Cybercrime jurisprudentieoverzicht november 2025

Bron: afbeelding automatisch gegenereerd door WordPress.com

Nieuw arrest Hoge Raad over onderzoek aan smartphones

Op 9 september 2025 heeft de Hoge Raad een nieuw arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2025:1247) over onderzoek aan smartphones.

De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit HR 8 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 (zie ook mijn annotatie) over de eisen die moeten worden gesteld aan onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones.

De raadsman betoogde kortgezegd dat een ernstige inbreuk plaatsvond, omdat de inhoud van de volledige telefoon is verwerkt: 44.000 foto’s, sociale media (waaronder Facebook) en notities. Dat niet van alle gegevens kennis is genomen doet niet ter terzake, omdat er sprake is van een verwerking van gegevens in de zin van het Unierecht.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden stelt vast dat de politie bij de verdachte smartphones heeft aangetroffen. Deze zijn met toestemming van de officier van justitie “doorzocht”. Daarbij is gezocht naar voor het strafrechtelijk onderzoek relevante informatie, zoals zaken die te maken hebben met handel in verdovende middelen, crimineel samenwerkingsverband en witwassen, alsmede gegevens die de gebruiker van de telefoons konden identificeren.

Het doel van het “uitlezen” van de telefoons was het verzamelen van informatie over de gebruikers van de telefoons en het onderzoek naar strafbare feiten, eventuele medeverdachten en mogelijke witwassen. Volgens het hof heeft de politie bij het zoeken in de telefoons uitsluitend gekeken naar zaken die verband hielden met dit onderzoek. Er is volgens het hof ‘geen onderzoek verricht naar ‘privé gevoelige’ informatie’. Wanneer dergelijke gegevens werden aangetroffen, heeft de verbalisant de betreffende app of het gesprek onmiddellijk afgesloten. De verbalisant gebruikte zoektermen die te maken hadden met de aard van het onderzoek.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94 jo. art. 95 en 96 Sv, voldoende legitimatie bood voor dit onderzoek aan de smartphones van de verdachte en dat geen toestemming van een rechter-commissaris (RC) nodig was, “nu er geen min of meer compleet beeld is verkregen van zijn privéleven”. Dit is in het licht van wat hiervoor is vastgesteld en van wat door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, volgens de Hoge Raad onvoldoende gemotiveerd. 

Uit die vaststellingen volgt immers niet dat het onderzoek aan de smartphones beperkt is gebleven tot onderzoek dat slechts strekte tot het identificeren van de gebruiker, of tot bijvoorbeeld onderzoek dat een opsporingsambtenaar in het kader van zijn taakuitoefening deed waarbij hij de bij de verdachte aangetroffen smartphones heeft bekeken en daarbij slechts enkele beperkte waarnemingen heeft gedaan over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren had gelegd. Ook blijkt daaruit niet dat zich hier “spoedeisend geval” voordeed, zoals als uitzondering in HR 8 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 was geformuleerd.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in de zaak tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zodat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Veroordeling in hoger beroep i.v.m. Genesis Market

Het Hof Den Haag heeft op 23 september 2025 in hoger beroep een arrest gewezen (ECLI:NL:GHDHA:2025:1996) met betrekking tot een verkoper van de ‘datamarkt’ Genesis Market.

De verdachte heeft gedurende meer dan twee jaar bots gekocht van Genesis Market, waardoor hij toegang kreeg tot inloggegevens van anderen, waaronder gebruikersnamen en wachtwoorden. Deze gegevens gebruikte hij om bij verschillende webshops op accounts van derden in te loggen en producten te bestellen onder hun naam en ten koste van hen. Dit handelen is bewezen verklaard als het verwerven en voorhanden hebben van niet-openbare gegevens, terwijl de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen (art. 139g Sr), het ontvangen, zich verschaffen en voorhanden hebben van gegevens waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een in art. 231b Sr omschreven misdrijf (art. 234 Sr), misbruik van identificerende persoonskenmerken door met behulp daarvan op naam van 34 personen met voornoemde persoonsgegevens bestellingen bij webwinkels te doen (art. 231b Sr) en computervredebreuk door gebruik te maken van door misdrijf verkregen combinaties van gebruikersnamen en/of e-mailadressen en/of bijbehorende wachtwoorden, tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd was (art. 138ab Sr).

Het gerechtshof legt een hogere gevangenisstraf op dan de rechtbank. In eerste aanleg werd de verdachte veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het Hof Den Haag legt een gevangenisstraf van drie jaar op. Deze verhoging is gemotiveerd door de lange periode waarin de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bewezen feiten, het aantal bots en slachtoffers, het leed en de onzekerheid die zijn handelen veroorzaakte bij slachtoffers die ontdekten dat hun (inlog-)gegevens in verkeerde handen waren gevallen. Daarnaast weegt mee de achteloosheid en geslepenheid waarmee de verdachte te werk ging, alsmede het feit dat hij al eerder voor relatief veel vermogensdelicten is veroordeeld. Tot slot merkt het hof op dat zij de inschatting van de reclassering met betrekking tot een laag recidiverisico – mede gezien het strafblad van de verdachte – niet deelt.

Veroordeling van darkweb vendor ‘Team Sonic’

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 25 juli 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2025:4704) een verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar en 8 maanden. De verdachte was een online verkoper van harddrugs, voornamelijk amfetamine en MDMA. De organisatie verwerkte dagelijks bestellingen via verschillende darkmarkets, waarbij klanten betaalden met cryptovaluta zoals Bitcoin en Monero. De verdachte en – bij diens afwezigheid vanwege detentie – zijn echtgenote hadden een sturende rol in de organisatie.

Het opsporingsonderzoek startte op basis van artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering (Sv) verstrekte EncroChat- en SkyECC-berichten. Uit deze berichten bleek dat niet-geïdentificeerde verdachten zich gezamenlijk bezighielden met de export en verkoop van verdovende middelen, met name amfetamine en MDMA, via het darkweb door middel van postpakketten. Zij traden op als de ‘vendor’ (leverancier) ‘Team Sonic’ en verkochten vanaf maart 2020 grootschalig harddrugs uit lijst I van de Opiumwet aan klanten in het buitenland.

Het onderzoek, gebaseerd op de cryptoberichten en andere informatie zoals gegevens van darknets, richtte zich op de periode 2020 tot en met mei 2022 en betrof historische bevindingen (de ‘terugkijk-fase’). In deze fase werden negen pakketten onderschept in Oostenrijk, Finland, Hongarije, Denemarken en Duitsland die rechtstreeks te herleiden waren tot de cryptogesprekken. Alle pakketten bevatten amfetamine en xtc-pillen.

Ook na mei 2022, tijdens de ‘live-fase’, werd het team onderzocht. Deze fase bestond onder meer uit (stelselmatige) observaties, analyses van bakengegevens onder voertuigen van verdachten en analyse van mast- en telecomgegevens van hun telefoons. Uit deze bevindingen bleek dat de organisatie gebruik maakte van verschillende inpaklocaties. De verdovende middelen werden verborgen in normale postzendingen en via legale postbedrijven verzonden. De bestellingen werden verpakt in een deklading van honden- of kattenvoer. De pakketten werden steeds vanuit Limburg met de auto naar Duitsland gebracht en aldaar gepost bij Duitse postkantoren of (onbemande) pakketpunten, veelal van DHL, om vervolgens via de reguliere poststroom naar afnemers in heel Europa te worden verzonden.

Het bedrijf had verschillende ‘medewerkers’ die betrokken waren bij de verwerking en verzending van bestellingen. In totaal werden 8347 verkopen geregistreerd op veertien (geanonimiseerde) darkwebmarkten. De organisatie maakte gebruik van fictieve afzenders en specifieke verpakkingsmaterialen (zoals piepschuimvlokken en stickers) om hun activiteiten te camoufleren. Op 29 november 2022, de ‘actiedag’, werden een groot aantal verdachten aangehouden, woningen en inpak- en opslaglocaties doorzocht, en goederen in beslag genomen, waaronder bij de verdachte een jammer, een vuurwapen, vier schietpennen en munitie. Op een aangetroffen USB-stick werden bijvoorbeeld 133 afbeeldingen van verdovende middelen gevonden, waarbij bijna elke afbeelding het product met een poppetje van het karakter Sonic toonde.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat sprake was van een crimineel samenwerkingsverband dat online drugshandel als oogmerk had. De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van de export, de verkoop, het bewerken en het verwerken van hoeveelheden amfetamine en MDMA, deelname aan een criminele drugsorganisatie, het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden harddrugs op verschillende inpak- en opslaglocaties die aan de organisatie gelinkt zijn (de handelsvoorraad), en het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en munitie.

Enkele hoofdstukken Basisboek Cybercriminaliteit (tweede editie) in open access

Enkele hoofdstukken uit de tweede editie van het Basisboek Cybercriminaliteit stel ik, na afloop van de embargoperiode van één jaar, nu in open access beschikbaar. Het gaat om de hoofdstukken ‘Verschijningsvormen van cybercriminaliteit in enge zin’ (.pdf), Verschijningsvormen van gedigitaliseerde criminaliteit (.pdf) en ‘Cybercriminaliteit en opsporing’ (.pdf).

In de tweede druk hebben we gekozen voor twee afzonderlijke hoofdstukken over cybercriminaliteit: één voor elke categorie. Onderaan deze pagina staat de inhoudsopgave van de hoofdstukken, voor een indruk krijgt van de behandelde onderwerpen.

Het studieboek wordt veel gebruikt in criminologie- en strafrechtopleidingen aan verschillende Nederlandse universiteiten en hogescholen. Heeft u vragen of opmerkingen over het boek, of wilt u wijzen op een onvolkomenheid? Dan hoor ik dat graag per e-mail (zie mijn medewerkerspagina).

De overige hoofdstukken in het boek behandelen onder andere criminologische theorieën en cybercriminaliteit, daders en slachtoffers van cybercriminaliteit, en interventiestrategieën. Deze hoofdstukken zijn niet open access beschikbaar, maar het volledige boek is onder andere verkrijgbaar via Boom.nl.

Inhoudsopgaven hoofdstukken

Hoofdstuk 3 – Verschijningsvormen van cybercriminaliteit in enge zin

Jan-Jaap Oerlemans, Wytske van der Wagen & Marleen Weulen Kranenbarg

3.1 Inleiding

3.2 Strafbaarstelling van cybercriminaliteit in enge zin

3.3 Hacken (computervredebreuk)

3.3.1 Strafbaarstelling

3.3.2 Ethisch hacken

3.4 Malware

3.4.1 Info-stealers

3.4.2 Ransomware

3.4.3 Banking malware

3.4.4 Strafbaarstelling

3.5 Botnet

3.5.1 Strafbaarstelling

3.6 Ddos-aanval

3.6.1 Strafbaarstelling

3.7 De rol van social engineering bij cybercriminaliteit

3.8 Toekomstige ontwikkelingen

3.8.1 Meer invloed van statelijke actoren

3.8.2 Het Internet der Dingen

3.9 Tot besluit

3.10 Discussievragen

3.11 Kernbegrippen

Citeerwijze:

Hoofdstuk 4 – Verschijningsvormen van gedigitaliseerde criminaliteit

Jan-Jaap Oerlemans, Anne de Hingh & Wytske van der Wagen

4.1 Inleiding

4.2 De verschillende lagen van het internet: het clear, deep en dark web

4.3 Online handelsplaatsen

4.3.1 Handelsplaatsen op het clear web

4.3.2 Handelsplaatsen op het dark web

4.3.3 Handelsplaatsen op communicatie-apps

4.3.4 Strafbaarstelling

4.4 Witwassen met virtuele valuta

4.4.1 Regulering

4.4.2 Strafbaarstelling

4.5 Internetoplichting

4.5.1 Strafbaarstelling

4.6 Online zedendelicten

4.6.1 Beeldmateriaal van seksueel misbruik van minderjarigen

4.6.2 Sexting

4.6.3 Misbruik van seksueel beeldmateriaal

4.6.4 Sextortion

4.6.5 Online grooming en sexchatten

4.7 Online uitingsdelicten

4.7.1 Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

4.7.2 Strafbaarstelling van uitingen

4.7.3 Het verwijderen van strafbaar materiaal

4.8 Toekomstige ontwikkelingen

4.8.1 AI en gedigitaliseerde criminaliteit

4.8.2 Criminaliteit in virtual reality- en mixed reality werelden

4.9 Tot besluit

4.10 Discussievragen

4.11 Kernbegrippen

Citeerwijze:

