de online betalingsdienst Skrill (die enige anonimiteit aan gebruikers biedt). De medeverdachten zijn veroordeeld voor het medeplegen van feiten, zoals het verkrijgen van inloggegevens door middel van phishing en het fungeren als katvanger door betaalrekeningen beschikbaar te stellen.

Online drugshandel, witwassen en bitcoins

Posted on 15/12/2017 op Oerlemansblog

Binnen een korte tijd zijn interessante stukken verschenen over online drugshandel en het witwassen met bitcoins. Europol legt in een rapport uitgebreid uit hoe online drugsmarkten eruit zien, hoe deze werken en welke problemen zij tegenkomen bij de opsporing en bestrijding ervan. Daarnaast zijn in november in Nederland enkele interessante uitspraken verschenen. In deze blogpost geef ik een overzicht van deze stukken.

Europol rapport ‘Drugs and the darknet’

Het rapport ‘Drugs and the darknet’ biedt veel informatie en belangrijke inzichten over online drugshandel, dat zich voornamelijk afspeelt via internetmarktplaatsen die via Tor bereikbaar zijn. In het rapport wordt met veel openheid uitgelegd hoe online drugsmarkten werken en welke drugsmarkten actief zijn geweest. Daarbij wordt bijvoorbeeld uitgebreid ingegaan op de drugsmarkt AlphaBay, dat op enig moment naar schatting 28% van gehele omzet op online drugshandel voor zijn rekening nam. Grote operaties waarbij dark markets offline zijn gehaald, hebben volgens Europol disruptie veroorzaakt op de drugsmarkten. Tegelijkertijd is duidelijk dat de drugshandelaren en kopers daarop tegenmaatregelen nemen, zoals het tegengaan van monitoring van online marktplaatsen door het toepassen van versleuteling en het vereiste van verschillende sleutels in te voeren voor het autoriseren van bitcointransacties. Europol verwacht dat de online drugsmarkten voorlopig blijven groeien door de anonimiteit die het Tor netwerk biedt, de mogelijkheden om versleuteld te communiceren, de mogelijkheden om te betalen in cryptocurrencies zoals Bitcoin (en in toenemende mate Monero en ZCash). In het rapport wordt opgemerkt dat de politiedienst een goed beeld heeft van de Westerse drugsmarkten, maar vooralsnog (te) weinig zich heeft op online drugsmarkten met een niet-Engelse voertaal, zoals Russisch.

Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben het grootste aandeel met betrekking tot het aanbod van drugs binnen de Europese Unie via de darknet markets. Nederlandse verkopers staan bekend om hun aanbod van MDMA, dat vaak van goede kwaliteit is. Europol geeft aan dat de dataretentie-zaak van het Hof van Justitie van de Europese Unie grote problemen veroorzaakt in cybercrime-onderzoeken naar online drugshandel, omdat de gegevens bij internet access providers niet verplicht beschikbaar worden gemaakt voor opsporingsinstanties. Ook levert de toepassing van ‘carrier-grade NAT’ technologie bij mobiele internet dienstverleners grote problemen op, omdat sommige aanbieders hun eigen klanten en netwerkverkeer van die klanten op hun netwerk niet meer kunnen identificeren door de gebruikte poorten niet te loggen en aangezochte IP-adressen niet vast te leggen. Carrier-grade NAT is een technologie waarbij verschillende internetgebruikers gebruik kunnen maken van hetzelfde IP-adres. De techniek wordt door 95% van de mobiele telecomaanbieders gebruikt en bijna 50% van de internet service providers wereldwijd. De toename in het gebruik van encryptie (bijvoorbeeld door het gebruik van het PGP-sleutels) en het gebruik van anonimiseringsdiensten voor bitcoins (met zogenaamde ‘bitcoin-mixing diensten’ of ‘tumblers’) daagt ook de opsporing uit.

In het rapport wordt tevens (wederom) aangegeven dat de jurisdictieproblemen in opsporingsonderzoeken naar cybercrime groot zijn. De problemen doen zich voor vanwege verschillende strafbaarstellingen, verschillende voorwaarden voor de inzet van bevoegdheden, problemen met betrekking tot de lokalisering van computers op het darkweb en een gebrek aan eenduidigheid over het uitvoeren van digitaal forensisch onderzoek. Het ‘European Investigation Order’, dat een nieuw instrument biedt voor een meer directe vorm van rechtshulp binnen de EU, biedt volgens Europol onvoldoende mogelijkheden om effectief bewijs over de grenzen te verzamelen. Vanwege de vereiste specialistische kennis die is vereist en grensoverschrijdende aard van de criminaliteit heeft Europol een speciaal ‘darknet team’ opgericht. Zij raadt aan dat andere Lidstaten ook dergelijke teams oprichten. In het rapport wordt ten slotte opgemerkt dat de Europese Commissie in het begin 2018 een voorstel zal doen voor een ‘nieuw juridisch instrument’ om elektronisch bewijs te vergaren.

Veroordelingen voor online drugshandel en witwassen

De rechtbank Rotterdam heeft op 8 november 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:8988 en ECLI:NL:RBROT:2017:8989) verschillende verdachten veroordeeld voor het witwassen met bitcoins die afkomstig zijn uit drugshandel via het darkweb. In de uitspraken wordt uitgebreid besproken over de manier waarop de bitcoins zijn witgewassen. De verdachten waren in deze zaak bitcoinhandelaren die bitcoins inwisselen tegen contant geld, zodat de anonimiteit van klanten gewaarborgd bleef. Met deze omzetting is de criminele herkomst van de bitcoins verhuld. De verdachte heeft de beschikking gehad over diverse bitcoinwallets (een soort digitale portemonnees). In die wallets zijn bitcoins gestort vanuit onder meer ‘MiddleEarthMarketplace’, ‘AgoraMarket’ en ‘NucleusMarket’, allen (illegale) marktplaatsen op het dark web. In een andere uitspraak van de rechtbank Rotterdam op dezelfde dag (ECLI:NL:RBROT:2017:8989), wordt daarbij opgemerkt dat het een relevante factor voor het aanmerken van witwassen is dat de verdachte ervoor heeft gekozen om de bitcoins om te wisselen voor contanten bij een bitcoinhandelaar die zijn klanten anonimiteit garandeert en hiervoor een veel hogere commissie vraagt (5-7%) dan bij de reguliere wisselkantoren. Dit zou duiden op wetenschap van de criminele herkomst van de bitcoins bij de verdachte.

