Cybercrime jurisprudentieoverzicht mei 2025

Bron: Afbeelding is AI gegenereerd door WordPress met de (automatische) prompt: “Create a highly detailed and sharp-focused image for a blog post on the role of Dutch authorities in the SkyECC operation, emphasizing the themes of cybercrime and judicial proceedings. The image should feature a digital courtroom setting with a silhouette of a judge, legal documents scattered on a modern desk, and high-tech surveillance elements in the background. Illuminate the scene with soft, dramatic lighting to enhance the seriousness of the subject, reflecting a blend of technology and law. Ensure the image is in high resolution to capture intricate details, making it suitable for a featured blog post.”

Deze blog is ook te beluisteren als podcast (gegenereerd met Notebook LM van Google, voor het eerst in het Nederlands, best wel goed!):

Rol Nederlandse autoriteiten in de SkyECC-operatie

De rechtbank Noord-Holland heeft op 4 april 2025 een uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2025:4038) gepubliceerd naar aanleiding van een regiezitting over het horen van getuigen en de verstrekking van stukken in het kader van SkyECC. In dit bericht worden kort de overwegingen ten aanzien van nieuwe informatie over de rol van Nederlandse opsporingsautoriteiten met betrekking tot de SkyECC-operatie genoemd, in verband met het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Onjuist voorgelicht over de SkyECC-hack?

De raadsman heeft in essentie aangevoerd dat het openbaar ministerie de rechtbanken, hoven en Hoge Raad de afgelopen jaren onjuist heeft voorgelicht over de aanloop naar de SkyECC-hack. Het openbaar ministerie zou de rol van Amerika en Canada bij het voorbereidende onderzoek bewust niet hebben vermeld. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat Nederland de interceptietool, de ontsleutelmethode en het uitleesprogramma (ChatX) heeft ontwikkeld, de plaatsing daarvan heeft geïnitieerd en Nederlandse opsporingsambtenaren de inbeslagname van de twee servers hebben verricht en gefaciliteerd. Ook zou Nederland een leidende rol hebben gehad bij de hack, waardoor niet langer kan worden volgehouden dat er slechts sprake was van technische bijstand aan Frankrijk. Er lijkt ook sprake te zijn van onregelmatigheden nu bijvoorbeeld een EOB niet is ondertekend. Dit alles brengt mee dat het vertrouwensbeginsel doorbroken moet worden en dat de rechtmatigheid van het onderzoek naar en de hack van SkyECC in volle omvang getoetst kan worden door de verdediging, aldus de raadsman.

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) volgt dat het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. De beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, worden gerespecteerd en er wordt uitgegaan van rechtmatige uitvoering. Dit is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk vaststaat dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht.

De situatie kan zich voordoen dat buiten Nederland onderzoekshandelingen worden verricht onder verantwoordelijkheid van Nederlandse autoriteiten. Op grond van artikel 539a lid 1 Sv kunnen Nederlandse opsporingsambtenaren de hun bij de Nederlandse wet toegekende opsporingsbevoegdheden ook in het buitenland uitoefenen. In die situatie is artikel 359a Sv van toepassing op vormverzuimen die zich eventueel voordoen met betrekking tot de toepassing van de bevoegdheden die hen op grond van het Nederlandse recht toekomen. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ligt bij de Nederlandse autoriteiten (i) als onder gezag van de (Nederlandse) officier van justitie in het buitenland, overeenkomstig artikel 539a Sv, door Nederlandse opsporingsambtenaren toepassing wordt gegeven aan de hun bij de Nederlandse wet toegekende opsporingsbevoegdheden, of (ii) als er een zo nauwe samenwerking bestaat tussen Nederlandse en buitenlandse autoriteiten bij de opsporing, dat het gezag daarover feitelijk volledig of in overwegende mate toekomt aan de (Nederlandse) officier van justitie.

Het merendeel van het betoog van de raadsman komt erop neer dat de Nederlandse politie een zo grote rol heeft gespeeld bij de hack van SkyECC en de daaruit volgende gegevensverzameling, dat sprake is van een situatie waarin de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het onderzoek in Frankrijk (mede) bij de Nederlandse autoriteiten is komen te liggen. Om die reden zou getoetst moeten kunnen worden of zich bij dat onderzoek vormverzuimen hebben voorgedaan. De raadsman heeft ter onderbouwing aangevoerd dat de Nederlandse politie dan wel (andere) Nederlandse IT-specialisten de interceptietool, de ontsleutelmethode en het uitleesprogramma (ChatX) hebben ontwikkeld en betrokken zijn geweest bij de inbeslagname van de servers. Dit betreft echter geen situaties zoals genoemd onder (i) en (ii). De rechtbank ziet hierin dan ook geen grond om de onderzoekswensen, die betrekking hebben op de aanloop naar en de uitvoering van het onderzoek in Frankrijk naar SkyECC, toe te wijzen. Hetgeen is aangevoerd over mogelijke (undercover)operaties door de Verenigde Staten en Canada naar bij het bedrijf SkyECC betrokken personen, maakt dit niet anders, nu het verband tussen dergelijke operaties en de verwerving van de data van SkyECC uit Frankrijk niet duidelijk is geworden.

Bewijsmiddelen en Exclu-berichten

Deze uitspraak (ECLI:NL:RBOBR:2025:1621) van de rechtbank Oost-Brabant is interessant in verband met de gedetailleerde bewijsoverwegingen ten aanzien van Exclu-berichten en andere bewijsbronnen.

Een Exclu-account was gekoppeld aan een zogenaamd CSN-nummer bestaande uit vijf cijfers. Aan dit CSN-nummer was bovendien een bijnaam gekoppeld. Binnen onderzoek 26Lytham konden, met toestemming van de rechter-commissaris, chatgesprekken tussen gebruikers van Exclu worden meegelezen wanneer deze woorden bevatten die voorkwamen op vooraf vastgestelde woordenlijsten. Vervolgens werd geprobeerd de gebruiker van het CSN-nummer te identificeren.

Op grond van de ontsleutelde Exclu-berichten en de inzet van een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden in onderzoek 26Lytham, zijn personen als mogelijke verdachten geïdentificeerd. Na analyse van de beschikbare Exclu-berichten werd bevestiging gevonden voor het vermoeden dat anderen zich bezig hielden met onder meer de handel in verdovende middelen.

Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen cryptoberichten (Exclu). Volgens de verdediging wordt de lat van het wettelijk vereiste bewijsminimum niet gehaald door enkel gebruik te maken van deze berichten, omdat er geen andere bewijsmiddelen beschikbaar zijn, zoals chats, tapgesprekken of NFI-rapporten, waarmee daadwerkelijk kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van (de handel of het bezit van) een onder lijst I van de Opiumwet ressorterende substantie, in dit geval cocaïne.

Eén bewijsbron of meerdere?

De rechtbank overweegt dat de in het procesdossier opgenomen Exclu-berichten te beschouwen zijn als andere geschriften in de zin van artikel 344, eerste lid, sub 5, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Op grond van dit wetsartikel kunnen dergelijke geschriften alleen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Eén (ander) bewijsmiddel kan volstaan en dat bewijsmiddel mag ook weer een ander geschrift zijn. Aan het verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen worden geen zware eisen gesteld, in die zin dat het verband niet uitdrukkelijk door de rechter hoeft te worden aangegeven. Dit betekent dat (in dit geval) een Exclu-bericht steun kan vinden in een ander Exclu-bericht (volgens het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:474 en de conclusie van de AG van 7 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:163).

Op basis van de in de chatberichten gebruikte termen, de soms bijgevoegde foto’s waarop de drugs pontificaal in beeld staan, het besproken (in- en verkoop)proces, de afgeschermde werkwijze (met versleutelde berichten, verborgen identiteiten door het gebruik van chat-ID’s) en de (door de verdachte en de medeverdachten besproken) hoogte van de met de aan- en verkoop van de middelen gemoeide geldbedragen, is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de berichten daadwerkelijk over verdovende middelen zijn gegaan en dat deze verdovende middelen daadwerkelijk zijn ontvangen dan wel (af)geleverd. Ook zijn diverse telefoons in beslag genomen waarop gegevens zijn aangetroffen, waaruit is gebleken dat de gebruiker van dit toestel bezig is geweest met de handel in hoeveelheden cocaïne. Het ging daarbij om berichten uit de Signal-app, notities op een telefoon, berichten en foto’s uit een Exclu-applicatie en berichten met de app ‘Threema’.

De verdachte wordt schuldig bevonden aan witwassen, het bezit van vuurwapens en opnieuw witwassen en wordt veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een langdurige gevangenisstraf niet alleen voor de verdachte ernstige gevolgen heeft, maar ook (en misschien wel vooral) voor zijn gezin, ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden die de verdachte en zijn raadsman in dat verband naar voren hebben gebracht onvoldoende aanleiding om hier in strafmatigende zin rekening mee te houden.

EncroChat en verweer zendmastgegevens i.v.m. Prokuratuur

De rechtbank Amsterdam heeft op 27 januari 2025 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2025:538) voor vijf jaar gevangenisstraf vanwege drugshandel en deelname aan een criminele organisatie. De uitspraak is relevant door de rol van digitale bewijsmiddelen, met name de discussie over zendmastgegevens.

Het bewijs in deze zaak bestaat voornamelijk uit chatberichten die zijn verstuurd en ontvangen via Encrochat en SkyECC. Om te bepalen of de verdachte de gebruiker was van de hem toegeschreven accounts, onderzocht de rechtbank ook andere bewijsmiddelen. Opvallend was daarbij een camera in de kluis van een garagebox, waarin twee bigshoppers met 29 blokken cocaïne en 34 losse blokken cocaïne werden aangetroffen. De camera bevatte een simkaart die op 5 april 2020 om 01:30 uur werd geactiveerd via een Lebara-account met een gekoppeld e-mailadres. Betalingen voor dit account geschiedden via PayPal, waarbij twee verschillende IP-adressen werden gebruikt. Deze IP-adressen waren ook gebruikt bij het bestellen van maaltijden via Thuisbezorgd.nl naar adressen in Eindhoven, waar ook de verdachte verbleef. Bovendien was de applicatie middels het Apple ID van de verdachte geïnstalleerd op de iPhone 12 die bij zijn aanhouding bij hem werd aangetroffen. De rechtbank linkt voor elke verdachte bewijs uit verschillende bronnen – chatberichten, camerabeelden en ‘reisbewegingen’ (o.a. van locatiegegevens uit zendmasten) – om de accounts aan de persoon te koppelen.

De raadvrouw voert het verweer dat de zendmastgegevens op grond van artikel 359a Sv moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze zijn verkregen zonder dat een rechter daarvoor vooraf toestemming heeft gegeven. Zij verwijst daarbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 maart 2021 (ECLI:EU:C:2021:152, hierna: het Prokuratuur-arrest). De rechtbank merkt op dat de raadsvrouw niet concreet heeft benoemd op welke zendmastgegevens haar verweer betrekking heeft. Voor zover het verweer ziet op de zendmastgegevens van de telefoontoestellen die zijn gekoppeld aan het Encrochat-account en het Sky-ID, stelt de rechtbank vast dat deze afkomstig zijn uit de metadata die zijn verkregen in de EncroChat en SkyECC-operatie en dat deze informatie door de officieren van justitie overeenkomstig artikel 126dd Sv is overgedragen aan het onderzoek Velp. Daarom is ten aanzien van deze zendmastgegevens geen sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zaak van verdachte.

Voor zover het verweer ziet op de zendmastgegevens van de telefoon van de verdachte, stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie op 25 januari 2021 op grond van artikel 126n Sv de historische verkeersgegevens van dit telefoonnummer heeft gevorderd. Gelet op het Prokuratuur-arrest had voorafgaand aan de toepassing van deze bevoegdheid een rechterlijke toetsing moeten plaatsvinden. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Dit levert een vormverzuim op dat moet worden beoordeeld op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv. Bij die beoordeling stelt de rechtbank voorop dat uit het dossier niet blijkt deze gegevens zijn gebruikt om de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten te onderbouwen. Het is dus niet gebleken dat de verdachte door het verzuim in zijn verdediging is geschaad en daarmee dat sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. Gelet op bovenstaande is evenmin gebleken dat een inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, zoals beschermd in artikel 8 EVRM, en dat dit verzuim daadwerkelijk nadeel voor verdachte heeft veroorzaakt. Daarom is de rechtbank – in overeenstemming met de jurisprudentie op dit punt – van oordeel dat kan worden volstaan met een constatering van het vormverzuim zonder daaraan een rechtsgevolg te verbinden.

Ten aanzien van het opzet van de verdachten op het deelnemen aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van harddrugsmisdrijven, weegt de rechtbank mee dat de deelnemers van de organisatie met elkaar communiceerden via versleutelde berichten waarin werd gesproken over ophalen/wegbrengen van (tassen vol) geld, prijzen rond de €27.000, blokken, stuks, spul, poeder, mixen, en waarin foto’s werden gedeeld van rechthoekige witte blokken. Ook wijst de rechtbank op het heimelijke karakter van de gedragingen binnen de organisatie. Zo werden bij de overdracht van geld en/of blokken de rijroutes door middel van voorverkenningen gecontroleerd op de aanwezigheid van (grens)politie, werden de goederen vervoerd in voertuigen met verborgen ruimtes, vond verificatie van de koper/verkoper plaats door middel van tokens en er werden uniformen van postbezorgers gedragen als dekmantel.

Aangezien alle verdachten aan gesprekken over de handel deelnamen en/of bij de overdrachten betrokken waren, achtte de rechtbank bewezen dat zij in zijn algemeenheid wisten dat de organisatie het invoeren, vervoeren, verkopen, verstrekken en aanwezig hebben van cocaïne als oogmerk had.

Hoge Raad wijst wederom arrest n.a.v. van een politiemol-zaak

Op 1 april 2025 heeft de Hoge Raad opnieuw een arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2025:501) in een politiemol-zaak. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof Den Haag van 4 april 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:2968) niet onbegrijpelijk dat de verdachte is binnengedrongen in de servers van de politie voor privédoeleinden en daarmee meermalen computervredebreuk pleegde. De Hoge Raad herhaalde daarbij relevante overwegingen uit eerdere arresten (HR:2013:BY9718 en HR:2011:BN9287) over het begrip ‘geautomatiseerd werk’ in relatie tot artikel 80sexies Sr (oud).

Door de verdachte werden de bevragingen uitgevoerd voor privédoeleinden die geen enkele link hadden met zijn functie als politieman. Door informatie te raadplegen waarvoor hij uitsluitend toegang had in verband met zijn werk, overschreed de verdachte de grenzen van de verleende autorisatie om politiesystemen te gebruiken. Hij wist dat de bevragingen niet plaatsvonden in het kader van een politieonderzoek. Bovendien verschijnt bij het starten of inloggen op het systeem een melding die aangeeft dat het alleen mag worden gebruikt met een gegronde reden en/of noodzaak. Het desondanks uitvoeren van de bevragingen betekent dat hij wederrechtelijk binnengedrongen is in een geautomatiseerd werk, gebruikmakend van zijn systeemautorisatie – te beschouwen als een valse sleutel.

De verdediging betoogde dat er geen sprake was van een ‘server’ zoals tenlastegelegd. Naar het oordeel van het hof kan een server deel uitmaken van een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Blijkens de bewijsvoering heeft het hof vastgesteld dat de verdachte, door in te loggen met het aan hem als politieambtenaar verstrekte account, zich de toegang heeft verschaft tot de politiesystemen en de politiewerkomgeving. In die digitale werkomgeving heeft de verdachte vervolgens personen, voertuigen (kentekens) en/of adressen bevraagd, waarna hij de verkregen gegevens heeft geëxporteerd en geprint. Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte “in één of meer geautomatiseerde werken, namelijk in één of meer servers van de politie” is binnengedrongen getuigt – in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld – niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Anders dan in de toelichting op het cassatiemiddel is betoogd, doet daaraan niet af dat het hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over de precieze manier waarop een concreet aangeduide server door de verdachte is binnengedrongen. Naar het hof kennelijk in aanmerking heeft genomen brengt het inloggen in, en raadplegen van, een digitale werkomgeving of digitaal systeem als hier aan de orde, met zich dat toegang wordt verworven tot één of meer servers die deze werkomgeving of dat systeem in stand houden en daarmee – al dan niet in verbinding met andere apparaten – bestemd zijn om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen.

Veroordeling voor opruiing in een Telegramgroep

De rechtbank Rotterdam heeft op 17 maart 2025 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2025:3483) voor opruiing tot een terroristisch misdrijf.

Openbare Telegramgroep?

Voor het delict opruiing is vereist dat iemand opzettelijk aanzet tot strafbare feiten en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, waarbij deze uitlating in het openbaar wordt gedaan. De rechtbank overweegt dat ‘het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waarop de teksten zijn weergegeven’. Bij de beoordeling of opruiing op een online forum in het openbaar is geschied kan bijvoorbeeld acht worden geslagen op de hoeveelheid personen die de uitlatingen ontvangen, hoe wordt bepaald wie tot een online groep wordt toegelaten en of er toetredingsvoorwaarden zijn, of de leden van de online groep elkaar kennen en welke verwachtingen bestaan met betrekking tot de vertrouwelijkheid van uitlatingen op het forum (met verwijzing naar hof Den Haag 13 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2207)

De rechtbank stelt vast dat een medeverdachte op 4 januari 2024 de Telegramgroep heeft opgericht. De verdachte werd vanaf 11 juni 2024 lid van deze groep en deed vervolgens diverse uitlatingen. Een link naar de Telegramgroep werd openbaar gedeeld, waardoor nieuwe leden zich konden aanmelden.