Hoofdstuk 9 – Cybercriminaliteit en opsporing

Jan-Jaap Oerlemans & Mojdeh Kobari

9.1 Inleiding 287

9.2 Het opsporingsonderzoek en de normering van opsporingsmethoden

9.2.1 De organisatie van opsporing naar cybercriminaliteit in Nederland

9.2.2 De politie

9.2.3 Openbaar Ministerie

9.2.4 Rechterlijke macht

9.2.5 Het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel en de IRT-affaire

9.2.6 Stelsel van normering van bijzondere opsporingsbevoegdheden

9.3  Het IP-adres als digitaal spoor

9.3.1 Het opsporingsproces bij een IP-adres als spoor

9.3.2 Het vorderen van gegevens

9.3.3 Digitaal bewijs en onderzoek op gegevensdragers

9.3.4 Regels voor de inbeslagname en onderzoek op gegevensdragers

9.3.5 De netwerkzoeking

9.4 Opsporingsmethoden en de uitdaging van anonimiteit

9.4.1 Anonimiseringstechnieken

9.4.2 Publiek toegankelijke bronnen

9.4.3 Undercoverbevoegdheden

9.5 Opsporingsmethoden en de uitdaging van versleuteling

9.5.1 Versleuteling in opslag

9.5.2 Versleuteling in transport

9.5.3 De hackbevoegdheid

9.6 Jurisdictie en grensoverschrijdende digitale opsporing

9.6.1 Wetgevende jurisdictie

9.6.2 Handhavingsjurisdictie en rechtshulp

9.6.3 Unilaterale digitale opsporing

9.7 Verstoring en de brede bestrijding van cybercriminaliteit

9.8 Tot besluit

9.9 Discussievragen

9.10 Kernbegrippen

Citeerwijze:

  • J.J. Oerlemans & M. Kobari, ‘Cybercriminaliteit en opsporing’, p. 287-343 in: W. van der Wagen, J.J. Oerlemans & M. Weulen Kranenbarg (red.), Basisboek cybercriminaliteit, Den Haag: Boom 2024.

(Poging tot) Huurmoord via het dark web

In het laatste iOCTA-rapport (2021) (zie dit blogbericht) stond op p. 36 de volgende passage:

“Weapons appear to be traded increasingly on encrypted chat applications, such as Telegram and Wickr, but sold slightly less on Dark Web marketplaces. (…) several EU law enforcement agencies mentioned hitmen being ordered and weapons purchased on the Dark Web being seized. Several similar cases were reported in the media. For example, in the Netherlands a person was sentenced to 8 years’ imprisonment for several attempts to order a contract killing via platforms on the Dark Web and encrypted chat application

Deze laatste zin trok uiteraard mijn aandacht, maar ik kon er niet zo snel mediaberichten over vinden. Het is alweer te lang geleden voor mijn cybercrime jurisprudentieoverzicht, maar ik vond de zaak te interessant om te laten liggen, dus hierbij een samenvatting.

Het deed mij overigens wel denken aan het boek ‘The darkest web’ van @EileenOrmsby. Dat gaat ook (o.a.) over huurmoorden via het dark web (en vermoedelijk allemaal ‘scams’ waren).

Veroordeling tot uitlokking van moord op echtgenote via het dark web

Op 1 maart 2021 heeft de rechtbank Den Haag een 37-jarige man tot 8 jaar gevangenisstraf veroordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2021:1744) voor meerdere pogingen tot uitlokking van moord op zijn echtgenote via het Darkweb en via chatgesprekken. De verdachte heeft stelde een geldbedrag van 4000 dollar in het vooruitzicht voor het plegen van de moord op zijn ex-vriendin in Amsterdam.

Feiten

De zaak ging aan het rollen door bericht van de politie uit het Verenigde Koninkrijk:

“The Metropolitan police have received information relating to the Dark Web.

The Dutch case concerns the following possible victim

(…)

Payment

• [naam 5] on [naam 1] added 0.01060414 BTC on Jun 13 10:09

• [naam 5] on [naam 1] added 0.201 BTC on Jun 13 6:31

Total = 0.21160414 ~= $1976.36, half of an agreed $4000 total.

De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd.

In het proces-verbaal van bevindingen zijn de volgende details te lezen:

De verdachte heeft op een website op het dark web het volgende bericht geplaatst:

“Name S Address Target lives in The Hague and works in Amsterdam. Preference hit: Amsterdam Living area: [adres] across is an entrance of a private parking-lot. Target leaves with the car from there. Car: Red colour [merk auto] , plate: [kenteken] . Send 0.41 Bitcoin. Description: Target is a simple easy person, but high risk putting me in jail. Target needs to be eliminated asap, therefore a bonus reward of 500 if target is eliminated within upcoming weekend before Sunday the 14th of June.

Waarop het volgende antwoord volgde van de websitebeheerder:

“Admin: Date 2020-06-09 12:29:40 Message: Hi, Your new job request has been received and saved. We will check with an appropriate vendor near the location of your mark whether it can be done or not. ln the meantime please prepare bitcoins, we need to see that you have funds ready, sometimes kids or trolls do jokes and are not serious about their job. Once the job has been completed you will receive a link with the proof and a link to release the payment to the vendor. Please reply if you need to share any thoughts. Best regards [naam 6]”

En daarop het bevestigende antwoord van de verdachte:

[ [naam 5] ] Date 2020-06-09 12:39:33 Message: Admin, Beneath the job requested. Ill like to inform about the possibility to get this job done within upcoming weekend. A picture will be added soon with also the bitcoins. As agreed upon, 2000 USD upfront and 2000 USD when the job is done. I add another 500 when the job is done within given timeframe. As the hitmen is assigned and gives the clearance that the job will be done for certain, Ill add up the remaining of the first 2000 USD bitcoins. Please keep me updated, as more info for more jobs needs to be prepared.

Na betaling van een deel van het geld bleek de hitmen niet tot zijn daad over te gaan. Hij eist daarop een “refund”:

Admin: Date 2020-06-12 10:02:53 Message: This hitman is really good on this line of work and I am 100% positive that he will complete the job in the weekend…. So please give him a try. You wont be sorry… in the weekend the woman will be dead.

[ [naam 5] ] Date 2020-06-12 Message: please inform the hitmen to proceed executing the job.

(…)

[ [naam 5] ] Date 2020-06-27 00:01:33 Message: Admin, It has been more than two weeks as a gave the job. And now more than a week from the last update. The mark is still not eliminated. Will the hitman complete the job or not? Otherwise I want a refund, as this job is taking too long before completing.”

(de verdachte heeft ook via een chatapplicatie getracht een huurmoord te regelen, zo blijk uit de verdere bewijsoverwegingen en geciteerde stukken uit het proces-verbaal).

Veroordeling en straf

De rechtbank is van oordeel dat sprake van een poging tot uitlokking van moord en niet slechts van voorbereidingshandelingen daartoe, omdat is voldaan aan het ‘proberen een ander te bewegen’ als bedoeld in artikel 46a Sr met de enkele vraag aan de onbekende persoon of hij een moord kan (laten) plegen op zijn vrouw en daartoe geld in het vooruitzicht te stellen.

Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd een ander uit te lokken om het slachtoffer te (laten) vermoorden door het verschaffen van giften, beloften en inlichtingen in de periode van 4 juni 2020 tot en met 1 juli 2020.

De verdachte is strafbaar, omdat er tevens geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Dat het uiteindelijk niet tot een uitvoering van de moord is gekomen is niet aan de verdachte te danken, maar aan het enkele feit dat de opdrachtnemer geen uitvoering heeft gegeven aan zijn verzoek. De verdachte zag een huurmoord op zijn vrouw als aangewezen weg in verband met de voor hem emotioneel beladen echtscheiding. Uit het dossier blijkt dat de verdachte ook heeft geprobeerd om aan een hoeveelheid drugs te komen om in de auto van zijn vrouw te leggen zodat na betrapping de kinderen mogelijk aan hem zouden worden toegewezen.

De rechtbank overweegt verder dat: ‘een ander opzettelijk van het leven (laten) beroven, een van de ernstigste misdrijven is die het Wetboek van Strafrecht kent. Als het delict voltooid wordt, zijn de gevolgen ervan onomkeerbaar, maar ook als het blijft bij een poging zijn de gevolgen voor het slachtoffer en zijn naasten groot. Daarnaast leiden dergelijke delicten tot grote beroering en gevoelens van angst en onrust in de maatschappij.

Deze zeer ernstige feiten hebben een diepe impact gehad op het leven van de vrouw van de verdachte en hun twee kinderen, zoals ook is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Als gevolg hiervan leven zijn vrouw en kinderen nog elke dag in angst en hebben zij moeten onderduiken en hun vertrouwde woonomgeving moeten verlaten, omdat lang onduidelijk is geweest of de moordopdracht nog zou worden uitgevoerd. Het handelen van de verdachte zal dan ook nog lange tijd grote gevoelens van onveiligheid en onbegrip meebrengen. De kinderen van de verdachte zullen bovendien in hun ontwikkeling worden beperkt door de gedachte dat hun eigen vader tot zoiets in staat is geweest.’

De verdachte wordt veroordeeld voor een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en wijst een schadevergoeding toe aan het slachtoffer van  € 41.813,62.

iOCTA-rapport 2021

Op 11 november 2021 verscheen het nieuwe ‘internet Organised Crime Threat Assessment’ (iOCTA) (.pdf) rapport van Europol. In dit blogbericht geef ik een overzicht van de – naar mijn mening- meest opvallende bevindingen uit het rapport.

‘Grey infrastructure’

Het Europol rapport besteed vrij veel aan het fenomeen van ‘grey infrastructure’. Zij beschrijven dit als diensten die zich vaak bevinden in landen met sterke ‘privacywetten’ of met ‘een geschiedenis van niet-werken met internationale opsporingsautoriteiten’. Zij worden gebruikt door criminelen en er wordt mee geadverteerd op criminele forums.

Europol wijst erop dat ook legitieme diensten veelvuldig door cybercriminelen worden gebruikt voor hun eigen doelen van: veilig communiceren, anonimiteit en witwassen. Zij wijzen op apps met sterke end-to-end versleuteling. De hoeveelheid gebruikersgegevens en verkeersgegeven die daarbij over gebruikers wordt door de diensten wordt opgeslagen is gering, waardoor ook een geringe hoeveelheid gegevens kan worden gevorderd.

Europese opsporingsdiensten richten zich volgens het rapport steeds meer op diensten die cybercriminelen zoveel mogelijk beschermen van opsporingsdiensten. Recente voorbeelden zijn de ‘takedowns’ van ANON, Sky ECC, EncroChat, VPN-diensten en cryptocurrency mixers. Het zijn volgens Europol voorbeelden van ‘grijze infrastructuur’ waar cybercriminelen gebruik van maken. Interessant is ook de zin:

“Hoewel niet alle gebruikers van deze diensten per definitie criminelen zijn, is een dermate grote hoeveelheid van de activiteiten van de diensten crimineel, dat – nadat voldoende bewijs wordt gevonden van ‘crimineel misbruik’ – deze diensten als criminele organisaties te bestempelen zijn”.

Europol noemt de take down van ‘Double VPN’ en ‘Safe-Inet’ als voorbeelden hiervan, net als de ‘cryptophone-operaties’.  

Malware

Uit het rapport blijkt dat ransomware nog steeds het grootste probleem is op het gebied van cybercrime in enge zin. Net als vorig jaar zet de trend zich voort dat ransomware zich niet ongericht, massaal verspreid, maar wordt ingezet voor meer gerichte aanvallen op grote organisaties. Ook gebruiken cybercriminelen ander pressiemiddelen naast de versleuteling van gegevens, zoals het bellen van journalisten, klanten of zakelijke klanten van het slachtoffer over de aanval via VoIP-lijnen. Sommige ransomware-groepen publiceren gegevens van werknemers van de slachtoffers.