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 17 november 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:5217 en ECLI:NL:RBMNE:2017:5219) tevens twee verdachten flinke straffen (tot zes jaar gevangenisstraf) opgelegd voor de drugshandel via het dark web van tientallen kilo’s harddrugs (met name MDMA). Zij verstopten daarbij de drugs in pindakaaspotten en wenskaarten en verstuurden dit per post naar klanten over de hele wereld. Een van de verdachte is ook veroordeeld voor het witwassen van bitcoins. Interessant is hoe in de uitspraak wordt uitgelegd hoe de opsporing in zijn werking ging. Het benodigde is bewijs is onder andere vergaard op basis van de reviews en gevoerde alias (nickname) van de verdachte op een online drugsmarket dat alleen via het Tor-systeem toegankelijk is. Ook de ‘selfies’ op de iPhone van de verdachte met drugspakketjes en de unieke PGP-sleutel waarmee de verdachte versleuteld communiceerde heeft, hebben een belangrijke rol in de bewijsvoering gespeeld. Ten slotte bleek uit de ‘error reports’ op de laptop van de verdachte dat hij heeft ingelogd op de darkmarkts en succesvol drugs heeft verkocht en werden etiketten met het afleveradres op de laptop gevonden.

Een andere verdachte is tevens door de Rechtbank Midden-Nederland op 17 november 2017 veroordeeld (ECLI:NL:RBMNE:2017:5716) voor het witwassen van bitcoins. Deze verdachte kocht 20.000 bitcoins in met destijds een waarde van 5 miljoen euro, waarvan bleek dat een groot deel daarvan door derden op het darknet is verdiend. In de uitspraak wordt zeer gedetailleerd ingegaan op het gebruik van een zogenaamde ‘bitcoin mixer’, waarbij bitcoins bij elkaar worden gebracht en opnieuw aan de klanten van de diensten worden verstrekt waardoor de bitcoins anoniemer zijn. De verdachte maakte in deze casus gebruik van de Bitcoin mixingdienst ‘Bitcoin fog’. Uit de verklaringen blijkt dat de bitcoins daarna zijn omgezet in contanten via handelaren die adverteerde op de website localbitcoins.net en een ander via het wisselkantoor Bitconic. Deze handelingen worden de rechtbank gezien als een verhullingshandeling, zoals vereist is voor witwassen. De rechtbank is na een analyse door een deskundige overtuigd dat alle bitcoins die van darknet markets afkomstig zijn, een criminele herkomst hebben. Ten behoeve van de bewijsvoering wijst de rechtbank ook op een vermenging van een grote hoeveelheid uit darknet market afkomstige bitcoins met een bitcoins met een mogelijk wel legale herkomst. Het gehele verzilverde bedrag aan bitcoins wordt om deze reden als van misdrijf afkomstig aangemerkt. De verdachte moet dan wel wetenschap hebben of redelijkerwijs vermoeden dat de uit de bitcoinhandel afkomstige geldbedragen die op zijn rekening werden verzilverd van enig misdrijf afkomstig waren. De rechtbank is van mening dat dit het geval was voor een bedrag van € 1.651.044,96. In de uitspraak wordt tot slot opgemerkt dat ‘beslag is gelegd op de saldo van de bitcoinadressen’ in de drie bitcoinportemonnees op laptops van de verdachten. Daarbij werden bitcoins overgemaakt naar het bitcoinadres van het Openbaar Ministerie.

Veroordeling grootschalige kinderporno

Op 29 november 2017 heeft de rechtbank Overijssel een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBOVE:2017:4443) voor ontucht en het maken en het wereldwijd verspreiden van kinderporno. De 34-jarige man krijgt een gevangenisstraf van 5 jaar en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. Hij heeft zich ‘vele malen’ schuldig gemaakt aan het aan ernstig seksueel misbruik van twee minderjarige meisjes.

Het onderzoek is gestart na ontvangst van informatie uit Nieuw-Zeeland dat de verdachte zich ophield op een kinderporno forum op het darkweb. In het daaropvolgende onderzoek is een kind geïdentificeerd op foto’s die door de verdachte aan de chats waren toegevoegd. Gedurende het strafrechtelijk onderzoek is de TOR-site van verdachte benaderd en is een grote hoeveelheid (113.483) kinderpornografische afbeeldingen (113.425 foto’s en 58 video’s) door de verdachte gedownload. Bij de strafoplegging weegt de rechtbank de zeer professionele wijze mee ‘waarop verdachte zich begaf op het internet en in de digitale wereld en de rol die hij, onder meer door op te treden als zgn. moderator, in de organisatiestructuur op het darknet heeft uitgeoefend’.

Uit het onderzoek van die gegevensdragers is gebleken dat in totaal ruim 1 miljoen afbeeldingen aanwezig waren, waarvan een percentage van circa 30% als kinderpornografisch materiaal is beoordeeld. Uit de gevoerde chatberichten kon tevens worden afgeleid dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan feitelijk (hands-on) seksueel misbruik van tenminste twee jonge kinderen.