De rechtbank overweegt dat de Telegramgroep een openbare status had, gelet op (1) het relatief eenvoudige toetredingsproces, (2) de willekeurige en openbare werving van leden, (3) het kennelijk ontbreken van afspraken omtrent vertrouwelijkheid van de gedeelde berichten en (4) de omvang van de groep ten tijde van de berichten van de verdachte. Daarmee waren ook de berichten die in de groep zijn gedeeld openbaar. Het feit dat de Telegramgroep op 3 juli 2024 kennelijk op besloten is gezet, doet daar niet aan af.

Opruiing tot een terroristisch misdrijf

De rechtbank stelt vast dat de Telegramgroep een trainingsgroep was voor witte mensen die zich voorbereiden op een rassenoorlog tegen ‘niet-witte’ mensen. De berichten en afbeeldingen die door de verdachten en andere deelnemers in de Telegramgroep zijn gedeeld, bevatten vele racistische en rechts-extremistische elementen, waaronder verheerlijking van Nazi-Duitsland, Hitler, hakenkruizen en de term ‘1488’. Het nummer 14 verwijst naar de 14 woorden van David Lane (‘we must secure the existence of our people and a future for white children’) en 88 staat voor ‘Heil Hitler’.

Hieruit leidt de rechtbank af dat het doel van de Telegramgroep was om tot een rassenoorlog te komen en op die wijze ‘het witte ras’ te redden. Daarbij wordt opgeroepen tot geweld tegen ‘niet-witte’ mensen, wat neerkomt op oproeping tot strafbare feiten als mishandeling en openlijke geweldpleging. Deze oproeping heeft ook een terroristisch oogmerk, omdat daarmee een deel van de bevolking, namelijk iedereen met een niet-Europese etnische afkomst, vrees wordt aangejaagd (vergelijk artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht).

De andere in de tenlastelegging genoemde berichten en afbeeldingen die in de Telegramgroep zijn geplaatst, zijn op zichzelf niet allemaal als opruiend te beschouwen. Bezien in onderlinge samenhang kunnen alle uitlatingen echter worden aangemerkt als opruiend tot het plegen van een terroristisch misdrijf.

Gelet op vorenstaande gedragingen van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing tot een terroristisch misdrijf. De rechtbank plaatst deze berichten in het kader van het accelerationisme, een rechtsextremistische ideologie die via sociale mediaplatformen wordt verspreid om terroristisch geweld te verheerlijken en een rassenoorlog te ontketenen, met als doel chaos te creëren en een witte (nationaalsocialistische) etnostaat te vestigen.

Gezien de ernst van de feiten legt de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf op voor 191 dagen (met 30 dagen voorwaardelijk). De verdachte wordt in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht en krijgt een proeftijd van drie jaar met bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod, meldplicht, ambulante behandelverplichting, opname in een instelling voor begeleid wonen, een social media verbod en reclasseringstoezicht.

Sociale mediaverbod

Onder het sociale mediaverbod valt het volgende (onder 6):

“het wordt de veroordeelde verboden gebruik te (laten) maken van social media zoals X (voorheen Twitter), Instagram, Facebook, Telegram. Het wordt hem tevens verboden om video’s dan wel vlogs, dan wel op een andere manier informatie te plaatsen op mediaplatforms zoals YouTube, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht”

De veroordeelde moet meewerken aan controles van gegevensdragers en versterkt daarbij de gebruikersnamen en wachtwoorden die nodig zijn voor deze controle. De controle strekt er niet toe de inhoud van die communicatie in te zien zonder zijn toestemming. De controle vindt plaats zo frequent als door de reclassering nodig wordt geacht met een maximum van drie keer per jaar.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht maart 2025

Bron: afbeelding gegenereerd met Dall-E (prompt: A realistic digital illustration depicting bank helpdesk fraud and crypto scams via social media influencers)

Fraude door middel van crypto-investeringen

De cybercrimekamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 januari 2025 vijf mannen veroordeeld voor onder andere verschillende vormen van online oplichting, computervredebreuk en witwassen. De rechtbank legde celstraffen op variërend van 8 tot 36 maanden. Daarnaast moeten de mannen gezamenlijk meer dan 600.000 euro aan schadevergoedingen betalen. Bovendien is hen een betalingsverplichting van ruim driehonderdduizend euro aan de Staat opgelegd, als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zie ook het persbericht, Celstraffen en schadevergoedingen voor cybercriminaliteit.

In een uitspraak van 30 januari 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:499) veroordeelde de rechtbank Zeeland-West-Brabant bijvoorbeeld één van de verdachten voor oplichting door middel van crypto-investeringen. De werkwijze van de verdachten was als volgt.

De slachtoffers werden gebeld door iemand die zich voordeed als een bankmedewerker en hen wees op een verdachte transactie of een ander probleem met hun rekening. In meerdere gevallen werden de slachtoffers overtuigd om geldbedragen van hun spaarrekening over te boeken naar hun lopende rekening, waarna deze bedragen werden doorgestort naar een zogenaamde “kluisrekening” of “depositorekening”. In werkelijkheid betrof dit een rekening op naam van een katvanger (‘money mule’).

Deze money mules kwamen via een promotiefilmpje van een ‘influencer’ op Snapchat in contact met verschillende Snapchataccounts. In deze zaak was de verdachte verantwoordelijk voor deze accounts. In het promotiefilmpje werd geïnteresseerden gevraagd hun bankrekening beschikbaar te stellen. Wie hierop inging, kwam in gesprek met de gebruiker van de betreffende Snapchataccounts. De potentiële money mule kreeg vervolgens een ‘pitch’ te zien waarin werd beloofd dat hij of zij 25 tot 40% zou ontvangen van het bedrag dat naar zijn of haar rekening werd overgemaakt. In werkelijkheid kregen velen helemaal niets en verloren zij zelfs hun eigen spaargeld. Vervolgens kreeg een loopjongen of ‘pinner’ de beschikking over de pinpas en inloggegevens van de money mule. In korte tijd werden grote geldbedragen gepind en goederen aangeschaft.

De verdachte is veroordeeld voor het witwassen van ruim € 500.000. De rechtbank past daarbij het volwassenstrafrecht toe op de verdachte. Zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de jeugdreclassering adviseerden toepassing van het sanctierecht voor volwassenen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte gedurende langere tijd een groot aantal strafbare feiten heeft gepleegd. Daarnaast heeft hij, direct na een eerdere veroordeling door de rechtbank Den Haag, opnieuw soortgelijke delicten begaan. Volgens de rechtbank wijst dit op een “pro-criminele levenshouding”. De verdachte lijkt bovendien niet open te staan voor pedagogische beïnvloeding en is al eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. De verdachte wordt daarop veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en moet verschillende schadevergoedingen betalen.

Principiële overwegingen n.a.v. het arrest Landeck

Op 22 januari 2025 veroordeelde het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:66) een verdachte voor het aanschaffen van ongeveer 1.885 zogeheten ‘bots’ op Genesis Market, voor diefstal en voor het voorhanden hebben van gegevens die bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten. Zie dit blogbericht over de veroordelingen naar aanleiding van operatie ‘CookieMonster’ en de ontmanteling van Genesis Market.

De principiële overwegingen van het gerechtshof over het onderzoek van een smartphone zonder toestemming van de rechter-commissaris zijn met name interessant, mede in het licht van het Landeck-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) (ECLI:EU:C:2024:830). De verdediging voerde aan dat de smartphone (een iPhone XS) van de verdachte in beslag was genomen en volledig (geautomatiseerd) werd uitgelezen.

Het hof stelt met de verdediging vast dat inderdaad sprake was van een uitvoerig en intensief onderzoek van de telefoon. Dit onderzoek omvatte onder meer:

  • Het bekijken van foto’s, waaruit onder andere informatie over het gezinsleven van de verdachte naar voren kwam.
  • Het lezen van notities van de verdachte, waaronder informatie over zijn ernstig zieke moeder.
  • Het in kaart brengen van e-mailadressen en het koppelen van telefoonnummers aan andere informatie.
  • Het bekijken van chatgesprekken.
  • Het vinden van een boardingpass met reisgegevens.
  • Het analyseren van de internetgeschiedenis.
  • Het bekijken en integraal opnemen in het dossier van een notitie met de titel ‘my life’, waarin privacygevoelige informatie stond over het gezinsleven en medische gegevens van de verdachte.

Hierdoor konden zeer nauwkeurige conclusies over het privéleven van de verdachte worden getrokken, wat volgens het hof neerkomt op een zeer ernstige inmenging in zijn fundamentele rechten. Het hof stelt tevens met de verdediging vast dat voor dit onderzoek geen machtiging is aangevraagd bij de rechter-commissaris; in het dossier wordt slechts vermeld dat het onderzoek plaatsvond ‘met toestemming van de officier van justitie’.

Het hof stelt voorop dat uit de zogeheten Smartphone-arresten (HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, ECLI:NL:HR:2017:588 en ECLI:NL:HR:2017:592) volgt dat voor het verrichten van onderzoek aan gegevens van een in beslag genomen geautomatiseerd werk of digitale gegevensdrager een getrapte bevoegdheidstoedeling geldt. Dit betekent dat:

  • Een opsporingsambtenaar onderzoek mag verrichten indien op voorhand te voorzien is dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt zal zijn.
  • De officier van justitie (door of namens deze) onderzoek mag verrichten indien op voorhand te voorzien is dat sprake zal zijn van een meer dan beperkte inbreuk.
  • De rechter-commissaris (door of namens deze) toestemming moet geven indien op voorhand te voorzien is dat de inbreuk zeer ingrijpend zal zijn.

Waar het hof eerder (in het arrest van 20 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2538) nog overwoog dat dit beoordelingskader in voldoende mate tegemoetkwam aan de door het HvJ EU verlangde waarborgen bij onderzoek aan gegevens, moet, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, de vraag worden beantwoord of dat na het arrest van het HvJ EU in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830) nog steeds het geval is.

Kort gezegd, luidt het antwoord dat in dit geval toestemming van de rechter-commissaris noodzakelijk was voor het onderzoek aan de telefoon. Omdat die toestemming ontbrak, is sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv.

Bij de beoordeling of aan deze schending een rechtsgevolg moet worden verbonden, moet het hof overwegen of: (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel van de schending had ondervonden, (b) dit nadeel was veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt was voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering, in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim, gerechtvaardigd was.

Het hof concludeerde dat als de rechter-commissaris om toestemming was gevraagd, hij deze zonder nadere beperkingen had kunnen verlenen. De verdachte was door het vormverzuim dus niet in een nadeliger positie geraakt. Daarom oordeelde het hof dat bewijsuitsluiting, noch strafvermindering, een gerechtvaardigd rechtsgevolg is. Daarom volstaat het hof met de constatering van het vormverzuim.

Rol van Nederlandse opsporingsinstanties in het Exclu-onderzoek

In een tussentijdse beslissing in hoger beroep (ECLI:NL:GHDHA:2025:274) van 21 januari 2025 verduidelijkt het gerechtshof Den Haag de rol van de Nederlandse opsporingsinstanties in het Exclu-onderzoek. Daarnaast bevat de uitspraak interessante overwegingen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Het hof overweegt ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel het volgende. Beslissingen van rechters van de aangezochte autoriteit (Duitsland) hebben betrekking op de rechtmatigheid van de Duitse tenuitvoerlegging van het door Nederland uitgevaardigde Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB). De Nederlandse strafrechter komt daarover in beginsel geen oordeel toe (HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 6.16.3). Van belang is ook dat volgens de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat Nederlandse opsporingsambtenaren aanwezig mochten zijn bij de uitvoering van een onderzoekshandeling door een buitenlandse autoriteit, of dat zij technische assistentie verleenden, niet betekent dat de betreffende onderzoekshandelingen onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse opsporingsautoriteiten hebben plaatsgevonden (HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 6.18). Evenmin kan uit het feit dat vanuit Nederland onderzoekshandelingen met grensoverschrijdende invloed zijn verricht (zoals het binnendringen in een zich in het buitenland bevindend geautomatiseerd werk), worden afgeleid dat deze handelingen onder Nederlandse verantwoordelijkheid vielen (HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192).

De verdediging heeft betoogd dat Nederland verantwoordelijk is voor de in de onderzoeken 26Samber en 26Lytham verrichte onderzoekshandelingen. Volgens de raadsman heeft Nederland niet slechts EOB’s uitgevaardigd, maar ook zelfstandig onderzoekshandelingen in Duitsland uitgevoerd.

Het hof overweegt hierover dat uit de bewoordingen van het EOB, inzake de machtiging ex artikel 126uba Sv van de rechter-commissaris van 26 augustus 2022, volgt dat aan de Duitse autoriteiten is verzocht om Nederlandse opsporingsambtenaren toestemming te verlenen om vanaf Nederlands grondgebied binnen te dringen in een zich in Duitsland bevindende Exclu-berichtenserver. Tevens is verzocht om technische bijstand te mogen verlenen bij de plaatsing en monitoring van het interceptiemiddel. Daarnaast staat in het EOB vermeld dat de ontsleuteling van de Exclu-berichten in Nederland zal plaatsvinden. Het hof constateert op basis van het dossier dat de Nederlandse politie (team DIGIT) de in het Exclu-communicatieprotocol toegepaste versleuteling heeft geanalyseerd en ongedaan heeft gemaakt. Zoals door de advocaat-generaal ter terechtzitting is bevestigd, had Nederland een ‘leidende rol’ over dit onderdeel van de Exclu-operatie. Daaruit blijkt van een vergaande vorm van technische bijstand door Nederland met betrekking tot de voor de ontsleuteling van de Exclu-berichten benodigde onderzoekshandelingen.

De advocaat-generaal heeft uitdrukkelijk erkend dat Nederlandse opsporingsambtenaren in het Exclu-onderzoek zelfstandig opsporingshandelingen hebben verricht. Hij heeft hun rol zelfs als ‘leidend’ bestempeld. Het dossier bevat een grote hoeveelheid stukken, waaronder vorderingen tot machtiging ex artikel 126uba Sv, beslissingen van de rechter-commissaris, bevelen van de officier van justitie, EOB’s en processen-verbaal van politie, waarin gedetailleerd wordt omschreven welke onderzoekshandelingen zijn verricht. Het gerechtshof overweegt daarop dat de onderzoekshandelingen onder de verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten hebben plaatsgevonden. Het hof acht het vertrouwensbeginsel ook in deze omstandigheden onverkort van toepassing.

De verdediging heeft verzocht om specificering van het onderzoek dat de Nederlandse autoriteiten op Duits grondgebied hebben uitgevoerd. Het hof is van oordeel dat uit het algemeen proces-verbaal 26Lytham voldoende duidelijk blijkt welke onderzoekshandelingen zijn verricht. Tegen deze achtergrond acht het hof het verzoek van de verdediging onvoldoende specifiek en wijst het af. Wel wordt het verzoek tot verstrekking van alle EOB’s in het kader van dit onderzoek toegewezen. Bijna alle andere verzoeken worden verder afgewezen, met uitzondering van een proces-verbaal van het Team High Tech Crime en een observatieverslag. Na de verstrekking van deze stukken zal de strafzaak verder gaan.

Medeplegen van cybercriminaliteit door hosting provider

Op 21 februari 2025 heeft de rechtbank Rotterdam een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2025:2488) voor medeplichtigheid en medeplegen van computervredebreuk via een hostingprovider. Volgens de rechtbank heeft de verdachte met zijn dienstverlening een Mirai-botnetinfrastructuur gefaciliteerd, waarmee cybercriminelen onder meer DDoS-aanvallen konden uitvoeren. Daarnaast zijn via de servers van de verdachte ten minste drie geautomatiseerde werken wederrechtelijk binnengedrongen, al zijn er aanwijzingen dat dit in werkelijkheid op grotere schaal heeft plaatsgevonden.

Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was de verdachte, samen met zijn medeverdachte, aandeelhouder en bestuurder van een hostingbedrijf. De servers van [medeverdachte rechtspersoon] bevonden zich in een datacentrum in Amsterdam en werden verhuurd aan klanten. Op 1 en 18 april 2019 ontving de politie van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) meldingen dat de hostingprovider mogelijk via het aan hen toebehorende IP-block een Mirai-afgeleide DDoS-botnetinfrastructuur faciliteerde, en dat er vanaf dit IP-block meer dan 30.000 DDoS-aanvallen waren uitgevoerd. Het Mirai-computervirus infecteert computers en maakt deze onderdeel van een botnet.

De rechtbank stelt vast dat de hostingprovider sinds 31 januari 2018 verantwoordelijk was voor dit IP-block (bestaande uit 256 IP-adressen). Uit onderzoek blijkt dat tussen 5 juni 2018 en 25 juli 2019 bij URLHaus (een organisatie die abusemeldingen verzamelt en openbaar maakt) 3.772 meldingen over dit IP-block zijn ingediend. Van de 2.740 malware-samples die konden worden veiliggesteld, zijn 2.372 geclassificeerd als Mirai. Verder blijkt dat 61 van de 256 IP-adressen in het IP-block in de periode van 10 februari 2018 tot 11 september 2019 Mirai-gerelateerd waren. The Spamhaus Project (een organisatie vergelijkbaar met URLHaus) classificeerde het IP-block als malafide. Bovendien zijn vanaf verschillende IP-adressen binnen het IP-block Mirai-aanvallen en een ransomware-aanval uitgevoerd, waarbij wederrechtelijk is binnengedrongen in geautomatiseerde werken. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat via de door [medeverdachte rechtspersoon] ter beschikking gestelde servers en IP-adressen een Mirai-botnet is gehost (feit 2) en computervredebreuk is gepleegd (feit 1).

Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de verdachte en zijn medeverdachten medeplichtig waren aan deze strafbare feiten. Voor medeplichtigheid moet niet alleen worden bewezen dat de verdachten opzet hadden op het ter beschikking stellen van de desbetreffende servers en IP-adressen, maar ook dat hun opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) gericht was op de door de daders gepleegde gronddelicten: het hacken en het hosten/verspreiden van het Mirai-botnet.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachten op de hoogte waren van de geldende gedragscode, maar zich hier niet aan hebben gehouden. Uit verklaringen blijkt dat zij wisten dat misbruik werd gemaakt van hun servers. Zo ontving een NAS-server tussen 18 maart en 1 oktober 2019 in totaal 8.012 e-mails, waarvan 138 betrekking hadden op ‘Mirai’ en gerelateerd waren aan het IP-block. Dagelijks kwamen meldingen over Mirai binnen. De rechtbank oordeelt dat de verdachten onvoldoende actie hebben ondernomen om dit misbruik te bestrijden.

Daarnaast blijkt uit onderzoek naar de klanten van [medeverdachte rechtspersoon] dat zij diensten konden afnemen zonder authentieke contactgegevens te verstrekken. Klanten gebruikten bijvoorbeeld e-mailadressen die te relateren zijn aan cybercriminaliteit, betaalden anoniem via bitcoins en gaven niet-bestaande adressen op, zoals ‘420 Hacktown’. Ook blijkt uit de communicatie tussen de verdachten en hun klanten dat malafide klanten bewust werden toegelaten. Zo geven reacties op klanttickets aan dat [medeverdachte rechtspersoon] ‘DDoS’ en ‘spoofing’ toestaat zolang dit geen problemen oplevert, en dat ‘botnets’ en ‘bins’ toegestaan zijn mits ze verborgen blijven. In sommige gevallen werd klanten zelfs uitgelegd hoe ‘malware binaries’ het beste konden worden verborgen. Toen een pseudokoper van de politie op 12 september 2019 vroeg of er gecontroleerd werd op abuse-rapporten, luidde het antwoord dat dit niet gebeurde.

Gelet op deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachten bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hun servers en IP-adressen gebruikt zouden worden voor het verspreiden van een Mirai-botnet en voor computervredebreuk. De rechtbank acht de verdachte in deze zaak schuldig aan medeplegen en medeplichtigheid aan computervredebreuk door het beschikbaar stellen van de daarvoor benodigde middelen.

De verdachte in de onderhavige had een kleinere rol dan zijn medeverdachte. Hoewel een gevangenisstraf passend wordt geacht, houdt de rechtbank rekening met persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop. Daarom wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden opgelegd, een taakstraf van 180 uur, met een proeftijd van twee jaar. De medeverdachte, die binnen het bedrijf verantwoordelijk was voor sales en klantencontacten en volgens de rechtbank een grotere rol speelde, krijgt een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opgelegd (zie ECLI:NL:RBROT:2025:2492).

Cybercrime jurisprudentieoverzicht januari 2025

Bron: dit is met AI een door WordPress gegenereerde afbeelding met als thema “digitale opsporing”

(JJO: en LOL om het mondkapje)

Geen sprake van een vormverzuim bij toegang tot Whatsappgroep

Op donderdag 7 november 2024 werd in de Johan Cruijff ArenA in Amsterdam een voetbalwedstrijd gespeeld tussen Ajax en Maccabi Tel Aviv FC uit Israël. Zowel voorafgaand aan als na afloop van die wedstrijd zijn er rond de ArenA en in de binnenstad van Amsterdam ongeregeldheden ontstaan. Die ongeregeldheden hebben in binnen- en buitenland veel ophef veroorzaakt, zoals is te lezen in deze reconstructie in NRC.

Ook ontstond de vraag of de politie al dan niet mag meekijken met gesprekken in Whatsappgroepen waar je alleen via een link toegang toe krijgt, voordat sprake is van een verdenking en de mededeling dat het ministerie van Justitie en Veiligheid dit beter wil regelen (zie bijvoorbeeld dit artikel in de Volkskrant). Hier heb ik zelf ook in een artikel van NRC commentaar op gegeven en gewezen op onduidelijkheden over verantwoordelijkheden en of hier nu sprake is van inlichtingenonderzoek of een opsporingsonderzoek.

Strafzaak

Ondertussen acht de rechtbank Amsterdam deze werkwijze van de politie rechtmatig (ECLI:NL:RBAMS:2024:8177) en stelt dat er geen vormverzuim heeft plaatsgevonden bij het veiligstellen van berichten uit een Whatsappgroep dat alleen via een link toegankelijk is. Ook staan er interessante overwegingen in over de gepleegde strafbare feiten. Daarom besteed in de rubriek uitgebreid aandacht aan deze uitspraak.

Vormverzuim?

De verdediging stelt dat zich een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan. Voor de deelname van de politie in de WhatsAppgroep ‘Buurthuis 2’ zou artikel 3 van de Politiewet 2012 onvoldoende grondslag bieden. (Deze Whatsappgroep wordt overigens in de samenvatting bij naam genoemd en door onverklaarbare redenen later in de uitspraak geanonimiseerd.) Volgens de verdediging moet de door de infiltratie verkregen data worden uitgesloten van het bewijs. Verdachte moet daarom integraal worden vrijgesproken. 

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van een vormverzuim geen sprake is, omdat de verbalisanten op grond van artikel 3 Politiewet bevoegd waren om deel te nemen aan de WhatsAppgroep. Op het moment dat er bij de politie signalen binnenkwamen over de wedstrijd tussen Ajax en Maccabi Tel Aviv, waren er nog geen verdenkingen van strafbare feiten. De verbalisanten hebben aan de groep deelgenomen met het doel om de openbare orde te bewaken. Van infiltratie was geen sprake. De verbalisanten hebben passief meegelezen en zij hebben slechts een beperkt aantal uren toegang gehad tot de WhatsAppgroep. Bovendien was de appgroep een openbare groep met bijna duizend mensen, die gebruik maakten van een nickname. Er werd dan ook geen volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven verkregen. Het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om de verbalisanten als getuigen te horen moet worden afgewezen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim en overweegt daartoe als volgt. In dit dossier zijn virtueel agenten ingezet. Dit zijn politiemedewerkers die op het internet informatie verzamelen, terwijl ze niet kenbaar zijn als politieagent. De politiemedewerkers werkten op basis van de algemene taakstelling van artikel 3 Politiewet en hebben daarvoor toestemming gekregen van de informatie-officier van justitie. De officier van justitie heeft tijdens de zitting toegelicht dat deze medewerkers in het kader van de handhaving van de openbare orde hebben gehandeld. De dag ervoor was onrust ontstaan in de stad en de voetbalwedstrijd werd gezien als risicovol in het kader van het handhaven van de openbare orde. Op basis van artikel 3 Politiewet mag, gelet op artikel 8 EVRM, in principe slechts een niet meer dan beperkte inbreuk op de privacy van burgers worden gemaakt.

In de uitleg van de Hoge Raad: er mag niet een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene worden verkregen (de rechtbank verwijst daarbij naar: HR 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:80)

Anders dan de verdediging heeft betoogd maar niet verder heeft onderbouwd, heeft de deelname van de verbalisanten in de WhatsAppgroep er niet toe geleid dat een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van leven van verdachte is verkregen. De rechtbank overweegt daartoe dat een WhatsAppgroep was met meer dan 900 deelnemers; een brede en betrekkelijk willekeurige kring van deelnemers. De verbalisanten hebben gedurende een korte tijdsperiode deelgenomen aan de groep, namelijk tussen 09:52 uur (7 november 2024) en 11:23 uur (8 november 2024). Van infiltratie als bedoeld in artikel 126h Sv was dan ook geen sprake. Er is daarom slechts sprake van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, zodat artikel 3 van de Politiewet een toereikende wettelijke grondslag bood voor het handelen van de verbalisanten. De rechtbank vindt dat hiermee niet in strijd met artikel 8 en 11 van het EVRM is gehandeld.

De rechtbank benadrukt dat voor de handelwijze van de virtueel agenten een verdenking van een strafbaar feit niet nodig was. De rechtbank komt tot de conclusie dat geen sprake is van een vormverzuim en het verweer wordt verworpen.

Strafbare feiten

In de uitspraak staan nog een aantal andere interessante overwegingen. De verbalisant heeft de berichten in de groep kunnen ‘monitoren’ en lezen door op een link te klikken en daarmee toegang te krijgen tot een Whatsappsgroep op 7 november 2024. De verbalisant heeft de gesprekken in de groep veiliggesteld. Op het moment van veiligstellen waren 966 deelnemers aan de groep toegevoegd.

De inhoud van de berichten speelde een rol in het bewijs en de verdachten in de strafzaak heeft op zitting verklaard zijn telefoonnummer en gebruikersnaam gekoppeld kunnen worden aan een deel van de berichten. Het gaat dan om berichten zoals de volgende:

In ‘[appgroep 1]’ zijn bijvoorbeeld de volgende berichten verstuurd:

Op 7 november 2024:

TijdstipAfzenderBericht
11:26 uur‘.’Ik zie 3 stuks lopen hier met die sjaal ah Spuistraat
11:27 uur‘ [afzender 1] ’Spuug op ze
11:26 uur‘ [afzender 2] ’Steen op ze hood
11: 26 uur[gebruikersnaam]Knal ze neer

(..)

(..)

03:03 uur[gebruikersnaam]Klappen gegeven en ze tellie afgepakt
03:03 uur[afzender 6]Bouchansss
03:03 uur‘.’soldaat

(..)

De verdachte in de onderhavige zaak wordt veroordeeld voor art. 141a Sr: “Hij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen van geweld tegen personen of goederen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”

Artikel 141a Sr is ingevoerd om te kunnen optreden tegen groepen (voetbal)vandalen die elkaar opzoeken voor een gewelddadig treffen, zonder dat daartegen effectief kan worden opgetreden, aangezien dergelijk treffen vaak kort van tevoren wordt afgesproken. Daarmee zou een doeltreffende aanpak van in het bijzonder voetbalvandalisme worden belemmerd. De rechtbank overweegt dat onder de bestanddelen ‘gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen’, in ieder geval verstaan het via digitale communicatie bij elkaar oproepen tot een ontmoeting op een bepaalde plaats en tijd en het opzettelijk voorhanden hebben van voorwerpen. Aannemelijk is dat met de bestanddelen gelegenheid, middelen of inlichtingen aansluiting wordt gezocht bij artikel 48 Sr (medeplichtigheid), zij het dat het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen er niet primair toe strekt om te bewegen tot het plegen van geweld. Het gaat erom dat met het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen iemand op het kwade pad kan worden gebracht. Op grond van de inhoud van de berichten en de context waarin deze berichten zijn verstuurd, zoals hierboven weergegeven, stelt de rechtbank vast dat verdachte in de appgroep opzettelijk inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van geweld tegen personen van Joodse komaf en/of aanhangers van Maccabi Tel Aviv. Verdachte heeft door op de hiervoor beschreven wijze deel te nemen aan de WhatsAppgroep nauw en bewust samengewerkt met andere deelnemers in die groep. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Groepsbelediging

Ook wordt het groepsbelediging (art. 137c lid 1 Sr) door de rechtbank bewezen geacht. De rechtbank stelt op grond van de in paragraaf 5.3.1 genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte in de WhatsAppgroep ‘ [appgroep 1] ’ de berichten “Insha allah zijn er doden gevallen bij de Jode”“Laffe kk joden” en “Deze kans krijg ik miss nooit meer. Om kk joden te slaan jerusalem” heeft verstuurd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze uitlatingen, mede gezien de context waarin deze zijn gedaan, beledigend voor een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst.

Uitlating in het openbaar?

Voor bewezenverklaring van groepsbelediging als bedoeld in artikel 137c Sr moet verder vast komen te staan dat de beledigende uitlatingen in het openbaar zijn gedaan. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:952) volgt dat de volgende omstandigheden van belang zijn bij de vraag of sprake is van openbaarheid:

  1. de omvang van de kring van personen tegenover wie de uitlating is gedaan;
  2. de functie of hoedanigheid van degene tegenover wie de uitlating is gedaan;
  3. het ontbreken van voorafgaande betrokkenheid van degene tegenover wie de uitlating is gedaan bij degene die de uitlating doet;
  4. de mate waarin aan de uitlating door inhoud of vormgeving kenbaar een min of meer vertrouwelijk karakter moet worden ontzegd;
  5. de mate waarin de uitlating geëigend is om aan de inhoud daarvan bekendheid te geven buiten de kring van personen tot wie de uitlating rechtstreeks is gericht;
  6. de mate waarin de uitlating door de wijze waarop zij is gedaan – mondeling, bij brief, per e-mail, door plaatsing op een voor anderen toegankelijke site of anderszins – vatbaar is voor kennisneming door anderen dan de rechtstreeks geadresseerde, en
  7. de kans dat de inhoud van de uitlating ter kennis komt van anderen dan degenen tot wie de uitlating rechtstreeks is gericht.

De rechtbank overweegt dat verdachte de uitlatingen heeft gedaan in de WhatsAppgroep ‘Buurthuis 2’. Dit betrof een WhatsAppgroep waar men makkelijk aan kon deelnemen: door simpelweg op een link te klikken werd toegang tot de groep verleend en deze link werd kennelijk rondgestuurd in andere WhatsAppgroepen. De Whatsappgroep bestond op het moment van veiligstellen uit 966 deelnemers. Verdachte heeft zich in deze groep tegenover willekeurige personen geuit die hij niet kende. Deze uitlatingen zijn choquerend en van vertrouwelijkheid was geen sprake.

Gezien het aantal deelnemers in de Whatsappgroep was de kans dat de uitlatingen ter kennis kwamen van anderen dan de personen in de groep, aanzienlijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de uitlatingen van verdachte in het openbaar zijn gedaan.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien weken (en zijn iPhone wordt verbeurd verklaard).

Ontmanteling Matrix cryptocommunicatiedienst en strafzaken

Op 3 december 2024 hebben de Nederlandse en Franse autoriteiten de cryptocommunicatiedienst ‘MATRIX’ tijdens ‘Operation Passion Flower’ ontmanteld (zie ook deze blog). Deze dienst wordt door de politie gezien als de als de opvolger van voorgangers als ANOM, Sky ECC en EncroChat. In het persbericht staat dat ruim 2,3 miljoen berichten zijn onderschept. Deze berichten worden gebruikt in strafzaken.

Moord op Peter R. de Vries

Eerder kwam de politie de cryptocommunicatiedienst ook al tegen in opsporingsonderzoeken. Zo speelde cryptocommunicatiedienst speelde bijvoorbeeld een rol in de moord op Peter R. De Vries. In haar uitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2024:3272) van 12 juni 2024 overweegt de rechtbank Amsterdam bijvoorbeeld dat in de auto van de verdachte een Google Pixel telefoon werd aangetroffen, met de ‘Matrix chatapplicatie’ en het NFI die telefoon heeft ontsleuteld.

De telefoons werden aan de verdachten gekoppeld en speelden een belangrijke rol in de lokalisering van de verdachten dat zeer uitvoering in de uitspraak wordt beschreven. Daarbij zijn ook verkeersgegevens en zendmastgegevens van de telefoons van verdachten opgevraagd. De inhoud van de berichten en foto’s die zijn verstuurd, in combinatie met verkeersgegevens en ander bewijs, droegen ook bij aan het bewijs tegen de verdachten. Zo beschrijft de rechtbank de inhoud van een bericht over ‘het wapen naar huis brengen en de auto achterlaten’ en dat de verdachte om 18:58 uur het bericht stuurt hij dat een medeverdachte ‘niet met het wapen mag spelen’.

Later zal in het vonnis stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte K.W.] op 5 juli 2021, samen met [medeverdachte K.E.] , omstreeks 18:49 uur wapens heeft opgehaald in Alphen aan den Rijn. En dat met één van die wapens, een omgebouwd gas- en alarmpistool van het merk Zoraki, Peter R. de Vries is neergeschoten. Later in dit vonnis zal de rechtbank vaststellen dat ook op dit wapen DNA van [medeverdachte K.W.] is aangetroffen.

Ook camerabeelden en beelden van ANPR-camera’s spelen een bewijsrol in de zaak. Over dat laatste ontstond nog wat consternatie, omdat de inzittenden op de ANPR-beelden te zien waren, terwijl dit niet de bedoeling is. Zie ook het NRC-artikel ‘Kentekencamera’s scanden ook gezichten van automobilisten. De gezichten van automobilisten zijn zonder wettelijke basis gebruikt voor opsporing.’

Moord in de Dominicaanse Republiek

De rechtbank Overijssel overweegt in een andere uitspraak van 16 juli 2024 (ECLI:NL:RBOVE:2024:3798) over een moord in de Dominicaanse Republiek dat de verdachte van (het medeplegen van poging van de) de moord in verbinding met de opdrachtgevers via Google Pixel telefoons, met daarop klaarblijkelijk MATRIX-applicaties. Ook de overige leden van de criminele organisatie kregen deze telefoons door de organisatie verstrekt. De verdachte zorgde ervoor dat zijn “soldaten” ook zo’n telefoon kregen. Ze communiceerden met elkaar door te chatten via MATRIX-accounts.