‘Conti’, ‘Maze’, en ‘Babuk’ zijn voorbeelden van ransomware die zich richten op grote organisaties. ‘Ryuk’ is berucht omdat het zich specifiek richt op organisaties binnen de gezondheidszorg. De cybercriminele organisaties achter ransomware lijken zich ervan bewust zich meer in de kijkers te hebben gespeeld van opsporingsorganisaties. Sommige organisaties beperken daarom hun ‘partners-in-crime’ in de aan te vallen doelen. ‘DarkSide’ heeft bijvoorbeeld aangekondigd geen vitale infrastructuur meer aan te vallen na de ‘Colonial Pipelines’-aanval en Sodinobiki (ook bekend als ‘REvil’) verbiedt aanvallen op sociale- en overheidsinstellingen.

Het cybercrime-centrum van Europol legt haarfijn uit dat geen individuele hackers achter ransomware zitten, maar hele organisaties. Doorgaans bieden de makers van de ransomware de software aan ‘klanten’ (Ransomware-as-a-service), waarbij de winst wordt verdeeld. Ook worden gecompromitteerde systemen verkocht aan anderen die de systemen vervolgens infecteren met de (ransom)malware naar keuze. Europol benadrukt dat opsporingsinstanties niet alleen achter de ‘eindgebruikers’ van de ransomware aan moeten gaan, maar zich moeten richten op de sleutelfiguren die malware via platformen verkopen, in internationaal gecoördineerde acties met andere opsporingsinstanties.

Ddos-attacks

‘DDoS-for-ransom’ lijkt terug van weggeweest. Cybercriminelen maken daarbij ook misbruik van de reputatie van bekende ‘Advanced Persistent Threats’ (APT’s), zoals ‘Fancy Bear’ en ‘Lazarus’, om de slachtoffers er sneller toe te bewegen het afpersgeld te betalen. De cybercriminelen richten zich op internet service providers (ISP’s), financiële instellengen (banken) en midden-en-klein bedrijven (de MKB-sector). Als het niet wordt betaald, leidt dat niet altijd tot de daadwerkelijke uitvoering van de ddos-aanval, hoewel in sommige gevallen het tot serieuze consequenties heeft geleid, zoals de aanval op de effectenbeurs van Nieuw-Zeeland.

Online kindermisbruik  

Over online seksueel misbruik viel het mij op dat grooming toeneemt op online gaming platformen (en uiteraard op sociale mediadiensten, maar dat is niet nieuw). Ook is de verspreiding van kinderpornografie via peer-to-peer platformen is volgens Europol significant toegenomen, terwijl het voor de normale internetgebruiker niet zo vaak meer lijkt te worden gebruikt. Darkweb websites zijn nog steeds een belangrijk platform voor verspreiding van afbeeldingen van online seksueel geweld. Als voorbeeld wordt het platform ‘Boystown’ genoemd, die offline is gehaald onder leiding van het Bundeskriminalamt (BKA) en opsporingsdiensten uit Australie, Canada, Zweden, de Verenigde Staten én Nederland. De website met kindermisbruik had meer dan 400.000 geregistreerde gebruikers.

Dark web-gebruikers maken daarnaast steeds vaker gebruik van ‘Wickr’ en Telegram als communicatiekanalen voor ‘Child Sexual Abuse Material’ (CSAM).

Helaas is de omzet van commerciële websites gericht op seksueel geweld tegen kinderen volgens Europol verdriedubbeld tussen 2017-2020. Voor betaling worden vaak cryptocurrencies gebruikt. Het komt voor dat daders direct minderjarigen betalen voor zelfgemaakt materiaal.

Europol probeert in de rapporten zoals elk jaar ook voorzichtig beleidsadvies mee te geven. Het meest opvallend vond ik dit jaar de boodschap dat ‘online undercover operaties steeds belangrijker worden in opsporingsonderzoeken naar cybercrime’. De reden is dat cybercriminelen steeds betere ‘operational security’ (OPSEC) aanhouden. Europol observeert dat het lastig infiltreren is op – met name – websites met materiaal van seksueel geweld, vanwege strikte toegangsregels en nationale regels van landen die beperkingen opleggen om op die websites te infiltreren. “The importance of undercover activities needs to be recognized”, aldus Europol. Daarbij wijs ik natuurlijk graag op mijn eerdere publicaties hierover (zie bijvoorbeeld het artikel ‘Facebookvrienden worden met de verdachte’). 

Cybercrime jurisprudentieoverzicht juni 2020

Drugshandel via het darkweb, witwassen van bitcoins en voorbereiden van een aanslag

Op 23 april 2020 zijn in een megazaak door de Rechtbank Overijssel 12 verdachten veroordeeld voor drugshandel via het darkweb, witwassen met bitcoins en het voorbereiden van aanslagen op de voormalige motorclub Satudarah. Het ging om de onderzoeken ‘Metaal’ en ‘Liechtenstein’ (zie ook OM persbericht en dit nieuwsbericht).

De strafbare feiten kwamen volgens het OM aan het licht toen de politie kon meelezen met de cryptofoons (PGP-telefoons) van de verdachten. Het OM kreeg met een Europees Opsporingsbevel (EOB) van de Britse autoriteiten een kopie van de inhoud van een server met PGP-berichten in handen, dat de Nederlandse politie vervolgens op inhoud heeft onderzocht. De Britten hebben op basis van eigen bevoegdheden en met medeweten van een ander bedrijf, de chatberichten onderschept, ontsleutelt en vervolgens die chatberichten doorgeleid naar de Nederlandse autoriteiten (zie Rb. Overijssel 23 april 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1587, r.o. 4.2).

De rechtbank Overijssel overweegt met betrekking tot het onderzoek Metaal dat de verdachte zich samen met zijn medeverdachten gedurende langere tijd heeft bezig gehouden met omvangrijke drugshandel. Ook werden drugs geproduceerd en vond uitvoer van verdovende middelen naar het buitenland plaats. Zij maakten bij die handel en export onder meer gebruik van het “zogenoemde Darkweb” en verzonden de bestelde drugs in vermomde postpakketten, zoals bijvoorbeeld DVD-hoesjes. Het is jammer dat in deze uitspraak de namen van de desbetreffende darknet markets zijn geanonimiseerd.

De betaling voor de drugs vond plaats in Bitcoin. De politie heeft ook een pseudokoop van drugs op een darknet market uitgevoerd in de zaak ECLI:NL:RBOVE:2020:1587. Ook is het interessant te lezen hoe de politie op basis van de accountnaam van de verdachte als verkoper op drugsforum en de PGP-sleutel, de activiteiten op verschillende darknet markets heeft getraceerd. Ook wordt opgemerkt hoe bepaalde websites niet meer online waren, maar door de politie ‘konden worden bekeken, omdat het Team Darkweb van de Landelijke politie de databases ervan had veiliggesteld’ (r.o. 4.4.3.8). De link met de verdachte en de geldtransacties konden worden vastgelegd op basis van de inhoud van de chatgesprekken, de observaties door de politie van verdachten en de door de politie gemaakte analyse met het programma ‘Chainalysis’ van de geldwissels (r.o. 4.5.3.1)

De bitcoins werden op gezette tijden omgewisseld in contant geld. De verdachten vormden op basis van gelijkwaardigheid een samenwerkingsverband, volgens de rechhtbank. De taken waren en werden in overleg verdeeld. Zij communiceerden daarover met elkaar – en met onbekend gebleven derden – door middel een communicatieapp ‘Ironchat’. Op verschillende plaatsen in Nederland hadden zij werkhuizen en ‘stashplekken’ voor de te produceren en/of te verhandelen drugs. In die panden zijn door de politie niet alleen machines en toebehoren voor de productie van drugs aangetroffen, maar ook verpakkings- en verzendingsmaterialen voor bijvoorbeeld Duitsland, Australië en de Verenigde Staten. Vier mannen krijgen voor de drugshandel via het darkweb, witwassen en deelname aan een criminele organisatie 7 jaar gevangenisstraf opgelegd.

In het onderzoek Liechtenstein ging het ook om internationale drugshandel en witwassen via bitcoins. De verdachten zijn geïdentificeerd door de accounts te koppelen van de verdachten die via de PGP-telefoon of laptops via de applicatie Ironchat met elkaar chatten over het voorbereiden van een aanslag. Twee van de zes verdachten planden meerdere aanslagen op motorclub Satudarah in Enschede. Zij dachten namelijk dat de voormalige motorclub hen had verraden bij de politie, nadat de politie een inval had gedaan bij het Enschedese drugspand. Ook verhandelden de groep XTC-pillen, methamfetamine, cocaïne, heroïne en LSD via sites, zoals ‘Rolex’, ‘Flamingo’, ‘Snapdrugz’, ‘AliExpress’ en ‘Vendor’ op het Darkweb. Via die sites zijn drugsorders uit onder meer Polen, Zweden, Duitsland en Australië bij de groep geplaatst (ECLI:NL:RBOVE:2020:1559, r.o. 4.3.3.1).

Teruggave van bitcoins en waardebepaling

Op 5 oktober 2016 werd een verdachte veroordeeld voor het stelen van elektriciteit ten behoeve van bitcoinmining. Op een van de inbeslaggenomen computers worden 127,3 bitcoins aangetroffen. Na synchronisatie van de wallet met internet blijken er een half jaar 585,5 bitcoins te zijn bijgeschreven, maar de link met de bewezenverklaarde diefstal van elektriciteit ontbreekt. De tegenwaarde van de inmiddels vervreemde bitcoins dient te worden uitgekeerd aan de verdachte, zo beslist het Hof te Den Haag (Hof Den Haag 24 oktober 2018, Computerrecht 2019/54, ECLI:NL:GHDHA:2018:2821, m nt. N. van Gelder). Daarbij sloot het hof kort gezegd aan op de gemiddelde koerswaarde van Bitcoin ten tijde van de inbeslagname. Het middel klaagt over het feit dat niet de bitcoins teruggegeven worden en subsidiair dat de waardebepaling niet klopt. De Hoge Raad verwerpt het beroep (HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:845).  

De (juridisch complexe) conclusie bij het arrest (ECLI:NL:PHR:2020:249) AG Bleichrodt is met name interessant, omdat daar is te lezen dat ‘de waardebepaling niet aan de rechter is’. ‘Tegen die achtergrond heeft het hof met zijn overwegingen over de waardebepaling van de 585,48591218 bitcoins waarop de last tot teruggave betrekking heeft, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.’ De teruggave van de bitcoins is in dit geval feitelijk niet meer mogelijk. De ‘bewaarder’ dient volgens de AG over te gaan tot uitbetaling van in beginsel de prijs die de bitcoins bij verkoop door hem hebben opgebracht (r.o. 23).

Hoge Raad arrest over bezit kinderporno

Op 12 mei 2020 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest (ECLI:NL:HR:2020:799) gewezen over de vraag of kinderpornoafbeeldingen in een cloudopslagruime (Microsoft’s Skydrive) kwalificeert als ‘bezit’ van kinderporno (zie met name r.o. 2.3.2-2.3.3).

De Hoge Raad beslist dat bezit een fysieke connotatie heeft en mede daarom kinderporno in opslagruimte niet kwalificeert als bezit van kinderporno. Destijds is ‘toegang verschaffen’ tot kinderpornografisch materiaal ook strafbaar gesteld met de overweging dat ‘de voorgestelde aanscherping van artikel 240b Sr biedt een ruimer bereik en vormt een nuttig en wenselijk vangnet voor gevallen die mogelijk niet onder de strafbaarstelling van «bezit» zouden kunnen worden gebracht’ (Kamerstukken II 2008/09, 31810, nr. 3, p. 3-4). Overigens adviseerde AG Knigge in de conclusie bij het arrest dat het beter was gewest afbeeldingen zelf ten laste te leggen in plaats van de gegevensdrager (ECLI:NL:PHR:2020:139, r.o. 4.6.3).