Opvallend is ten slotte de overweging omtrent de teruggave van de inbeslaggenomen computers door de rechtbank: ‘de rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde voorwerpen alle vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer’. De rechtbank overweegt in dit verband dat ‘ook ten aanzien van de gegevensdragers en computers waarop tot nu toe geen kinderpornografisch materiaal is aangetroffen, niet valt uit te sluiten dat dergelijk materiaal via (onder meer) versleuteling tot nu toe niet zichtbaar gemaakt kon worden door de politie, maar daarop/daarin (nog) wel degelijk aanwezig is’.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat gedurende het onderzoek herhaaldelijk is gebleken dat verdachte beschikt over een ‘fenomenaal vermogen om digitale informatie aan het (toe)zicht van de autoriteiten onttrokken te houden’.

Veroordelingen voor online drugshandel en witwassen

De rechtbank Rotterdam heeft op 8 november 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:8988 en ECLI:NL:RBROT:2017:8989) verschillende verdachten veroordeeld voor het witwassen met bitcoins die afkomstig zijn uit drugshandel via het darkweb. In de uitspraken wordt uitgebreid besproken over de manier waarop de bitcoins zijn witgewassen.

De verdachten waren in deze zaak bitcoinhandelaren die bitcoins inwisselen tegen contant geld, zodat de anonimiteit van klanten gewaarborgd bleef. Met deze omzetting is de criminele herkomst van de bitcoins verhuld. De verdachte heeft de beschikking gehad over diverse bitcoinwallets (een soort digitale portemonnees). In die wallets zijn bitcoins gestort vanuit onder meer ‘MiddleEarthMarketplace’, ‘AgoraMarket’ en ‘NucleusMarket’, allen (illegale) marktplaatsen op het dark web.

In een andere uitspraak van de rechtbank Rotterdam op dezelfde dag (ECLI:NL:RBROT:2017:8989), wordt daarbij opgemerkt dat het een relevante factor voor het aanmerken van witwassen is dat de verdachte ervoor heeft gekozen om de bitcoins om te wisselen voor contanten bij een bitcoinhandelaar die zijn klanten anonimiteit garandeert en hiervoor een veel hogere commissie vraagt (5-7%) dan bij de reguliere wisselkantoren. Dit zou duiden op wetenschap van de criminele herkomst van de bitcoins bij de verdachte.

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 17 november 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:5717 en ECLI:NL:RBMNE:2017:5719) tevens twee verdachten flinke straffen (tot zes jaar gevangenisstraf) opgelegd voor de drugshandel via het dark web van tientallen kilo’s harddrugs (met name MDMA).  Zij verstopten daarbij de drugs in pindakaaspotten en wenskaarten en verstuurden dit per post naar klanten over de hele wereld. Een van de verdachte is ook veroordeeld voor het witwassen van bitcoins.

Interessant is hoe in de uitspraak wordt uitgelegd hoe de opsporing in zijn werking ging. Het benodigde is bewijs is onder andere vergaard op basis van de reviews en gevoerde alias (nickname) van de verdachte op een online drugsmarket dat alleen via het Tor-systeem toegankelijk is. Ook de ‘selfies’ op de iPhone van de verdachte met drugspakketjes en de unieke PGP-sleutel waarmee de verdachte versleuteld communiceerde heeft, hebben een belangrijke rol in de bewijsvoering gespeeld. Ten slotte bleek uit de ‘error reports’ op de laptop van de verdachte dat hij heeft ingelogd op de darkmarkts en succesvol drugs heeft verkocht en werden etiketten met het afleveradres op de laptop gevonden.

Een andere verdachte is tevens door de Rechtbank Midden-Nederland op 17 november 2017 veroordeeld (ECLI:NL:RBMNE:2017:5716) voor het witwassen van bitcoins. Deze verdachte kocht 20.000 bitcoins in met destijds een waarde van 5 miljoen euro, waarvan bleek dat een groot deel daarvan door derden op het darknet is verdiend. In de uitspraak wordt zeer gedetailleerd ingegaan op het gebruik van een zogenaamde ‘bitcoin mixer’, waarbij bitcoins bij elkaar worden gebracht en opnieuw aan de klanten van de diensten worden verstrekt waardoor de bitcoins anoniemer zijn.

De verdachte maakte in deze casus gebruik van de Bitcoin mixingdienst ‘Bitcoin fog’. Uit de verklaringen blijkt dat de bitcoins daarna zijn omgezet in contanten via handelaren die adverteerde op de website localbitcoins.net en een ander via het wisselkantoor Bitonic. Deze handelingen worden de rechtbank gezien als een verhullingshandeling, zoals vereist is voor witwassen. De rechtbank is na een analyse door een deskundige overtuigd dat alle bitcoins die van darknet markets afkomstig zijn, een criminele herkomst hebben. Ten behoeve van de bewijsvoering wijst de rechtbank ook op een vermenging van een grote hoeveelheid uit darknet market afkomstige bitcoins met een bitcoins met een mogelijk wel legale herkomst. Het gehele verzilverde bedrag aan bitcoins wordt om deze reden als van misdrijf afkomstig aangemerkt. De verdachte moet dan wel wetenschap hebben of redelijkerwijs vermoeden dat de uit de bitcoinhandel afkomstige geldbedragen die op zijn rekening werden verzilverd van enig misdrijf afkomstig waren.

(d)dos-er van ‘grootste aanval ooit’ veroordeeld

Op 14 november 2016 is een verdachte door de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2016:8664) veroordeeld voor zijn ‘substantiële bijdrage aan de grootschalige DDos-aanval’ op de servers van Spamhaus.