De verdachte werd onder andere geïdentificeerd door informatie verkregen uit een doorzoeking van zijn woning. Hierbij werd een Google Pixel-telefoon in beslag genomen, waarmee werd gecommuniceerd via MATRIX-apps. Uit deze telefoon bleek dat de verdachte betrokken was bij diverse strafbare feiten, zoals het voorbereiden en (mede)plegen van een aanslag, evenals het bezit en de overdracht van wapens.

Foto’s gemaakt met de telefoon van de verdachte en een medeverdachte toonden bijvoorbeeld verschillende wapens, waarvan een aantal later daadwerkelijk werd aangetroffen op locaties die aan de verdachte en zijn medeverdachten verbonden waren. Uit de communicatie blijkt dat hij medeverdachten instrueerde en logistieke ondersteuning bood, zoals het regelen van tickets naar de Dominicaanse Republiek en het verstrekken van middelen zoals wapens.

De rechtbank overweegt dat als een opdracht is uitgevoerd dat moet worden bewezen door het tonen van foto’s, video’s of berichtgeving waarin het strafbare feit door de media wordt beschreven. Dit werd via de ‘makelaar’ aan de opdrachtgever gestuurd. Het lijkt erop dat alles voor de opdrachtgever werd vastgelegd ter controle van de makelaar en de soldaten. De verdachte heeft dit laatste ter zitting bevestigd.

Veroordeling n.a.v. de iSpoof operatie

Op 8 oktober 2024 veroordeelde de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2024:5743) een verdachte voor bankhelpdeskfraude met behulp van de iSpoof applicatie. iSpoof is een spoofingdienst waarmee gebruikers eenvoudig hun eigen telefoonnummers verbergen en zogenaamd bellen namens een ander (zie ook deze blog over de operatie).

Om gebruik te kunnen maken van spoofing moet betaald worden aan iSpoof en worden de gesprekken via een bepaalde server gevoerd. De politie heeft de gesprekken die via deze applicatie werden gevoerd afgetapt. Deze gesprekken zijn vervolgens beluisterd en deze worden gebruikt in strafzaken, waaronder in de onderhavige zaak.

De rechtbank overweegt dat in dit geval het weergegeven telefoonnummer dat de persoon die gebeld wordt ziet, het zogenaamde Caller-ID, is geconfigureerd met behulp van een applicatie. Het is dus niet het werkelijke nummer van de beller, maar een gespooft nummer. De gespoofte nummers die de slachtoffers in deze zaak zagen lijken sterk op nummers die door banken worden gebruikt en werden daarom ook vertrouwd door de aangevers.

Modus-operandi bankhelpdeskfraude

De modus-operandi van de verdachte en anderen in de periode half februari 2023 tot half maart 2023 worden door de rechtbank in de volgende zes stappen omschreven:

  1. De daders weten de hand weten te leggen op persoonsgegevens van slachtoffers, zogenaamde leads. Zo beschikken de daders over namen, telefoonnummers en bankrekeningnummers (van één bank; in de onderhavige zaak de Triodos bank) van een groot aantal potentiële slachtoffers;
  2. Vervolgens belt één van de (veelal vrouwelijke) daders, de zogenaamde social engineer, het potentiële slachtoffer. Zij stelt zich voor onder een valse naam en zegt werkzaam te zijn op de fraudeafdeling van de, in deze zaak, Triodos Bank. In de onderhavige zaak werd meerdere malen de naam [A] gebruikt;
  3. De social engineer creëert al snel een penibele situatie door het slachtoffer voor te houden dat een groot bedrag van de bankrekening was geprobeerd te halen, dat de bank dit had weten te voorkomen en de bankpassen omgeruild moeten worden omdat die besmet zijn. Haast is geboden;
  4. De social engineer biedt een helpende hand en geeft aan dat het programma Anydesk (een externe desktopapplicatie) dient te worden gedownload om de rekening en de systemen van het slachtoffer op virussen te kunnen controleren. Hoewel de social engineer aangeeft dat dit een anti-virusscanner is, is dit in werkelijkheid een remote control applicatie waarmee de social engineer op afstand kan meekijken met wat het slachtoffer op zijn/haar scherm ziet en doet;
  5. De social engineer bemachtigd de pincodes en eventuele andere inloggegevens van de betaalpas(sen) en/of creditcard(s) van het slachtoffer door hem/haar de pincodes hetzij in te laten spreken, hetzij in te laten voeren op het scherm;
  6. De komst aan huis van een collega van de bank wordt aangekondigd. Deze meldt zich ook daadwerkelijk kort daarna aan de deur en identificeert met een alias en een controlenummer. Dit nummer heeft de social engineer aan het slachtoffer doorgegeven. Deze zogenaamde collega van de social engineer wordt (veelal) door de slachtoffers binnen gelaten. Aldaar worden de bankpassen doorgeknipt, waarbij de chip in stand gelaten wordt, waarna deze collega – met de passen – weer vertrekt. In enkele gevallen is ook een telefoon en/of tablet meegegeven voor controle op virussen. Doorgaans wordt in de uren na dit bezoek geld afgeschreven van de bankrekeningen van de slachtoffers. Naar later blijkt door pintransacties en aankopen.

De rechtbank concludeert dat de verdachte heeft zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude. Door middel van het handelen van de verdachte en de medeverdachten zijn op slinkse wijze de bankpas(sen) en/of creditcard(s), pincode(s), telefoons en tablets van de slachtoffers bemachtigd om daarmee geld van de bankrekeningen op te nemen. 

Straf

De verdachte wordt door de rechtbank schuldig bevonden aan het medeplegen van oplichting en witwassen, diefstal, valsheid in geschrifte en medeplegen van computervredebreuk. Zij krijgt 240 dagen jeugddetentie opgelegd, waarvan 235 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met oplegging van bijzondere voorwaarden (o.a. contactverbod met medeverdachte en behandeling bij De Waag) en een onvoorwaardelijke taakstraf van 200 uur in de vorm van een werkstraf. Ook moet de verdachte diverse schadevergoedingen aan benadeelde partijen betalen. De rechtbank heeft in de strafoplegging rekening gehouden met de positieve wending die de verdachte in haar leven heeft gemaakt en daar zelf een grote rol in heeft gespeeld.

Veroordeling voor het witwassen van meer van 10 miljoen euro n.a.v. de Exclu operatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 28 november 2024 een uitspraak (ECLI:NL:RBZWB:2024:8122) gedaan op basis van bewijs dat is verzameld tijdens de Exclu-operatie in 2022. Deze uitspraak is interessant vanwege de overwegingen omtrent de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek, het delict witwassen en het gebruik van cryptovaluta.

Het onderzoek ‘Grand Canyon’ was een deelonderzoek van onderzoek 26Lytham, dat tot doel had de identiteit te achterhalen van NN-gebruikers van het Exclu-platform. Berichtenverkeer tussen gebruikers van Exclu is onderschept en ontsleuteld. Omdat de server van Exclu zich op dat moment in Duitsland bevond, heeft voor de interceptie van de berichtenstroom en het verkrijgen van de sleutels een hack plaatsgevonden op de server. De Duitse politiële autoriteiten zijn daartoe overgaan, nadat Nederland hiertoe een verzoek heeft gedaan.

Rechtmatigheid onderzoek

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek rechtmatig was. De Nederlandse rechter-commissaris gaf machtigingen voor het aftappen en hacken, waarbij werd voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zo werden vooraf vastgestelde zoeksleutels gebruikt die wezen op zware georganiseerde criminaliteit. De rechter-commissaris heeft de geselecteerde informatie eerst gecontroleerd (op inhoud, omvang en relatie tot strafbare feiten) voordat verdere verspreiding onder het onderzoeksteam heeft kunnen plaatsvinden en de verlengingen van de machtigingen werden periodiek getoetst. Volgens de rechtbank kon de informatie niet op een andere, minder ingrijpende, wijze kon worden verkregen en gebruikt dan de gehanteerde manier.

Equality of arms

Bij de beoordeling van het beginsel ‘equality of arms’ stelde de rechtbank vast dat het procesdossier alle relevante stukken bevatte. De verdediging had toegang tot de dataset van het aan verdachte gekoppelde Exclu-account en beschikte de verdediging over de dataset van de aan het verdachte gekoppelde Exclu-account en kon zij het dossier controleren. Ook is de raadsman de toegang verschaft tot de gehele dataset van Exclu op het politiebureau. De rechtbank is van oordeel dat onderzoeksresultaten tijdig met de verdediging zijn gedeeld en zij daardoor voldoende mogelijkheden heeft gehad om het bewijs te bestuderen en te verifiëren.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank neemt in de onderhavige zaak meerdere bewijstukken in overweging. De rechtbank gebruikt voor het bewijs meerdere chatberichten die de verdachten op verschillende tijdstippen aan verschillende accounts hebben gestuurd en de reacties hierop. Naast de chatgesprekken zelf zijn er ook foto’s gestuurd. Het betreft bovendien niet alleen gesprekken via het Exclu-platform, maar ook via andere berichtenapps, zoals Whatsapp en Signal. Daarnaast bevinden zich in het dossier stukken over het forensisch onderzoek en overige bevindingen door verbalisanten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van meerdere bewijsmiddelen uit meerdere bronnen en wordt in zoverre aan het bewijsminimum voldaan.

Op basis van de in de chatberichten gebruikte termen, de bijgevoegde foto’s waarop de drugs en (pre-)precursoren pontificaal zijn afgebeeld, het besproken (productie)proces en de (door de verdachte) vermelde bedragen, is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de berichten daadwerkelijk over verdovende middelen en de daarvoor benodigde grondstoffen zijn gegaan.

Witwassen met cryptocurrencies

De verdachte wordt ook schuldig bevonden aan witwassen. Aan de verdachte worden twee cryptovaluta-accounts toegeschreven. De politie heeft alle transacties bestudeerd in de periode van 12 maart 2020 tot en met 3 februari 2023. Uit de berekening blijkt dat op het Binance-account en gezamenlijk in totaal in cryptovaluta is ontvangen:
– 10.073.734,94388 USDT;

– 15,95958 BTC;

– 2.335,43416 XMR;

– 9,58803 ETH.

Deze cryptovaluta hebben een geschatte tegenwaarde vertegenwoordigd van € 9.961.937,- op het moment dat de cryptovaluta zijn ontvangen.

In deze zaak is geen direct verband te leggen tussen een concreet misdrijf en het geld en de cryptovaluta waarop de tenlastelegging ziet. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is. Daarom wordt gebruikt gemaakt van het in de jurisprudentie ontwikkelde stappenplan. De rechtbank stelt dat dat de verdachte ook betrokken is geweest bij de handel in grondstoffen (de aankoop, import en overdracht) en de verkoop van het eindproduct. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij dergelijke feiten in dit criminele milieu grote hoeveelheden cash geld omgaan. Dit doet zich ook in onderhavig geval voor. Het bezit van grote contante geldbedragen door privépersonen is hoogst ongebruikelijk vanwege het risico van onder meer brand en diefstal, waarbij het geldbedrag in dergelijke gevallen niet is verzekerd. De bankbiljetten zijn ook niet veilig en geordend opgeborgen, maar gebundeld met elastiek in pakketten bewaard op plekken die aan het zicht onttrokken zijn. Bovendien zijn coupures met een hoge waarde (€ 200,- en € 500,-), waarvan in dit geval sprake is, in veel gevallen uitgesloten van het regulier betalingsverkeer in Europa. Verdachte heeft daarnaast nog eens tussen 12 maart 2020 en 3 februari 2023 grote bedragen cryptovaluta ontvangen en betaald, terwijl grotendeels niet duidelijk is geworden naar/van wie en waarom de betalingen zijn verricht.

Er is onderzoek gedaan naar de financiële situatie van de familieleden van verdachte, alsmede naar de inkomens- en vermogenspositie van verdachte zelf. Verdachte en zijn familie hebben geen (bekend) toereikend legaal inkomen dat het voorhanden hebben van voormeld contant geldbedrag en de ontvangsten en betalingen via cryptocurrency zouden kunnen rechtvaardigen.

De rechtbank is op basis van het vorenstaande van oordeel dat de aangedragen feiten en omstandigheden zodanig van aard zijn dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. De financiële situatie van verdachte (en zijn familie) kunnen niet verklaren dat er de beschikking is over een contant vermogen van € 617.170,- en een bedrag aan cryptovaluta van € 9.961.937,-. Onder deze omstandigheden mag van verdachte een verklaring worden verlangd over de herkomst van deze geldbedragen.

De rechtbank legt voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen ex. artikel 10a van de Opiumwet en gewoontewitwassen een gevangenisstraf op van vijf jaar en een geldboete van € 50.000,-.

Vrijspraak voor gewoontewitwassen door reseller EncroChat-telefoons

Op 12 november 2024 heeft de Rechtbank een verdachte vrijgesproken (ECLI:NL:RBROT:2024:11353) van gewoontewitwassen van geld dat is verdiend met de handel in Encrochat-telefoons.

De officier van justitie verweet de verdachte dat hij een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van bijna twee miljoen euro, door dat geld te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen, om te zetten en/of daarvan gebruik te maken. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte samen met zijn broer en een medeverdachte het in de tenlastelegging genoemde geld verdiend met handel in Encrochat-telefoons. Encrochat wordt hier beschreven als een communicatiedienst met als belangrijkste doel om de geheimhouding van de communicatie en de gebruikers te garanderen. De Encrochat-telefoons worden wereldwijd aangeboden en geleverd door zogenoemde ‘resellers’. De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte zo’n reseller is geweest. Bewezen zou kunnen worden ‘dat het geld waarmee de telefoons zijn gekocht misdaadgeld is en dat de verdachte dit heeft witgewassen door dat geld als betaling voor de telefoons te accepteren, dit te herinvesteren en voor privé-uitgaven te gebruiken’.

Dat bewijs is volgens de officier van justitie enerzijds gebaseerd op het feit van algemene bekendheid dat de klanten van de verdachte criminelen zijn die hun geld met misdaad verdienen. Voor zover er telefoons zijn gekocht met geld dat niet uit misdaad afkomstig is, gaat dit om zulke kleine hoeveelheden dat dit door vermenging met misdaadgeld ook wordt witgewassen. Anderzijds of misschien in het verlengde daarvan kan witwassen volgens de officier van justitie worden bewezen omdat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Daarvan is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sprake als de feiten en omstandigheden waaronder de telefoons werden verkocht een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is, terwijl de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Die feiten en omstandigheden zijn hier aanwezig. De verdachte heeft ook geen concrete, verifieerbare en min of meer aannemelijke verklaring over een legale herkomst gegeven, waardoor de politie daar ook geen onderzoek naar heeft kunnen doen. De rechtbanken Den Haag en Rotterdam hebben eerder in min of meer vergelijkbare zaken op grond van overeenkomstige redeneringen witwassen bewezen verklaard, waarbij de officier van justitie in het bijzonder heeft gewezen op de Ennetcomzaak (rechtbank Rotterdam, 21 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9085), die ging over Ennetcom, een vergelijkbare aanbieder als Encrochat.

De rechtbank oordeelt echter anders. De rechtbank merkt op dat het tenlastegelegde bedrag is verdiend met de verkoop van de cryptotelefoons.  Het gaat dus uitdrukkelijk niet om geld dat de verdachte zelf met een eigen handel in Encrochat-telefoons zou hebben witgewassen.

Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, is niet wettig en overtuigend bewezen dat de kopers van de telefoons hebben betaald met geld dat van misdaad afkomstig is. Wel heeft de rechtbank bewezen geacht dat de medeverdachte een groot deel van het in de tenlastelegging genoemde geld heeft witgewassen en daarvan een gewoonte gemaakt door structureel geen aangifte te doen van en belasting af te dragen over omzet en verdiensten met de Encrochat-telefoons. Er is alleen geen bewijs dat de verdachte de belastingmisdrijven die als verwervingsdelict ten grondslag liggen aan het gewoontewitwassen heeft medegepleegd. Er is ook geen bewijs dat de verdachte het geld dat de medeverdachte zelf heeft verworven door geen belasting af te dragen tezamen en in vereniging met de medeverdachte voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet of daarvan gebruik heeft gemaakt.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.

Veroordeling voor simswapping en “andere cyberfeiten”

Op 25 november 2024 veroordeelde (ECLI:NL:RBNNE:2024:4600) de rechtbank Noord-Nederland een verdachte voor onder andere simswapping en “andere cyberfeiten”. De politie beschrijft simswapping als het overnemen van de simkaart van mobiele telefoon. Slachtoffers hebben dan geen toegang meer tot het netwerk en iemand kan zich daarmee voordoen als iemand anders. Het slachtoffers is ook vaak de toegang kwijt tot de accounts waarvoor met sms een tweestapsverificatie is ingesteld. De uitspraak zelf vind ik niet zo helder. Dit nieuwsbericht is bijvoorbeeld duidelijker. De samenvatting van de zaak op basis van deze twee bronnen is als volgt.