Zie ook deze annotatie van Michael Berndsen (de @cyberadvocaat) over dit arrest op Bijzonderstrafrecht.nl.

Veroordeling voor smishing

Op 29 juni 2020 heeft de rechtbank Den Haag een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2020:5798) voor onder andere smishing. Smishing is oplichting via sms-berichten. In het onderzoek ‘Grote Modderkruiper’ kwam de volgende modus operandi naar boven: allereerst worden uit naam van een sms-berichten naar rekeninghouders verzonden, waarin (veelal) staat vermeld dat de bank van slachtoffers in de quarantaine zone is geplaatst en opnieuw geverifieerd dient te worden. Door op de link in een dergelijk bericht te klikken, komen gedupeerden op de internetbankierenomgeving van ogenschijnlijk de bank terecht. Daar wordt gevraagd verschillende persoonlijke en aan bankzaken te relateren gegevens in te vullen.

Met deze gegevens wordt het mogelijk via internetbankieren toegang te krijgen tot de bankrekeningen van de gedupeerden. Er kan dan worden ingelogd op het account van de gedupeerde, waarna er overboekingen gedaan kunnen worden naar rekeningen van zogenaamde money mules, ook wel geldezels genoemd. Naar de money mules worden vervolgens (grote) geldbedragen overgeboekt, waarna deze – veelal binnen zeer korte tijd – in contanten worden opgenomen bij bankautomaten.

De verdachte is opgespoord via het IP-adres waarmee in de online bankieromgeving werd ingelogd. Bij KPN werden gebruikersgegevens gevorderd en is het woonadres van de verdachte achterhaald. In de periode van 5 september 2018 tot en met 4 juni 2019 is op 126 unieke accounts ingelogd en werden in totaal werden 649 succesvolle inlogsessies waargenomen vanaf het IP-adres. Hiervan betrof 56,3% wederrechtelijke inlogsessies op accounts van klanten en money mules.

De rechtbank oordeelt dat de verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een fraude via sms-berichten. De verdachte heeft een rol gehad bij (pogingen) oplichting, computervredebreuk, diefstal met valse sleutel en witwassen. Door middel van smishing is een zeer groot aantal (potentiële) slachtoffers benaderd, waarvan een aantal heeft gereageerd en gegevens heeft verstrekt met als gevolg dat geld is weggesluisd van hun rekeningen. De rechtbank dicht aan de verdachte binnen het samenwerkingsverband, dat door de duurzaamheid en gestructureerde vorm door de rechtbank als criminele organisatie wordt gekwalificeerd, een belangrijke rol toe bij het benaderen van slachtoffers per sms en het verkrijgen van hun inloggegevens bij de betreffende desbetreffende bank. De rol van de verdachte is daarmee cruciaal voor het functioneren van de criminele organisatie. De verdachte wordt veroordeeld tot 18 jaar jeugddetentie, waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar. Hij moet tevens een flinke schadevergoeding betalen van € 125.982,62 aan geleden materiële kosten door de bank.

Opvallend is nog de passage om in aanvulling op de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden op te nemen dat de verdachte verplicht is om medewerking te verlenen aan controle op het computergebruik. De rechtbank gaat hiermee niet akkoord, omdat de Hoge Raad bij uitspraak van 23 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:302) heeft geoordeeld dat een dergelijke voorwaarde te ver ingrijpt in het privéleven van de verdachte.

E-book over digitaal kinderpornografisch materiaal

Het Kenniscentrum Cybercrime van het Hof Den Haag heeft een informatief boek (.pdf) uitgebracht over de strafbaarstelling van kinderpornografie in artikel 240b Sr. Het boek is geheel geactualiseerd en zeer uitgebreid. Door het in open access beschikbaar te stellen kan ook buiten de rechtspraak van deze kennis gebruik worden gemaakt.

A. Kuijer, J.W. van den Hurk & S.J. de Vries, Artikel 240b Sr. Juridische en digitaal-technische aspecten van strafvervolging wegens gedragingen met digitaal kinderpornografisch materiaal, Kennis Centrum Cybercrime 2020, Rechtspraak.nl

Annotatie over Playpen-zaak

Deze blogpost bevat mijn annotatie (.pdf) in Computerrecht over de veroordeling (Rb. Midden-Nederland 15 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4766) van een Nederlandse verdachte die actief was op het kinderpornoforum ‘Playpen’ op het dark web.

Inleiding

Playpen is door de media ook wel bestempeld als “the most ‘notorious darknet child pornography site. De zaak is interessant, omdat het een veroordeling van een Nederlandse verdachte betreft voor het bezit en toegang verschaffen tot kinderpornografisch materiaal en de verspreiding van kinderporno via het forum.

De Nederlandse kinderpornogebruiker is door een Amerikaanse operatie geïdentificeerd, waarbij vermoedelijk computers zijn gehackt en software is gebruikt om bezoekers van het Tor-forum Playpen te de-anomiseren. Dit roept vragen op die in de uitspraak onbeantwoord blijven, zoals:

‘is een dergelijke operatie met de nieuwe hackbevoegdheid ook onder Nederlands recht toegestaan?’

In deze annotatie wordt kort de Amerikaanse operatie uitgelicht. Daarna wordt ingegaan op het oordeel in de uitspraak zelf met betrekking tot het bezit en toegang verschaffen tot kinderpornografisch materiaal en de verspreiding van kinderporno via Playpen. Ter afsluiting wordt ingegaan op de nieuwe mogelijkheden van de hackbevoegdheid, dat per 1 maart 2019 door de implementatie van de Wet computercriminaliteit III in het Wetboek van Strafvordering (Sv) is te vinden.

Achtergrond Operation Pacifier

Playpen betrof een zogenoemde ‘hidden service’, in dit geval een forum dat alleen via Tor bereikbaar was en in de periode van 2014-2015 online was. Op het forum werd (ook prepuberale) kinderpornografie uitgewisseld tussen forumleden. Met gebruik van het Tor systeem kunnen internetgebruikers anoniem internetten, wordt het netwerkverkeer versleuteld en kunnen internetdiensten worden geraadpleegd die niet via het reguliere internet bereikbaar zijn.

Het forum Playpen kreeg veel media-aandacht, omdat de FBI in 2015 in ‘Operation Pacifier’ de bezoekers van het forum de-anonimiseerde. Volgens onderzoeksjournalisten zoals Joseph Cox is dit mogelijk gemaakt, omdat de FBI de website tijdelijk heeft overgenomen en met behulp van een ‘technisch hulpmiddel’ (software) identificerende informatie over de bezoekers van de website heeft vastgelegd, zoals IP-adressen, Mac-adressen en andere technische informatie van de computers van de bezoekers.

Door de operatie waren in mei 2017 al 870 personen opgepakt of veroordeeld, waarvan 368 in de Europese Unie. Bovendien zijn 259 misbruikte kinderen geïdentificeerd of uit hun slachtoffersituatie ontzet. De operatie heeft ook tot kritiek geleid, omdat Amerikaanse autoriteiten ook privé-gegevens van niet-Amerikanen heeft verzameld en daarmee buiten haar jurisdictie zou treden. De FBI zou ook niet transparant genoeg zijn over het gebruik van het technische hulpmiddel in deze strafzaken, hetgeen mogelijk in spanning staat met het recht op het eerlijk proces (zie ook Kate Tummarello, ‘The Fight Against General Warrants to Hack Rages On’, Electronic Frontier Foundation, 9 mei 2017).   

Verstrekking van gegevens aan Europol en buitenlandse opsporingsdiensten

Na de operatie heeft de FBI naar verluidt de identificerende informatie van niet-Amerikaanse bezoekers aan Europol overgedragen. Europol heeft vervolgens vanwege haar coördinerende taak die gegevens doorgegeven aan de verschillende nationale opsporingsautoriteiten binnen de Europese Unie (zie Mark Hendrikman, ‘FBI-onderzoek naar kinderporno op Tor levert meer dan 3000 zaken in Europa op’, Tweakers.net, 24 januari 2016 en het persbericht van Europol, ‘Major online child sexual abuse operation leads to 368 arrests in Europe’ van 5 mei 2017). De Nederlandse autoriteiten vielen hier klaarblijkelijk ook onder. Hoewel de naam van het forum in de uitspraak is geanonimiseerd, blijkt uit Nederlandse berichtgeving dat de verdachte is veroordeeld vanwege zijn activiteiten op het kinderpornoforum Playpen (zie bijvoorbeeld Riks Ozinga, ‘Verdachte in kinderpornozaak krijgt taakstraf en voorwaardelijke celstraf’, RTV Utrecht, 16 oktober 2019).

Vertrouwensbeginsel

Zoals ik eerder in een annotatie bij een andere kinderpornozaak heb opgemerkt, worden vaker dit soort gegevens over kinderpornogebruikers uitgewisseld. Op grond van het vertrouwensbeginsel uit het internationale recht, mag het Openbaar Ministerie er op vertrouwen dat het bewijs op rechtmatige wijze door buitenlandse autoriteiten is vergaard (zie o.a. zie HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3426). Het bewijs mag daarom in principe worden gebruikt in de Nederlandse strafzaak.

Veroordeling Nederlandse verdachte

De rechtbank Midden-Nederland heeft in de verdachte veroordeeld voor het bezit, toegang verschaffen, en de verspreiding van kinderpornografisch materiaal via een internetforum. De verdachte heeft op twee momenten een ‘thread’ gestart (nieuw onderwerp van discussie op het forum) en vervolgens kinderpornografisch materiaal gedeeld op het besloten forum. In de uitspraak is te lezen dat ‘‘de exacte activiteiten van individuele forumgebruikers alleen konden worden vastgesteld over de periode van 20 februari 2015 tot en met 5 maart 2015’’.

De rechtbank gaat mee met het verweer van de verdediging van de verdachte dat daarmee nog geen sprake is van het gewoonte maken van de verspreiding tot kinderpornografisch materiaal. De rechtbank acht aldus de verspreiding van kinderpornografisch materiaal bewezen, maar niet het gewoonte maken daarvan (waar een hogere straf op straf op staat) (zie rechtsoverweging 4.3).

De verdachte heeft wel een gewoonte gemaakt van het bezit van kinderpornografie. In het door de politie in beslag genomen materiaal, bevonden zich in totaal 103.132 foto’s en 243 video’s. In een willekeurige selectie van ‘ongeveer 25%’ daarvan, zijn 16.453 foto’s en 172 video’s beoordeeld als kinderpornografisch. De bekennende verdachte heeft verklaard dat hij 2 à 3 keer per week kinderpornografische sites bezocht en dat als hij afbeeldingen ging downloaden, dat het er tussen de 20 en 100 per keer waren. Gelet op het aantal aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen en de frequentie waarmee verdachte het kinderpornografisch materiaal heeft gedownload, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal (zie r.o. 4.3).

Strafmaat

De rechtbank voert een uitgebreide strafoverweging (zie r.o. 8.3). Het overweegt daarbij in het nadeel van de verdachte dat hij zich een lange periode schuldig heeft gemaakt aan het in bezit hebben van pornografisch materiaal, de grote hoeveelheid afbeeldingen die bij verdachte zijn aangetroffen en de (jonge) leeftijd van de minderjarigen die op de aangetroffen afbeeldingen stonden.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat de verdachte volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek, spijt heeft van zijn gedragingen en in behandeling is. Het recidiverisico wordt door de reclassering, op basis van gesprekken met zijn behandelaar, ingeschat als laag. De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op van één jaar, waarvan 364 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. De verdachte krijgt verder een taakstraf van 240 uur.

Toepassing hackbevoegdheid op een forum als Playpen?

Nu rest de vraag of een dergelijke operatie zoals de FBI heeft uitgevoerd ook onder Nederlands recht mogelijk is. Uiteraard kan deze vraag alleen worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Echter, als ratio van de nieuwe hackbevoegdheid in artikel 126nba Sv is door de wetgever specifiek meegegeven dat de inzet van de hackbevoegdheid het mogelijk maakt om verdachten te identificeren die actief zijn op Tor en zich met kinderpornografie bezighouden (Kamerstukken II 2015/16, 34372, nr. 3, p. 20).