Spamhaus is een non-profitorganisatie die zich bezighoudt met de bestrijding van spam. De aanval werd door de media destijds bestempeld als de ‘grootste ddos-aanval ooit’. Webwereld legde uit dat de datatsunami 300 miljard bits per seconden (300 Gigabit/s) bereikt werd door het gebruik van een zogenaamde ‘DNS-amplificatieaanval’. Daarmee worden valse DNS-aanvragen naar duizenden DNS-servers op het internet verstuurd, die afkomstig leken van Spamhaus. Hun antwoord werd automatisch naar de servers van Spamhaus teruggestuurd, waardoor de servers vijf dagen lang overbelast waren.

Uit Skype chatgesprekken is gebleken dat de verdachte opdrachten heeft gegeven en noodzakelijke informatie (zoals IP-adressen) heeft verstrekt aan degenen die de aanvallen daadwerkelijk uitvoerden. Daarnaast blijkt uit de gesprekken dat de verdachte onderdeel uitmaakte van de organisatie die de aanval uitvoerde en zeggenschap had over wat er gebeurde. Een medeverdachte die de aanvallen daadwerkelijk uitvoerde, zag de verdachte zelfs als één van de leiders van de groep.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een (intellectuele) bijdrage aan de verwezenlijking van de ddos-aanvallen heeft geleverd. De verdachte wordt om die reden door de rechtbank aangemerkt als medepleger. Vrijspraak volgt wel van de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie. De ‘IP-hijack’ van een mailserver bij Spamhaus waardoor intern binnen de organisatie spam werd verstuurd, was daarnaast niet juist ten laste gelegd.

De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 310 dagen met 2 jaar proeftijd.

Bijzondere bescherming voor smartphones

Posted on 02/11/2017 op Oerlemansblog

Zouden smartphones binnen het strafrecht bijzondere bescherming moeten krijgen?

In de laatste twee jaar waren er in Nederland en België veel ontwikkelingen op het gebied van inbeslagname van gegevensdragers. Het staat buiten kijf dat de inbeslagname en het uitlezen van een ‘gegevensdrager’, zoals een smartphone, een inmenging vormt in de fundamentele rechten en vrijheden, zoals het recht op privacy en het eigendomsrecht.

De Nederlandse en Belgische hoogste rechters willen alleen niet zo ver gaan dat de inbeslagname en het uitlezen van een smartphone een ernstige inmenging in het recht op privacy vormt, waarvoor altijd toestemming van een rechter is vereist. Het Hof Arnhem-Leeuwarden beschouwde recentelijk in een ietwat bevreemdend arrest dat de inbeslagname van een smartphone door een opsporingsambtenaar, waarbij video’s en afbeeldingen worden uitgelezen, slechts als een beperkte inbreuk op het recht op privacy.

De Belgische promovenda Sofie Royer en ikzelf zijn meer principieel van mening dat de inbeslagname en het uitlezen van een smartphone altijd een ernstige inmenging vormt op het recht op privacy van de eigenaar van de gegevensdrager. Gegevensdragers zoals smartphones bevatten immers heel uiteenlopende privacygevoelige informatie, zoals  foto’s, video’s, privéberichten en locatiegegevens. Daarom moet de wetgever gegevensdragers in het strafrecht bijzondere bescherming bieden en hiervoor bijzondere regels maken. In ons artikel ‘Naar een nieuwe regeling voor beslag op gegevensdragers’ doen we kortgezegd de volgende vier suggesties aan de Belgische en Nederlandse wetgever.

1. Onderscheid beslag- en de doorzoekingsbevoegdheid

Een aparte inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkene vindt enerzijds plaats bij de inbeslagname van gegevensdragers en anderzijds bij het uitlezen van de gegevensdragers door een opsporingsambtenaar of IT-specialist. Dit onderscheid bestaat vooralsnog niet duidelijk in de huidige wetgeving. Wij stellen de eis van een rechterlijk bevel voor, in ieder geval bij het uitlezen en onderzoeken van de gegevensdragers. Een schriftelijke motivering en proportionaliteitstoets is bovendien op zijn plaats.

2. Invulling proportionaliteitsvereiste

Het Belgische en Nederlandse regime voor de inbeslagname van gegevensdragers geven onvoldoende invulling aan het proportionaliteitsvereiste. Dit is problematisch vanwege de hoeveelheid gegevens die tegenwoordig op gegevensdragers is opgeslagen. De noodzakelijkheidstoets voor de inbeslagname moet tweeledig zijn. Ten eerste mogen slechts die gegevensdragers in beslag worden genomen die noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding in strafzaken. Ten tweede mogen slechts gegevens die noodzakelijk zijn voor de strafprocedure, worden onderzocht (behoudens eventueel enkele uitzonderingen). Het zoekingsbevel of de machtiging moet voldoende precies zijn met betrekking tot de onderzochte feiten, verdachte personen en te doorzoeken data.

3. Voldoende rechtelijke controle achteraf

Als er geen rechterlijke machtiging aan de inbeslagname en het uitlezen van gegevensdragers voorafgaat, is een effectieve a posteriori rechterlijke toets onontbeerlijk. Om die rechterlijke controle mogelijk te maken, moet – voor zover dit nog niet gebeurt – een duidelijke inventaris van alle inbeslaggenomen goederen en gegevens worden opgesteld. De beslagene moet ook over een procedurele mogelijkheid beschikken om persoonlijke gegevens die niet relevant zijn voor de strafprocedure, terug te krijgen. In het conceptwetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering wordt hierover een regeling voorgesteld. In België geldt de procedure voor de opheffing van het beslag op fysieke goederen ook voor gegevens en gegevensdragers, maar bestaat onduidelijkheid over de precieze toepassing.