De verdachte heeft in deze zaak onrechtmatig ingelogd op het netwerk van een dealer van T-Mobile. Op deze manier konden via het klantensysteem van T-Mobile zogenaamde simswaps worden uitgevoerd met als doel om telefoonnummers van klanten van T-Mobile over te nemen om daarmee te frauderen.

Daarnaast heeft de verdachte in de ‘My T-Mobile-accounts’ van particulieren ingebroken. Ook hierna konden simswaps worden uitgevoerd met als doel om telefoonnummers van klanten van T-Mobile over te nemen en vervolgens met deze telefoonnummers te frauderen. Dat heeft verdachte ook gedaan en onder andere – grote hoeveelheden cryptovaluta (zoals Bitcoin en Ethereum) heeft weggenomen.

Tot slot heeft verdachte zich beziggehouden met het versturen van phishing smsjes en een “sms-bom” naar 25.000 nummers uit naam van de Belastingdienst en de Rabobank, waarna soms ook telefonisch contact plaatsvond. In die gevallen heeft verdachte zich samen met een ander voorgedaan als medewerker van de Belastingdienst, waarna slachtoffers grote bedragen afhandig werden gemaakt. De verdachte verstuurde bijvoorbeeld in een phishing-sms dat zij een belastingschuld hadden en dat er beslag gelegd zou worden als zij niet op een betaallink klikten. Hierbij deed de verdachte zich voor als de medewerker van een bedrijf.

De rechtbank vindt het extra kwalijk dat de verdachte reeds eerder voor soortgelijke cyberfeiten is veroordeeld en in een proeftijd liep. Dit heeft hem er niet van weerhouden om direct na zijn vrijlating uit de gevangenis in maart 2023 door te gaan met computervredebreuk, phishing, diefstal en oplichting. Net als de officier van justitie en de reclassering ziet de rechtbank een groot recidivegevaar. De rechtbank houdt hiermee in de straf rekening mee en veroordeeld de verdachte tot 42 maanden gevangenisstraf en een geldboete van ongeveer 8000 euro.

Veroordeling voor phishing creditcardgegevens

Op 9 september 2024 veroordeelde (ECLI:NL:RBNHO:2024:11020) de rechtbank Noord-Holland een verdachte voor oplichting en computervredebreuk. In de zaak komt de modus-operandi van de dader en het proces van digitale opsporing helder naar voren.

In de zaak komt de modus-operandi van de dader en het proces van digitale opsporing helder naar voren. De uitspraak is pas later gepubliceerd.

In deze zaak gaat het over phishing van creditcardgegevens. In de woorden van de rechtbank is phishing een vorm van oplichting via het internet waarbij het slachtoffer wordt verleid om bepaalde, veelal financiële, gegevens te delen. De link in de phishing e-mail leidde in dit geval naar een zogenaamd ‘phishing panel’. Dat is een website die is vormgegeven alsof het de website van de creditcard uitgever is. Op die website wordt de bezoeker gevraagd om gegevens in te voeren zoals rekeningnummer, pasnummer, geboortedatum, creditcardnummer en cvc-code.

De beheerder van het phishing panel kan met de ingevoerde gegevens, nadat de creditcard uitgever de zogenaamde 2FA-code (een twee factor authenticatiecode) heeft verstrekt, vervolgens de controle krijgen over de creditcards en daarmee betalingen te doen. Het doel hiervan is zoveel mogelijk (creditcard) gegevens van mensen te achterhalen om vervolgens deze gegevens te kunnen misbruiken voor eigen financieel gewin.

In de onderhavige zaak werden de aangevers verleidt zich via een hyperlink te identificeren om hun creditcard te kunnen deblokkeren. Nadat aangevers hun (persoons)gegevens hadden ingevoerd op de phishing website, werden deze gegevens direct, door middel van een bot, doorgestuurd naar onder meer de Telegramkanalen. Op het moment dat de gephishte gegevens werden ontvangen, werden via de betreffende Telegram-app pushmeldingen gestuurd naar de telefoon van de phisher, zodat die direct aan de slag kon met deze gegevens. De phisher kon vervolgens de rekeningen van aangevers koppelen aan de ICS-app op zijn eigen apparaat, waarna hij online aankopen kon betalen met de creditcards van de aangevers. Op die manier zijn er meerdere bedragen afgeschreven van de rekeningen van aangevers.

In het onderzoek zijn door de politie (persoons)gegevens van meerdere cardhouders van ICS aangetroffen. Deze cardhouders bleken vergelijkbare phishing e-mails te hebben ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft ICS, namens haar klanten, eveneens aangifte gedaan.

Uit het onderzoek naar de phishing websites blijkt dat gebruik is gemaakt van twee verschillende phishing websites. Deze phishing websites worden gehost door een Nederlandse hosting partij, genaamd Serverion B.V. Uit informatie van Serverion volgt dat de betalingen voor het hosten van de phishing websites zijn gedaan met bitcoins. De bitcoin wallet waarmee de betalingen zijn gedaan is in rechtstreeks verband te brengen met een wallet bij Binance, die op naam van de verdachte staat en waaraan het telefoonnummer van de verdachte is gekoppeld. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij de gebruiker is van het e-mailadres.

Verder bleek uit nader onderzoek dat de back-end van de phishing websites stelselmatig werd bezocht door het IP-adres. Dit IP-adres blijkt te zijn gekoppeld aan het woonadres van de verdachte. Ook het telefoonnummer van de verdachte straalt zendmasten aan in de buurt van dat woonadres van de verdachte op de momenten dat de phishing websites vanaf dat dat IP-adres worden benaderd. Uit onderzoek blijkt verder dat dit IP-adres de phishing websites niet meer heeft benaderd na de aanhouding van de verdachte op 30 januari 2024. Bij de verdachte zijn meerdere telefoons in beslag genomen. De verdachte heeft verklaard hiervan de gebruiker te zijn. Uit onderzoek naar deze toestellen is gebleken dat hierop de aanmaak van onder meer de Telegram bots zijn terug te vinden. De verdachte heeft verklaard dat hij toegang had tot deze groepen en dat hij ook een aantal maal de gephiste gegevens heeft gebruikt om aankopen mee te doen. 

De rechtbank overweegt dat de verdachte e-mails heeft verstuurd aan vele e-mailadressen, waarin stond dat de ontvangers zich online moesten identificeren om hun creditcard te kunnen deblokkeren. Met de gephishte gegevens heeft de verdachte zichzelf via de ICS-app toegang verschaft tot de creditcards van de slachtoffers, en daarmee vervolgens online aankopen gedaan. De verdachte heeft technische hulpmiddelen voorhanden gehad om daarmee computerfraudedelicten te plegen. De verdachte is bovendien het systeem van ICS wederrechtelijk binnengedrongen nadat hij de (persoons)gegevens van de slachtoffers middels phishing had ontvangen. Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen, te weten een gasvuurwapen in de vorm van een revolver, voorhanden gehad.

Gelet op de ernst van de feiten heeft de rechtbank bij de strafoplegging ook oog voor het afschrikwekkende effect dat daarvan uit moet gaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden volstaan met een andere straf dan met een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Ten slotte moet hij een schadevergoeding van € 36.722,70 aan International Card Services B.V. betalen.

Overzicht cryptophone-operaties

7,5 jaar geleden, in maart 2017, verscheen het eerste persbericht op OM.nl over het veiligstellen van berichten die zijn verstuurd met ‘cryptotelefoons’ (ook wel ‘PGP-telefoons’ genoemd) van Ennetcom met de titel ‘Versleutelde berichten: schat aan criminele informatie‘. Sindsdien zijn er negen cryptcommunicatiediensten ontmanteld en gegevens van deze telefoons (met name de berichten gekoppeld aan de verzenders en ontvangers) zijn veiliggesteld. De gegevens wordt geanalyseerd en gebruikt als bewijs in opsporingsonderzoeken.

Deze ‘cryptophone-operaties’ heb ik in de onderstaande tijdlijn gevat:

Hieronder volgt verder een overzicht van de cryptophone-operaties op basis van blogberichten.

  1. Ennetcom (2016)
  2. PGP Safe (2017)
  3. Ironchat (2017)
  4. EncroChat (2020)
  5. Sky ECC (2020)
  6. ANOM (2021)
  7. Exclu (2022)
  8. Ghost (2024)
  9. MATRIX (2024)

Waarom een overzicht?

De cryptophone-operaties zijn bijzonder belangrijk voor de strafrechtpraktijk en toch is er net na de operaties relatief weinig bekend over het verloop daarvan. In de media worden de cryptophone-berichten ook wel een ‘goudmijn aan bewijs’ genoemd en de gegevens vormen een game changer voor de politie. Strafrechtadvocaten trekken vaak de rechtmatigheid van de operaties in twijfel, maar vooralsnog lijkt de verdediging bot te vangen. Op 13 april 2023 maakte de Landelijke Eenheid ook bekend dat de politie inmiddels 1 miljard “criminele chats” in handen heeft. Duidelijk is wel dat dit om “bulkdata” gaat en dit de brandstof levert voor de nieuwe strategie van “datagedreven opsporing” van de politie en het Openbaar Ministerie.

Voor een presentatie heb ik in oktober 2024 de gepubliceerde uitspraken van rechtbanken (in eerste aanleg dus) op rechtspraak.nl waar in strafzaken een cryptotelefoon wordt genoemd op een rijtje gezet en in onderstaande tabel en diagram geplaatst.

Let op: dit is een indicatie van het aantal veroordelingen en verdeling tussen de cryptotelefoons. Uiteraard zijn er minder uitspraken van meer recente operaties en het komt vaak voor dat meerdere telefoons in één zaak genoemd worden. Neem de cijfers dus met een korreltje zout.

De grote hoeveelheid jurisprudentie en onduidelijkheid over de ‘wat’, ‘wanneer’ en ‘hoe’-vragen vormde voor mij aanleiding dit overzicht te maken (ook voor mijzelf voor toekomstige publicaties). Daarbij heb ik mij gebaseerd op persberichten van het OM, de politie en rechtspraak. Voor iedere operatie liggen de feiten en grondslagen waarop de gegevens zijn verzameld weer anders. In een enkele operatie zijn er serieuze overwegingen over de betrouwbaarheid van de gegevens meegeven. Het is daarom belangrijk steeds af te vragen en na te gaan met welke cryptophone-operatie we in casu te maken hebben.

Hieronder volgt een kort antwoord op deze vragen met links naar de desbetreffende blogs over de operaties.

Wat en wanneer?

  1. Ennetcom (2016)

Ennetcom was een Nederlandse dienstverlener voor versleutelde “PGP” communicatie. De app werd geïnstalleerd op een Blackberry telefoons. De oprichters van het bedrijf zijn uiteindelijk veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, gewoontewitwassen en medeplegen van valsheid in geschrifte. Tijdens de operatie zijn 3,7 miljoen berichten veiliggesteld. De operatie werd bekend gemaakt op 9 maart 2017.

PGP Safe was de merknaam voor een cryptotelefoon. De software werd geïnstalleerd op Blackberry toestellen. Tijdens de operatie zijn 700.000 berichten veiliggesteld, waarvan er destijds ruim 337.000 ontsleuteld en leesbaar werden gemaakt. Het OM richtte zich aanvankelijk op de leveranciers (‘resellers’) van PGP-cryptotelefoons (met wisselend succes). De operatie werd bekend gemaakt op 9 mei 2017.

IronChat was een app dat geïnstalleerd op Wileyfox-telefoons of Samsung-telefoons (Android). De telefoons technisch zo zijn ingericht dat er geen gebruik gemaakt kan worden van de camera, microfoon of wifi. Bij deze telefoons werd gebruik gemaakt van van end-to-end encryptie door middel van het zogenaamde OTR (Off-The-Record) protocol. Ook was het mogelijk chats of de gehele inhoud van de telefoon op commando te wissen. Het onderzoek richtte zich zowel op de leveranciers als gebruikers van de telefoons. Tijdens de operatie zijn 258.000 berichten veiliggesteld. De operatie werd bekend op 6 november 2018.

EncroChat was een communicatieaanbieder van telefoons, waarmee middels de Encrochat applicatie versleutelde chats, bestaande uit tekstberichten en afbeeldingen, konden worden verzonden en ontvangen en waarmee onderling gebeld kon worden. Gebruikers kochten een telefoontoestel, zoals een Android telefoon, waarop de EncroChat applicaties vooraf geïnstalleerd waren in combinatie met een abonnement om de service te kunnen gebruiken. Geschat wordt dat er wereldwijd destijds tussen de 55.000-60.000 EncroChat telefoons werden gebruikt, waarvan circa 12.000 Nederlandse gebruikers waren en circa 3000 Franse gebruikers. Tijdens de operatie zijn circa 115 miljoen berichten veiliggesteld. De operatie werd bekend gemaakt op 2 juli 2020.

Sky ECC is de naam van het bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. De telefoons werden aangeboden door het bedrijf ‘Sky Global’. Een Sky ECC-toestel is een mobiele telefoon die voorgeprogrammeerd is op iPhones, Google Pixels, Blackberry’s en Nokia’s en met een abonnement ter beschikking werd gesteld. Met de telefoon was het mogelijk versleuteld met elkaar te communiceren. In 2021 had het bedrijf wereldwijd 170.000 gebruikers. Tijdens de operatie zijn naar verluid 1 miljard berichten veiliggesteld, waarvan 500 miljoen ontsleuteld konden worden. De operatie werd bekend gemaakt op 9 maart 2021.

ANOM was een zogenoemde ‘store front’, oftewel een zelf opgezette communicatiedienst door opsporingsautoriteiten. De operatie stond onder leiding van de FBI en de Australische Federal Police met het doel om verdachten van criminele organisaties te identificeren. Tijdens de operatie zijn 27 miljoen berichten onderschept. De operatie werd bekend gemaakt op 8 juni 2021.

Exclu is een type cryptotelefoon, die het mogelijk maakt berichten, foto’s, notities, gesproken memo’s, chatconversaties en video’s met andere Exclu-gebruikers uit te wisselen. Exclu had volgens naar schatting 3000 gebruikers, waarvan 750 Nederlandstaligen. De politie en het Openbaar Ministerie konden vijf maanden de berichten van Exclu-gebruikers meelezen. De operatie werd op vrijdag 3 februari 2023 bekend gemaakt.

De app Ghost bood de een keuze in drie versleutelstandaarden voor versleutelde communicatie en de optie om berichten op de telefoon te vernietigen als een code werd verstuurd. Slechts enkele duizenden personen maakten gebruik van de software, dat draaide op zijn eigen infrastructuur in verschillende landen. De operatie werd op 18 september 2024 bekend gemaakt.

MATRIX werd door de politie gezien als de als de opvolger van voorgangers als ANOM, Sky ECC en EncroChat. De cryptocommunicatiedienst bood een heel ecosysteem aan applicaties aan, waaronder de mogelijkheid om te (video)bellen, transacties bij te houden en geanonimiseerd te internetten. De dienst in een app aangeboden op met name Google Pixel telefoons. MATRIX had minstens 8000 gebruikers wereldwijd. Gedurende en aantal maanden zijn 2,3 miljoen berichten onderschept. Op 4 december 2024 is de operatie bekend gemaakt.

Hoe?


1.      Ennetcom (2016)
In totaal is 6 Terabyte aan gegevens veiliggesteld bij het Nijmeegse telecombedrijf Ennetcom op een server in Nederland en van een server in Toronto (Canada). Door de Canadese politie zijn de gegevens gekopieerd. Na analyse van de data bleken de kopieën 3,7 miljoen berichten en 193.000 notities te bevatten. Daarnaast bevatte de server de private sleutels van de gebruikers van de klanten van de verdachte. Een Canadese rechter stelde de dataset na een rechtshulpverzoek ter beschikking aan Nederland.
 
2.      PGP Safe (2017)
Na een rechtshulpverzoek is een doorzoeking uitgevoerd bij een datacentrum in Costa Rica. Tussen 9 mei 2017 te 18.00 uur en 11 mei 2017 te 09.00 uur zijn bestanden gekopieerd. De BlackBerry Enterprise Server (BES)-infrastructuur bevond zich in twee serverkasten waarvan er één sinds 2012 en één sinds 2016 aan PGP-safe was verhuurd. Het onderzoek is beperkt tot de serverkast die was verhuurd sinds 2012. In overleg met de Costa Ricaanse autoriteiten is bij het veiligstellen prioriteit gegeven aan de zich op die server bevindende virtuele machines met cryptografisch sleutelmateriaal en aan de virtuele machines met emailberichten. De datadragers, waarnaar de data zijn gekopieerd, zijn door de Costa Ricaanse autoriteiten verpakt en overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten.
 
3.      Ironchat (2017)
Het betrokken Nederlandse bedrijf maakte gebruik van een telecomserver in het Verenigd Koninkrijk. Middels een Europees Onderzoeksbevel (EOB) kreeg het onderzoeksteam de beschikking over een kopie (een ‘image’) van de server van het Nederlandse bedrijf. In het Verenigd Koninkrijk werd zelfstandig onderzoek gedaan naar de versleutelde berichten die via deze server waren verzonden. Van 3 oktober 2018 tot 2 november 2018 werd overgegaan tot het ‘live intercepteren en decrypten van de server’. De Britse autoriteiten hebben toestemming gegeven voor het gebruik van de dataset in opsporingsonderzoeken in Nederland en de gegevens overgedragen.
 