Op grond van artikel 126nba lid 1 sub a Sv kan de Nederlandse politie met de inzet van de hackbevoegdheid onder strenge voorwaarden op afstand binnendringen in computers, zoals een webserver van een forum en de computer van een verdachte, en vervolgens gegevens vastleggen ter identificatie van die verdachte. De ‘Aanwijzing voor de internationale aspecten van de inzet van de bevoegdheid ex art. 126nba Sv’ geeft allerlei factoren mee die een officier van justitie in overweging moet nemen als hij of zij een rechter-commissaris om toestemming vraagt de hackbevoegdheid in te zetten, waarbij mogelijk computers in het buitenland worden binnengedrongen.

Kort gezegd valt te beargumenteren dat een dergelijke operatie doorgang mag vinden, vanwege het feit dat een webserver en de bezoekers via Tor in beginsel ‘niet redelijkerwijs’ te lokaliseren zijn en het zeer ernstige feiten zijn met mogelijk Nederlandse daders en slachtoffers (zie ook Kamerstukken II 2015/16, 34372, nr. 3, p. 47 met specifiek het gebruik van Tor als voorbeeld).

Tot slot

De veroordelingen in binnen- en buitenland naar aanleiding van Operation Pacifier laat ook zien dat het bewijs afkomstig van de hackbevoegdheid kan standhouden, ondanks bezwaren van advocaten en privacybelangenorganisaties.

Een interessante vraag daarbij is ten slotte nog in hoeverre de politie openheid van zaken moet geven van de toepassing van de hackbevoegdheid en het gebruikte technische hulpmiddel. In Nederland staat in artikel 126nba lid 2 sub d Sv dat “een aanduiding van de aard en functionaliteit van het technische hulpmiddel” moet worden verstrekt. Ook schrijft het ‘Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk’ allerlei technische vereisten en logging voor (zie Stb. 2018, 340 voor het Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk en de toelichting daarop).

De verdediging kan in het kader van het recht op een eerlijk proces zoveel als mogelijk nagaan op welke wijze het bewijsmateriaal is vergaard en op zekere hoogte de betrouwbaarheid van het vergaarde bewijs ter discussie stellen (zie als mogelijke voorloper de ‘Aydin C.-zaak’, Rb. Amsterdam 16 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1627, Computerrecht 2017/103, m.nt. J.J. Oerlemans). Het zijn zeker aspecten waar de rechtspraak in de toekomst ervaring mee opdoet als de hackbevoegdheid wordt toegepast en het resultaat daarvan in opsporingsonderzoeken als bewijs wordt gebruikt.

Citeertitel: Rb. Midden-Nederland 15 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4766, Computerrecht 2020/9, m.nt. J.J. Oerlemans.

Opsporing en bestrijding van online drugsmarkten

Posted on 03/01/2020 on Oerlemansblog

In december 2019 heeft Strafblad het artikel ‘Opsporing en bestrijding van online drugsmarkten’ gepubliceerd. Samen met Rolf van Wegberg heb ik het artikel geschreven. Het bevat een overzicht van opsporingsmethoden die worden gebruikt voor de opsporing op online drugsmarkten. Ook bespreken we ‘Operation Bayonet’, met de verstoringsstrategie van ‘Hansa Market’. De belangrijkste conclusies zetten we hier nog op een rij.

Opsporing

In het artikel wordt de regulering van opsporingsmethoden besproken, zoals openbronnenonderzoek en undercover opsporingsmethoden. De Hansa Market-uitspraak wordt daarbij uitgelicht (zie ook deze blog post). Ook wordt toegelicht waarom online undercoveroperaties interessante mogelijkheden bieden voor opsporingsinstanties, met name vanwege de mogelijkheden tot misleiding en interactie met verdachten op afstand.

We benadrukken daarbij dat digitale undercoveroperaties in de toekomst vaker zullen worden toegepast, al dan niet door of in gezamenlijkheid met buitenlandse opsporingsinstanties. Het is belangrijk dat advocaten en rechters blijven toetsen hoe de gebezigde opsporingsmethoden zich tot de wet verhouden. In de Hansa-zaak heeft de verdediging enkele voor de hand liggende verweren laten liggen, zoals het doorlaatverbod en de toepassing van andere opsporingsbevoegdheden dan infiltratie. Ook verdient het nader onderzoek of de ontwikkeling van internationale verdragen noodzakelijk zijn voor het in goede banen leiden van grensoverschrijdende online operaties van opsporingsautoriteiten.

Verstoring

Aan de hand van Hansa Market leggen we ook uit hoe de ‘verstoring’ van deze online drugsmarkt in elkaar steekt en hoe de effecten daarvan kunnen worden gemeten. Verstoringsacties bieden mooie kansen voor onderzoek. Het meetbaar maken van politie-interventies in het digitale domein biedt nieuwe inzichten op eerder onbeantwoordbare vragen rondom de effectiviteit van deze interventies. Het is daarnaast een handvat voor toekomstig optreden. Immers, wanneer een interventie ontworpen wordt die gebruikmaakt van eerdere, bewezen resultaten, kan daarmee de politiële slagkracht worden vergroot zonder extra middelen of capaciteit.

Vanuit juridisch perspectief biedt het onderwerp van verstoring bij cybercrime nog nadere bestudering, met name op het gebied van toezicht op de rechtmatigheid van dergelijke operaties. Zo komen de betrokkenen van een verstoringsactie meestal niet voor een rechter, waardoor de rechtmatigheid van een dergelijke operatie niet achteraf wordt getoetst.

Annotatie Hansa Market

Posted on 01/11/2019 op Oerlemansblog

De digitale infiltratieoperatie op de darknet market ‘Hansa’ is uniek. Tijdens deze operatie heeft de Nederlandse politie onder leiding van het openbaar ministerie een darknet market overgenomen en 27 dagen lang gerund, teneinde bewijs te verzamelen over de verkopers en kopers op de markt.

Deze zaak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2019:5339) zaak betreft een veroordeling van één van de verkopers op het darknet market. De advocaat van de verdachte voert aan dat de infiltratieoperatie onrechtmatig was. In deze annotatie (.pdf) ga ik uitvoerig in op de juridische basis voor een digitale infiltratieoperatie en plaats ik een paar kritische kanttekeningen bij het gebrek aan andere verweren in deze zaak.

De feiten

Hansa is een darknet market waarop grootschalig werd gehandeld in voornamelijk drugs, zoals XTC, cocaïne, speed en amfetamine. Darknet markets zijn online handelsplaatsen die verkopers (‘vendors’) en kopers (‘buyers’) bij elkaar brengen. De handelsplaatsen zijn slechts via een bepaald protocol bereikbaar, in dit geval via het Tor netwerk. Tor zorgt ervoor dat het IP-adres van de handelsplaats en de bezoekers verborgen blijven en versleuteld het netwerkverkeer. Gesprekken tussen kopers en verkopers worden vaak versleuteld door middel van het ‘Pretty Good Privacy’-programma (PGP) en betalingen worden verricht door middel van cryptocurrencies, zoals Bitcoin en Monero. De bestelde producten worden per pakketpost afgeleverd op het gewenste adres.

De verdachte is veroordeeld voor het witwassen van bitcoins, die gekoppeld waren aan debet-, credit- en prepaidcards, en vervolgens werden omgewisseld bij een Bitcoin-uitwisselingkantoor voor in totaal meer dan 800.000 euro. Ook heeft de verdachte samen met anderen meer dan 22.000 bestellingen afgeleverd. De drugs werden verstopt in speciaal met 3D-printers geprinte verpakkingen als make-updoosjes. De hoofdverdachte wordt veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.

De rechtbank legt in het vonnis uit dat onder het bevel van een officier van justitie de infiltratiebevoegdheid in artikel 126h Wetboek van Strafvordering (Sv) is ingezet. De rechtbank omschrijft helder op welke wijze de darknet market is overgenomen:

“(…) de infrastructuur van Hansa Market naar Nederlands grondgebied geëmigreerd en is Hansa Market heimelijk en ongewijzigd door het onderzoeksteam overgenomen met als doel wachtwoorden, berichten, orderinformatie en bitcoins niet-versleuteld af te vangen teneinde verdachten te identificeren en illegale goederen in beslag te nemen. Het onderzoeksteam fungeerde daarbij als beheerder van Hansa Market, reageerde op verzoeken van kopers, nam deel aan berichtenverkeer, onderhield contacten en verrichtte een aantal pseudokopen.”

Verweer van advocaat en commentaar

De advocaat van de verdachte voert aan dat het overnemen en beheren van de site geen wettelijke basis heeft, de verdediging geen zicht heeft verkregen in de wijze waarop de infiltratie heeft plaatsgevonden, en niet te controleren is of het optreden van de opsporingsambtenaren rechtmatig was en of voldaan is aan de proportionaliteitseis. De verdediging stelt dat daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

De rechtbank oordeelt dat ‘het overnemen en beheren van de website valt onder de bijzondere opsporingsbevoegdheid van infiltratie in de zin van artikel 126h Sv’ (zie rechtsoverweging 3.1 uit de uitspraak). Daaruit bestaat dan ook de gehele motivering van de rechtbank ten aanzien van het eerste verweer, wat wel érg summier is. De rechtbank had kunnen verwijzen naar de wetsgeschiedenis van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden waarin al in 1997 duidelijk werd aangegeven dat infiltratie ook op internet mogelijk is. Ook lag het voor de hand dat de rechtbank nog eens de achtergrond van de bevoegdheid aanhaalde. Infiltratie is namelijk bedoeld om te participeren in een criminele organisatie teneinde bewijsmateriaal over strafbare feiten te verzamelen. Het is daarbij mogelijk dat (geautoriseerde) strafbare feiten worden gepleegd. De overname en het beheer van de website voor 27 dagen lang, wordt aldus geplaatst onder de bijzondere opsporingsbevoegdheid van infiltratie. Uit het vonnis wordt niet duidelijk of Nederlandse opsporingsambtenaren ook de online identiteit (het account) van de oorspronkelijke ‘administrators’ (beheerders) van de darknet market hebben overgenomen (zie hierover dit – uitstekende – artikel van Wired). Die handeling is mogelijk onderdeel van de inzet van de infiltratiebevoegdheid, maar het is bijvoorbeeld interessant om te weten of de accountovername op vrijwillige basis plaatsvond.

Uitlokking?

De rechtbank oordeelt tevens, terecht meen ik, dat er geen sprake is van uitlokking. De rechtbank past de gebruikelijke toets toe of de verkopers en kopers door de overname niet tot andere strafbare feiten zijn gebracht door het onderzoeksteam, dan waarop hun opzet reeds was gericht (zie ook HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613). Met de geruisloze overname van Hansa Market heeft het onderzoeksteam de bestaande situatie in zoverre ongewijzigd voortgezet. Niet is gebleken dat verkopers (of kopers) door de overname, dan wel door het handelen van het onderzoeksteam, zijn gebracht tot het begaan van andere strafbare feiten dan waarop hun opzet reeds van tevoren was gericht. Het toelaten van nieuwe vendors en aanbieden van een korting bij personen bij wie al het opzet bestond om te handelen in verdovende middelen op deze specifieke en verborgen website, past volgens de rechtbank eveneens in dit kader en kan dan ook niet worden gekwalificeerd als uitlokking.