4. Richtlijnen voor inbeslagname en bewaring van gegevensdragers en digitaal bewijs

In België bestaat geen openbare richtlijn op nationaal niveau voor de inbeslagname van gegevensdragers. Een richtlijn voor de inbeslagname van gegevensdragers moet beter tot uitdrukking brengen hoe met digitaal bewijs moet worden omgesprongen en welke precieze stappen speurders zouden moeten doorlopen. Een uiteenzetting van het regime voor de inbeslagname van voorwerpen voldoet niet, vanwege de specifieke eisen van digital forensics, die bijvoorbeeld verschillen voor smartphones en computers. Zo rijzen er ook prangende vragen over digitaal forensisch onderzoek waarbij computersystemen blijven aanstaan en wanneer de gegevens zich in de cloud bevinden. De wetgever zou hier dan ook meer aandacht aan moeten besteden.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht oktober 2017

Wraakporno op Facebook geplaatst

Op 18 oktober 2017 heeft het Hof Amsterdam een arrest gewezen (ECLI:NL:GHAMS:2017:4648) inzake smaadschrift en het verspreiden van afbeeldingen die de eerbaarheid schenden (art. 240 Sr).

In deze zaak had de verdachte een naaktfoto in een post op Facebook op het account van het slachtoffer geplaatst. Deze post in verschenen in de nieuwslijst van vrienden en volgers van het slachtoffer. Daarmee is volgens het Hof sprake van het toezenden van een afbeelding dat aanstotelijk is voor de eerbaarheid is, waarbij die afbeelding aan iemand wordt toegezondenals bedoeld in art. 240 Sr.

Het Hof acht het plaatsen van deze wraakporno ‘volstrekt onacceptabel’ gelet het ‘specifieke, eeuwige karakter van het internet’ en de ernstige gevolgen voor het slachtoffer wier naaktfoto openbaar is geworden. Ook is sprake van smaadschrift. Het Hof overweegt dat de eer of goede naam van het slachtoffer is aangetast door bij de naaktfoto de tekst te plaatsen: ‘app me voor meer’, met vermelding van het telefoonnummer van de aangeefster. Daarmee heeft de verdachte de aangeefster ervan beschuldigd (ten laste gelegd) een meisje te zijn dat bezig was met het werven van willekeurige personen om seksuele handelingen mee te verrichten.

Deze beschuldiging is naar haar aard aan te merken als een aanranding van iemands eer of goede naam. De verdachte krijgt een taakstraf opgelegd van 80 uur en een verplichting tot het betaling van een schadevergoeding van 2000 euro aan het slachtoffer voor geleden immateriële schade. Opvallend is dat in deze zaak geen computervredebreuk ten laste is gelegd, aangezien de post zonder toestemming via het account van het slachtoffer op Facebook is geplaatst.

Sexting en toegang tot kinderporno via Snapchat         

De militaire kamer van de Rechtbank Gelderland heeft op 30 oktober 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:5674) een verdachte veroordeeld voor het aanbieden van schadelijke afbeeldingen aan iemand onder de zestien jaren en toegang tot kinderporno. De verdachte is een militair en scoutingleider en heeft seksueel contact gehad via Snapchat met een 13-jarige pupil.

Kenmerkend aan Snapchat is dat de berichten en verstuurde afbeeldingen na een paar seconden worden gewist. De rechtbank heeft daarom overwogen dat de verdachte de foto’s, gelet op de bijzondere eigenschappen van deze applicatie, niet in bezit heeft gehad of heeft verworven, maar zich wel met gebruikmaking van een geautomatiseerd werk en/of communicatiedienst de toegang tot de foto’s heeft verschaft.

Uit de bewijsmiddelen volgt ook niet dat verdachte de foto’s op een andere wijze heeft vastgelegd, bijvoorbeeld door hiervan een screenshot te maken. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een gevangenisstraf van 2 dagen met bijzondere voorwaarden.

Veroordeling tot poging tot verleiding, grooming en belaging via internet

Op 20 oktober 2017 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBNNE:2017:4022) tot een gevangenisstraf van één jaar en TBS met verpleging voor (poging tot) verleiding, grooming en belaging.

De verdachte heeft zich op Facebook voorgedaan als twee verschillende vijftienjarige meisjes en daarna getracht twee minderjarige jongens zover te krijgen dat zij seksueel getinte foto’s of filmpjes zouden maken en het materiaal naar hem toe te sturen. Hij heeft een van de jongens ook onder druk gezet om hem te ontmoeten. Verdachte heeft de jongens zeer dwingend en ook dreigend benaderd met een stortvloed aan oproepen, telefoontjes en chatgesprekken.

De uitspraak is ook van uit bewijstechnisch oogpunt interessant, omdat het digitaal onderzoek van de politie uitgebreid wordt beschreven. Zo wordt in de uitspraak beschreven dat de politie op Facebook onderzoek heeft gedaan en zag dat de profielfoto bij het account van de verdachte een koalabeer betrof. De politie heeft op Instagram het profiel van het slachtoffer bekeken en geconstateerd dat dit account werd gevolgd door het Instagramaccount met de dezelfde kaolabeer.

De politie heeft van Instagram de ip-adressen en geregistreerde e-mailadres verkregen van de accounts van de verdachte. Ook heeft de politie van Facebook het IP-adres ontvangen waarmee het account van de verdachte was aangemaakt. De politie heeft daarna van Ziggo BV de gebruikersgegevens bij het IP-adres opgevraagd en van daaruit de verdachte opgespoord.

Het verweer van de verdediging dat iemand anders achter het account zat slaagt niet, omdat gelet op het voorgaande deze stelling volgens de rechtbank onaannemelijk is. Bovendien is het bewijs niet alleen naar verdachtes internetverbinding te herleiden; daarnaast is ook gebruik gemaakt van verdachtes’ e-mailadres, telefoon en USB-stick.