4.      EncroChat (2020)
Via JIT en EOB’s in een complex verhaal. Franse autoriteiten verzamelden gegevens met inzet hacking tool en door interceptie op de servers van 1 april 2020 tot 20 juni 2020. Ook zijn images van de servers beschikbaar gesteld door Frankrijk aan Nederland. Nederland zou betrokkenheid hebben gehad in de ontwikkeling van de tool en/of decryptie van de gegevens.
 
5.      Sky ECC (2020)
Via JIT en EOB’s in een complex verhaal. Nederlandse technici hebben binnen het JIT een techniek ontwikkeld om een kopie te maken van het werkgeheugen van één van de SkyECC-servers zonder dat die offline zou gaan. De interceptie en kopieën van gegevens hebben gefaseerd plaatsgevonden. Naar verwachting heeft het grootste deel van de interceptie plaatsgevonden vanaf de toestemming door een Franse rechter vanaf 18 december 2020 tot 9 maart 2021, de dag dat de operatie publiek werd.

6. ANOM (2021)

Door een ‘spontane eenzijdige verstrekking van informatie zonder een voorafgaand verzoek van de Nederlandse opsporingsdiensten’ door de Verenigde Staten van Amerika aan Nederland. De operatie betrof een samenwerking tussen de Verenigde Staten en Australië.  Ook stemde een derde land – Litouwen – in met het aanvragen van een rechterlijke machtiging zoals daar vereist was om een iBot server voor de Anom-berichten aldaar te kopiëren en de FBI van de kopie te voorzien conform een rechtshulpverzoek. In oktober 2019 verkreeg het derde land een rechterlijke machtiging.

Vanaf 21 oktober 2019 begon de FBI de serverinhoud van het derde land te verkrijgen. Sinds dat moment heeft de FBI de inhoud van de iBotserver in het derde land op basis van het rechtshulpverzoek bekeken. Ze hebben de berichten indien nodig vertaald en meer dan 20 miljoen berichten van 11.800 toestellen van 90 landen wereldwijd gecatalogiseerd. De top vijf van landen waar de toestellen gebruikt worden betreft Duitsland, Nederland, Spanje, Australië en Servië. 

De Nederlandse opsporingsdiensten zouden niet betrokken zijn geweest bij de verkrijging van de gegevens. Wel heeft de Nederlandse software ontwikkeld waarmee de berichten konden worden geanalyseerd en geduid. Deze software is ook beschikbaar gesteld aan Europol, zodat deze dienst de gegevens kon analyseren en beschikbaar stellen aan andere landen.

7. Exclu (2022)

In Duitsland stond een server bij Cyberbunker en die server is veilig gesteld. Tijdens de operatie is ook de hackbevoegdheid ingezet ten behoeve van een opsporingsonderzoek naar de betrokkenheid naar misdrijven die worden gepleegd in georganiseerd verband. Daardoor kon de politie gedurende vijf maanden de berichten van Exclu-gebruikers meelezen. Bij beschikking van 25 augustus 2022, daarna vijf keer verlengd, heeft de rechter-commissaris machtiging verleend voor het hacken van de server van Exclu in Duitsland. Deze beschikkingen en de verlengingen daarvan werden steeds gevolgd door Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) gericht aan de bevoegde Duitse autoriteiten.

8. Ghost (2024)

Het platform is in Australië sinds 2022 in het vizier gekomen van de Australian Federal Police (AFP). Nadat internationale partners zich ook richten op Ghost gingen ze samenwerken in een Operational Taks Force (OTF) bij Europol. De Australische autoriteiten hebben de Ghost telefoons via een update hebben geïnfecteerd met software (dus gehackt) en daarmee toegang kregen tot gegevens op de telefoons. Verder is nog veel onduidelijk.

9. MATRIX (2024)

De politie meldt dat zij ruim 2,3 miljoen berichten wisten te onderscheppen en een aantal maanden lang konden meelezen. De infrastructuur bestond naar verluid uit meer dan 40 servers, verspreid over meerdere landen, met de belangrijkste servers in Frankrijk en Duitsland. De dienst werd vanuit Spanje aangestuurd door de hoofdverdachte met een Litouwse nationaliteit. De operationele details blijven vooralsnog onbekend. 

Cybercrime jurisprudentieoverzicht september 2024

Bron: dit is een met AI gegenereerde afbeelding via WordPress)

Hoge Raad arrest over bitcoins en witwassen

De Hoge Raad heeft op 25 juni 2024 een arrest (ECLI:NL:HR:2024:887) gewezen in de zaak IJsberg. Deze zaak gaat over het witwassen van bitcoins, voorbereidingshandelingen voor handel in harddrugs en bedreiging. Zie ook Hof Den Haag 1 februari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:104Computerrecht 2022/95, m.nt. J.J. Oerlemans & K.M.T. Helwegen (zaak IJsberg).

Het Hof Den Haag had geoordeeld dat het enkele omzetten van bitcoins naar contant geld niet kan worden beschouwd als verbergen of verhullen van herkomst of vindplaats van bitcoins. Daarbij heeft hof betrokken dat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat verdachte de herkomst of vindplaats van bitcoins heeft ‘willen’ verhullen of verbergen. Hierin ligt als volgens de Hoge Raad in het oordeel van het hof besloten dat het oogmerk van de verdachte bepalend is voor beantwoording van vraag of verdachte herkomst van bitcoins heeft verborgen of verhuld. In het licht van de onder r.o. 3.5 weergegeven wetsgeschiedenis – waarin de “(subjectieve) geestesgesteldheid van de dader” op dit punt als van “ondergeschikt belang” is aangeduid omdat het gaat om de objectieve strekking en het effect van de gedragingen – getuigt dat oordeel van een te beperkte uitleg van het bestanddeel ‘verbergt of verhult’. Door de verdachte vrij te spreken van het onder 1, onderdeel b, tenlastegelegde heeft het hof hem dus vrijgesproken van iets anders dan was tenlastegelegd. Het hof heeft daarmee de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Daarom slaagt het cassatiemiddel van het OM, vernietigt het deels de uitspraak van het hof, en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag.

Ten slotte staat in een ander arrest (HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:890) over de zaak IJsberg de vraag centraal of bitcoins kunnen worden aangemerkt als ‘voorwerpen’ in de zin van art. 420bis Sr en 420quater Sr. De Hoge Raad overweegt in r.o. 3.4 dat het Hof Den Haag terecht heeft overwogen dat bitcoins kunnen worden aangemerkt als ‘voorwerpen’. Lezenswaardig is ook de conclusie van AG Aben (ECLI:NL:PHR:2024:217) over o.a. het kwalificeren van bitcoins als voorwerp.  Hij bespreekt daarbij of onstoffelijke entiteiten onder het wettelijke begrip ‘voorwerp’  kunnen worden gebracht. Hij noemt dat in fysisch opzicht virtuele valuta géén stoffelijke entiteiten zijn; zij dragen in dat opzicht de kenmerken van ‘(computer)gegevens’ als bedoeld in artikel 80 quinquies Sr omdat zij in de kern slechts uit ‘bits en bytes’ bestaan. In essentie gaat het bij gegevens als bedoeld in deze betekenisbepaling om informatie die besloten ligt in code en die (ook) door computers kan worden verwerkt, dus om software. Virtuele valuta onderscheiden zich echter van het meer generieke begrip ‘(computer)gegevens’ doordat virtuele valuta zich in de menselijke belevingswereld – anders dan computercodes en pincodes – wel degelijk voordoen als stoffelijke entiteiten, namelijk als geld in een gedaante die zich nauwelijks onderscheidt van giraal geld, dat evenmin stoffelijk is. Omtrent giraal geld overwoog de Hoge Raad dat een redelijke uitleg van het begrip ‘goed’ – vanwege “de functie van giraal geld in het maatschappelijk verkeer” – meebrengt dat het vatbaar is voor ‘toe-eigening’ als bedoeld in artikel 321 Sr. Dit betreft – gelijk het elektriciteitsarrest uit 1921 – een evident geval van een functionele wetsuitleg.

De AG noemt dat ook in meer recente strafzaken de Hoge Raad zich conformeerde aan een functionele uitleg van het wettelijke begrip ‘goed’ (wat betreft entiteiten die zich daarvoor leenden (belminuten, telefoontikken). Hij concludeert dat computergegevens in beginsel geen ‘voorwerp’ zijn, maar zo wel kunnen worden aangemerkt als (i) de onderwerpelijke entiteit uniek en individualiseerbaar is en in het economische verkeer een reële waarde vertegenwoordigt, (ii) die entiteit voor menselijke beheersing vatbaar is en de eigenaar ervan daarover de feitelijke en exclusieve heerschappij toekomt, en (iii) die entiteit overdraagbaar is, (dus) van eigenaar kan wisselen en van de eigenaar kan worden afgenomen, als gevolg waarvan de (oorspronkelijke) eigenaar de beschikkingsmacht erover verliest.  Kortom, ook bitcoins kunnen als voorwerp worden gekwalificeerd.

Veroordeling voor drugshandel en witwassen via DreamMarket

Het Hof Den Haag heeft op 31 juli 2024 een interessant arrest (ECLI:NL:GHDHA:2023:2925) gewezen over witwassen van bitcoins die waren verkregen via (o.a.) de darknet market DreamMarket.

In de bewijsoverwegingen staat o.a. dat bijna 200.000 euro is overgeboekt naar bitcoinadressen en gebruik werd gemaakt van twee Visa prepaid debetkaarten. Beide kaarten zijn geladen doordat de bitcoins zijn omgezet in respectievelijk dollars en euro’s. Op de tweede kaart hebben bijvoorbeeld in de maanden oktober 2016 tot en met november 2017 stortingen plaatsgevonden tot een totaal geldbedrag van € 313.344,77. Dit, terwijl de laatst bekende loongegevens van de verdachte dateren uit 2011 (een UWV-uitkering van € 3.802). Het hof stelt vast dat er geen direct brondelict valt aan te wijzen voor de herkomst van de eerdergenoemde bitcoins.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De verdachte beschikte vanaf 2012 niet over een legale inkomensbron, terwijl hij wel kon beschikken over een groot aantal bitcoins. Van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat die bitcoins niet van misdrijf afkomstig zijn. Deze heeft de verdachte niet verschaft. Het hof acht daarom het delict witwassen bewezen. Gelet op de omvang van de geldbedragen en de frequentie van het omzetten van bitcoins in euro’s en dollars in de periode van oktober 2016 tot en met november 2017 acht het hof ook bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen van bitcoins met een geldwaarde van € 613.260,92.

Ten aanzien van de drugshandel is het interessant om te lezen dat tijdens een doorzoeking op een tablet verschillende applicaties aangetroffen, waaronder Protonmail (een beveiligde e-mailservice), Sealnote (voor het maken van notities die middels een encryptieversleuteling zijn beveiligd), Orbot en Orfox (TOR-apps voor het browsen via het TOR-netwerk), CryptMax (een encryptie-app waarmee tekst kan worden versleuteld), een aplicatie waarmee bitcoins kunnen worden ontvangen en verzonden, ChatOnion (waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd via het TOR-netwerk) en iPrint&Label (waarmee adreslabels kunnen worden afgedrukt). Op de apparaten is de volgende veelzeggende inhoud van een advertentietekst in een docx-bestand teruggevonden:

“1G MDMA 84% pure the best quality direct from Holland full escrow MDMA crystals AAA+++

**INTRO OFFER 25% FREE EXTRA After ordening youre shipment wil be processed and shipped within 24 hours As you can see we are new on the dark Web, but we have many years off experience in the drugs trading business. We make everything ourself for 20 years now. That’s why we can provide the best products and quality for a fear price. Every time we make a new stock, we check the quality in the lab. We dont mix anything!!! We only sell pure quality.

EVERY ORDER IS VACUUMSEALT 3 TIL 6 TIMES, AND IS MAKE DOGFREE!!!

We ship from Germany

Sold by red-diamond – 424 sold since May 1, 2016 Vendor Level 5 Trust Level 4”

Tevens werden inloggegevens gevonden voor darkweb markten, zoals Valhalla, Hansa Market en Dream Market en notitieblaadjes met drugsgerelateerde aantekeningen. Het bewijs voor drugshandel was verder ook afkomstig van uit taps, verkeersgegevens, observaties, en aangetroffen pillen verpakkingsmateriaal na een doorzoeking. Na een observatie in Duitsland bleek, na de leging van brievenbussen, bovendien dat 36 enveloppen waren gepost met XTC-tabletten, MDMA, amfetamine en LSD-tabletten. Gezien het bovenstaande zal het niet tot een verassing komen dat het hof tot het oordeel komt dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 juli 2016 tot en met 13 oktober 2017 ook schuldig heeft gemaakt aan drugshandel.

In de strafmotivering weegt het hof in strafmatigende zin mee dat de verdachte in de periode waarin hij in voorlopige hechtenis zat zijn zus en moeder heeft verloren en dat hij niet de gelegenheid heeft gehad afscheid van hen te nemen. Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten. Ook is de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Dit in ogenschouw nemende wordt een gevangenisstraf opgelegd van 54 maanden.

Veroordeling voor ‘grootschalige cybercriminaliteit’

Op 23 juli 2024 veroordeelde (ECLI:NL:RBOVE:2024:3924) de rechtbank Overijssel een verdachte voor een gevangenisstraf van drie jaar (waarvan één jaar voorwaardelijk) en het betalen van een schadevergoeding aan benadeelden, vanwege het medeplegen van computervredebreuk, het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel om (o.a.) computervredebreuk te plegen, diefstal van cryptovaluta en het bezit van een vuurwapen en munitie.

De applicatie die de verdachte beheerde is door rechtbank in het vonnis omschreven als een ‘Zwitsers zakmes voor cybercriminaliteit’. Zie ook dit NOS-artikel over de zaak. Het bevat verschillende functionaliteiten waarmee strafbare feiten kunnen worden gepleegd. Deze functionaliteiten omvatten het gehele proces van het versturen van phishingmails tot het uitbuiten van de hiermee verkregen gegevens:

  1. Phishing. De eerste functionaliteit is het versturen van phishingmails. De phishingmail kan worden opgesteld door het opgeven van een onderwerp en afzendergegevens binnen een vooraf ontwikkelde e-mailtemplate. Die template lijkt op een echte e-mail van een partij, zoals Yourhosting , Coinmerce of Bitvavo. Als ontvangers van het bericht kan een lijst met e-mailadressen worden ingevoerd. Met een druk op de knop kan de e-mail met daarin een link naar een valse, maar niet van echt te onderscheiden website naar een groot aantal ontvangers worden gestuurd. Buitgemaakte gegevens kunnen vanuit deze valse website naar [applicatie] worden teruggestuurd;
  2. Hacking. De tweede functionaliteit is het testen en verrijken van de verkregen persoonsgegevens. Omdat veel mensen hetzelfde wachtwoord voor meerdere sites en applicaties gebruiken, kan geautomatiseerd worden getest of met het verkregen wachtwoord ook kan worden ingelogd op de mailbox van een verkregen e-mailadres;
  3. Accountovername. [applicatie] bevat ook een functionaliteit om werkende e-mail-wachtwoord-combinaties geautomatiseerd met persoonsgegevens te verrijken. Gepoogd kan worden bij bijvoorbeeld een webshop in te loggen en eventueel verkregen persoonsgegevens uit dit webshopaccount in [applicatie] op te slaan. Daarnaast kan worden gekeken of het e-mailadres aan een account bij Riverty (voorheen AfterPay ) is gekoppeld, om na te gaan of een account geschikt is voor het plaatsen van bestellingen met betaling achteraf. Met toegang tot een mailbox kan ook worden geprobeerd toegang te verkrijgen tot cryptoaccounts om vanuit hier crypto weg te nemen;
  4. Misbruik persoonsgegevens. Als een door phishing verkregen wachtwoord werkt en gebruik kan worden gemaakt van Riverty, kan op naam van door phishing verkregen persoonsgegevens een bestelling bij een webshop worden geplaatst. Door in de mailbox van het betreffende e-mailaccount regels in te stellen, merkt de accounthouder daar niets van. Inkomende e-mailberichten met bestel- en track and trace-gegevens, die trefwoorden bevatten zoals PostNL, Riverty en Zalando, kunnen direct naar een tijdelijke mailbox van de dader(s) worden doorgestuurd en buiten het zicht van de accounthouder worden gehouden, omdat e-mailberichten direct worden verplaatst naar de map verwijderde items. [applicatie] bevat een functionaliteit om periodiek op basis van het trackingnummer en de postcode van het afleveradres de status van een pakket bij een bezorgdienst op te vragen. Op deze manier kan in een overzicht gemakkelijk de status van een besteld pakket worden gevolgd;
  5. Identiteitsfraude. De afgevangen e-mails van bezorgdiensten bevatten naast een trackingcode ook een link om het afleveradres te wijzigen. Als hier gebruik van wordt gemaakt, kan de dader een pakket bijvoorbeeld bij een pakketpunt/-automaat laten bezorgen en het pakket daar afhalen. Voor het afhalen van een pakket is soms identificatie vereist. [applicatie] bevat een functionaliteit waarmee een afbeelding van identiteitsbewijs kan worden gemodificeerd. Hier kunnen illegaal verkregen afbeeldingen van identiteitsbewijzen voor worden misbruikt. Op basis van deze identiteitsbewijzen kan een nieuwe afbeelding worden gegenereerd, met een zelfgekozen naam en een willekeurig documentnummer. Deze nieuwe afbeelding kan vervolgens bij het ophalen van een pakket op de mobiele telefoon worden getoond.