Over de transparantie van de infiltratieoperatie oordeelt de rechtbank dat voldoende valt te controleren of is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het strafdossier bevat een aanvullend proces-verbaal  waarin inzicht in de werkwijze van de opsporingsambtenaren tijdens de infiltratie wordt verschaft. De rechtbank overweegt daarbij in het kader van de subsidiariteit, naar mijn mening terecht, dat ‘enkel het in beslag namen van servers van illegale marktplaatsen eerder niet heeft geleid tot een effectieve verstoring van de handel in verdovende middelen, maar tot een verplaatsing hiervan met behoud van de digitale structuur bij de verkopers op een andere website (het zgn. ‘waterbedeffect’)’. De operatie was namelijk opgezet in samenwerking met de FBI. De FBI heeft eerst de darknet market ‘Alphabay’ ontmanteld. De kopers en verkopers migreerden toen naar ‘Hansa Market’. Op dat moment heeft de Nederlandse politie en het openbaar ministerie de markt overgenomen en 27 dagen lang beheerd teneinde bewijs te verzamelen. Met deze infiltratieactie is het wel mogelijk gebleken de identiteit van verkopers en kopers te achterhalen en eventuele criminele tegoeden van hen in beslag te nemen. De aard en ernst van de strafbare feiten, de onmogelijkheid langs andere weg het bewijs te verzamelen en de begrensde periode van de inzet van het opsporingsmiddel, maakt in combinatie met elkaar dat is voldaan aan de proportionaliteit- en subsidiariteitseis, aldus de rechtbank.

Toch zal de proportionaliteitstoets niet eenvoudig zijn geweest. Hansa Market had naar verluid in totaal meer dan 3600 dealers en in totaal 420.000 bezoekers. Volgens een achtergrondartikel in Wired op basis van een interview met betrokken opsporingsambtenaren waren er op enig moment 5000 bezoekers per dag op de drugsmarkt en vonden ongeveer 1000 bestellingen per dag plaats tijdens het beheer van de Nederlandse autoriteiten. In totaal zouden minstens 10.000 adressen van gebruikers van de darknet market zijn vastgelegd. Hoe weegt de noodzaak tot de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid van infiltratie, vermoedelijk in combinatie met andere bijzondere opsporingsbevoegdheden zoals een netwerkzoeking en de telecommunicatietap, op tegen de privacy-inbreuk van die duizenden betrokkenen? In de uitspraak staat bijvoorbeeld in rechtsoverweging 5.3.2 dat tijdens een doorzoeking computers werden aangetroffen die waren ingelogd op een server in Parijs met toezicht tot een ander darknet market (“Dream Market”). In het eerder aangehaalde artikel van Wired staat bijvoorbeeld ook: “The NHTCU officers explained how, in the undercover work that followed, (…),  even tricked dozens of Hansa’s anonymous sellers into opening a beacon file on their computers that revealed their locations”.  Ook zijn naar verluidt de instellingen van de (programmeercode van) de  website gewijzigd, zodat wachtwoorden en geolocatiegegevens in de foto’s van gebruikers van de website zijn vastgelegd.

Rechterlijke toets?

Hieraan gerelateerd bestaat de vraag of het wenselijk is deze toets slechts bij een officier van justitie te beleggen. Het Europees Hof van de Rechten voor de Mens (EHRM) acht de betrokkenheid van een rechter(-commissaris) in undercoveroperaties als het meest geschikt, maar acht ook toezicht van een officier van justitie mogelijk als er voldoende procedures en waarborgen zijn (zie bijvoorbeeld EHRM 4 november 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:1104JUD001875706, par. 50 (Bannikova/Rusland), EHRM 23 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD005464809, par. 53, (Furcht/Duitsland) en EHRM 28 juni 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0628JUD003153607, par. 45 (Tchokhonelidze/Georgië). Procedures en waarborgen kunnen bijdragen aan het ondervangen van bepaalde risico’s omtrent de integriteit van een dergelijk onderzoek, bijvoorbeeld het risico dat een undercoveragent zich bezighoudt met zelfverrijking of criminele activiteiten die verder gaan dan oorspronkelijk met een officier van justitie zijn afgesproken. Wellicht zag de advocaat geen heil in dit verweer en speelt hierbij mee dat in Nederland bij infiltratieacties nog een extra toets door de Centrale Toetsingscommissie van het Openbaar Ministerie plaatsvindt.

Doorlaatverbod?

De advocaat van de verdachte stelt verder geen verweer in met betrekking tot het doorlaatverbod uit 126ff Sv, wellicht omdat de schutznorm niet van toepassing is en het verweer waarschijnlijk geen voordeel voor de verdachte oplevert (zie bijvoorbeeld HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9915). De politie en openbaar ministerie mogen in principe geen drugs doorlaten op de markt en moeten tot inbeslagname van de drugs overgaan, tenzij een zwaarwegend opsporingsbelang prevaleert en de Centrale Toetsingscommissie schriftelijk instemt. Uit nieuwsberichten (zoals deze uit Trouw) is af te leiden dat het openbaar ministerie zich heeft ingespannen pakketverzendingen met drugs tegen te houden. De vraag blijft bijvoorbeeld wel hoe dat in zijn werking ging met de levering van drugs vanuit andere landen. Het vonnis gaat hier verder niet op in.

Conclusie

Het bovenstaande in overweging nemende, kan worden geconcludeerd dat de digitale infiltratieactie op Hansa Market door de Nederlandse politie en het openbaar ministerie een klinkend succes is geweest. De infiltratieoperatie wordt rechtmatig verklaard en daar is in beginsel veel voor te zeggen.

Wel is de rechtbank summier in de motivering van de uitspraak, wordt geen verweer gevoerd met betrekking tot tal van andere bevoegdheden die vermoedelijk zijn ingezet en is het opvallend dat de advocaat niet is ingegaan op het doorlaatverbod. De Hansa-zaak laat de potentiële schaal en technische complexiteit van een dergelijke operatie zien en de lastige overwegingen die hierbij spelen, in het bijzonder met betrekking tot de proportionaliteit.

Ten slotte op deze plaats nog een persoonlijke observatie: het is opvallend dat tot nog toe zo weinig door andere juristen is geschreven over deze operatie. Het is bij uitstek een zaak met interessante juridische discussies (zie ook de opmerking van officier in deze video op 5:50 min). Zou het te technisch zijn voor de gemiddelde jurist of is de zaak simpelweg aan de aandacht ontsnapt? Het is interessant om te zien welke veroordelingen er mogelijk nog komen en welke online undercover operaties in de toekomst zullen volgen.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht – oktober 2019

Posted on 17/10/2019 op Oerlemansblog

Veroordeling voor infecteren van computers met malware

De rechtbank Rotterdam heeft op 10 september 2019 uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2019:7259) gedaan over een malwarezaak. Veroordelingen voor de verspreiding of vervaardiging van kwaadaardige software (malware) komen relatief weinig voor, wellicht omdat de daders zich vaak in het buitenland bevinden. Het vonnis is interessant vanwege het feitencomplex en de technische details die worden vermeld.

De rechtbank Rotterdam veroordeelt de verdachte voor computervredebreuk (artikel 138ab Sr), oplichting (artikel 326 Sr), identiteitsfraude (artikel 231b Sr) en het voorhanden hebben van de malware (technisch hulpmiddel) en toegangscodes voor het plegen van computervredebreuk (artikel 139d lid 2 sub a Sr). De verdachte krijgt een straf opgelegd van twee jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

De verdachte heeft op grote schaal computers met malware geïnfecteerd, waardoor het mogelijk werd de computers ‘over te nemen’ en o.a. inloggegevens (gebruikersnamen en wachtwoorden) te verkrijgen. De verdachte maakte de infectie mogelijk door de slachtoffers te verleiding tot het klikken op een uitnodigende link op een website. Ook stuurde hij valse e-mails met daarin een link in naam van PostNL en Intrum Justitia. Bij het bezoeken van de website werden zeker tientallen computers met malware geïnfecteerd. De verdachte heeft vervolgens met overgenomen inloggevens ingelogd op de accounts van de slachtoffers om bijvoorbeeld bestellingen te plaatsen. Hij heeft ook toegang verkregen tot persoonlijke documenten, waaronder CV’s, kopieën paspoort en salarisspecificaties.  De verdachte heeft ook gegevens over de slachtoffers verkregen door een “simkaartwissel” aan te vragen, waarmee de voor het online overboeken vereiste TAN-codes werden ontvangen.

Op deze wijze werden ook ING en de betreffende telecomproviders opgelicht. De vorderingen van de banken van bijna 80.000 euro is door de rechtbank toegewezen. Het onderzoek is gaan lopen door aangifte van de ING, waarbij een verdacht IP-adres als bewijsmateriaal werd aangedragen. Via het Centraal Informatiepunt Onderzoeken Telecommunicatie (CIOT) is de tenaamstelling van het IP-adres achterhaald, wat leidde tot het adres waar ook de verdachte bleek te wonen. Bij de verdachte is een IP-tap gezet en digitaal onderzoek tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte uitgevoerd. Het vonnis vermeld dat daarbij is vastgesteld op welke wijze de verdachte de malware aanstuurde.

De verdediging stelde dat sprake was van een vormverzuim, omdat gebruik is gemaakt van informatie die afkomstig is uit een gelekte database. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat niet kan worden vastgesteld dat de ING de gegevens uit een gelekte database heeft verkregen of strafbare feiten heeft begaan. Daar komt nog bij dat de gegevens die ING met behulp van de uitgelekte database heeft weten te achterhalen, geen doorslaggevende rol hebben gespeeld bij het identificeren van de verdachte.

Handel in PayPal-accounts op het darkweb

De rechtbank Rotterdam heeft op 8 juli 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2019:6548) voor de handel in gehackte PayPal-accounts. Het delict in artikel 139d Sr werd bewezen geacht.

De verdachte kocht de inloggegevens van gehackte accounts via de site ‘blackpass’. Vervolgens bood hij diezelfde accounts te koop aan op verschillende handelsplatformen op het dark web. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij die gegevens na aankoop alleen nog naar het handelsplatform hoefde te kopiëren en dat de transacties daarna volledig geautomatiseerd werden afgehandeld door het handelsplatform. Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte meer dan 13.000 accounts heeft verkocht.

Mede vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn proceshouding wordt hem een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een taakstraf van 174 uur opgelegd.

Kaartlezer is geen technisch hulpmiddel

Het Hof Den Haag heeft op 9 september 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHDHA:2019:2426) tot 80 uur taakstraf voor computervredebreuk, oplichting (artikel 326 Sr) en het voorhanden tot het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel voor het plegen van computervredebreuk (artikel 139d lid 2 sub a Sr). De verdachte is zijn OV-chipkaart, een geautomatiseerd werk, binnengedrongen. Daarmee heeft hij vervolgens het saldo op OV-chipkaarten verhoogd tot nagenoeg het maximale bedrag dat bij een refund kon worden uitgekeerd. Daarmee heeft de verdachte oplichting en computervredebreuk gepleegd.

Het arrest is vooral interessant, omdat het hof oordeelt dat de kaartschrijver/kaartlezer waarmee het saldo kon worden verhoogd niet kan worden beschouwd als een technisch hulpmiddel in de zin van artikel 139d Sr. Het hof overweegt kortgezegd dat de kaartlezer een vrij verkrijgbaar elektronisch apparaat is, dat doorgaans wordt gebruikt voor het uitlezen en beschrijven van (onder meer) NFC chips. Niet blijkt uit de inrichting of de eigenschappen van de kaartschrijver/kaartlezer dat de producent heeft bedoeld een hulpmiddel te produceren dat hoofdzakelijk is ontworpen voor het begaan van de genoemde delicten. Evenmin blijkt dat de kaartschrijver/kaartlezer op enigerlei wijze voor dat doel is aangepast. Dit leidt tot het oordeel van het hof dat de kaartschrijver/kaartlezer – op zichzelf beschouwd – niet als technisch hulpmiddel in de zin van artikel 139d Sr kan worden aangemerkt.

De software waarmee OV-chipkaarten kunnen worden gemanipuleerd zijn wél te beschouwen als ‘technisch hulpmiddel’ in de zin van artikel 139d Sr. Het hof overweegt dat deze software immers specifiek is ontworpen om binnen te dringen in OV-chipkaarten, teneinde het saldo op OV-chipkaarten aan te kunnen passen en daarmee het plegen van computervredebreuk.