Veroordeling computervredebreuk en creditcardoplichting

Op 8 november 2017 heeft Hof Amsterdam een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2017:4753) voor computervredebreuk, poging tot internetoplichting en het voorhanden hebben van een valselijk opgemaakt schrift.

De verdachte heeft ruim twee jaar lang websites gehackt en daarbij gebruik gemaakt van de WiFi van zijn buurvrouw via de gedeelde inloggegevens.

De verklaring van de verdachte dat hij niet wist hij van deze verbinding gebruik maken acht het Hof niet geloofwaardig, gezien de informaticaopleiding van de verdachte en zijn overige internetactiviteiten. Bovendien werd tijdens een huiszoeking op het scherm van de verdachte de volgende actieve programma’s te zien: Sendblaster Pro (software om massaal e-mails te versturen), Gre3NoX Exploit Scanner (software om zwakheden in websites op te sporen) en Havij (software om databases van websites te hacken door middel van SQL-injecties) en een website die erop was gericht gegevens met betrekking tot ICS af te vangen (te phishen).

De verdachte heeft met behulp van phishingapparatuur getracht op grote schaal creditcardgegevens te bemachtigen van ICS klanten door hun een e-mail te sturen (in totaal 132.260 e-mails) waarin hij zich voordeed als (medewerker van) ICS en waarin de klant werd gevraagd op een link te drukken die hen zou doorgeleiden naar een phishingwebsite. Ondanks dat bij de verdachte aangetroffen bestanden en papieren met creditcardnummers zijn aangetroffen, inclusief vervaldata en CVC codes, acht het Hof oplichting niet bewezen. De reden is dat volgens het Hof uit niets blijkt dat deze creditcardgegevens afkomstig zijn van ICS klanten, laat staan dat zij door ICS klanten naar de verdachte zijn verstuurd naar aanleiding van door hem verzonden phishing e-mails. Daarnaast heeft de verdachte een valselijk opgemaakt geschrift, te weten een jaaropgave, voorhanden gehad.

De verdachte krijgt daarvoor 2,5 jaar gevangenisstraf opgelegd, waarvan de helft voorwaardelijk. Het Hof vindt het daarbij, gelet op de bij de verdachte aanwezige kennis van computers en wegen om daarmee criminele activiteiten te ontplooien, in combinatie met zijn werk in de commerciële sector, van belang een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en een proeftijd van drie jaren vast te stellen als stok achter de deur.

Eindexamens “stelen” op de Ibn Ghaldoun school?

Op 11 december 2014 hebben zeven jongeren door de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2014:10061) een werkstraf opgelegd gekregen voor het helen van eindexamens van de Ibn Ghaldoun school. In mei 2013 werden van 27 eindexamens foto’s gemaakt die in een kluis van de school lagen opgeslagen. De foto’s werden vervolgens via USB-sticks en internet verspreid. De verdachte kregen een werkstraf van 40 uur voor het  gebruiken van de gestolen eindexamens en doorgeven van de eindexamens aan anderen. Leerlingen die de examens alleen zelf hadden gebruikt, kregen een werkstraf van 20 uur opgelegd. Vijf andere leerlingen werden vrijgesproken.

In februari 2014 werden de drie leerlingen die daadwerkelijk de eindexamens hebben ‘gestolen’ al veroordeeld voor ‘opzetheling’ (art. 416 Sr) (Rb. Rotterdam, 13 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:976). De rechtbank Rotterdam concludeerde destijds dat ondanks het feit dat het examen is teruggelegd toch sprake is geweest van het delict diefstal, omdat het ‘wezenskenmerk van het eindexamen’ (de vertrouwelijkheid van de inhoud van het examen) aan de school is ontnomen op het moment dat het examen terecht is gekomen bij deelnemers aan dat examen. De examens zijn vervolgens geheeld in de zin art. 416 Sr, omdat het weggenomen eindexamen is vermenigvuldigd door daarvan afbeeldingen (foto’s) te van maken, waarbij wordt geprofiteerd van dit (intrinsieke) goed dat door misdrijf is verkregen. De uitspraak is volgens de auteurs Nan en Schermer opmerkelijk, in het bijzonder omdat het begrip goed in de zin van art. 310 Sr (diefstal) te veel wordt opgerekt en het maken van een afbeelding niet kan worden gekwalificeerd als een door misdrijf verkregen goed in de zin van art. 416 Sr (zie uitgebreid annotatie bij Rb. Rotterdam, 13 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:976, Tijdschrift voor Internetrecht 2014, nr. 3, p. 83-86). Merk ook op dat in het concept Wetsvoorstel Computercriminaliteit III tevens een nieuwe bepaling wordt geïntroduceerd voor ‘heling van gegevens’.

In de onderhavige zaak is niet getornd aan de uitspraak over de vraag of bij de gedraging sprake was van heling van gegevens, maar wordt de verdachte vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Hoewel aanwijzingen zijn van betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit –  omdat met het IP-adres van het woonadres van verdachte is ingelogd in het e-mailadres waarvan wordt vermoed dat het examen economie destijds te vinden was – vond de rechtbank dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de heling van gestolen eindexamens te komen.

== Update ==

Het Hof Den Haag heeft op 3 december 2015 in hoger beroep arrest (ECLI:NL:GHDHA:2015:3355) gewezen over de eindexamenfraude bij de Ibn Ghaldoun school.

De raadsman van de verdachte voert als verweer dat op een gegevensdrager opgeslagen afbeeldingen van een eindexamen niet zijn aan te merken als goed in de zin van het ten laste gelegde artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht. Om die reden zou vrijspraak moeten volgen.