De verdachte bekend op de zitting dat hij de applicatie met alle functionaliteiten zelf heeft gebouwd en op verschillende servers heeft gehost. Dit maakt dat verdachte het technisch hulpmiddel heeft overgedragen, verspreid, ter beschikking gesteld en voorhanden heeft gehad. De huur van de applicatie-servers van de verdachte is met cryptovaluta uit wallets van anderen betaald. Hiertoe zijn cryptoaccounts gehackt. Ook heeft verdachte met zijn applicatie-server afbeeldingen van identiteitsbewijzen van anderen ter beschikking gesteld en voorhanden gehad, met het doel om daarmee valse digitale ID-bewijzen te maken.

De verdachte heeft het gebruikt om phishingmails naar 105.000 klanten van een platform te verzenden. In de e-mails zat een link om de klanten te verleiden op die link te klikken en persoonsgegevens als gebruikersnaam en wachtwoord op een ogenschijnlijk betrouwbare online omgeving van een platform achter te laten. De rechtbank stelt vast dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de bij phishingaanvallen buitgemaakte gegevens door hiermee op e-mailaccounts van andere personen geautomatiseerd in te loggen, regels in te stellen en op hun naam bestellingen bij webshops te doen. Bovendien heeft verdachte ook zelf bestellingen opgehaald.

In de strafmotivering overweegt de rechtbank nog dat de verdachte jong is en een bepaalde spanning en het krijgen van (online) waardering lijken gepaard te zijn gegaan met het plegen van de verschillende vormen van cybercriminaliteit. De rechtbank hoopt dat een deels voorwaardelijke straf – als stok achter de deur – verdachte ervan weerhoudt in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen en zijn talenten op een andere wijze in te zetten.

Gebruik Exclu data in ‘Suske en Wiske’-zaak

De rechtbank Gelderland biedt in een uitspraak van 4 juli 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:4183) in de zogenoemde ‘Suske en Wiske’-zaak (vernoemd naar de nicknames van de (drugsbende)leiders op Exclu en EncroChat), meer details over de Exclu-operatie en interessante overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van het bewijs dat in Duitsland is vergaard.

In de uitspraak is te lezen dat op 22 juli 2022 een rechter-commissaris een machtiging verleent voor het voor het tappen van Exclu-verkeer van de Duitse server. Deze machtiging is daarna zes keer verlengd. Aangezien de server van Exclu zich in Duitsland bevond, is voor het onderscheppen van het berichtenverkeer en het verkrijgen van de sleutels de server op verzoek van Nederland gehackt door de Duitse bevoegde autoriteiten.

Voorwaarden machtiging rc

Bij beschikking van 25 augustus 2022 heeft de rechter-commissaris een machtiging verleend voor het hacken van de server van Exclu in Duitsland (in de zin van art. 126o Sv). Deze is daarna vijf keer verlengd. De beschikkingen van de rechter-commissaris en de verlengingen daarvan werden steeds gevolgd door Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) gericht aan de bevoegde Duitse autoriteiten. In de beschikking van 25 augustus 2022 werden aan de verleende machtiging de voorwaarden verbonden dat de vergaarde informatie slechts mag worden doorzocht op vast te leggen zoeksleutels terwijl de met die zoeksleutels geselecteerde informatie eerst aan de rechter-commissaris moet worden voorgelegd om de inhoud, omvang en relatie tot de vermoedelijk gepleegde of te plegen strafbare feiten te controleren en pas daarna aan het openbaar ministerie of de politie ten behoeve van (opsporings-)onderzoeken beschikbaar mag komen. Bovendien is aan de machtiging de absolute randvoorwaarde verbonden dat de vergaarde informatiecommunicatie slechts ter beschikking mag worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten als bedoeld in artikel 67 Sv eerste lid in georganiseerd verband gepleegd of beraamd en die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerde verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk.

In de onderhavige zaak voert de verdediging aan dat het bewijs onrechtmatig zou zijn verkregen en onbetrouwbaar bewijs zou opleveren. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) gaat de rechtbank na of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn beslissingen tot tappen respectievelijk hacken van de Exclu-server heeft kunnen komen. Daarbij heeft de rechtbank te waarborgen dat gebruik van de aldus verkregen Exclu-data zich verhoudt met het recht op een eerlijk proces, in die zin dat de rechtbank de “overall fairness” van de strafzaak tegen verdachte moet waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris onder de gegeven feiten en omstandigheden in redelijkheid tot de aldus afgegeven machtigingen met bijbehorende verlengingen heeft kunnen komen.

Betrouwbaarheid bewijs

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van het bewijs overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023 mag de rechtbank voor de Exclu-data in de strafzaak tegen verdachte, die door tappen van berichten en hacken van de server onder verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten is verkregen, behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, van de betrouwbaarheid van het onder verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten verrichte onderzoek, uitgaan.

Zowel over de Encrochat-data als de Exclu-data is een NFI rapportage opgemaakt waarin de deskundige verklaart dat er geen redenen gevonden zijn om te twijfelen aan de correctheid van de berichten uit het technisch hulpmiddel, behalve de fout met de omgedraaide bellende en gebelde tegenpartij. De datasets zijn weliswaar niet volledig in die zin dat zij niet alle ooit met de accounts verzonden of ontvangen berichten bevatten, maar dat kan verklaard worden door de automatische wisfunctie en/of het handmatig wissen van berichten. De gegevens van Exclu zijn voor 99,6 % volledig, waarbij het verschil met 100% komt door het ontbreken van interceptie-gegevens op 3 januari 2023 tussen 13:16 en 14:51 uur. Een aantal berichten is dubbel veiliggesteld, maar deze discrepantie heeft geen invloed op het gebruik van de gegevens verkregen uit de interceptie van de Exclu-berichten dienst. De verdediging draagt onvoldoende concrete aanwijzingen aan over de onbetrouwbaarheid van de Exclu-data. Het enkele noemen van een verkeerde toeschrijving van een bericht aan een bepaald account in een ander onderzoek volstaat daartoe volgens de rechtbank niet.

Bewijsoverwegingen omtrent ANOM in grote drugszaak

In een uitgebreide en lezenswaardige uitspraak (ECLI:NL:RBOBR:2024:3404) gaat de rechtbank Oost-Brabant in op bewijsverweren inzake de toegang en het gebruik van bewijs uit cryptophone-operaties. In dit geval meer specifiek de ANOM-operatie.

Op 24 november 2020 werd naar aanleiding van informatie die werd verkregen van het Team Criminele Inlichtingen een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Baraga. Onderzoek Baraga richtte zich op de productie van en/of handel in (grondstoffen voor) synthetische drugs en deelneming aan een criminele organisatie. Gedurende het onderzoek kreeg het onderzoeksteam de beschikking over onderzoeksgegevens uit andere, al dan niet lopende, opsporingsonderzoeken en over data van meerdere cryptocommunicatiediensten (EncroChat, SkyECC en ANØM). Daarnaast werd gebruik gemaakt van diverse opsporingsmethoden zoals telefoontaps, observaties en het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) op meerdere locaties dan wel in voertuigen. Tijdens het onderzoek is hierdoor een groot aantal andere personen in beeld gekomen, die of samen met (een van) de hoofdverdachten, danwel in (diens) opdracht of in wisselende samenstelling(en) met een ander of anderen strafbare feiten hebben gepleegd. De diverse verdachten konden worden gekoppeld aan acht drugslaboratoria in Nederland en België waar synthetische drugs konden worden geproduceerd (al dan niet in opbouw, actief of voormalig) en aan opslaglocaties die hier verband mee hielden.

Het onderzoek heeft tot de verdenking geleid dat verschillende misdrijven zijn gepleegd. Kort weergegeven zijn de volgende feiten ten laste gelegd (het verschilt per verdachte welke feiten precies ten laste zijn gelegd):

  • het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van (met)amfetamine en/of MDMA als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet;
  • het (mede)plegen van de productie van (met)amfetamine en MDMA op verschillende locaties;
  • deelname aan een organisatie die als oogmerk heeft het plegen van misdrijven bedoeld in artikel 10 lid 3 en/of lid 4 en/of lid 5 van de Opiumwet, al dan niet als leider;
  • het voorhanden hebben van (een of meerdere) vuurwapen(s).

Door de verdediging is verweer gevoerd tegen de bruikbaarheid van alle in het dossier beschikbare cryptodata, te weten de data van de diensten EncroChat, SkyECC en ANØM. De verdediging wijst daarbij op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 30 april 2024 (ECLI:EU:C:2024:372) en benadrukt dat uit dit arrest blijkt dat het Unierecht in Nederland onjuist is toegepast. Ook zou de Hoge Raad in de beslissing van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) onjuist hebben overwogen dat de EOB-richtlijn beperkt is tot de inzet van bevoegdheden als genoemd in de artikelen 126m en 126t Sv. Ook is onjuist overwogen dat hetgeen is bepaald in artikel 31 van de EOB-richtlijn niet is geschreven ter bescherming van specifieke belangen van de af te tappen of afgetapte persoon, maar verband houdt met de soevereiniteit van de betrokken landen.

Kortgezegd overweegt de rechtbank dat Nederland in de ANOM operatie niet het desbetreffende ‘derde land’ is geweest die de interceptie heeft gefaciliteerd voor de Amerikanen van communicatie uit de cryptotelefoons. Het derde land is een land in de Europese Unie en heeft conform haar eigen juridische processen een gerechtelijke machtiging heeft verkregen voor het kopiëren van ANØM-berichten op de in dat land staande server. Volgens de rechtbank is hier slechts sprake geweest van technische bijstand door het derde EU-land. De rechtbank wijst hierbij ook naar hetgeen de Hoge Raad in het arrest van 13 juni 2023 onder 6.10 heeft overwogen. Daar is sprake van een vergelijkbare duiding van bijstand. Omdat het ook hier enkel ging om technische bijstand is van een situatie als bedoeld in artikel 31 van de EOB-richtlijn geen sprake geweest. Het derde land was niet de intercepterende staat. De rechtbank overweegt ook dat niet is gebleken van een rol van de Nederlandse opsporingsautoriteiten bij de uitvoering van de interceptie. Dat de Nederlandse opsporingsautoriteiten op enig moment betrokken raakten is ten gevolge van het feit dat Nederland in de top vijf gebruikende landen bleek te staan niet verbazingwekkend. Dat maakt echter niet dat sprake is van een opsporingsonderzoek onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Alle onderzoekswensen van de verdediging worden daarom afgewezen.

Uit het voorgaande volgt dat ook waar het de bestreden rechtmatigheid van de verkrijging van bewijsmateriaal van ANØM-toestellen betreft, het niet aan de Nederlandse strafrechter is om het onderzoek in het buitenland te toetsen. De rechtbank verwerpt de verweren voor zover zij zien op de (on)rechtmatigheid van de verkrijging van bewijsmateriaal afkomstig van ANØM-toestellen. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat door de verdediging in de diverse zaken de betrouwbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal niet is bestreden. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat het onderzoek in de Verenigde Staten zo is uitgevoerd dat de resultaten betrouwbaar zijn en ziet, ook ambtshalve, geen aanwijzingen voor het tegendeel die aanleiding geven tot nader onderzoek van de betrouwbaarheid.

Voor de verwerking van bewijsmateriaal afkomstig van ANØM-toestellen is geen machtiging van de rechter-commissaris gevorderd. De rechtbank is in het licht van het door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing uiteengezette kader van oordeel dat daartoe ook in het geval van ANØM-gegevens geen noodzaak bestond. Het Openbaar Ministerie heeft zelf wel kaders gesteld voor en voorwaarden verbonden aan de (verdere) verwerking van dit bewijsmateriaal. Ook hier is door de verdediging niet aangevoerd dat in strijd met de door het Openbaar Ministerie gestelde voorwaarden is gehandeld en de rechtbank ziet ook geen aanwijzingen voor dat oordeel.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat de Richtlijnen 2002/58/EG en 2016/680, noch de jurisprudentie van het EHRM die ziet op bulkinterceptie van data en mogelijke strijd daarvan met artikel 8 EVRM op de verwerking van het onderhavige bewijsmateriaal van toepassing, omdat dit voortvloeit uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad. Evenmin is het kader dat voortvloeit uit het Prokuratuur-arrest van toepassing, nu ook die rechtspraak immers niet ziet op de interceptie van gegevens in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de aanbieders van diensten waarmee berichten versleuteld kunnen worden verzonden, en naar de gebruikers van die diensten, in verband met de in relatie tot het aanbieden en het gebruik gerezen verdenkingen. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het bewijsmateriaal afkomstig van de toestellen rechtmatig is verwerkt.

Op de fascinerende combinatie van bewijsmiddelen wordt verder in dit bericht niet ingegaan. De verdachte in de onderhavige zaak wordt veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

Meer duidelijkheid over de Exclu-operatie

Bron: dit is een met AI gegenereerde afbeelding door WordPress

Dit bericht is geüpdatet op 7 maart 2025

Exclu is een type cryptotelefoon, die het mogelijk maakt berichten, foto’s, notities, gesproken memo’s, chatconversaties en video’s met andere Exclu-gebruikers uit te wisselen. Exclu had volgens een persbericht van Openbaar Ministerie naar schatting 3000 gebruikers, waarvan 750 Nederlandstaligen. In het persbericht van Eurojust is te lezen dat een server in Duitsland stond.

De politie en het Openbaar Ministerie konden vijf maanden de berichten van Exclu-gebruikers meelezen. Hierbij waren onder meer zeven politie-eenheden, de FIOD en Rijksrecherche betrokken. Op vrijdag 3 februari 2023 is de berichtendienst ontmanteld. Daarbij vonden 79 doorzoekingen plaats, werden 200 telefoon in beslag genomen en vonden 42 aanhoudingen plaats in onder meer Nederland, Duitsland en België. Onder de aangehouden personen zijn zowel gebruikers, als ook eigenaren en beheerders van de dienst Exclu.

Cyberbunker

In mediaberichten (zoals in het Parool) is verder te lezen dat Exclu rond 2015 is ontwikkeld door Herman Johan X.. De Nederlandse ict’er runt in Duitsland een computercentrum in een voormalige Navo-bunker (‘Cyberbunker’ genoemd). In het artikel van het Parool is te lezen dat toen de datakabel van de server in september 2022 werd verwisseld, de politie vijf maanden de berichten kon meelezen.

Dit achtergrondartikel over cyberbunker van Tweakers.net is ook lezenwaardig. Daar is in te lezen dat X. door de Duitse rechtbank is veroordeeld tot vijf jaar en negen maanden gevangenisstraf wegens het vormen van en deelnemen aan een criminele organisatie waar hij aan het hoofd stond. De rechtbank oordeelde dat X en medeverdachten zich niet schuldig hadden gemaakt aan medeplichtigheid aan de strafbare feiten die zijn gepleegd op de illegale marktplaatsen die op de servers in de bunker werden gehost. Inmiddels is volgens Der Spiegel een nieuw strafbaar feit aan het Duitse wetboek van strafrecht toegevoegd, die gaat over ‘strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het exploiteren van criminele handelsplatforms op internet’. Het is een strafbaar feit om ‘een handelsplatform op internet te exploiteren dat tot doel heeft het plegen van illegale handelingen mogelijk te maken of te bevorderen’.

Onderzoek ’26Samber’ en ’26Lytham’

De cryptophone-onderzoeken met betrekking tot Exclu hebben de namen ‘26Samber’ en ‘26Lytham’. Het onderzoek 26Samber, dat startte in september 2020, richt zich op de aanbieders van het platform Exclu. Het onderzoek 26Lytham is op 28 april 2022 gestart en richt zich op de gebruikers van Exclu van wie wordt vermoed dat zij in georganiseerd verband misdrijven plegen.

De doelstelling van onderzoek 26Lytham is het identificeren van de NN-gebruikers van Exclu. Deze informatie wordt vervolgens uitgegeven aan ‘titel IVa-doelonderzoeken’, oftewel gebruikt ten behoeve van andere opsporingsonderzoeken. De rechtbank Zeeland-West-Brabant leidt in ECLI:NL:RBZWB:2024:8122 uit de verantwoordingsstukken over onderzoek 26Lytham af dat dit onderzoek is aangevangen met het doel om de identiteit te achterhalen van de NN-gebruikers van Exclu. Op basis van die doelstelling is berichtenverkeer tussen de gebruikers van Exclu onderschept en ontsleuteld. Omdat de server van Exclu zich op dat moment in Duitsland bevond, heeft voor de interceptie van de berichtenstroom en het verkrijgen van de sleutels een hack plaatsgevonden op de server. De Duitse politiële autoriteiten zijn daartoe overgaan, nadat Nederland hiertoe een verzoek heeft gedaan.

Het Duitse Landeskriminalamt (LKA) Rheinland-Pfalz startte in juni 2020 ook een onderzoek naar Exclu. In het persbericht staat hierover: ‘in goede samenwerking kon Nederland in Duitsland onderzoek doen met oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal voor haar onderzoek’. Onderzoek Nuntius betreft een Duitse strafzaak, onder kenmerk 3StR 306/22, waarop het Bundesgerichtshof in Karlsruhe op 12 september 2023 uitspraak heeft gedaan. Dit is een verwijzing naar de ‘Cyberbunker-uitspraak’.