Veroordelingen voor kinderporno

Op 22 juli 2019 heeft de rechtbank Gelderland een ex-militair vrijgesproken (ECLI:NL:RBGEL:2019:3456) van het bezit van kinderpornografie. Na forensisch onderzoek werden 17 kinderpornografische afbeeldingen teruggevonden in de ‘Temporary Internet files’. De vier afbeeldingen uit de tenlastelegging werden gevonden in de ‘deleted files’. Deleted files zijn bestanden die zonder speciaal daartoe bestemde software niet meer eenvoudig door de gebruiker zijn te benaderen. Volgens vaste jurisprudentie kan ten aanzien van bestanden met kinderporno die aangemerkt zijn als ‘deleted’ dan ook niet het “bezit” in de zin van artikel 240b van het Wetboek van strafrecht worden aangenomen. Niet is gebleken dat verdachte beschikte over speciale software via welke de afbeeldingen voor hem toegankelijk waren.

De verdachte heeft op enig moment de bestanden op zijn computer gehad, maar ook op enig moment weer verwijderd. Uit de bewijsmiddelen kan echter niet worden herleid wanneer verdachte de afbeeldingen heeft gedownload, of wanneer hij deze heeft verwijderd. Dit leidt tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde afbeeldingen in de ten laste gelegde periode in zijn bezit heeft gehad. De militaire kamer heeft verdachte daarom vrijgesproken van het ten laste gelegde bezit, de verspreiding of het toegang verschaffen tot kinderpornografische afbeeldingen in de ten laste gelegde periode.

Op 10 september 2019 heeft de rechtbank Overijssel een 20-jarige man veroordeeld (ECLI:NL:RBOVE:2019:3214) tot twee jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging voor het seksueel misbruik van jonge meisjes en het maken, bezitten en verspreiden van kinderporno.

De verdachte heeft via het darkweb ‘een zeer omvangrijke hoeveelheid kinderporno’ verspreid. Daar komt nog bij dat verdachte zelf ook foto’s heeft vervaardigd en verspreid, waarmee hij een actieve rol heeft gespeeld bij het in standhouden van kinderpornografie. In lekentaal overweegt de rechtbank dat de verdachte “op zeer professionele wijze zich begaf op het internet en in de digitale wereld” (..) Hij heeft daarbij opgetreden als ‘admin/global/moderator/producer in de organisatiestructuur op het darkweb.’

In een hele droevige zaak is een (destijds) 13-jarige jongen veroordeeld voor 40 uur taakstraf (ECLI:NL:RBOVE:2019:3530) en een (destijds) 14-jarig meisje is veroordeeld (ECLI:NL:RBOVE:2019:3531) tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur voor het verspreiden van een naaktfoto van een 14-jarige jongen uit Enschede. Het slachtoffer had een naaktfoto verstuurd via Snapchat dat gekoppeld was aan het e-mailaccount van de verdachte. De foto werd via WhatsApp verstuurd naar de medeverdachte. Zij heeft vervolgens de foto van het slachtoffer op haar Instagramaccount gezet en hem daarbij getagd. Toen de foto bekend werd heeft het slachtoffer zelfmoord gepleegd door vanaf grote hoogte van een kamer in een flat af te springen.

De officier van justitie had besloten niet vervolgen voor ‘dood door schuld’, omdat uit het politieonderzoek was gebleken dat beide verdachten geen strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de dood van het [slachtoffer kon worden verweten. Vanwege het voorhanden hebben van een naaktfoto is door de officier van justitie besloten dat verdachte en de medeverdachte een voorwaardelijk sepot zouden krijgen en een onderhoud ten parkette. Door een klachtprocedure wegens het niet instellen van vervolging (de ‘artikel 12-procedure’ kwam het tot toch tot een strafzaak.

De verdachten zijn uiteindelijk veroordeeld voor het verspreiden van kinderporno (omdat het slachtoffer minderjarig is) en belediging omdat het slachtoffer in zijn eer en goede naam is aangetast. De verdachte verdient volgens de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf voor het delen van de foto. Bij de straftoemeting heeft de rechtbank er wel rekening mee gehouden dat de feiten hebben plaatsgevonden toen verdachte nog zeer jong was en hij de gevolgen niet goed heeft kunnen overzien.

Veroordeling voor het voor handen hebben van ‘jammers’

Het Hof Den Haag heeft op 25 augustus 2019 een verdachte vooroordeeld (ECLI:NL:GHDHA:2019:2385) voor het voorhanden hebben van ‘jammers’ (stoorzenders die telefoon- en internetverkeer plaatselijk onmogelijk maken). Aan één van de binnenwanden van de laadruimte van de bus waarin hennepafval werd vervoerd was een jammer bevestigd. In het dashboardkastje werd een identieke jammer gevonden. Dat is strafbaar op grond van artikel 350d jo 350c Sr. Er zijn hier niet zoveel uitspraken over, dus dat maakt de zaak interessant.

Het hof is ‘van oordeel dat jammers – die naar hun aard geen andere bestemming kennen dan het verstoren van telecommunicatie – in het criminele circuit worden gebruikt om ontdekking van criminele activiteiten te bemoeilijken. In dat licht bezien past het bij het door de verdachte vervoeren van het afval van een hennepkwekerij dat hij daarbij gebruik kon maken van jammers en dat die met dat doel zich in de door hem gebruikte bus bevonden.’ Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte geen verklaring gegeven die de feiten konden ontzenuwen. De verdachte krijgt een taakstraf van 40 uur opgelegd.

Zoekwoorden voor vergiftiging en ‘find my iphone’ & voorbedachte rade

Het Hof Amsterdam heeft op 12 juli 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:2497) voor het medeplegen van moord en wegmaken van het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Zoekwoorden op internet die zijn gevonden op de inbeslaggenomen tablet van de verdachte hebben (onder andere) geleid tot de bewezenverklaring van het vereiste ‘voorbedachte rade’.

De verdachte kreeg te maken met het slachtoffer wiens karakter door TIA’s was veranderd. Zij wilde onbezorgd haar verdere leven kunnen leiden en heeft – getuige haar zoekslagen op internet tussen 10 juni en 14 juli 2015 over dood door landbouwgif, nekslag en slaan – onderzocht hoe het slachtoffer van het leven kon worden beroofd. Daarna heeft de verdachte gezocht niet alleen gezocht naar methoden om iemand om het leven te brengen, maar bovendien aan haar zus gevraagd of zij iemand wist die tegen een beloning het slachtoffer van het leven kon beroven. Toen zij niemand konden vinden, hebben zij het slachtoffer door verstikking om het leven gebracht. De verdachte wordt veroordeeld tot 17,5 jaar gevangenisstraf.

Het Hof Amsterdam heeft daarnaast op 27 september 2019 ook een verdachte vooroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:3502) voor 16 jaar gevangenisstraf voor de moord op zijn vriendin door haar dood te schieten. De voorbedachte rade werd hier (onder andere) bewezen, omdat de inlogde op het Facebook-account van het slachtoffer en op de dag waarop zij om het leven werd gebracht haar iCloud-omgeving, waar hij  ‘find my iPhone’ en haar agenda gebruikte om te achterhalen waar het slachtoffer was. Het was bekend dat de verdachte dit deed, omdat hij was ingelogd op zijn Hotmailaccount.

Internetoplichting en gewoontewitwassen

De rechtbank Rotterdam heeft op 28 augustus 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2019:6965) voor 15 maanden gevangenisstraf (waarvan 5 voorwaardelijk), voor de oplichting van 414 personen. Hij heeft een webshop opgezet en zich als bonafide verkoper voorgedaan. De beloofde goederen zijn niet geleverd. Nu niet alle consumenten aangifte doen van internetfraude en van enige levering aan wie dan ook niet gebleken is, gaat de rechtbank er zonder meer van uit dat het gehele bedrag van € 200.400,01 ziet op door oplichting verkregen gelden.

In totaal is door de kopers meer dan 200.000 euro uit criminele herkomst gestort op twee bankrekeningen waarover verdachte de beschikking had. Door anderen is het geld steeds gepind. Ook heeft de verdachte geld van deze bankrekeningen doorgesluisd naar de medeverdachten. De gelden zijn, al dan niet na doorbetaling naar andere rekeningen, al dan niet met een versluierde omschrijving, grotendeels contant gemaakt. Door deze handelingen kon het delict witwassen worden bewezen.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht – december 2018

Posted on 14/12/2018 op Oerlemansblog

De Rechtbank Groningen en Den Haag en het parket Noord-Holland hebben in november en december 2018 een themazitting cybercrime gehouden. Daarop volgende ook enige media-aandacht.

Wat een goed initiatief! Door dit soort themazittingen krijgen rechters en andere betrokken organisaties in de strafrechtketen meer ervaring met cybercrime. Het laat ook zien dat cybercrime een veel voorkomende vorm van criminaliteit is, dat ook via het reguliere strafrecht moet worden aangepakt (zeker voor zover het gaat om gedigitaliseerde criminaliteit (cybercrime in brede zin)).

Hieronder volgt een overzicht van cybercrimezaken die in mij in de afgelopen maanden opgevallen. Daarbij geef ik dit keer ook speciaal aandacht aan de digitale bewijsvoering in deze zaken (voor zover relevant).

1.     Aankoop van semtex via AlphaBay

De Rechtbank Amsterdam heeft op 23 augustus 2018 een man veroordeeld voor het bezit van vuurwapens. De zaak is echter vooral interessant vanwege de verweren van de raadsman van de verdachte.

De advocaat voert in deze zaak ter verdediging aan dat sprake was van uitlokking, omdat het dossier sterke aanwijzingen bevat dat de FBI zelf actief heeft geprobeerd om (nep)semtex te verkopen en hiertoe afspraken met de verdachte heeft gemaakt. De rechtbank verwerpt het verweer en legt uit dat van uitlokking pas sprake is als de verdachte door het handelen van de FBI tot andere handelingen is gebracht dan die waarop zijn opzet al was gericht. Hiervoor zijn geen aanwijzingen in het dossier. Interessant is ook de overweging:

“Hoewel de rechtbank net als de verdediging best wil aannemen dat de FBI als pseudo-verkoper van de semtex heeft gefungeerd, is daarmee niet zonder meer aannemelijk dat de FBI de koper ‘[naam]’ heeft gebracht tot handelen waar zijn opzet niet reeds op was gericht. In de beperkte informatie die de FBI heeft doorgegeven staat immers vermeld dat het onderzoek ermee is gestart dat deze [naam] op AlphaBay een verzoek had geplaatst om onder meer semtex te kopen. Ook de overige informatie van de zijde van de FBI wijst niet op het wekken van de interesse van [naam] voor het kopen van semtex.”

Ook merkt de rechtbank nog op dat ‘is gesteld noch gebleken’, dat het openbaar ministerie enige rol had bij of invloed had op het handelen van de FBI. Het bewijs uit het buitenland mag daarom worden gebruikt in het strafproces.

De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van voorbereiding van moord, doodslag, diefstal met geweld of brandstichting, omdat niet met voldoende bepaaldheid is gebleken welk crimineel doel verdachte met dat pakketje voor ogen had. Voor het bewijs dat de ten laste gelegde voorwerpen ‘bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf’moeten namelijk ook de contouren van het (feitelijk) te plegen misdrijf blijken. In deze zaak ontbraken de contouren van het feitelijk te plegen misdrijf en kon dit niet door de officier van justitie worden aangetoond. De rechtbank verwijst hier naar het arrest HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179. De verdachte wordt tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld voor het illegale bezit van vuurwapens.

2.     Afdreiging na reactie op advertenties sekswebsites

De Rechtbank Amsterdam heeft op 12 november 2018 een aantal verdachten veroordeeld voor het medeplegen van afdreiging en gewoontewitwassen door misbruik van advertenties op sekswebsites.

De zaken in het onderzoek ‘13Malone’ richten zich tegen zeven verdachten. De verdachten pleegden afdreiging door mannen die reageerden op de door hen geplaatste advertenties te chanteren. Er is geen sprake van het delict ‘afdreiging’, om dat de verdachten niet voldoende concrete bedreigingen met geweld naar de slachtoffers hebben gestuurd.