Het Hof Den Haag verwerpt het verweer van de raadsman en oordeelt dat het eindexamen als goed kan worden beschouwt. De reden is dat een eindexamen, ‘zowel in stoffelijke vorm (afgedrukt op papier) als gefotografeerd en op een USB-stick geladen – hetgeen is te vergelijken met een fotokopie -, dan wel ge-upload naar een email-adres’, individualiseerbaar is, een zekere economische waarde in het maatschappelijke verkeer vertegenwoordigt en kan worden overgedragen.

De economische waarde zou blijken uit de omstandigheid dat de opgeven daadwerkelijk zijn aangeboden, gekocht en via e-mail en USB-sticks zijn overgedragen. Het zou zelfs volstrekt vergelijkbaar zijn met een E-book, dat zowel in stoffelijke vorm kan worden gekocht en overgedragen als in elektroniche vorm. 

 == Update ==

De Hoge Raad heeft op 10 oktober 2017 een arrest (ECLI:NL:HR:2017:2573)  gewezen, waarin de Hoge Raad duidelijk maakt dat eindexamens inderdaad niet als goed gekwalificeerd kunnen worden:

“Het Hof heeft de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van opzetheling in de zin van art. 416, eerste lid, Sr van “fotografische opnames van gestolen eindexamenopgaven” en “een gegevensdrager met daarop opgeslagen afbeeldingen van eindexamenopgaven”, en in dat verband geoordeeld dat deze fotografische opnames en afbeeldingen kunnen worden aangemerkt als door misdrijf – namelijk door diefstal – verkregen goederen in de zin van art. 416 Sr.

Uit de bewijsvoering kan wel worden afgeleid dat schriftelijke eindexamenopgaven uit de kluis van de scholengemeenschap Ibn Ghaldoun zijn weggenomen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de “fotografische opnames van gestolen eindexamenopgaven” en “een gegevensdrager met daarop opgeslagen afbeeldingen van eindexamenopgaven” door diefstal zijn verkregen.

Blijkens de bewijsvoering hebben het maken van de (digitale) afbeeldingen van eindexamenopgaven en het opslaan van die afbeeldingen op een gegevensdrager immers eerst plaatsgevonden nadat deze eindexamenopgaven waren weggenomen uit de kluis van de scholengemeenschap Ibn Ghaldoun, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat ook die “fotografische opnames van gestolen eindexamenopgaven” en “een gegevensdrager met daarop opgeslagen afbeeldingen van eindexamenopgaven” zijn gestolen.

Bovendien is niet begrijpelijk dat het Hof in dit verband op de enkele grond dat de gefotografeerde examens ‘in het maatschappelijk verkeer een zekere economische waarde tot het moment van het examen’ vertegenwoordigen, heeft geoordeeld dat sprake was van goederen in de zin van art. 416 Sr. Daarbij heeft de Hoge Raad mede acht geslagen op hetgeen daaromtrent in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 31 en 32 is vermeld over de wetsgeschiedenis en het voornemen van de wetgever om te voorzien in een op gegevens toegespitste strafbepaling.

De bewezenverklaring is dus niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.”

Veroordeling bankingmalware (NjRAT)

Op 5 september 2017 heeft het Hof Den Haag een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHDHA:2017:2519) voor het gebruik van banking malware. In de informatieve uitspraak wordt de werking van de malware uitgebreid omschreven.

De verdachte heeft samen met zijn mededader(s) een paar maanden in 2015 via een aantal spamruns onschuldig ogende e-mails verstuurd naar duizenden ontvangers, waarbij de verdachte en zijn mededader(s) het hadden voorzien op bedrijven. Deze e-mails bevatten een bijlage in de vorm van een gemanipuleerd Word-bestand. Zodra een ontvanger dit Word-bestand opende, werd automatisch malware op de computer van de betreffende ontvanger geïnstalleerd. De malware, njRAT genaamd, is een ‘Remote Access/Administration Tool’, waarmee op afstand toegang tot computers kan worden verkregen.

Eenmaal geïnfecteerd meldden de besmette computers zich aan op het beheerderspaneel dat op de computer van de verdachte geïnstalleerd was. Op dat moment was het voor de verdachte of zijn mededader(s) mogelijk om mee te kijken op het computerscherm van het slachtoffer en kon de verdachte of zijn mededader(s) ook de controle over de muis en het toetsenbord overnemen. Ook hield de RAT bij welke toetsaanslagen er allemaal op het toetsenbord van de besmette computer werden gemaakt. Op deze wijze verkregen de verdachte en zijn mededader(s) wachtwoorden en andere inloggegevens waarmee zij konden inloggen op de [bank]-internetbankieromgevingen van bedrijven.

Witwassen

Vervolgens veranderden de verdachte en zijn mededader(s) de bankrekeningnummers met betrekking tot betaalopdrachten in het kader van o.a. loonuitbetalingen, die in de [bank]-internetbankieromgeving klaarstonden om te worden verwerkt. Door het veranderen van de bankrekeningnummers zorgden zij ervoor dat de gelden niet op de bankrekeningen van de rechthebbenden terechtkwamen, maar op de bankrekeningen van money mules, die door de verdachte en zijn mededader(s) waren geworven. Daarna werd geld door de verdachte en zijn mededader(s) vanaf die bankrekeningen opgenomen en gecasht.

De verdachte vervulde in dit geheel vooral een technische rol. Hij zorgde onder meer voor de benodigde malware, het infecteren van de computers en hield de besmette computers door middel van het beheerderspaneel in de gaten. De medeverdachte [medeverdachte] veranderde de gegevens in de [bank]-internetbankieromgeving en zorgde ervoor dat het geld werd gecasht.