In een tussentijdse beslissing in hoger beroep (ECLI:NL:GHDHA:2025:274) van 21 januari 2025 verduidelijkt het gerechtshof Den Haag de rol van de Nederlandse opsporingsinstanties in het Exclu-onderzoek

Het hof overweegt hierover dat uit de bewoordingen van het EOB, inzake de machtiging ex artikel 126uba Sv van de rechter-commissaris van 26 augustus 2022, volgt dat aan de Duitse autoriteiten is verzocht om Nederlandse opsporingsambtenaren toestemming te verlenen om vanaf Nederlands grondgebied binnen te dringen in een zich in Duitsland bevindende Exclu-berichtenserver. Tevens is verzocht om technische bijstand te mogen verlenen bij de plaatsing en monitoring van het interceptiemiddel. Daarnaast staat in het EOB vermeld dat de ontsleuteling van de Exclu-berichten in Nederland zal plaatsvinden. Het hof constateert op basis van het dossier dat de Nederlandse politie (team DIGIT) de in het Exclu-communicatieprotocol toegepaste versleuteling heeft geanalyseerd en ongedaan heeft gemaakt.

De advocaat-generaal heeft uitdrukkelijk erkend dat Nederlandse opsporingsambtenaren in het Exclu-onderzoek zelfstandig opsporingshandelingen hebben verricht. Hij heeft hun rol zelfs als ‘leidend’ bestempeld. Het dossier bevat een grote hoeveelheid stukken, waaronder vorderingen tot machtiging ex artikel 126uba Sv, beslissingen van de rechter-commissaris, bevelen van de officier van justitie, EOB’s en processen-verbaal van politie, waarin gedetailleerd wordt omschreven welke onderzoekshandelingen zijn verricht. Het gerechtshof overweegt daarop dat de onderzoekshandelingen onder de verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten hebben plaatsgevonden. Het hof acht het vertrouwensbeginsel ook in deze omstandigheden onverkort van toepassing.

Machtiging voor het tappen van de server en inzet hackbevoegdheid

In een uitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2024:4183) van de rechtbank Gelderland van 4 juli 2024 staat dat op 22 juli 2022 een rechter-commissaris een machtiging verleent voor het voor het tappen van Exclu-verkeer van de Duitse server. Deze machtiging is daarna zes keer verlengd. In de eerste beschikking wordt verwezen naar de daaraan voorafgaande vordering met het proces-verbaal van verdenking van 20 juli 2022. In het proces-verbaal van verdenking wordt beschreven dat de Exclu applicatie via geselecteerde “resellers” wordt verkocht waarbij uitsluitend contant of via bitcoin wordt betaald, terwijl geen enkele identificatie plaatsvindt. De Exclu applicatie heeft kenmerken zoals “panic button”, “icon change” en “dummy applicaties” waarmee kennelijk het gebruik van Exclu wordt beoogd te verhullen.

In de tweede beschikking, van 25 augustus 2022, heeft de rechter-commissaris een machtiging verleend voor het hacken van de server van Exclu in Duitsland (ex. artikel 126uba Sv) (zie ECLI:NL:RBZWB:2024:8122). Deze machtiging is vijf keer verlengd. Aan de tweede beschikking is een vordering voorafgegaan, met daarbij het proces-verbaal met kenmerk 26Lytham-00053 en verwijzing naar het eerder overgelegde proces-verbaal van verdenking met kenmerk 26Lytham-0026. Deze beschikkingen en verlengingen zijn steeds opgevolgd door Europese onderzoeksbevelen, gericht aan de bevoegde Duitse autoriteiten.

Voorwaarden machtiging inzet hackbevoegdheid

In de beschikking van 25 augustus 2022 werden aan de verleende machtiging de volgende voorwaarden verbonden (zie ECLI:NL:RBGEL:2024:4183). De vergaarde informatie slechts mag worden doorzocht op vast te leggen zoeksleutels, terwijl de met die zoeksleutels geselecteerde informatie eerst aan de rechter-commissaris moet worden voorgelegd om de inhoud, omvang en relatie tot de vermoedelijk gepleegde of te plegen strafbare feiten te controleren. Pas daarna mag het beschikbaar komen aan het openbaar ministerie of de politie ten behoeve van (opsporings-)onderzoeken. Bovendien is aan de machtiging de absolute randvoorwaarde verbonden dat de vergaarde informatiecommunicatie slechts ter beschikking mag worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten als bedoeld in artikel 67 Sv eerste lid in georganiseerd verband gepleegd of beraamd en die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerde verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk.

Hackbevoegdheid en betrouwbaarheid van bewijs

In de eerder aangehaalde uitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2024:4183) van de rechtbank Gelderland overweegt de rechtbank over de betrouwbaarheid van het bewijs het volgende. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913 mag de rechtbank voor de Exclu-data in de strafzaak tegen verdachte, die door tappen van berichten en hacken van de server onder verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten is verkregen, behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, van de betrouwbaarheid van het onder verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten verrichte onderzoek, uitgaan.

Zowel over de Encrochat-data als de Exclu-data is een NFI rapportage opgemaakt waarin de deskundige verklaart dat er geen redenen gevonden zijn om te twijfelen aan de correctheid van de berichten uit het technisch hulpmiddel, behalve de fout met de omgedraaide bellende en gebelde tegenpartij. De datasets zijn weliswaar niet volledig in die zin dat zij niet alle ooit met de accounts verzonden of ontvangen berichten bevatten, maar dat kan verklaard worden door de automatische wisfunctie en/of het handmatig wissen van berichten. De gegevens van Exclu zijn voor 99,6 % volledig, waarbij het verschil met 100% komt door het ontbreken van interceptie-gegevens op 3 januari 2023 tussen 13:16 en 14:51 uur. Een aantal berichten is dubbel veiliggesteld, maar deze discrepantie heeft geen invloed op het gebruik van de gegevens verkregen uit de interceptie van de Exclu-berichten dienst. De verdediging draagt onvoldoende concrete aanwijzingen aan over de onbetrouwbaarheid van de Exclu-data. Het enkele noemen van een verkeerde toeschrijving van een bericht aan een bepaald account in een ander onderzoek volstaat daartoe volgens de rechtbank niet.

Geheimhouders

In het persbericht van Exclu staat ditmaal expliciet een oproep aan geheimhouders om zich te melden:

“Gebruikers van Exclu die zich kunnen beroepen op het wettelijk verschoningsrecht, zoals advocaten, notarissen, artsen of geestelijken, kunnen dit melden. Zij dienen hun gebruikersgegevens te delen met de politie via geheimhouders@OM.nl. De politie zal dit controleren en indien gegrond, de gegevens verwijderen. Op dit moment kan niemand meer gebruikmaken van de diensten van Exclu.”

Deze blog wordt geüpdatet als nieuwe informatie over de operatie via de rechtspraak bekend wordt. Op 30 augustus 2024 is dit bericht voor het laatst geüpdatet.

Cybercrime jurisprudentieoverzicht oktober 2023

Eerste veroordeling naar aanleiding van de Exclu-operatie

Op 9 oktober 2023 heeft de rechtbank Overijssel voor het eerst een uitspraak (ECLI:NL:RBOVE:2023:3929) gedaan naar aanleiding van de operatie naar de cryptotelefoon ‘Exclu’.

De rechtbank vermeld dat op 28 april 2022 onder gezag van het Landelijk Parket op grond van artikel 126o Sv – in samenwerking met Duitsland – een opsporingsonderzoek is gestart onder de naam ‘26Lytham’. In artikel 126o Sv staat de hackbevoegdheid vermeld die de politie onder leiding van het OM mag inzetten in opsporingsonderzoeken naar misdrijven die worden gepleegd of beraamd in georganiseerd verband. Het onderzoek richtte zich op gebruikers van de versleutelde communicatie onder het merk Exclu.

In de uitspraak staat duidelijk de aanleiding van het opsporingsonderzoek. Het onderzoek Lytham26 heeft geleid tot het aantreffen van een ‘hit’ aan de hand van het gebruik van een vastgestelde zoeksleutel, namelijk het woord ‘stemp’ van ‘stempel’. Het was verbalisanten ambtshalve bekend dat blokken cocaïne worden voorzien van een logo die er met een stempel in wordt gedrukt. Binnen de communicatie omtrent blokken cocaïne wordt vaak het logo gebruikt om aan te duiden over welke blokken het gaat. Ook bleek dat een afbeelding gelijkend op een blok cocaïne werd verzonden door de gebruiker van het Exclu-account.

Daarop is een nader onderzoek ingesteld naar (onder meer) deze gebruiker. Tijdens dit onderzoek ontstond het vermoeden dat Exclu-account betrokken was bij de handel in cocaïne, gelet op de gesprekken die werden gevoerd met meerdere tegencontacten. De door dit opsporingsonderzoek verkregen informatie heeft geleid tot de verdenking dat sprake was van een criminele drugsorganisatie waaraan verdachte onder een alias deelnam.

De uitspraak bevat ook interessante overwegingen over de identificatie van de verdachte. De verdachte is vervolgens geïdentificeerd aan de hand van zijn IP-adres. Uit nader onderzoek van de chats die zijn verstuurd door Exclu-ID bleek dat het account veelvuldig gebruikt maakte van een vast IP-adres. Uit de opgevraagde gegevens uit het ‘CIOT-systeem’ was dit IP-adres gekoppeld aan het adres waar de verdachte destijds stond ingeschreven. Over de identificatie van de verdachte overweegt de rechtbank verder dat de verdachte een Exclu-app op zijn telefoon had geïnstalleerd en dat bijvoorbeeld details in foto’s met drugs overeenkwamen met details in de woning van de verdachte (een badkamertegel).

De rechtbank concludeert dat uit de Exclu-chats blijkt dat verdachte met anderen heeft gecommuniceerd over de voorraad cocaïne, de aflevering van cocaïne en de hoeveelheid geld die daarmee werd verdiend. De woning van de verdachte werd gebruikt als een zogeheten ‘stash’-locatie, een soort doorsluispand waar verdovende middelen en geld worden gebracht, bewaard en weggebracht. Ook was hij zelf betrokken bij het afleveren van drugs en beheerde hij het geld.

De rechtbank veroordeelt de 38-jarige verdachte tot een gevangenisstraf van vijf jaar voor het medeplegen van het opzettelijk handelen in harddrugs.

7 jaar cel voor illegale handel met cryptovaluta en drugsdelicten

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 15 september 2023 een 42-jarige man veroordeeld (ECLI:NL:RBOBR:2023:4543) voor witwassen door middel van handel in cryptocurrency, valsheid in geschrifte en enkele drugsdelicten. Hij verhandelde illegaal in cryptovaluta van in totaal ruim 11 miljoen dollar (!) en regelde onder andere drugstransporten met XTC.

De verdachte werd in maart 2020 aangehouden in het kader van een ander drugs- en witwasonderzoek. Bij het doorzoeken van zijn woning trof de politie in het plafond van de badkamer verschillende notitieboekjes aan. Daar trof de politie ‘mnenomic phrases’ aan. Een mnenomic phrase is een herstelzin of woordenreeks, bestaande uit 12 tot 24 woorden, voor het openen of herstellen van een cryptovaluta wallet. Deze woordenreeks is vergelijkbaar met de pincode van een bankrekening en betreft een zeer persoonlijke code. Alleen deze code verschaft toegang tot een desbetreffende cryptovaluta wallet. Een van de bij verdachte aangetroffen mnenomic phrases (hierna ook wel private key) verschaft toegang tot een wallet met cryptovaluta ter waarde van ruim $3,5 miljoen. Hieruit kwam vast te staan dat hij tussen januari 2017 en maart 2022 als tussenpersoon cryptovaluta over de hele wereld verhandelde.

In totaal vonden in een periode van vijf jaar, 780 transacties plaats op de tenlastegelegde cryptovaluta wallets van diverse cryptovaluta met een totale inkomende waarde van ruim $11 miljoen. Per transactie ontving de verdachte een zeer hoge commissie, namelijk 4 tot 6 procent van het verhandelde bedrag. Een gebruikelijke werkwijze was dat grote sommen contact geld aan de verdachte werden overhandigd, en hij dit cash geld vervolgens omzette in cryptovaluta. Daarnaast had verdachte geen wetenschap van de identiteit van de personen met wie hij handelde. In de chatgesprekken wordt gebruik gemaakt van ‘codenamen’, ook door verdachte, en voor de overdacht van gelden, wordt gebruik gemaakt van een nummer/token waardoor de identiteit van de betrokken personen niet bekend wordt. De verdachte heeft geen administratie van zijn transacties bijgehouden, ondanks dat dit vaak over zeer grote bedragen per transactie gaat.

Daar komt bij dat er één van de cryptowallets transacties hebben plaatsgevonden waarvan bijna de helft van de transacties afkomstig is van een ‘darknet’ respectievelijk van ‘mixing’, aldus de rechtbank. Dit wordt volgens de rechtbank als middel gebruikt om potentieel identificeerbare of ‘besmette’ cryptovaluta met andere te mengen om de oorspronkelijke bron te verhullen. De verdachte had zelf in die periode nauwelijks legale inkomsten of vermogen. Vanaf 2018 ontving hij geen salaris meer en zijn bankrekening werd grotendeels gevoed door onverklaarbare contante stortingen. Daarnaast past zijn uitgavepatroon niet bij de legale inkomsten van de verdachte. Zo trof de politie een behoorlijke hoeveelheid luxegoederen aan in zijn woning, maakte hij regelmatig vliegreizen en kocht hij onroerend goed in Spanje met contant geld. Hij kon voor dit alles geen plausibele verklaring geven. Dit alles tezamen betekent dat de verdachte zich jarenlang schuldig maakte aan gewoontewitwassen.

Veroordeling voor online handelsfraude

De rechtbank Rotterdam veroordeelde (ECLI:NL:RBROT:2023:6492) op 13 juli 2023 een verdachte voor grootschalige en langdurige online handelsfraude door middel van verschillende webshops en het witwassen van geldbedragen (mede) afkomstig uit die online handelsfraude. Aan de verdachte is online handelsfraude als bedoeld in artikel 326e Sr ten laste gelegd. Hier is nog weinig jurisprudentie over en daarom het signaleren waard.

Van online handelsfraude is kort gezegd sprake als de verdachte een beroep of gewoonte maakt van het via het internet verkopen van goederen of diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering van die goederen de betaling te ontvangen.

De rechtbank overweegt dat de verdachte met behulp van de in de tenlastelegging genoemde websites, luxe kleding, schoenen en accessoires heeft aangeboden met het oogmerk om geld te ontvangen, terwijl hij wist dat hij niet kon leveren. Uitzendingen van Opgelicht?! hebben er mede toe geleid dat de politie onderzoek is gaan doen. Op de zitting is veel te doen geweest over de hoeveelheid klanten die aangiften hebben gedaan. De raadsman heeft terecht opgemerkt dat het dossier soms slordig is en dat hij niet kan controleren of de lijsten en tabellen in het dossier kloppen. Maar de rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de overzichten van de aangiften en de klachten die zijn gemaakt door de politie, waaruit blijkt dat tussen 13 juni 2019 en 15 juni 2020 in totaal ongeveer 115 keer aangifte is gedaan tegen de verdachte terwijl daarnaast 56 en 27 personen tegenover de politie hebben verklaard niets of verkeerde goederen te hebben ontvangen na een bestelling bij een van de websites op de tenlastelegging. Met de raadsman heeft de rechtbank vastgesteld dat in de gehele ten laste gelegde periode de verdachte waarschijnlijk ruim 850 verkopen heeft gedaan.

Verder gaan de door de verdachte overgelegde screenshots en ‘track and trace’-codes over bestellingen van kleding en schoenen en over leveringen. Dit wekt op zijn minst de indruk van handelsactiviteiten. Ten slotte zijn er acht ‘moneytransfers’ verricht. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, maakt dit aannemelijk dat de verdachte dan misschien niet de beste internetondernemer is geweest, maar wel dat er gedurende een zekere periode daadwerkelijk sprake is geweest van reguliere online handel.

Om het feit van artikel 326e Sr te begaan is het geen noodzakelijke voorwaarde dat de koper heeft betaald. Het gaat erom dat de verdachte goederen aanbiedt met het oogmerk om de betaling te ontvangen terwijl hij weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat hij niet kan leveren. Dat moment doet zich naar het oordeel van de rechtbank in elk geval voor telkens als de verdachte na 17 september 2019 goederen aanbiedt en een koper vervolgens een bestelling plaatst op een van de websites van de verdachte.

De rechtbank overweegt nog dat media-aandacht, door onder andere het programma Oplichting?!, een negatieve impact op de verdachte en zijn privéleven heeft gehad, maar niet in die mate dat dit tot strafvermindering zou moeten leiden. Terecht heeft de raadsman bezwaar gemaakt tegen het vastleggen van de aanhouding van een verdachte op (bewegend) beeld. Immers, niet onmiddellijk duidelijk is welk (publiek) belang daarmee wordt gediend. Bij het faciliteren van het filmen en vervolgens uitzenden van dergelijke politieacties is dan ook voorzichtigheid en terughoudendheid geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank is door de verdediging echter onvoldoende geconcretiseerd dat en hoe door het filmen en vervolgens uitzenden van de aanhouding van de verdachte en de verdere media-aandacht voor de zaak het recht op een eerlijk proces in het gedrang zou zijn gekomen. Niet gebleken is dat het recht op een eerlijk proces van de verdachte bij deze rechtbank en meer in het bijzonder de onschuldpresumptie daadwerkelijk is aangetast. De rechtbank legt de verdachte twee jaar gevangenisstraf op.