De verdachte ging met zes medeverdachten als volgt te werk. De verdachten plaatsen een seksadvertentie op de websites speurders.nl, kinky.nl en sexjobs.nl. Nadat een slachtoffer heeft gereageerd op een seksadvertentie wordt met deze persoon contact gelegd door iemand die zich voordoet als een vrouw/prostituee. Er volgt een uitwisseling van seksueel getinte berichten en er wordt soms om een naaktfoto van het slachtoffer gevraagd waar zowel het hoofd als het geslachtsdeel van de man op staat. Intussen worden er – vermoedelijk aan de hand van het telefoonnummer van het slachtoffer via Facebook – namen van het slachtoffer en personen uit zijn omgeving achterhaald.

Dan veranderen de verdachten de berichten van toon en komt ‘de pooier’ aan het woord. Het slachtoffer moet geld betalen om bekendmaking van zijn ‘schaamtevolle’ gedrag aan de met naam genoemde personen uit zijn omgeving te voorkomen. De slachtoffers ‘moeten er van leren dit niet meer te doen’. De slachtoffers moeten vervolgens geld overmaken naar een bankrekeningnummer waarbij vaak dezelfde tenaamstelling wordt genoemd. Het geld moet door het slachtoffer snel worden overgemaakt en er moet een screenshot als bewijs van de betaling worden verzonden. Het bedrag dat op de rekening wordt gestort wordt daarna snel in cash opgenomen. De verdachten hebben de ontvangen bedragen daarmee ook witgewassen. Een aantal verdachten zijn slechts veroordeeld voor het witwassen, omdat hun betrokkenheid bij de afdreiging niet kon worden bewezen. Als slachtoffers hebben betaald, worden zij gedwongen steeds opnieuw te betalen. De bedreigingen houden overigens uiteindelijk op als de slachtoffers niet betalen of daarmee stoppen.

Interessant is ook dat de rechtbank opmerkt dat er vanwege de lage aangiftebereidheid van het delict waarschijnlijk veel meer zaken spelen, waar deze modus operandi van de criminelen wordt gebruikt. Op de mobiele telefoon van één van de verdachten stonden 4780 seksgerelateerde berichten uit de periode van 1 tot 11 december 2016. Dat vormt volgens de rechtbank mogelijk een aanwijzing voor de daadwerkelijke omvang van de criminele praktijken van de verdachten. Ook stonden honderden verdachte transacties op de bankrekeningen van de verdachten van in totaal ruim € 56.000, waarvan slechts een klein deel aan de acht aangevers is te linken. De rechtbank beschouwt de acht beschikbare aangiftes als één feitencomplex. In onderlinge samenhang bezien, blijkt uit de bewijsmiddelen dat er diverse dwarsverbanden zijn als het gaat om gebruikte IP-adressen, gebruikersaccounts, telefoonnummers en bankrekeningen. Die onderlinge verwevenheid vormt één feitencomplex. Daarbij wordt in de zaken weliswaar een wisselende combinatie gebruikt van telefoonnummers, e-mailadressen, de bankrekeningnummers van verdachten en/of IP-adressen, maar vindt de afdreiging veelal in dezelfde bewoordingen plaats.

Met betrekking tot de bewijsvoering is relevant dat de politie onderzoek heeft gedaan bij de exploitant van de site Kinky.nl. De website-exploitant heeft in de eigen systemen gezocht op de gebruikte telefoonnummers en bankrekeningnummers in verschillende combinaties. Bij navraag blijkt dat op de rekeningen van de verdachten meer dan 10.000 euro aan verdachte transacties is te vinden. De verdachte transacties zijn betalingen waarbij de betaler geen bekende relatie heeft met de houder van de bankrekening. Verder is hierbij relevant de frequentie van de bijschrijvingen op de betreffende rekening en de omschrijving die daarbij staat vermeld. Uit onderzoek bij de exploitant van sexjobs.nl heeft de politie twee IP-adressen kunnen afleiding die op naam van de verdachten staan.

Tijdens een huiszoeking zijn de mobiele telefoons van de verdachte in beslag genomen. Op deze telefoons stond het (veelzeggende bewijsmateriaal) van ‘een groot aantal voor verdachten belastende berichten, seksadvertenties, screenshots van bankoverschrijvingen en (naakt)foto’s’. Op de telefoon van een andere verdachte zijn screenshots aangetroffen van diverse profielen en de contactenlijsten van deze profielen afkomstig van Facebook. Verder is gebleken dat meerdere van de telefoonnummers gebruikt zijn in de telefoons van de medeverdachten. Op de telefoon van één van de verdachten zijn onder andere de gebruikersaccounts voor de websites kinky.nl en sexjobs.nl aangetroffen.

De verdachte in de ondergenoemde zaak is minderjarig en wordt veroordeeld tot 300 dagen jeugddetentie (waarvan 233 voorwaardelijk). Ook krijgt hij een taakstraf van 200 uur opgelegd en moet hij een schadevergoeding betalen.

3.     Sextortion van minderjarige meisjes

Het Hof Den Haag heeft op 1 november 2018 arrest gewezen in een sextortion-zaak. Door middel van een bekende modus operandi deed de online zedendelinquent zich voor als een scout van een modellenbureau. De verdachte zocht via sociale media contact met de meisjes, met de vraag of zij foto’s wilde sturen. Als bevestiging dat zij benaderd waren door het modellenbureau), werd er een e-mail gestuurd met een e-mailadres van het modellenbureau.

De meisjes hebben van zichzelf foto’s verstuurd naar een de verdachte die gebruik maakte van het pseudoniem ‘Manisha’, waarbij sommige meisjes ook naaktfoto’s versturden. De verdachte eiste meer naakfoto’s van de slachtoffer onder dreiging van het publiceren (‘exposen’) van de naakfoto’s via een instagramaccount. Ook dwong hij sommige slachtoffers de app ‘Snapchat’ te installeren op hun mobiele telefoons. Via Snapchat zijn normaliter foto’s en video’s na enkele seconden niet meer zichtbaar. Diverse aangeefsters dachten daardoor ook dat zij bij verzending van foto’s weinig risico op verdere verspreiding liepen. De verdachte gebruikte echter een specifieke applicatie (‘Mobizen’) waarmee hij deze foto’s en video’s wel direct vanaf het scherm van zijn smartphone kon opslaan. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers van de verdachte is tevens een grote hoeveelheid kinderporno gevonden.

De verdachte is veroordeeld tot 250 dagen jeugddetentie en een bijzondere maatregel met controle door jeugdreclassering, onder meer wegens het bezit van kinderporno, oplichting, en afpersing.

De zaak is in het bijzonder ook interessant vanwege de uitgebreide digitale bewijsvoering. De politie heeft op 2 juni 2016 een e-mail gestuurd aan één van de vermelde e-mailadressen in de aangifte van sextortion naar ‘Manisha’. Of de politie de e-mail onder dekmantel heeft gestuurd en een bijzondere opsporingsbevoegdheid heeft ingezet blijft onduidelijk door de summiere informatie die hierover wordt verschaft. Nadat de verdachte de e-mail heeft geopend, werd het IP-adres van de verdachte zichtbaar voor de opsporingsambtenaren. Het IP-adres kon worden gekoppeld aan het woonadres van de verdachte. Hetzelfde IP-adres heeft de verdachte gebruikt bij het aanmaken van het Instagramaccount van ‘Manisha’ ook toe aan het woonadres van de verdachte. Bovendien behoorde het telefoonnummer dat bij het aanmaken van het Instagramaccount is opgegeven tevens toe aan de verdachte. Het telefoonnummer behoorde toe aan de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte, waarmee is ingelogd op het instagramaccount.

Uit het onderzoek naar de inbeslaggenomen telefoon is gebleken dat mailapplicatie geconfigureerd was voor de eigenaar van het modellenbureau. Daaruit blijkt dat de verdachte over de mailaccounts van het modellenbureau kon beschikken en uit naam daarvan e-mails on uitsturen. Enkele naaktfoto’s en snapchatberichten met de slachtoffers zijn tevens op de inbeslaggenomen mobiele telefoon gevonden. Ten slotte blijkt uit digitaal onderzoek naar de internetgeschiedenis dat de verdachte meerdere sites bezocht en zoektermen gebruikt die te relateren zijn aan het modellenbureau en de scouts van het modellenbureau.

4.     Oplichting via Whatsapp

De Consumentenbond en Fraudehelpdesk waarschuwen voor een toename van fraude via Whatsapp. Daarbij doen de oplichter zich voor als de zoon of dochter van een slachtoffer met het verzoek om geld over te maken. Dit doen zij vaak op geraffineerde wijze, waarbij eerst via een app weten een ‘nieuw telefoonnummer’ te hebben, compleet met profielfoto van de persoon van wie ze de identiteit gebruiken. Deze foto hebben ze van social media gehaald, evenals informatie over familierelaties en hoe mensen elkaar aanspreken. Vervolgens vragen ze om een betaling voor een openstaande rekening.

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 4 oktober 2018 twee verdachten voor oplichting met een vergelijkbare werkwijze veroordeeld. De verdachten hebben zich op WhatsApp voorgedaan als iemand anders. De 19-jarige man zocht begin dit jaar via de berichtendienst contact met een 85-jarige man. De verdachte deed zich voor als de dochter van het slachtoffer en vroeg hem om in totaal ruim 2.300 euro over te maken. Het slachtoffer dacht echt met zijn dochter te appen. De 21-jarige Utrechter heeft zich op een soortgelijke manier schuldig gemaakt aan oplichting. Hij stuurde in september 2017 een WhatsApp-bericht naar een 71-jarige vrouw en deed zich voor als haar dochter. In het gesprek vroeg hij meerdere keren aan het slachtoffer om geld over te maken. In totaal heeft de vrouw ruim drieduizend euro overgemaakt.

De 21-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De 19-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarnaast moeten ze ongeveer 10000 euro aan schade vergoeden.

5.     Klonen van modems VodafoneZiggo

De Rechtbank Rotterdam heeft op 11 oktober 2018 een aantal verdachte veroordeeld die in georganiseerd verband de modems van Vodafone Ziggo hebben gekloond. In het onderzoek ‘26Cicero’ is de verdenking gerezen dat in Nederland in georganiseerd verband op illegale wijze (met gebruikmaking van speciaal daartoe ontwikkelde software) modems van betalende klanten van Ziggo werden uitgelezen en gekloond. Het onderzoek ving aan naar aanleiding van informatie van de Canadese politie. De unieke modemgegevens van honderden betalende klanten van Ziggo zijn met behulp van malware gekopieerd en geplaatst op andere modems. Tegen betaling van een eenmalig bedrag van zo’n € 150,- konden de afnemers van de gekloonde modems gratis internetten zolang de betalende klant wiens modem was gekloond een abonnement had.

De verdachte kloonde de modems en installeerde die bij zijn afnemers. De modems kocht hij in bij een medeverdachte die bij Ziggo werkte. Een andere medeverdachte, die via een onderaannemer in dienst was bij Ziggo, installeerde de gekloonde modems als de Ziggo-straatkast moest worden geopend om de internetverbinding mogelijk te maken.

De rechtbank overweegt dat het gevaarlijk is dat gekloonde modems ook kunnen worden gebruikt om kwaadaardige aanvallen op bedrijven uit te voeren of om persoonlijke informatie van derden te achterhalen. De veiligheid en integriteit van de infrastructuur kan daarmee ernstig in gevaar komen. De geschetste potentiële gevaren hebben zich in deze zaak niet voorgedaan. Wel heeft de verdachte hinder en schade veroorzaakt voor met name Ziggo en heeft hij door het witwassen van zo’n € 20.000,- volgens de rechtbank de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast.

De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde computervredebreuk, het voorhanden hebben malware, gewoontewitwassen en listiglijk gebruik maken van een telecommunicatiedienst (326c Sr). Wel volgt vrijspraak voor het medeplegen van vervaardigen van malware, nu niet kan worden bewezen dat verdachte als medepleger een bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de ‘1337suite’. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden opleggen, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tevens moet de verdachte een taakstraf uitvoeren van 180 uur. De straf was aanzienlijk lager dan de eis van de officier van justitie.