Bewijsoverwegingen

Na zijn arrestatie heeft de verdachte uitgebreide bekennende verklaringen afgelegd, waarin hij in detail de configuratie van de computer heeft beschreven waarop het beheerderspaneel stond en die op het moment van zijn aanhouding in verbinding stond met een van de besmette computers. De verdachte zat op dat moment ook achter die computer. Deze verklaringen van de verdachte vinden volgens het Hof Den Haag bevestiging in objectieve onderzoeksgegevens, zoals het onderzoek aan de in de woning van de verdachte in beslag genomen computer en in afgeluisterde telefoongesprekken die de verdachte met anderen heeft gevoerd. Het hof ging dan ook niet mee met het argument van de raadsman dat de verklaringen onbetrouwbaar waren. Ook de verdediging dat er sprake zou zijn van een alternatief scenario moet volgens het Hof Den Haag vanwege als het bewijs als ‘ronduit ongeloofwaardig’ moet worden geacht.

Veroordeling

De verdachte wordt veroordeeld voor computervredebreuk, witwassen en valsheid in geschrifte. De verdachte moet ongeveer 36.000 euro aan schadevergoeding betalen en kreeg een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd. Bij het opleggen van de straf is rekening gehouden dat de bewezenverklaarde feiten in een relatief korte periode zijn gepleegd en dat er – in vergelijking met andere banking malware-zaken – geen sprake is geweest van ‘een voor de betrouwbaarheid en continuïteit van het digitale betalingsverkeer in bredere zin zeer bedreigende werkwijze’.

Belangrijke bewijsrol voor PGP-telefoons

Op 20 juli 2017 heeft de Rechtbank Amsterdam veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2017:5130) voor poging tot moord in opdracht op klaarlichte dag in een woonwijk. De verdachte was één van de schutters. Op het slachtoffer werden 34 kogels afgevuurd, waarbij het slachtoffer is geraakt in zijn buik en rug. De Rechtbank spreekt dan ook van een ‘wonder dat het slachtoffer de aanslag heeft overleefd’.  Verder is de verdachte vooroordeeld voor het voorhanden hebben van (semi-)automatische wapens en twee kilo springstof, heling van gestolen voortuigen en witwassen. De verdachte kreeg een opvallend hoge onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 20 jaar en een schadevergoeding van € 17.980,01 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade. De rechtbank merkte op dat met de uitspraak hopelijk een preventief effect uitgaat, omdat de liquadatiegolf in Amsterdam maar doorgaat en daarmee mensenlevens verwoest. Daarnaast worden de inwoners van Amsterdam met vuurwapengeweld in hun woonomgeving geconfronteerd.

De uitspraak is voor deze rubriek interessant, omdat bijzonder uitgebreid wordt ingegaan op het gebruik van locatiegegevens uit de telecommunicatie van verdachten en bewijs dat wordt verkregen uit uit PGP-telefoons. Voor het ‘uitpeilen’  van de locatie van de verdachte werd gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘IMSI-catcher’. Met de IMSI-catcher is een IMEI-nummer (een identificerend gegeven van een mobiele telefoon) geïdentifcierend dat toebehoorde aan bepaald type Blackberry, waarvan de verdachte gebruik van heeft gemaakt. Dit heeft in de bewijsconstructie bijgedragen.

PGP-telefoons zijn geprepareerde mobiele telefoon, waarmee op een meer gebruikersvriendelijke wijze gebruik kan worden gemaakt van het programma ‘Pretty Good Privacy’ (PGP). Met het programma kan op versleutelde wijze worden gecommuniceerd met anderen die daarvan gebruik maken. In dit geval heeft het NFI de wachtwoorden achterhaalt van PGP-telefoons, en daarmee de communicatie tussen de verdachten over de ten laste gelegde feiten. Het is onduidelijk of het een relatie heeft met de politieactie van het Team High Tech Crime in 2016, waarbij de servers inbeslag zijn genomen van een van witwassen verdacht bedrijf dat zich specialiseerde in het aanleveren van geprepareerde PGP-telefoons. Daarbij werd in totaal 7 Terabyte aan data gevonden met 3,6 miljoen versleutelde berichten die zijn verstuurd via zo’n 40.000 smartphones die op het Ennetcom-netwerk geregistreerd stonden. Naar aanleiding van deze inbeslagname worden naar verluidt netwerken tussen criminelen in kaart gebracht en communiatie tussen verdachten worden geanalyseerd.

De verdachte maakte ook gebruik van een Blackberry-telefon met het PGP-programma. Bij het moederbedrijf van Blackberry, RIM, zijn gegevens gevorderd over verschillende verdachten op basis van hun IMEI-nummers (een identifcicerend gegeven van een mobiele telefoon). Dit leverde een e-mailadres op die gekoppeld kan worden aan andere e-mailadressen in combinatie met bijnamen in de contactlijst van de telefoon. Ten slotte kon uit onderzoek naar de historische telecomgegevens van de PGP-telefoon en observaties worden nagegaan dat deze vaak zendmasten heeft aangestraald in de directe omgeving van het verblijfadressen van medeverdachten. Deze gegevens droegen bij aan het koppelen van de verdachten aan de apparaten, waarop belastende gegevens zijn gevonden.

Uiteindelijk is de rechtbank aan de hand van de historische telecomgegevens van de (PGP-)telefoons, de peilbakengegevens van zowel de auto’s , historische wegverkeersgegevens, observaties, camerabeelden, gesprekken die zijn opgenomen door middel van een microfoon in een auto en e-mailberichten uit de PGP-telefoons, nagegaan waar de verdachten zich bevonden in de periode voorafgaand aan de schietpartij en op de dag van de schietpartij zelf. Dit heeft geleid tot de overtuiging van schuld op basis van het bewijs en de uiteindelijke veroordeling van de verdachte.